28. Informatiebrief over Plan-Mer proces RES 1.0.; Ontwerp Notitie van Reikwijdte en Detailniveau
Tekst van het document
RES Rotterdam Den Haag Notitie van Reikwijdte en Detailniveau
RES-regio Rotterdam Den Haag 12 juli 2024
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
RES Rotterdam Den Haag RES-regio Rotterdam Den Haag
Notitie van Reikwijdte en Detailniveau Definitief 12 juli 2024 139608/24-010.325
139608 J.L.G. Eggenkamp MSc K.A. Haans MSc
L.F. de Visser-Bleijenberg MSc, J. Oosterwijk MSc, P.A. Feij MSc J.L.G. Eggenkamp MSc J.L.G. Eggenkamp MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
AANLEIDING EN ACHTERGROND
6
1.1
Aanleiding en achtergrond
6
1.2
Plangebied
7
1.3
Voornemen en ambitie
7
1.4
De noodzaak van een plan-MER
8
1.5
Scope van het plan-MER
9
1.6
Bevoegd gezag en initiatiefnemers
10
1.7
Leeswijzer
10
2
KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN
12
2.1
Europees
12
2.2
Nationaal
12
2.3
Provinciaal
13
2.4
Regionaal beleid
16
2.5
Gemeentelijk beleid en lopende ontwikkelingen
16
2.6
Raakvlakprojecten
18
3
AANPAK VAN HET MILIEUONDERZOEK
21
3.1
Stap 1: in kaart brengen plangebied (voor wind en zon)
21
3.2
Stap 2: van onderzoeksgebied naar zoeklocaties (voor wind)
22
3.3
Stap 3: alternatievenontwikkeling (voor wind)
22
3.4
Stap 4: beoordeling van milieueffecten (voor wind en zon)
23
4
REFERENTIESITUATIE
24
4.1
Huidige situatie
24
4.2
Autonome ontwikkelingen
25
5
REIKWIJDTE MILIEUONDERZOEK WINDENERGIE
27
5.1
Uitgangspunten referentieturbines
27
5.2
In kaart brengen plangebied
28
5.2.1 5.2.2 5.2.3
28 29 31
Harde belemmeringen Zachte belemmeringen Onderzoeksgebied voor windenergie
5.3
Van onderzoeksgebied naar zoeklocaties
32
6
ALTERNATIEVEN VOOR WINDENERGIE
36
6.1
Alternatief natuur
36
6.2
Alternatief leefomgeving
36
6.3
Alternatief landschap en ruimtelijke kwaliteit
37
7
DETAILNIVEAU MILIEUONDERZOEK WINDENERGIE
38
7.1
Beoordelingskader
38
7.2
Onderzoeken
39
7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.2.4 7.2.5
39 40 41 43 43
Ruimtelijke kwaliteit Natuur Leefomgeving Bodem en water Bijdrage aan RES-ambitie
7.3
Manier van beoordelen
43
8
REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU EFFECTEN ONDERZOEK ZONNEENERGIE
45
8.1
Uitgangspunten zonne-energie
45
8.2
Belemmeringen en kansen
46
8.2.1 8.2.2 8.2.3
46 47 49
8.3
Harde belemmeringen Zachte belemmeringen Onderzoeksgebied voor zon op land
Detailniveau milieuonderzoek
51
8.3.1 8.3.2 8.3.3 8.3.4 8.3.5
52 52 53 53 53
Ruimtelijke kwaliteit Natuur Leefomgeving Bodem en water Bijdrage aan RES-ambitie
8.4
Beoordelingsschaal
53
9
VERVOLGPROCEDURE
54
9.1
Uw reactie op de NRD
54
9.2
Het vervolgproces: van NRD naar besluit
54
Laatste pagina
Bijlage(n)
54 Aantal pagina's
I
Ecologische verkenning
49
II
Ontwerprichtlijnen landschap
6
1 AANLEIDING EN ACHTERGROND In RES-regio Rotterdam Den Haag werken gemeenten, waterschappen en de provincie samen aan de energietransitie. In dat kader is een Regionale Energiestrategie 1.0 (RES1.0) opgesteld. In de RES1.0 zijn regionale keuzes vastgelegd voor de opwekking van duurzame energie in zoekgebieden. De portefeuillehouders in het Bestuursnetwerk Energie (BNE) in de energieregio Rotterdam Den Haag hebben ingestemd met het starten van een regionale plan-milieueffectrapportage (plan-mer, de procedure). Het doel van de plan-mer is om bij te dragen aan