CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

28. Informatiebrief over Plan-Mer proces RES 1.0.; Ontwerp Notitie van Reikwijdte en Detailniveau

Gemeenteraad 9 oktober 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Aanvullende lijst van ingekomen stukken30.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hierbij ontstaan aanvullende ingreep-effectrelaties die in het plan-MER in een losstaand kader beschreven en beoordeeld worden.

5.1

Uitgangspunten referentieturbines

Milieueffecten van windturbines hangen soms samen met het formaat of het vermogen van een windturbine. Voor het milieuonderzoek zijn daarom twee referentieturbines geselecteerd (tabel 5.1). Deze referentieturbines worden gebruikt om de bandbreedte in milieueffecten, waar dit speelt, weer te geven. Voor het plan-MER wordt aangenomen dat een windturbine op land kleiner dan 130 m ashoogte en een turbinevermogen van minder dan ongeveer 3,6 MW niet gangbaar is vanuit de markt. Anderzijds is een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 190 m en een tiphoogte van meer dan 280 m richting 2030 de bovengrens. Grotere windturbines (in omvang en vermogen) worden momenteel enkel gerealiseerd op zee.

Tabel 5.1 Overzicht van referentieturbines Ashoogte (m)

Rotordiameter (m)

Tiphoogte (m)

Vermogen (MW)

ondergrens

130

130

195

3,6

bovengrens

190

180

280

7,2

27 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

De gemiddelde windsnelheid in de RES-regio ligt tussen 7,0 en 7,5 m/s. Dit levert per MW een jaarlijkse opbrengst van gemiddeld 3.150 MWh op1. Om het resterende deel van de ambitie voor windenergie (0,54 TWh) in te vullen met deze referentiewindturbines zijn 48 windturbines met tiphoogte van 195 m of 24 windturbines met tiphoogte van 280 m nodig.

5.2

In kaart brengen plangebied

In hoofdstuk 3 is beschreven hoe het ruimtelijk proces voor deze plan-mer eruitziet. In deze paragraaf wordt stap 1 verder toegelicht: het plangebied voor wind wordt in kaart gebracht. Dit gebeurt op basis van harde en zachte belemmeringen. In deze stap wordt duidelijk welke gebieden niet in aanmerking komen voor windenergie, en daarom niet onderzocht worden. Daarnaast wordt duidelijk van welke gebieden op voorhand al bekent is dat er aandachtspunten zijn vanuit milieu.

5.2.1

Harde belemmeringen

Binnen de regio zijn er gebieden waar grootschalige opwekking van duurzame energie vanuit (milieu-) wetgeving niet is toegestaan of fysiek niet mogelijk is. Het is niet nodig om deze gebieden te onderzoeken in het milieuonderzoek. Op voorhand is al duidelijk dat grootschalige opwekking onmogelijk is. Daarom worden deze gebieden niet nader betrokken in het onderzoek. Grofweg zijn dit twee typen belemmering: 1 fysieke objecten: dit zijn bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorwegen, buisleidingen, bestaande windturbines). Het is hier fysiek niet mogelijk om een windturbines te realiseren; 2 beperkingen vanuit wet- en regelgeving: dit legt beperkingen op vanuit onder andere geluid, (externe) veiligheid, waterkwaliteit en waterveiligheid. Deze harde belemmeringen zijn opgenomen in tabel 5.2. Soms zijn belemmeringen afhankelijk van het formaat van een windturbine. Waar dit van toepassing is, is dit aangegeven in de tabel.

Tabel 5.2 Harde belemmeringen windturbine (nee) Nr.

Aspect

Afstand

Afstand

130 m ashoogte (tiphoogte 195 m)

190 m ashoogte (tiphoogte 280 m)

Status

1

(zeer) kwetsbare gebouwen en locaties

195 m PR10-6, tiphoogte

280 m PR10-6, tiphoogte

Besluit Kwaliteit Leefomgeving artikel 5.10 lid 1

2

beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

65 m PR10-5, ½ rotordiameter

90 m PR10-5, ½ rotordiameter

Besluit Kwaliteit Leefomgeving artikel 5.11 lid 1

3

rijkswegen en provinciale wegen

object + 15 m

fysieke belemmering voor fundering

4

hoofdwaterwegen

object + 15 m

fysieke belemmering voor fundering

5

spoorwegen

65 m PR10-5, ½ rotordiameter

90 m PR10-5, ½ rotordiameter

fysieke belemmering voor windturbinebladen

6

bovengrondse hoogspanningslijn

65 m PR10-5, ½ rotordiameter

90 m PR10-5, ½ rotordiameter

fysieke belemmering voor windturbinebladen

1

Uit: Begrippenkader RES wind-op-land en zon-PV (2023) via https://www.regionaleenergiestrategie.nl/documenten/HandlerDownloadFiles.ashx?idnv=2202978

28 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Nr.

Aspect

Afstand

Afstand

130 m ashoogte (tiphoogte 195 m)

190 m ashoogte (tiphoogte 280 m)

Status

7

ondergrondse hoogspanningskabel

object + 15 m

fysieke belemmering voor fundering

8

buisleidingen

object + 20 m

fysieke belemmering voor fundering

9

milieubelastende activiteit

10 11

PR 10-6 contour behorende bij de activiteit

Besluit Kwaliteit Leefomgeving Bijlage VII

waterwingebied

object + 15 m

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 3.103

windturbines

PR10-6, tiphoogte

tiphoogte

Afbeelding 5.1 toont de harde belemmeringen voor windturbines met een ashoogte van 130m op kaart. Op dit schaalniveau is het effect van de bandbreedte van de referentieturbines in de harde belemmeringen niet zichtbaar.

Afbeelding 5.1 harde belemmeringen 130 m windturbines, provincie Zuid-Holland

5.2.2

Zachte belemmeringen

Naast wettelijke beperkingen vanuit hinder en veiligheid, gelden ook vanuit beleid belemmeringen. Onder zachte belemmeringen vallen richtafstanden, adviesafstanden die voortkomen uit beleid en regelgeving die afwijkingen mogelijk maken. Een voorbeeld van een zachte belemmering is de veiligheidscontour rond snelwegen. De zachte belemmeringen moeten dus worden gelezen als aandachtspunten vanuit milieu voor

29 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

de keuze in gebieden voor windturbines. Deze aandachtspunten komen terug in het milieuonderzoek. In tabel 5.3 staan de zachte belemmeringen met afstanden en bijbehorende status.

Tabel 5.3 Zachte belemmeringen windturbine (nee, tenzij en ja, mits) Nr.

Aspect

Afstand 130 m ashoogte (tiphoogte 195 m)

190 m ashoogte (tiphoogte 280 m)

65 m PR10-5, ½ rotordiameter

90 m PR10-5, ½ rotordiameter

Status

1

rijkswegen

2

hoofdwaterwegen

3

spoorwegen

4

molenbiotopen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.72 (nee, tenzij)

5

waterkeringen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.25 (nee, tenzij)

6

buisleidingen

7

stiltegebieden

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.98 (nee, tenzij)

8

Natuurnetwerk Nederland

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.109 (nee, tenzij)

9

Natura 2000

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland (nee, tenzij)

10

weidevogelgebied

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.43g (ja, mits)

11

ganzenrustgebied

begrenzing op kaart

Omgevingsbeleid Faunabeheer (ja, mits)

12

Neder Germaanse Linie

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.66 (ja, mits)

13

kroonjuwelen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.43n (nee, tenzij)

14

grondwaterbeschermingsgebied

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.100 lid 2 (ja, mits)

15

luchtvaart

begrenzing op kaart

Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.161a (nee, tenzij & ja mits)

16

gebieden met beschermingscategorie 2 (recreatiegebied en groene buffers)

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.43e (nee, tenzij)

30 | 54

object + 50 m

72,85 m ½ rotordiameter+ 7,85 m

195 m PR10-6, tiphoogte

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

97,85 m ½ rotordiameter+ 7,85 m

270 m PR10-6, tiphoogte

Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk. (nee, tenzij) Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk. (nee, tenzij) spoorwegenwet (nee, tenzij)

Advies door leidingbeheerder Gasunie (ja, mits)

Afbeelding 5.2 toont de zachte belemmeringen voor windturbines met een ashoogte van 130 meter. Op dit schaalniveau is het effect van de bandbreedte van de referentieturbines in de zachte belemmeringen niet zichtbaar.