tijdige realisatie van de ambitie uit de RES 1.0, door te helpen in de stap van zoekgebieden naar zoeklocaties. Een eerste stap in de plan-mer is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De voorliggende NRD bevat een voorstel voor de onderzoeksagenda en -methode voor het nog uit te voeren milieuonderzoek. De resultaten van het milieuonderzoek worden in een plan-milieueffectrapport (plan-MER, het document) vastgelegd en worden gebruikt in de besluitvorming. Het doel van het plan-mer wordt bereikt met twee inhoudelijke sporen: - het bieden van een (juridisch houdbare) milieuonderbouwing voor de zoekgebieden die zijn vastgelegd in RES1.0; - het faciliteren van een verdere uitwerking van de RES1.0 zoekgebieden naar zoeklocaties met onderbouwende milieu-informatie.
Gemeenten kunnen dit al dan niet gebruiken als onderbouwing voor een locatie. Provincie Zuid-Holland is voornemens dit te gebruiken bij de herziening van het provinciale omgevingsbeleid.
1.1
Aanleiding en achtergrond
Energieopwekking met behulp van fossiele brandstoffen leidt tot uitstoot van broeikasgassen zoals CO 2. Met name door menselijk handelen is de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer toegenomen. Dit veroorzaakt opwarming van de aarde. Met het Klimaatakkoord van Parijs (2015) hebben 192 landen afgesproken de opwarming te beperken tot maximaal 2 °C. Deze internationale afspraken zijn in de afgelopen jaren vertaald naar afspraken en doelstellingen op nationaal niveau, die onder andere betrekking hebben op energiebesparing en de opwekking van duurzame, fossielvrije energie. De afspraken zijn vervolgens vertaald in nationaal, provinciaal en regionaal beleid, zoals het landelijk Klimaatakkoord uit 2019 en de Regionale Energie Strategie (RES 1.0) van regio Rotterdam Den Haag (zie hoofdstuk 2). De regio heeft in de RES1.0 een ambitie uitgesproken om 2,8 tot 3,2 Terawattuur (TWh) aan duurzame elektriciteit grootschalig met wind en zon op te wekken in 2030. Dit is de bijdrage van de regio aan de nationale opgave van 35 TWh duurzame elektriciteit op land. De RES1.0-zoekgebieden zijn het resultaat van een proces waarin de RES-partners een gezamenlijke afweging maakten van ruimtelijke kwaliteit, haalbaarheid en doelbereik, impact op het net en draagvlak. Ook maakte participatie met inwoners en stakeholders hier nadrukkelijk onderdeel van uit.
Bij het ontwikkelen van de RES 1.0 zijn weliswaar de nodige onderbouwende studies en verkenningen gedaan om te komen tot een zorgvuldige afbakening van zoeklocaties in de regio, maar er is geen plan-MER voor opgesteld. Onder de Omgevingswet (in werking getreden op 1 januari 2024) is de RES te zien als het instrument ‘(vrijwillig) programma’. Een programma kan ook plan-mer-plichtig zijn. Het doorlopen van een formele plan-mer geeft
6 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
een juridisch houdbare onderbouwing vanuit milieuperspectief van de ambitie, zoekgebieden en afspraken in de RES1.0 (zie hoofdstuk 1.4). Binnen deze context hebben de bestuurders van de betrokken 21 gemeenten, waterschappen, en provincie (vertegenwoordigd in het Bestuurlijk Netwerk Energie of BNE) ingestemd met het in gang zetten van een regionaal plan-mer. Dit plan-MER wordt opgesteld in het kader van de uitvoering van de RES 1.0 van de energieregio Rotterdam Den Haag.