Afbeelding 5.2 Zachte belemmeringen 130 m windturbines, provincie Zuid-Holland

In paragraaf 5.2.1 is uitgelegd dat het niet nodig is om gebieden met harde belemmeringen te onderzoeken in het milieuonderzoek. Op voorhand is al duidelijk dat grootschalige opwekking onmogelijk is. Gebieden met harde belemmeringen worden daarom niet nader betrokken in het onderzoek. Daarnaast worden ook gebieden met autonome ontwikkelingen niet verder betrokken in het onderzoek.

5.2.3

Onderzoeksgebied voor windenergie

Afbeelding 5.3 laat het onderzoeksgebied voor windenergie zien. Dit is het deel van het plangebied weer waar geen harde belemmeringen aanwezig zijn, gebaseerd op een windturbine met ashoogte van 130 meter. Dit is het resultaat van stap 1, en wordt gebruikt als basis voor het milieuonderzoek voor windenergie.

31 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 5.3 Onderzoeksgebied voor windenergie, provincie Zuid-Holland

5.3

Van onderzoeksgebied naar zoeklocaties

Zoals in de introductie en paragraaf 3.2 al beschreven is, faciliteert deze plan-mer het concretiseren van de zoekgebieden vanuit RES1.0 naar zoeklocaties. In deze paragraaf wordt deze stap 2 verder uitgewerkt. Het onderzoeksgebied (zie paragraaf 5.2.3) bevat locaties binnen en buiten de RES1.0-zoekgebieden. De RES-partners zijn niet voornemens om gebieden buiten de RES1.0-zoekgebieden te betrekken in hun besluit. Het onderzoeksgebied wordt gebruikt voor de juridische borging van de RES1.0 (spoor 1). Het is niet nodig om deze gebieden buiten de RES1.0-zoekgebieden in spoor 2 van de plan-mer te betrekken. Aanpassingen van de RES 1.0-kaart Een aantal gemeenten heeft voor, bij of na de vaststelling van RES1.0 lokale besluiten genomen die de uitgangspunten in de RES1.0 verfijnen, verduidelijken of wijzigen. In het plan-MER wordt rekening gehouden met deze besluiten. Afbeelding 5.4 toont de RES1.0-zoekgebieden voor windenergie en zonnevelden. Op deze afbeelding is zichtbaar dat de RES1.0-zoekgebieden in de RES1.0 grootschalig op kaart zijn weergegeven en/of grof gedefinieerd met verhaallijnen. Om tot concretere zoeklocaties voor windenergie te komen zijn eerst gebieden met belemmeringen geïdentificeerd (zie afbeelding 5.5).

De resterende gebieden (zie afbeelding 5.6) binnen de zoekgebieden, waarin in rekening gehouden wordt met gemeentelijke besluiten en autonome ontwikkelingen, zijn vervolgens opgedeeld of gecombineerd tot logische zoeklocaties op basis van transparante richtlijnen.

32 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 5.4 RES1.0-zoekgebieden voor wind en zon, provincie Zuid-Holland

33 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 5.5 Onderzoeksgebied en zoeklocaties voor windenergie in RES 1.0

Het onderzoeksgebied binnen RES 1.0 is uitgewerkt tot zoeklocaties (afbeelding 5.6). De zoeklocaties bestaan uit stukjes onderzoeksgebied binnen RES1.0 zoekgebieden die gebundeld zijn tot 8 zoeklocaties. Bij deze bundeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - basisregel: onderzoeksgebied binnen RES 1.0 dat binnen 1 kilometer van elkaar ligt is beschouwd als één zoeklocatie. Hierbij staat kilometer staat ongeveer gelijk aan 6x de rotordiameter van een grote moderne turbine (zie paragraaf 5.1). Dit is de maximale afstand waarbinnen windturbines nog een samenhang als windpark kunnen vormen; - vervolgens zijn enkele grotere zoeklocatie (locaties 1-2 nabij Leidschendam-Voorburg) gesplitst op basis van landschapstypen en ruimtelijke kenmerken: · locatie 1: zoeklocatie met enige afstand tot locatie 2 en ligging in een ander landschapstype: veenontginning; · locatie 2: zoeklocatie met enige afstand tot locatie 1 en ligging in een ander landschapstype droogmakerij. De nummering heeft alleen een functie om zoeklocaties van elkaar te onderscheiden en heeft inhoudelijk geen betekenis.

34 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 5.6 Zoeklocaties binnen de RES1.0 zoekgebieden voor windenergie

35 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

6 ALTERNATIEVEN VOOR WINDENERGIE Binnen de zoeklocaties voor windenergie worden drie alternatieven onderzocht, welke in dit hoofdstuk worden uitgewerkt. Dit heeft meerdere redenen. In de eerste plaats omdat het volgens artikel 11.3 lid 1 onder f van het Omgevingsbesluit wettelijke verplicht is ‘redelijke’ alternatieven te onderzoeken in een planMER. In de tweede plaats geeft het ook milieu-informatie die gebruikt kan worden bij de uiteindelijke locatiekeuze van windparken. Het plan-MER onderzoekt daarom naast het onderzoeksgebied drie alternatieve invullingen van de zoeklocaties die samen de keuzemogelijkheid en daarvan afgeleid milieu-impact weergeven: 1 landschap en ruimtelijke kwaliteit: in dit alternatief zijn kwetsbare (cultuur)landschappen en erfgoed zo veel mogelijk vermeden en zijn juist zoeklocaties geselecteerd waar een windpark door een bepaalde configuratie juist landschappelijke of cultuurhistorisch kenmerken en kwaliteiten kan versterken; 2 leefomgeving: in dit alternatief zijn gebieden met een hoge woningdichtheid vermeden en wordt extra rekening gehouden met veiligheid en gezondheid; 3 natuur: in dit alternatief zijn gebieden met een hoge biodiversiteit of belangrijke functie voor het ecosysteem vermeden. Dit zijn naast wettelijk beschermde gebieden ook locaties met bijvoorbeeld een functie als route of foerageergebied voor soorten.

Voorbeelden hiervan zijn Natura 2000-gebieden en weidevogelgebieden. De visies van de drie alternatieven worden in de volgende paragrafen uitgewerkt. Hoe deze visies concrete uitwerking vinden in de zoeklocaties wordt in de volgende fase in het plan-MER uitgewerkt.

6.1

Alternatief natuur

Het alternatief natuur richt zich op een invulling van de zoeklocaties die zo min mogelijk impact heeft op de natuur. Hierin wordt aandacht besteed aan beschermde gebieden en beschermde soorten. Ter onderbouwing van dit alternatief is een ecologische verkenning uitgevoerd (zie bijlage I) waarin een aantal ontwerprichtlijnen beschreven worden. Enkele van deze richtlijnen zijn al grotendeels betrokken in RES 1.0. Zo is afgesproken dat er geen opwekking van duurzame elektriciteit in Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Daarnaast is in RES 1.0 gekozen voor gebieden die zo veel mogelijk langs infrastructuur gelegen zijn. Deze gebieden zijn (deels) al sterk verstoort, en hebben veelal weinig potentie voor bijvoorbeeld vleermuizen.

6.2

Alternatief leefomgeving

Het alternatief leefomgeving richt zich op het zoveel mogelijk vermijden van effecten op de mens door hinder, gezondheid, veiligheidsrisico’s. De ernst en omvang van dit effect wordt door allerlei variabelen bepaald. Voor het alternatief leefomgeving wordt rekening gehouden met twee richtlijnen: 1 de afstand tussen de windturbines en kwetsbare of gevoelige objecten (waar personen langdurig verblijven). Hierbij wordt een afstand van 580 meter gehanteerd. Dit is 2x de tiphoogte van de grote referentieturbine (zie paragraaf 5.1). Dit sluit aan bij de norm die in het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving voorgesteld wordt; 2 het aantal personen dat aan een bepaald effect wordt blootgesteld (c.q. de personendichtheid in gebieden waar het effect optreedt).