1.2
Plangebied
Het plangebied is het gebied waarbinnen gezocht wordt naar een geschikte invulling voor de realisatie van het voornemen van het behalen van de RES1.0-ambitie. Afbeelding 1.1 laat de RES-regio en de 21 deelnemende gemeenten zien die samen het plangebied voor de plan-mer vormen.
Afbeelding 1.1 RES-regio Rotterdam Den Haag met deelnemende gemeenten
1.3
Voornemen en ambitie
De RES-regio Rotterdam Den Haag heeft in de RES1.0 een ambitie uitgesproken om 2,8 tot 3,2 TWh aan duurzame elektriciteit grootschalig op te wekken in 2030. De regio wil deze ambitie realiseren door: - de ontwikkeling van zonne-energie in het stedelijk gebied op daken en parkeerplaatsen; - in het kassengebied met drijvende panelen op waterbassins; - met zon op veld of oppervlaktewater en windturbines op locaties waar dit past binnen het landschap. Sinds de vaststelling van de RES1.01 zijn grote stappen gezet om deze ambitie waar te maken. De regio monitort regelmatig de voortgang om te zien of de ambitie gehaald gaat worden of dat er eventueel bijgestuurd moet worden.
1
De RES1.0 is niet vastgelegd door gemeente Brielle (sinds 2023 gefuseerd tot gemeente Voorne aan Zee).
7 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
De laatste monitoring is uitgevoerd in december 20231. Uit deze monitoring blijkt dat al 1,66 TWh gerealiseerd is binnen de regio, of als autonome ontwikkeling gezien kan worden. Dit is zo’n 54 % van de RES1.0 ambitie. Daarnaast zit 0,93 TWh in de pijplijn. Dit zijn plannen of projecten waar verkennend onderzoek naar wordt uitgevoerd. Voor 0,5 TWh moet nog een invulling worden gezocht. Tabel 1.1 laat een vereenvoudigde weergave zien van de voortgang in december 2023. In dit plan-MER wordt invulling gezocht voor het gedeelte van de ambitie waarvoor nog geen mate van zekerheid in locatie of opwekvermogen is: de pijplijn, en het overige deel. Voor windenergie is dit 0,54 TWh en voor zonne-energie 0,89 TWh. Met deze concretere ambities wordt, conform de RES-monitor, gewerkt aan een RES-ambitie van 3,09 TWh aan duurzame energie. Tabel 1.1 Voortgang ambitie duurzame elektriciteit (per december 2023) Fase
Windenergie (TWh)
Zonne-energie (TWh)
Totaal duurzame elektriciteit (TWh)
gerealiseerd
1,21
0,45
1,66
in de pijplijn
0,50
0,43
0,93
overig
0,04
0,46
0,50
totaal
1,75
1,34
3,09
1.4
De noodzaak van een plan-MER
Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat voor activiteiten met mogelijk aanzienlijke milieueffecten een mer-procedure wordt doorlopen. Dit hangt mede af van de aard en omvang van de activiteit. Het doel van deze mer-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de invulling van de RES-ambitie. Het opstellen van een plan-MER levert een bijdrage om alle (ruimtelijke) belangen en claims zichtbaar te maken en geeft milieuinformatie zodat bestuurders deze onderling af kunnen wegen. De gevolgen voor onder meer het landschap, de natuur en de leefomgeving worden op een navolgbare- en toetsbare wijze in beeld gebracht. De RES is onder de Omgevingswet te zien als een programma. In deze wet is het programma aangewezen als een document waarvoor een plan-mer-plicht kan gelden2. Het programma is plan-mer-plichtig wanneer: 1 het programma kaderstellend is voor project-MER-(beoordelings)plichtige besluiten die zijn aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit3; 2 voor het programma een Passende Beoordeling moet worden gemaakt4; 3 het programma kaderstellend is voor besluitvorming over projecten die niet zijn aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit, maar wél aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben 5. Vanwege de kaderstellende functie van het programma geldt een plan-mer-plicht.
Voor de RES geldt dat het kaderstellend is voor de besluitvorming over onder andere een windpark. Het programma bevat namelijk kaders voor de inrichting van een in de toekomst te vergunnen windpark. Het oprichten van een windpark van meer dan 20 windturbines is in bijlage V bij het Omgevingsbesluit aangewezen als project-MER-plichtig project. Voor een windpark van minder dan 20 windturbines 6 geldt een project-mer-beoordelingsplicht. Doordat de invulling van de RES-ambitie een samenhang is tussen wind- en zonne-energie, worden beide in het plan-MER in beschouwing genomen ook al heeft zon afzonderlijk geen mer-plicht.
1
https://resrotterdamdenhaag.mett.nl/actueel/monitor/default.aspx.
2
Artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet.
3
Artikel 16.36 lid 1 Omgevingswet.
4
Artikel 16.36 lid 2 Omgevingswet.
5
Artikel 16.36 lid 4 Omgevingswet.
6
Vanaf 3 windturbines.
8 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
1.5
Scope van het plan-MER
Het plan-MER brengt de effecten in beeld van de opgave voor duurzame elektriciteit uit grootschalige winden zonne-energie op land. Onderzoek naar de effecten van grootschalige wind- en zonne-energie Het plan-MER dat op basis van deze NRD wordt opgesteld, geeft antwoord op de volgende vraag: welke gebieden zijn vanuit milieuperspectief geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van de duurzame elektriciteitsambitie binnen de RES-regio, en op welke alternatieve manieren kan de ambitie worden ingevuld binnen de RES1.0-zoekgebieden? Het plan-MER biedt feitelijke beslisinformatie aan de bevoegde bestuursorganen over in welke gebieden milieueffecten te verwachten zijn door grootschalige energieopwekking in 2030. De milieu-informatie die in deze procedure wordt verzameld, kunnen de provincie en gemeenten gebruiken om (ruimtelijke) keuzes af te wegen en te onderbouwen. Het plan-MER kan als basis dienen voor de verankering van de keuzes in de RES in lokaal omgevingsbeleid, zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. In het plan-MER wordt geen rangschikking van locaties gemaakt en worden geen voorkeursgebieden aangewezen. De bevoegde bestuursorganen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor de keuze van zoeklocaties voor de opwekking van wind- en zonne-energie. Hierover vindt afstemming plaats op regioniveau.
Zoeklocaties kunnen vervolgens secundair door bevoegde bestuursorganen worden verankerd in omgevingsbeleid. Hiervoor is mogelijk een aanvulling nodig op de milieu-informatie die in deze procedure wordt verzameld. Abstractieniveau passend bij een planprocedure De plan-mer is een instrument dat geschikt is voor de planstudiefase. Hierbij hoort een milieubeoordeling op strategisch en relatief abstract niveau. Op regionaal niveau geeft het onderzoek input voor strategische keuzes voor de aanwijzing van locaties voor grootschalige opwekking van wind- en zonne-energie. Bij de nadere uitwerking op projectniveau wordt afhankelijk van de schaal een zogenaamd project-MER of merbeoordeling ingezet, of wordt een omgevingsvergunning op een andere wijze onderbouwt. Deze vervolgstappen omvatten gedetailleerder onderzoek naar de gevolgen van het desbetreffend project op het milieu. Deze NRD is het startpunt van een plan-MER op regionaal niveau, ter ondersteuning van een regionaal programma. Voor elke uitwerking op projectniveau geldt dat hiervoor voldaan moet worden aan de benodigde vergunningseisen. Omgang met lokaal beleid en de voortgang van de ambitie Het plan-MER draagt bij aan de tijdige realisatie van de ambitie van de RES1.0. De ambitie zoals deze vastgelegd is in de RES1.0 is het hoofdonderwerp van het plan-MER.