36 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Ook de kenmerken van de windturbine (bron) zijn relevant. Zo bepalen de afmetingen en het bronvermogen hoeveel geluid, hinder en risico’s de turbine veroorzaakt. Hiertoe zijn in de NRD al representatieve referentieturbines geselecteerd. Zie paragraaf 5.1. Binnen het alternatief leefomgeving wordt hierop niet gevarieerd.

6.3

Alternatief landschap en ruimtelijke kwaliteit

Het alternatief landschap en ruimtelijke kwaliteit is gericht op het vermijden van kwetsbare (cultuur)landschappen en benutten van gebieden zodat kenmerken en kwaliteiten versterkt kunnen worden. Ter onderbouwing van het alternatief is een analyse naar landschappelijke richtlijnen uitgevoerd. Deze is in bijlage II opgenomen. De 11 richtlijnen die hieruit voortkomen zijn deels al in RES 1.0 toegepast. Zo zijn windturbines geclusterd langs infrastructuur en bij bedrijventerreinen en industrieclusters. Andere ontwerprichtlijnen zijn nog niet toe te passen omdat het alternatief (delen) van studielocaties selecteert en geen concrete turbineopstellingen of -posities bepaald.

Bij selectie van gebieden binnen zoeklocaties zijn de 11 richtlijnen overwogen die ook bij de beoordeling van de effecten op landschap en ruimtelijke kwaliteit worden toegepast (zie voor nadere toelichting bijlage II): 1 plaats windturbines bij bedrijventerreinen en industrieclusters; 2 plaats windturbines langs rijks- en provinciale wegen; 3 sluit aan bij de grote waterwegen; 4 kies voor ‘leegte’ en ‘volte’; 5 respecteer landschapstypen en hun overgang; 6 grootschalige windturbines in grootschalige landschappen; 7 grootschalige windturbines in vlakke landschappen; 8 maak solitaire windturbines in open landschap groot; 9 sluit aan bij bestaande opstellingen; 10 voorkom afwijkingen in (gebogen) lijnopstellingen; 11 cluster nieuwe windturbines om impact te concentreren. In aanvulling hierop zijn de zachte belemmeringen 3 (molenbiotopen), 6 (stiltegebieden), 10 (NederGermaanse Linie) en 11 (kroonjuwelen) uit tabel 5.3 mogelijke richtlijnen.

37 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

7 DETAILNIVEAU MILIEUONDERZOEK WINDENERGIE Dit hoofdstuk bevat een overzicht van het detailniveau van het milieuonderzoek voor wind. Per milieuthema zijn criteria gedefinieerd, en is een methode opgesteld. Dit vormt de uitwerking van stap 4 uit hoofdstuk 3, ‘beoordeling van milieueffecten’.

7.1

Beoordelingskader

Het opwekken van windenergie met windturbines heeft effecten op het milieu. Binnen het plan-MER worden de effecten onderzocht en beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 7.1 geeft een overzicht van de milieueffecten die worden verwacht, en in het plan-MER worden onderzocht. Ook wordt hierbij ingegaan op de manier van onderzoeken.

Tabel 7.1 Overzicht milieuonderzoeken voor windenergie Milieuthema

Criterium

Manier van onderzoeken

Natuur

Effecten op gebieden

Deskstudie naar natuurbeschermingsbeleid Stakeholderoverleg natuurbeheerders Analyse stikstofgevoelige natuurgebieden

Effecten op soorten

Data-analyse NDFF-hotspots vogels en vleermuizen Analyse soorten gevoelig voor windenergie o.b.v. data Sovon

Effecten op houtopstanden

Deskstudie naar bescherming en locaties

Inpasbaarheid op basis van ruimtelijke kwaliteit

Onderzoek naar kernwaarden vanuit provinciaal beleid en ontwerprichtlijnen

Zichtbaarheid en beleving

GIS-onderzoek naar zichtbaarheid

Cultuurhistorie en archeologie

Deskstudie naar huidig beleid

Geluid

Onderzoek normen, studie in Geomilieu, GIS-analyse

Slagschaduw

Onderzoek huidige wetgeving, modellering in Windpro

Veiligheid

Onderzoek huidige wetgeving, GIS-analyse

Gezondheid

Beschouwing van literatuur

Bodem

Deskstudie naar bodemkwaliteit

KRW-waterlichamen

Beschouwing KRW-gevoeligheid waterlichamen en perspectief

Drinkwater

Deskstudie naar provinciaal beschermde waterwingebieden

Energieopbrengst

Kwantitatieve studie met verschillende middelen: Windpro, GIS, python

Ruimtelijke kwaliteit

Leefomgeving

Bodem en water

Bijdrage aan RESambitie in 2030

38 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Effecten locatie strekdam Nieuwe Waterweg, gemeente Voorne aan zee??? In aanvulling op bovenstaande beoordelingskader wordt voor de zoeklocatie strekdam op hoofdlijnen onderzoek gedaan naar effecten op scheepvaartveiligheid en waterecologie. Bij een vervolg zullen deze thema’s nader onderzocht moeten worden. Scheepvaartveiligheid De strekdam ligt aan de rand van een vaarweg. De bouw van windturbines kan effecten hebben op de veilige passage van scheepvaart. In de effectbeschouwing wordt ingegaan op effecten op aanvaring en aandrijving en effecten op radarcommunicatie. Waterecologie De strekdam heeft onvoldoende landoppervlakte om windturbinefunderingen op het land te bouwen. De bouw van funderingen in het water kan effecten hebben op de waterecologie. Dit is sterk afhankelijk van het type fundering. Op zee en in diepe wateren worden funderingen vaak in het zand geheid. Zonder aanvullende maatregelen kan het geluid dat hiermee geproduceerd wordt in een groot gebied effecten hebben op zeezoogdieren. Aan de kust is het misschien ook mogelijk om betonnen funderingen te gebruiken. De werkzaamheden die hiervoor nodig zijn hebben beperktere effecten. Door werkzaamheden zijn effecten te verwachten door uitstoot van stikstof en op dieren die de strekdam als rustplaats gebruiken.

De aanwezigheid van windturbines heeft effecten op ecologie door aanvaring met vogels en vleermuizen, en verstoort mogelijk dieren die de strekdam als rustplaats gebruiken.

7.2

Onderzoeken

In deze paragraaf wordt het beoordelingskader per milieuthema gespecificeerd.

7.2.1

Ruimtelijke kwaliteit

De plaatsing van windturbines in het landschap heeft effecten op de belevingswaarde en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De effecten die windturbines veroorzaken kunnen gemitigeerd worden door een ontwerp dat rekening houdt met het landschap. In het plan-MER wordt de passendheid van windturbines bij het landschap beoordeeld op verschillende criteria. Cultuurhistorie en archeologie Provincie Zuid-Holland heeft in haar omgevingsverordening regels opgesteld ter bescherming van landschapselementen. Cultuurhistorische kroonjuwelen, molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen worden door de provincie beschermd tegen aantasting. In het provinciaal plan-MER voor module Energietransitie uit 2022 hanteert provincie Zuid-Holland aanvullende afstandscontouren aan waarbinnen zorgvuldige afweging nodig is om aantasting te voorkomen. Aanvullend wordt rekening gehouden met UNESCO werelderfgoed, gebieden met een archeologische waarde, rijksmonumenten en beschermde stadsen dorpsgezichten.

Tabel 7.2 Overzichtstabel met typen gebieden, beschermwaarde en eventuele afstandscontour die in het onderzoek wordt aangehouden Landschapselement

Type bescherming

Cultuurhistorische kroonjuwelen

begrenzing en afstandscontour

1.000

Molenbiotopen

begrenzing en afstandscontour

1.000

Landgoed- en kasteelbiotopen

begrenzing en afstandscontour

500

UNESCO werelderfgoed

zorgplicht instandhouding

-

Gebieden met archeologische waarde

begrenzing

-

39 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afstandscontour (m)

Landschapselement

Type bescherming

Afstandscontour (m)

Rijksmonumenten

begrenzing

-

Beschermde stads- en dorpsgezichten

begrenzing

-

Inpasbaarheid op basis van ruimtelijke kwaliteit Windturbines zijn sterk zichtbaar in het landschap. Ze hebben invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De mate van dit effect is afhankelijk van de inpassing van een windpark. Op planniveau kan hier al rekening mee gehouden worden. Met het opnemen van aanvullende voorwaarden voor zoeklocaties kunnen mogelijk onnodige landschappelijke effecten voorkomen worden. Als basis voor de alternatievenontwikkeling zijn ontwerprichtlijnen opgesteld die inzicht geven in de best-practise vanuit landschapsontwerp (zie 5.3 en bijlage II). Deze ontwerprichtlijnen vormen eveneens de basis van de milieubeoordeling van ruimtelijke kwaliteit van de zoeklocaties. In het plan-MER wordt getoetst in hoeverre het mogelijk is om in de zoeklocaties te voldoen aan de opgestelde regels. Zichtbaarheid en beleving Vanwege hun hoogte zijn windturbines op grote afstand zichtbaar in het landschap. Dit heeft invloed op de beleving van het landschap door omwonenden, voorbijgangers of recreanten. De manier waarop het landschap beleefd wordt verschilt van persoon tot persoon. Onder andere de specifieke karakteristieken van een landschap en de opstelling van turbines hebben hier invloed op. In het plan-MER wordt onderzocht hoeveel huishoudens mogelijke effecten kunnen ondervinden op de beleving van het landschap. Dit wordt onderzocht aan de hand van 3 schaalniveaus.

Op microschaal (0-5x tiphoogte) zijn windturbines ‘dominant zichtbaar’ vanuit een woning. In de directe nabijheid van een windturbine ontstaat een groter schaalcontrast en dominantie door de toevoeging van een onpeilbare hoogte en het zicht op een brede voet. Op mesoschaal (5 - 25x tiphoogte) zijn windturbines ‘duidelijk waarneembaar’ vanuit een woning. Op enige afstand ontstaat een rustiger landschap dan als windturbines dichtbij staan. Met een beperkt aantal zichtbare turbines en met minder beweging in beeld doordat de wieken langzamer lijken te draaien. Op macroschaal (> 25x tiphoogte) zijn windturbines ‘zichtbaar aan de horizon’. Op deze schaal beïnvloeden ze niet langer de beleving van het landschap in sterke mate. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt met GIS en voorbeeld visualisaties van windturbines binnen landschappen.

7.2.2

Natuur

Natuurbescherming onder de Omgevingswet is verdeeld in 3 typen bescherming: bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Windturbines kunnen op verschillende manier impact hebben op deze beschermingsregimes, zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase. Dit zijn effecten als ruimtebeslag, barrière werking, verstoring of aanvaring welke impact kunnen hebben op deze beschermingsregimes. Ook kan er als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanlegfase als wel tijdens de gebruiksfase een toename van stikstofdepositie zijn op stikstofgevoelige habitattypen. In het plan-MER worden de effecten van windturbines op de verschillende natuurbeschermingstypen binnen de RES-regio onderzocht en beoordeeld. In bijlage I is een ecologische verkenning opgenomen die de basis vormt van dit effectenonderzoek. Beschermde gebieden Binnen de RES-regio zijn diverse soorten gebieden met een beschermde status. Dit zijn Natura 2000gebieden, natuurnetwerk Zuid-Holland, belangrijk weidevogelgebieden, ganzenrustgebied en stiltegebied. Deze gebieden hebben waarden die niet mogen worden aangetast, of kwaliteiten die moeten worden versterkt. Nieuwe ontwikkelingen moeten hieraan getoetst worden. Om te voorkomen dat aanwezige en potentiële natuurwaarden worden aangetast door windturbines, zijn in principe geen ontwikkelingen toegestaan binnen beschermde gebieden die significante effecten hebben op

40 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

de waarden van het gebied. De effecten van windturbines op de beschermwaarden van de genoemde gebieden worden in het plan-MER in beeld gebracht. Beschermde soorten Vleermuizen en vogels, zoals ganzen en roofvogels, zijn gevoelig voor aanvaring met windturbinebladen. Deze soorten kunnen overal in de regio voorkomen. In sommige gebieden komen aanvaringsgevoelige soorten extra veel voor, omdat er geschikte foerageergebieden zijn, nestplaatsen gemaakt kunnen worden, bescherming is, of open zicht op vijanden. In het plan-MER worden deze effecten onderzocht. In de nationale database voor flora en fauna (NDFF) worden waarnemingen van soorten bijgehouden. Daarnaast publiceert Sovon kaarten van het voorkomen van soorten die extra gevoelig zijn voor windenergie. Op basis van deze bronnen en expertkennis wordt het risico op aanvaring in het plan-MER beoordeeld. Houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten).

Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Voor het plaatsen van windturbines binnen houtopstanden gelden daarom beperkingen. Deze effecten worden in het plan-MER onderzocht.

7.2.3

Leefomgeving

Windturbines kunnen effect hebben op de leefomgeving. In het plan-MER worden omgevingseffecten door geluid en slagschaduw onderzocht, en wordt aandacht besteed aan effecten op de gezondheid en veiligheid van de leefomgeving. In het plan-MER worden verschillende normen en richtwaarden inzichtelijk gemaakt. In 2021 oordeelde de Raad van State dat de regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit niet meer gebruikt mogen worden doordat deze tot stand zijn gekomen op basis van een foutieve procedure. Daardoor kunnen deze rijksregels niet meer worden toegepast, en moeten provincies en gemeenten zelf afwegen welke beschermingsnormen zij aanvaardbaar vinden. In 2023 zijn in het ontwerpbesluit Bal/Bkl nieuwe normen voor het beperken van de omgevingseffecten van windturbines opgenomen. Dit ontwerpbesluit is nog niet in regelgeving vastgelegd. Het voornemen is dat de normen op 1 juli 2025 in werking treden. De normen in het ontwerpbesluit Bal/Bkl zijn over het algemeen strenger dan die uit het Activiteitenbesluit. Bij het opstellen van deze normen is uitgegaan van de advieswaarden van de WHO. In het plan-MER worden de effecten van windturbines op de leefomgeving met beide genoemde normen in beeld gebracht. Op deze manier bevat het plan-MER de juiste milieu-informatie onafhankelijk van welke normen er gelden.

Geluid Windturbines kunnen door hun werking leiden tot geluidsbelasting op geluidsgevoelige objecten. Deze effecten worden in het plan-MER onderzocht op basis van een GIS-analyse van de geluidscontouren. Daarbij worden verschillende gebruikte normen in kaart gebracht. Dit zijn de vervallen norm van 47 dB Lden uit het activiteitenbesluit, en de normen uit het ontwerpbesluit Bal/Bkl welke voorschrijft dat nieuwe windturbines vergund na 1 juli 2025 tot een geluidsbelasting van maximaal 45 dB Lden en 39 dB Lnight op kwetsbare objecten (zoals woningen, zie tabel 5.2) mogen leiden. Daarnaast wordt de 40 dB Lden contour in kaart gebracht. Vanaf deze geluidscontour kan hinder vastgesteld worden.