Na publicatie van de RES1.0 is er meer duidelijk geworden over de technische haalbaarheid of het politiek-bestuurlijke draagvlak van bepaalde zoekgebieden. In sommige gemeenten zijn ook besluiten genomen over het uitsluiten van concrete gebieden voor windenergie. Deze ontwikkelingen worden meegenomen als uitgangspunt. Zij doen recht aan de inspanningen van gemeenten voor zon- en windenergie voor, tijdens of na vaststelling van de RES1.0. Paragraaf 2.5 en 2.6 gaan in op het gemeentelijk beleid en in paragraaf 5.3 is beschreven hoe dit doorwerkt in de RES1.0-zoekgebieden. VRM-locaties in het plan-MER De RES1.0-ambitie voor windenergie bestaat uit twee nog te realiseren onderdelen: de te ontwikkelen turbines in VRM-locaties en RES1.0 zoekgebieden. VRM-locaties zijn in de Visie ruimte en mobiliteit van de provincie Zuid-Holland in 2018 aangewezen als locaties voor windenergie. De RES1.0 zoekgebieden en VRMlocaties overlappen soms. De VRM-locaties zijn al vastgelegd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Hier is in 2017 een plan-MER voor opgesteld. De VRM-locaties vallen niet onder de afspraken in RES 1.0, maar gerealiseerde windparken in deze locaties dragen wel bij aan het bereiken van de energieambitie van de RES. De VRM-locaties die nog niet gerealiseerd zijn worden onderzocht in het plan-MER.
Dit is noodzakelijk om (bezien vanuit milieueffecten) een objectief beeld te geven van de haalbaarheid van de RES1.0 ambitie. VRMlocaties die al gerealiseerd zijn of waarvan de ontwikkeling voldoende zeker is, worden beschouwd als autonome ontwikkelingen. VRM-locaties die vanwege uiteenlopende redenen niet meer realistisch of
9 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
gewenst zijn binnen besluitvorming worden wel onderzocht. Als deze locaties niet technisch haalbaar blijken te zijn vanuit wet- en regelgeving of milieu zal dit verder onderbouwd kunnen worden door het plan-MER. Draagvlak is geen milieuthema, hier wordt geen rekening mee gehouden in het plan-MER. Geen onderzoek naar de effecten van warmte Het warmtesysteem in de provincie Zuid-Holland is aangemerkt als project van nationaal belang in het nMIEK, wat ervoor zorgt dat ook andere overheden een mogelijke rol krijgen bij het regionale warmtesysteem. Welke rol is nu nog niet bekend. Als eerste stap is een kwartiermaker aangesteld, die duidelijk moet maken welke besluiten nodig zijn om het warmtevraagstuk in de provincie vorm te geven. Hieruit volgt ook of er sprake is zijn van een mer-plicht op rijks- of provinciaal niveau, of dat besluitvorming op regionaal niveau logischer is. Op gemeentelijk niveau kan een plan-MER mogelijk wel nodig zijn voor een gemeentelijk warmteprogramma. Warmte maakt vanwege deze benodigde uitwerking daarom geen onderdeel uit van deze NRD en het plan-MER voor de RES Rotterdam Den Haag. Aanpak milieuonderzoek zonne-energie De reikwijdte en het detailniveau van het milieuonderzoek naar zonne-energie is kleiner en lager dan voor windenergie.
Milieueffecten en ruimtelijke beperkingen van zonnevelden zijn aanzienlijk kleiner dan milieueffecten van windenergie, de resterende ambitie voor zonnevelden is laag, en de RES1.0 zoekgebieden zijn groot. Daarnaast geeft de zonnewijzer op regionaal niveau voldoende sturing in de locatieafweging van zoekgebieden. Met deze zonnewijzer is rekening gehouden bij het aanwijzen van gebieden in de RES1.0. Op lokaal niveau kan een nadere afweging gemaakt worden, waarbij milieu-informatie uit dit plan-MER gebruikt wordt. In het plan-MER worden milieueffecten onderzocht van zon op veld en zon op oppervlaktewater. Overige zonnetechnieken zijn buiten scope, dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 8.
1.6
Bevoegd gezag en initiatiefnemers
Bij een mer is er sprake van drie formele rollen: een bevoegd gezag, een initiatiefnemer en adviseurs. Bevoegd gezag Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van het mer-plichtige plan of besluit. In de context van de RES-regio Rotterdam Den Haag zijn de colleges van de betrokken 21 gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie het bevoegd gezag voor een besluit over een programma. Bij het vaststellen van de RES1.0 was er sprake van 23 gemeenten. In 2023 heeft een fusie plaatsgevonden van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne tot Voorne aan Zee waardoor er nu sprake is van 21 gemeenten. De portefeuillehouders nemen gezamenlijk zitting in het Bestuurlijk Netwerk Energie (BNE) van de RES-regio Rotterdam Den Haag. Initiatiefnemer De initiatiefnemer is degene die het voornemen heeft een activiteit te ondernemen. De activiteit van deze mer is het verder werken aan de RES1.0-ambitie. Dit zijn de 21 gemeenten, waterschappen en de provincie, die vertegenwoordigd zijn in de energieregio Rotterdam Den Haag. De RES-organisatie zorgt voor de dagelijkse aansturing, maar speelt geen formele rol binnen de mer-procedure. Adviseurs Daarnaast zijn er diverse wettelijke adviseurs, die adviseren over de inhoud van het plan-MER. Belangrijk daarbij is de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer).
Dit kunnen ook andere overheden zijn die geen bevoegd gezag of initiatiefnemer.
1.7
Leeswijzer
Deze NRD bevat informatie over de voorstelde aanpak van het milieuonderzoek. Hoofdstuk 2 gaat in op de kaders vanuit wetgeving en beleid voor dit plan-MER. Hoofdstuk 3 schetst globaal het onderzoeksproces in vier stappen. Hoofdstuk 4 gaat in op de huidige situatie en autonome ontwikkelingen. Hoofdstuk 5 beschrijft
10 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
de reikwijdte van het milieuonderzoek voor wind: de uitgangspunten, het onderzoeksgebied en trechtering naar zoeklocaties. Hoofdstuk 6 gaat in op de redelijke alternatieven. In hoofdstuk 7 wordt het detailniveau van het milieuonderzoek voor wind beschreven. Hoofdstuk 8 beschrijft het voornemen, de ambitie en de aanpak van het milieuonderzoek naar zonnevelden. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op hoe het vervolgproces eruitziet.
11 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
2 KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN Dit hoofdstuk beschrijft relevante kaders voor dit plan-MER. Hierbij zal alleen worden ingegaan op kaders en ontwikkelingen gericht op zon- en windenergie en grote buiten stedelijke infrastructurele projecten. Kaders die tot een specifiek milieuthema toebehoren worden in het milieuonderzoek verder uitgewerkt.
2.1
Europees
Europese Green Deal (Europese klimaatwet) De Green Deal heeft als doel om de Europese Unie (EU) klimaatneutraal te maken tegen 2050. Deze doelstelling ligt in lijn met het klimaatakkoord van Parijs om de temperatuurstijging als gevolg van klimaatopwarming te houden op een maximale stijging van 2 °C, maar zo mogelijk binnen de 1,5 °C te houden. Om deze doelstellingen te bereiken wil de EU tegen 2030 de uitstoot van broeikasgassen met 55 % laten dalen. Om die reden introduceert de EU wetgevende voorstellen die vallen onder het ‘Fit-for-55’-pakket. De opwarming van de aarde is nauw verbonden met verschillende beleidsdomeinen zoals energie, vervoer, milieu, staatssteun en aanbestedingen. De EU streeft naar de integratie van duurzaamheid binnen deze beleidsdomeinen. Onder het plan REPowerEU wordt er al volop geïnvesteerd in hernieuwbare energie, zoals wind- en zonne-energie. Veel van het voorgestelde beleid zal uiteindelijk op lokaal en regionaal niveau moeten worden uitgevoerd.