41 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

In het publieke debat over windturbines worden vaak zorgen geuit over tonaal of laagfrequent geluid veroorzaakt door windturbines en de gezondheidsklachten die dit kan opleveren. In milieuonderzoek naar de normen uit het ontwerpbesluit werd geconcludeerd dat binnen deze bandbreedte de geluidshinder van laagfrequent geluid in woningen beperkt is 1. Daarnaast concludeerde het RIVM dat laagfrequent geluid van windturbines niet voor extra geluidshinder zorgt in vergelijking met andere vormen van geluid 2. Om die redenen wordt er in het plan-MER geen berekeningen gedaan voor laagfrequent geluid. In het plan-MER wordt ingegaan op mitigerende maatregelen om de geluidseffecten van windturbines op de leefomgeving waar mogelijk te beperken. Slagschaduw Windturbines kunnen door hun werking leiden tot slagschaduw. Dit kan invloed hebben op kwetsbare objecten zoals woningen (zie paragraaf 5.2). In het plan-MER worden deze effecten onderzocht op basis van een GIS-analyse van de slagschaduw. Daarbij worden de effecten weergeven op basis van de normen uit het ontwerpbesluit Bal/Bkl welke voorschrijft dat nieuwe windturbines vergund na 1 juli 2025 maximaal 6 uur per jaar en 20 minuten per dag mogen leiden tot slagschaduw op kwetsbare objecten. Ook wordt de 0 minuten contour in beeld gebracht om de maximale bandbreedte in beeld te brengen.

Gezondheid Het gebruik van windturbines draagt op termijn bij aan de verbetering van de luchtkwaliteit en het beperken van de schadelijke klimaatverandering, omdat het gebruik van fossiele brandstoffen wordt verminderd. Klimaatverandering leidt tot grotere weersextremen die onder meer via hittestress bij met name kwetsbare groepen leidt tot extra ziekte en sterfte3. Daarnaast zorgt de uitstoot van fossiele brandstoffen voor een verslechterde luchtkwaliteit. Gemiddeld leven Nederlanders grofweg 13 maanden korter door luchtverontreiniging4. Op lokale schaal kunnen windturbines leiden tot gezondheidsklachten bij omwonenden. Klachten die vaak genoemd worden in relatie tot windturbines zijn vormen van geluidshinder en slaapverstoring. Het RIVM beschrijft op basis van wetenschappelijk onderzoek dat hier geen eenduidige relatie tussen is5. Deze klachten en andere gezondheidszorgen zoals microplastics, bisfonel A, en SF6 worden in het plan-MER beschouwt door een analyse van actuele, relevante literatuur. Daarnaast wordt voor dit criterium inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn van de afstandsnorm uit het ontwerpbesluit Bal/Bkl. In het ontwerpbesluit wordt gesproken over de plaatsing van windturbines met minimaal 2 keer hun tiphoogte van kwetsbare objecten geplaatst. Veiligheid Windturbines kunnen effect hebben op de externe veiligheid, hoogwaterveiligheid en luchtvaartveiligheid.

Binnen het plan-MER worden deze thema’s integraal behandeld om de effecten hierop in beeld te brengen. In het plan-MER gebeurt dit op basis van onderzoek naar huidige regels en wetgeving in combinatie met een GIS-analyse. Ook bij dit criterium wordt uitgegaan van de eisen uit het ontwerpbesluit Bal/Bkl. Zo schrijft het ontwerpbesluit voor dat er beperkingen gelden voor windturbines binnen laagvlieggebieden voor luchtvaart. Ook geeft het ontwerpbesluit beperkingen voor de plaatsing van windturbines bij (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties zoals buisleidingen of activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze beperkingen worden in het plan-MER in kaart gebracht om de effecten van windturbines op veiligheid in beeld te brengen.

1

Documenten | Ontwerpbesluit | Windturbines leefomgeving | Platform Participatie.

2

Gezondheidseffecten van windturbinegeluid | RIVM.

3

RIVM. 2023. GGD-richtlijn medische milieukunde: Hitte en gezondheid.

4

RIVM. 2023. GGD-richtlijn medische milieukunde: Luchtkwaliteit en gezondheid. Gezondheidseffecten van luchtverontreiniging.

5

RIVM. 2023. Factsheet Gezondheidseffecten van windturbinegeluid.

42 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

7.2.4

Bodem en water

Windturbines kunnen effecten hebben op de bodem en water. Om deze effecten te mitigeren wordt er in het plan-MER onderzoek gedaan naar deze milieuaspecten. In het plan-MER wordt het effect van windturbines op bodem en water beoordeeld op verschillende criteria. Bodem Grondwerkzaamheden die nodig zijn voor de plaatsing van windturbines kunnen leiden tot verplaatsing van bodemverontreiniging. Als windturbines gepland worden op verontreinigde grond, moet deze eerst gesaneerd worden voordat de bouw door kan gaan, om deze effecten te voorkomen. Om de grootte van het effect in beeld te brengen wordt onderzoek gedaan naar bekende locaties van verontreinigde grond. KRW-waterlichamen De Kaderrichtlijnwater heeft als doel om de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater te waarborgen. Zo zijn er kwaliteitseisen gesteld waar deze wateren aan moeten voldoen. De werkzaamheden aan en de fundering van windturbines kunnen de kwaliteit van dit oppervlakte- en grondwater beïnvloeden door verontreinigingen. In het plan-MER worden de effecten van windturbines op KRW-waterlichamen in beeld gebracht op basis van de geldende regelgeving, en worden mitigerende maatregelen voorgesteld. Drinkwater In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland zijn gebieden aangewezen als grondwaterbeschermingsgebieden. Deze hebben beschermde status.

De werkzaamheden en fundering van windturbines kunnen de kwaliteit van dit oppervlakte- en grondwater beïnvloeden door verontreinigingen. In het plan-MER worden deze grondwaterbeschermingsgebieden in beeld gebracht, wordt geanalyseerd wat de effecten van windturbines op deze gebieden zijn, en wordt beschreven hoe deze effecten voorkomen kunnen worden.

7.2.5

Bijdrage aan RES-ambitie

Met bijdrage aan de RES-ambitie wordt bedoeld in hoeverre de energieopbrengst van windturbines in de alternatieven bijdraagt aan het behalen van de RES1.0 ambitie van RES-regio Rotterdam Den Haag in 2030. Dit wordt in het plan-MER kwantitatief in beeld gebracht op basis van de verwachte energieopbrengst, in combinatie met de aansluitbaarheid op het net. Deze aansluitbaarheid is afhankelijk van de netcongestie, wat de overbelasting van het elektriciteitsnetwerk is doordat er te weinig beschikbare transportcapaciteit is. Dit levert belemmeringen op voor het behalen van de RES-ambitie in 2030.

7.3

Manier van beoordelen

Effecten op het milieu en de omgeving als gevolg van de ontwikkeling van windturbines zijn te verdelen in effecten tijdens de aanlegfase, de gebruiksfase (gebruik, onderhoud, reparaties) en de verwijderingsfase. Om de effecten van de windturbines per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 7.1. Deze beoordelingsschaal wordt in het plan-MER voor elk criterium nader gespecificeerd. Zoals in paragraaf 3.4 al is beschreven wordt op twee momenten een beoordeling toegekend: - beoordeling van het onderzoeksgebied; het onderzoeksgebied wordt beoordeeld in een basisbeoordeling op kaart; - beoordeling zoeklocaties; de zoeklocaties (stap 2, zie paragraaf 3.2) worden individueel per alternatief (stap 3, zie paragraaf 3.3) beoordeeld in een tabel.

43 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Tabel 7.3 Beoordelingsschaal Score

Effecten

--

sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

geen wezenlijk effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

++

sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

44 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

8 REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU EFFECTEN ONDERZOEK ZONNE-ENERGIE Dit hoofdstuk bevat welke milieuonderzoeken er naar zonne-energie worden uitgevoerd in het plan-MER. Voor zonne-energie wordt alleen onderzoek gedaan naar de grootschalige opwekking van zonne-energie binnen de zoekgebieden van RES1.0. Dit zijn de technieken zon op veld, zon op oppervlaktewater en zon op waterbassins. Zon op daken en parkeerplaatsen, die wel deel uitmaken van RES1.0, vallen buiten de reikwijdte van het plan-MER. Voor deze ontwikkelingen worden bestaande landinrichtingselementen gebruikt, waardoor de milieueffecten en het ruimtelijk gebruik beperkt is. Milieueffecten zijn daarom naar verwachting niet doorslaggevend voor de haalbaarheid van deze technieken en de keuze voor een locatie. In het plan-MER wordt een kader toegevoegd waarin de belangrijkste aandachtspunten voor deze technieken vanuit milieu benoemd worden en hoe hier in vervolg processen aandacht aan besteed kan worden.

8.1

Uitgangspunten zonne-energie

Zonneparken met een installatie groter dan 15 kilowattpiek (KWp) tellen mee voor de RES-ambitie. Dit zijn echter zeer kleine zonneparken met enkele tientallen panelen. Het plan-MER gaat daarom uit van zonneparken met een minimumoppervlakte van 1,5 hectare (ha) en 1 tot 1.9 MWp opgesteld vermogen. In onderstaande tabel worden deze bandbreedtes weergegeven. Er wordt, tenzij anders vermeld, uitgegaan van zonneparken met een zuidoriëntatie. Deze opstelling heeft een groter ruimtebeslag per GWh in vergelijking met een oost-westoriëntatie. Sommige effecten van zonnevelden zijn sterk afhankelijke van de inpassing. Waar deze bandbreedte aan effecten verwacht wordt, wordt hier in het plan-MER op ingegaan. Vanuit de zonneladder wordt tegenwoordig uitgegaan van multifunctionele zonneparken (zonnepark gecombineerd met andere functies)1. Bij deze zonneparken kunnen koppelkansen en dubbel ruimtegebruik effecten mitigeren.

Tabel 8.1 Kengetallen zonne-energie voor parken in verschillende opstellingen (bron: factsheet elektriciteit NPRES) 1000 GWh komt overeen met ruimtebeslag (ha):

Aantal GWh per ha (bij 950 vollasturen)

Opgesteld vermogen (MWp) per hectare

1.400 - 1.500

0,67 - 0,71

0,7 - 0,75

850 - 1.100

0,91 - 1,18

0,96 - 1,24

Zuidopstelling Oost-westopstelling

De resterende RES-ambitie voor zonne-energie is 892 GWh. Deze ambitie bestaat uit een totale ambitie voor de eerdergenoemde technieken van zonne-energie. Van deze ambitie is er de ambitie om 688 GWh zon in stedelijk gebied op daken en parkeerplaatsen te realiseren in 2030, en 89 GWh op waterbassins2. De ambitie voor grootschalige zon op veld is hiermee 115 GWh, dit is zo’n 162 hectare aan zonnevelden op land of oppervlaktewater.

1

Kamerbrief over aangescherpte keuzes voorkeursvolgorde zon, d.d. 26 oktober 2023.

2

Monitor RES Rotterdam Den Haag, fiches zon in stedelijk gebied (1-7-2021) en zon op waterbassins (1-11-2021). Geraadpleegd via https://resrotterdamdenhaag.mett.nl/actueel/monitor/default.aspx

45 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

8.2

Belemmeringen en kansen

De ontwikkeling van zonnevelden is niet overal mogelijk. Om gebieden binnen de regio uit te sluiten waar de opwekking van zonne-energie vanuit (milieu-)wetgeving niet is toegestaan, zijn als eerste stap kansen- en belemmeringenkaarten opgesteld.

8.2.1

Harde belemmeringen

Het plan-MER maakt onderscheid tussen twee typen harde belemmeringen: 1 fysieke objecten: dit zijn bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorwegen, en buisleidingen). Het is hier fysiek niet mogelijk om een zonnevelden te realiseren; 2 beperkingen vanuit wet- en regelgeving: dit legt beperkingen op vanuit onder andere geluid, veiligheid, waterkwaliteit en waterveiligheid. Deze beperkingen zijn hieronder nader toegelicht. Afbeelding 8.1 toont de harde belemmeringen voor zonnevelden. De toegepaste harde belemmeringen zijn toegelicht in tabel 8.2.

Tabel 8.2 Harde belemmeringen zonnevelden (nee) Nr.

Aspect

Afstand

Status

Bronhouder

1

Bebouwing

begrenzing op kaart

fysieke belemmering

Kadaster (BAG)

2

Hoogspanning

begrenzing op kaart

fysieke belemmering

TenneT

3

Rijkswegen

13 meter

fysieke belemmering

Kadaster (TOP10NL)

4

Rijksmonumenten

begrenzing op kaart

Erfgoedwet

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

5

Spoorlijn

5 meter

fysieke belemmering

Kadaster (TOP10NL)

6

Woningen

30 meter

Milieuzonering nieuwe stijl

Kadaster (BAG)

7

Buisleidingen

5 meter

fysieke belemmering

Atlas Leefomgeving

8

Hoofdwateren

begrenzing op kaart

fysieke belemmering

Kadaster (TOP10NL)

46 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 8.1 Harde belemmeringen zonnevelden, provincie Zuid-Holland

8.2.2

Zachte belemmeringen

Naast wettelijke beperkingen vanuit hinder en veiligheid, gelden ook vanuit beleid belemmeringen. De zachte belemmeringen moeten dus worden gelezen als aandachtspunten voor de keuze in gebieden voor zonnevelden. Hoe met de aanwezige aandachtspunten omgegaan moet worden, zal op projectniveau nader onderzocht moeten worden. In tabel 8.3 staan de gehanteerde afstanden voor de verschillende aspecten van zachte belemmeringen met bijbehorende status.

Tabel 8.3 Zachte belemmeringen zonnevelden (nee, tenzij of ja, mits) Nr.

Aspect

Afstand

Status

Bronhouder

1

Natura 2000

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

2

Natuurnetwerk Nederland

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.109 (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

3

weidevogelgebied

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.43g (ja, mits)

provincie Zuid-Holland

4

ganzenrustgebied

begrenzing op kaart

Omgevingsbeleid Faunabeheer (ja, mits)

provincie Zuid-Holland

5

stiltegebied

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.98 (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

6

Neder Germaanse Linie

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.66 (ja, mits)

provincie Zuid-Holland

7

kroonjuwelen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.43n (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

47 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Nr.

Aspect

Afstand

Status

Bronhouder

8

historische buitenplaatsen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.74 lid 1 (ja, mits)

provincie Zuid-Holland

9

waterwingebied

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.76a lid 5 (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

10

grondwaterbeschermingsgebied

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.100 lid 2 (ja, mits)

provincie Zuid-Holland

11

molenbiotopen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.72 (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

12

waterkeringen

begrenzing op kaart

Omgevingsverordening ZuidHolland artikel 7.25 (nee, tenzij)

provincie Zuid-Holland

Afbeelding 8.2 toont de zachte belemmeringen voor zonnevelden. De toegepaste zachte belemmeringen zijn toegelicht in tabel 8.3.

Afbeelding 8.2 Zachte belemmeringen zonnevelden, provincie Zuid-Holland

Zonneladder De provincie Zuid-Holland wil het gebruik van zonne-energie actief faciliteren en ondersteunen. Er zijn veel initiatieven binnen de provincie om duurzame energie op te wekken via zonne-energie. De provincie wil met de schaarse, onbebouwde ruimte zorgvuldig omgaan en heeft daarom een aantal principes opgesteld waar zonnevelden aan moeten voldoen. Deze vier principes zijn vertaald in de zonneladder van de provincie. Het eerste principe is het meervoudig ruimtegebruik. Bestaande en nieuwe bebouwing en overige functies kunnen gecombineerd worden met zonne-energie. Het tweede principe is bescherming van schaarse open

48 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

ruimte en landschapswaarden. Het derde principe is een goede ruimtelijke ordening, waarbij infrastructuur als leidend principe wordt gehanteerd. Wek energie op waar het ook gebruikt wordt en waar aansluiting op het energienetwerk logisch is. Het laatste principe is het zorgvuldig omgaan met ruimtelijke kwaliteit. De eerste trede is het plaatsen van zonne-energie op daken en binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De tweede trede is het plaatsen van zonne-energie buiten bestaand stads- en dorpsgebied met meervoudig ruimtegebruik. De voorkeur hier gaat uit naar een agrarisch bouwperceel, locaties met een bestemming verkeersinfrastructuur, slibdepots, waterbassins, spaarbekkens, waterbergingsgebieden en (voormalige) stortplaatsen. De derde trede is het plaatsen van zonne-energie op overige locaties buiten bestaand stadsen dorpsgebied. Dit zijn locaties in glastuinbouwgebied, locatie met een nog niet gerealiseerde, bestemde functie en locaties in combinatie met een windpark. Afbeelding 8.3 toont het landgebruik binnen de RES-regio.

Afbeelding 8.3 Landgebruik, provincie Zuid-Holland

8.2.3

Onderzoeksgebied voor zon op land

Op basis van harde belemmeringen zijn verschillende locaties niet beschikbaar voor zon op land. Deze locaties worden niet onderzocht in het plan-MER. Het onderzoeksgebied dat overblijft na het weghalen van deze harde belemmeringen en de autonome ontwikkelingen en is opgenomen in afbeelding 8.4.

49 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 8.4 Onderzoeksgebied voor zonnevelden, provincie Zuid-Holland

In de RES1.0 is het zoekgebied voor zon op land nog verder ingeperkt. Het deel van het onderzoeksgebied dat binnen de RES1.0 zoekgebieden voor zon op land valt is opgenomen op afbeelding 8.5 (15.000 ha).

50 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Afbeelding 8.5 Zoeklocaties voor zonnevelden binnen de RES 1.0

8.3

Detailniveau milieuonderzoek

Zonnevelden kennen geen afzonderlijke mer-plicht, maar kunnen in cumulatie met windenergie wel impact hebben. Ook is het niet ondenkbaar dat ze op grote schaal kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten1. Daarom is het belangrijk om zonnevelden als integraal onderdeel mee te nemen in het plan-MER. Milieueffecten van zonnevelden zijn echter beperkt ruimtelijk onderscheidend. Het milieuonderzoek brengt globaal in beeld waar effecten kunnen ontstaan, en welke maatregelen genomen kunnen worden om hier mee om te gaan. Hierin focust het onderzoek zich op ruimtelijk onderscheidende effecten op natuur, ruimtelijke kwaliteit en leefomgeving. In tabel 8.4 is opgenomen welke ruimtelijk onderscheidende milieueffecten onderzocht worden. Naast deze ruimtelijk onderscheidende milieueffecten kunnen zonnevelden effecten hebben die overal in vergelijkbare mate voorkomen. Deze effecten worden kort beschreven. In het plan-MER worden geen alternatieven of zoeklocaties voor zonne-energie ontwikkeld, maar wordt op basis van het milieuonderzoek in beeld gebracht welke keuzeruimte bestuurders hebben.

Tabel 8.4 Overzicht milieuonderzoeken zonne-energie Milieuthema

Criterium

Manier van onderzoeken

Natuur

Effecten op gebieden

Deskstudie naar natuurbeschermingsbeleid Stakeholderoverleg natuurbeheerders

Effecten op soorten

Data-analyse NDFF-hotspots beschermde soorten

Effecten op houtopstanden

Deskstudie naar bescherming en locaties

1

Artikel 16.36 lid 4 Omgevingswet.

51 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Milieuthema

Criterium

Manier van onderzoeken

Ruimtelijke kwaliteit

Inpasbaarheid op basis van ruimtelijke kwaliteit

Onderzoek naar kernwaarden vanuit provinciaal beleid

Leefomgeving

Leefomgeving

Onderzoek naar huidige wetgeving Deskstudie naar veiligheid en gezondheidseffecten

Bodem en water

Effecten op bodem en water

Literatuuronderzoek naar effecten van de bedekking van de bodem op regenwaterinfiltratie en het bodemsysteem Literatuuronderzoek naar effecten van zonnevelden op oppervlaktewater op de waterkwaliteit en aquatische ecologie

Bijdrage aan RES-ambitie in 2030

Energieopbrengst

GIS-analyse naar opwekmogelijkheden

8.3.1

Ruimtelijke kwaliteit

De plaatsing van zonneparken in het landschap heeft impact op de belevingswaarde en de ruimtelijke kwaliteit. De impact die zonneparken veroorzaken kan gemitigeerd worden door een ontwerp dat rekening houdt met het landschap. In het plan-MER wordt de inpasbaarheid van zonneparken bij het landschap beoordeeld. Inpasbaarheid op basis van ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft bepaalde kernkwaliteiten voor het landschap vastgelegd in de omgevingsverordening. In plan-MER Module Energietransitie is de inpasbaarheid van zonnevelden in de provincie getoetst op basis van deze kernkwaliteiten. Hiervoor is gebruik gemaakt van een kaart met kansen voor inpasbaarheid op basis van deze kernkwaliteiten. Deze is gebruikt als ‘oplegger’ om tot drie niveaus van inpasbaarheid te komen. Deze zijn redelijk kansrijk, matig kansrijk, en niet tot nauwelijks kansrijk. Deze analyse wordt in het plan-MER over de RES1.0 zoekgebieden voor zonne-energie gelegd.

8.3.2

Natuur

Natuurbescherming onder de Omgevingswet is verdeeld in 3 typen bescherming: bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Zonneparken kunnen door ruimtebeslag en verstoring impact hebben op deze beschermingsregimes. Daarnaast worden maatregelen besproken die deze effecten kunnen verminderen of de natuur kunnen versterken. Ook wordt beschreven hoe hiermee rekening gehouden kan worden in de inrichting van een zonneveld. Beschermde gebieden Zoals genoemd in paragraaf 7.2.2 zijn binnen de RES-regio diverse soorten gebieden met een beschermde status. Dit zijn Natura 2000-gebieden, natuurnetwerk Zuid-Holland, belangrijk weidevogelgebieden en stiltegebied. Om de effecten van zonneparken op beschermde gebieden in beeld te brengen wordt in het plan-MER onderzoek uitgevoerd naar het geldende natuurbeschermingsbeleid. Ook zal er stakeholderoverleg met natuurbeheerders plaatsvinden om hier een expert judgement aan toe te voegen. Beschermde soorten Binnen de RES-regio komen diersoorten voor met een beschermde status. In de nationale database voor flora en fauna (NDFF) worden waarnemingen van soorten bijgehouden. In het plan-MER wordt een analyse van deze data uitgevoerd om de effecten van zonneparken op beschermde soorten in beeld te brengen. Houtopstanden Zoals genoemd in paragraaf 7.2.2 gelden er beperkingen voor het plaatsen van windturbines binnen houtopstanden.

Deze zelfde effecten zijn ook van toepassing voor zonneparken en worden in kaart gebracht in het plan-MER.

52 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

8.3.3

Leefomgeving

Zonneparken kunnen effect hebben op de leefomgeving, door ruimtebeslag maar ook door omgevingseffecten. Voor zonneparken worden deze meestal veroorzaakt door de benodigde omvormers en transformatoren, de panelen zelfs zijn geen geluidsbron. Voor het geluid van de omvormers en transformatoren biedt de VNG-brochure ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ inzicht in de minimaal aan te houden afstand tot geluidsgevoelige bebouwing. Deze adviesafstand wordt in het plan-MER in acht genomen. Ook zal in het plan-MER aandacht besteed worden aan lichtschittering en de effecten hiervan op scheepvaart en wegverkeer, en elektromagnetische velden. In het plan-MER worden deze omgevingseffecten onderzocht op basis van de huidige wetgeving voor veiligheid en gezondheid en bestaand onderzoek. Ook worden mitigerende maatregelen besproken.

8.3.4

Bodem en water

Zonnevelden op land bedekken de bodem. Plantengroei en infiltratie van regenwater kan hierdoor beïnvloed worden. Dit heeft weer effect op het bodemleven. Deze effecten zijn afhankelijk van het huidige gebruik waar de zonnevelden op geplaatst worden. De effecten van het plaatsen van zonnevelden op het bodemsysteem worden met hulp van wetenschappelijke literatuur beschouwt in dit plan-MER. Ook wordt beschreven hoe hiermee rekening gehouden kan worden in de inrichting van een zonneveld. Zonnevelden op oppervlaktewater kunnen effect hebben op de kwaliteit van het water. Dit heeft mogelijk gevolgen voor het aquatische ecosysteem. De staat van het oppervlaktewater en de effecten van zonnevelden worden in het plan-MER onderzocht met behulp van wetenschappelijke literatuur en de geldende wettelijke kaders.

8.3.5

Bijdrage aan RES-ambitie

Met bijdrage aan de RES-ambitie wordt bedoeld in hoeverre de energieopbrengst van zonneparken in de zoekgebieden bijdraagt aan RES1.0 ambitie van RES-regio Rotterdam Den Haag voor 2030. Dit wordt in het plan-MER kwantitatief in beeld gebracht op basis van de verwachte energieopbrengst, in combinatie met de aansluitbaarheid op het net. Deze aansluitbaarheid is afhankelijk van de netcongestie, wat de overbelasting van het elektriciteitsnetwerk is doordat er te weinig beschikbare transportcapaciteit is. Dit levert belemmeringen op voor het behalen van de RES-ambitie in 2030.

8.4

Beoordelingsschaal

Effecten op het milieu en de omgeving als gevolg van de ontwikkeling van zonneparken zijn te verdelen in effecten tijdens de aanlegfase, de gebruiksfase (gebruik, onderhoud, reparaties) en de verwijderingsfase. Om de effecten van zonnevelden per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en minschaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 8.5. Deze beoordelingsschaal wordt in het plan-MER voor elk criterium nader gespecificeerd.

Tabel 8.5 Beoordelingsschaal Score

Effecten

--

sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

geen wezenlijk effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

++

sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

53 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

9 VERVOLGPROCEDURE Deze NRD bevatte de reikwijdte en het detailniveau van de plan-mer. Het doel van deze procedure is het bijdragen aan een tijdige realisatie van de ambitie uit de RES 1.0, door te helpen in de stap van zoekgebieden naar zoeklocaties. De NRD is een eerste stap in deze procedure.

9.1

Uw reactie op de NRD

Belanghebbenden en belangstellenden worden door de RES-partners geïnformeerd over de publicatie van de NRD. De NRD ligt digitaal ter inzage. Tegelijkertijd vraagt de RES-regio advies over de NRD aan de Commissie mer. Eenieder kan een reactie of zienswijze op het onderzoeksvoorstel indienen gedurende de terinzagelegging. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een reactie op een of meerdere van onderstaande vragen: - welke kansen of dilemma’s zijn er volgens u voor de RES-regio ten aanzien van het bijdragen aan de ambitie? - mist u onderzoeksthema’s in de NRD? - wat zou u specifieker onderzocht willen hebben en waarom? De manier waarop u een reactie kunt indienen vindt u op de website van de RES-organisatie. De RESorganisatie beantwoordt namens de RES-partners de zienswijzen in een reactienota.

9.2

Het vervolgproces: van NRD naar besluit

Deze NRD vormt de voorgestelde kaders voor het uit te voeren milieuonderzoek en het op te stellen planMER. Samen met de zienswijzen en het advies van de Commissie mer worden deze kaders, indien nodig, bijgesteld en verwerkt in het plan-MER. In dit proces worden de RES-partners en relevante stakeholders betrokken om de inhoud van het milieuonderzoek verder vorm te geven. Wanneer het plan-MER en het daarmee samenhangende besluit is opgesteld wordt het u samen weer voorgelegd voor een formele terinzageleggingsperiode van 6 weken volgens afdeling 3.4 Awb. Opnieuw kunt u uw zienswijze geven op het voorgenomen programma en het milieueffectrapport. De zienswijzen en het advies van de Commissie mer worden betrokken bij het programma. Het voornemen is om het besluit waarbij dit plan-MER een bijlage is vervolgens ter vaststelling aan te bieden aan de RES-partners.

54 | 54

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief

Bijlage(n)

I BIJLAGE: ECOLOGISCHE VERKENNING

Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Bijlage I | Definitief

Plan-MER RES Rotterdam Den Haag Ecologische verkenning

RES-regio Rotterdam - Den Haag 12 juli 2024

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Plan-MER RES Rotterdam - Den Haag RES-regio Rotterdam - Den Haag

Ecologische verkenning Definitief 12 juli 2024 139608/24-010.314

139608 J.L.G. Eggenkamp MSc K.A. Haans MSc

S.F. Apperloo MSc Ir. W.B. Roosen J.L.G. Eggenkamp MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en achtergrond

5

1.2

Plangebied

5

2

BESCHERMDE GEBIEDEN

8

2.1

Natura 2000

8

2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4

8 9 10 12

2.2

2.3

2.4

2.5

2.6

Kaders vanuit wetgeving Huidige situatie Effecten zonne- en windenergie op Natura 2000 Advies alternatievenontwikkeling vanuit Natura 2000

Natuurnetwerk Nederland

13

2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4

13 14 14 15

Kaders vanuit beleid Huidige situatie Effecten zonne- en windenergie op NNN Advies alternatievenontwikkeling vanuit NNN

Belangrijk weidevogelgebied

15

2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4

15 16 17 18

Kaders vanuit beleid Huidige situatie Effecten zonne- en windenergie op weidevogelgebieden Advies alternatievenontwikkeling

Ganzenrustgebieden

18

2.4.1 2.4.2 2.4.3 2.4.4

18 19 19 20

Kaders vanuit beleid Huidige situatie Effecten zonne- en windenergie op ganzenrustgebieden Advies alternatievenontwikkeling

Stiltegebied

20

2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4

20 20 21 21

Kaders vanuit beleid Huidige situatie Effecten van zonne- en windenergie op stiltegebieden Advies alternatievenontwikkeling

Houtopstanden

22

2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.6.4

22 23 23 24

Kaders vanuit beleid Huidige situatie Effecten zonne- en windenergie op houtopstanden Advies alternatievenontwikkeling

3

BESCHERMDE SOORTEN

25

3.1

Wettelijk kader

25

3.2

Huidige situatie

27

3.2.1 3.2.2 3.2.3

28 30 31

Vogels Vleermuizen Overige soorten

4

AANDACHTSPUNTEN VOOR DE INRICHTING VAN ZOEKLOCATIES

35

4.1

Aandachtspunten inrichting zoeklocaties met zonne-energie

35

4.2

Aandachtspunten inrichting zoeklocaties met windenergie

35

5

CONCLUSIE EN DOORKIJK VERVOLG

37

6

LITERATUUR

38

Laatste pagina

38

Bijlage(n) I II

Kenschets en instandhoudingsdoelstellingen (IHD) Natura 2000-gebieden binnen de RES-regio Beheertypen en ambitiekaart Zuid-Holland

Aantal pagina's 7 2

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en achtergrond

Energieopwekking met fossiele brandstoffen leidt tot broeikasgasuitstoot, wat bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Met het Klimaatakkoord van Parijs (2015) hebben 192 landen afgesproken de opwarming te beperken tot maximaal 2 °C. Nationaal zijn deze afspraken vertaald naar doelen voor energiebesparing en duurzame energieopwekking, zoals vastgelegd in het Nederlandse Klimaatakkoord van 2019 [lit. 1]. In RES-regio Rotterdam Den Haag werken gemeenten, waterschappen en de provincie samen aan de energietransitie. In dat kader is een Regionale Energiestrategie 1.0 (RES1.0) opgesteld. In de RES1.0 zijn regionale keuzes vastgelegd voor de opwekking van duurzame energie. Op voorstel van de bestuurders in deze regio is een regionale planmer-procedure gestart. Het doel van het plan-MER is om bij te dragen aan tijdige realisatie van de ambitie uit de RES1.0, door te helpen in de stap van zoekgebieden naar zoeklocaties. De regio heeft in de RES1.0 een bod gedaan van 2,8 tot 3,2 Terawattuur (TWh) om duurzame elektriciteit grootschalig met wind en zon op te wekken in 2030. Dit is de bijdrage van de regio aan de nationale opgave van 35 TWh duurzame elektriciteit op land.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14610011/1