2.2
Nationaal
Energieakkoord Het Energieakkoord voor duurzame groei is een overeenkomst uit 2013 tussen 47 partijen bestaande uit overheden, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen. Het doel is de energievoorziening van Nederland duurzamer te maken. De gemaakte afspraken gaan over energiebesparing, duurzame opwekking, schone technologieën en klimaatbeleid. Het doel van de afspraken is dat deze leiden tot een betaalbare en schone energievoorziening, creatie van werkgelegenheid, en kansen voor Nederland in markten gericht op schone technologie. Klimaatwet De Klimaatwet heeft het streefdoel van 55 % reductie van CO2-uitstoot in 2030 en 100 % reductie in 2050 ten opzichte van 1990 wettelijk vastgelegd. De Klimaatwet gaat niet over inhoudelijke maatregelen om de CO2-reductie te realiseren. Deze zijn opgenomen in het Klimaatakkoord. Klimaatakkoord Het Klimaatakkoord (2019) is een initiatief van het kabinet Rutte III, is opgesteld met maatschappelijk actoren, en bouwt voort op het Energieakkoord. Het Klimaatakkoord heeft één centraal doel, de reductie van broeikasgassen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de energievoorziening, maar naar alle broeikasemissies. In het Klimaatakkoord is uitgewerkt hoe Nederland deze doelstellingen wil bereiken.
Het Klimaatakkoord vormt het kader voor de Regionale Energiestrategie (RES). In de RES wordt op regionaal
12 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
niveau (in 30 regio’s) de strategie vastgelegd welke mogelijkheden er zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie op land, en welke warmtebronnen er zijn. In het coalitieakkoord van kabinet Rutte IV (2022) zijn de doelstellingen van het Klimaatakkoord voor CO2-reductie verhoogt naar 55 % in 2030. Om met voldoende zekerheid het aangescherpte doel van 55 % reductie in 2030 te realiseren, wil het kabinet zich bij de uitwerking van het klimaatbeleid richten op 60 % emissiereductie, zodat ook bij tegenvallers de 55 % reductie niet in het geding is. De RES-regio’s hebben als gemeenschappelijk doel om in 2030 ten minste 35TWh aan energie op te wekken. In de RES 1.0 hebben de decentrale overheden een ambitie uitgesproken van 55 TWh om aan de doelstelling te voldoen. De RES1.0 van RES-regio Rotterdam Den Haag vloeit voort uit het Klimaatakkoord. Elektriciteitswet en Energiewet De Elektriciteitswet uit 1998 regelt de productie, transport en levering van elektriciteit binnen Nederland. De Energiewet omvat een modernisering van de Elektriciteitswet en Gaswet en is een implementatie van het EU Clean Energy Package. De belangrijkste pijler van deze wet is het CO2-arm, betrouwbaar, betaalbaar, veilig en ruimtelijk implementeren van schonere energie. Hierbij krijgen provincies en gemeentes meer bevoegdheid rondom de aanleg van energie-infrastructuur.
De Energiewet is als voorstel ingediend in juni 2023. Wanneer deze in werking treedt is nog onbekend. Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid kiest in de Nationale Omgevingsvisie voor het realiseren van de opgave van duurzame energie voor de kwaliteit van de omgeving en het combineren van functies. Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) heeft de voorkeur. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem, én maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Daarnaast is de voorwaarde dat bewoners betrokken zijn, invloed hebben en meeprofiteren in de opbrengsten. Regels voor multifunctionele zonneparken Een multifunctioneel zonnepark betreft een zonnepark waar sprake is van multifunctioneel ruimtegebruik. Hier is bijvoorbeeld sprake van bij een zonnepark in combinatie met landbouwdoeleinden, op geluidswallen langs auto- en spoorwegen of een zonnepark op een overkapping boven een parkeerterrein. Toepassingen van zonne-energie op gebouwen zijn doorgaans vergunningsvrij, maar niet vrij van regels.
Naast een aantal specifieke eisen ten aanzien van plaatsing, bijvoorbeeld afstand tot dakrand, in dakvlak, moet worden voldaan aan het Bouwbesluit en het burenrecht uit het burgerlijk Wetboek: buren mogen geen hinder ondervinden. Voor grondgebonden zonne-energiesystemen is vrijwel altijd een omgevingsvergunning nodig. Zonne-energiesystemen met een omvang vanaf 50 MW kunnen vallen onder de rijkscoördinatieregeling. Dit komt voort uit de nota Ruimte.
2.3
Provinciaal
Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie Zuid-Holland bevat de strategische visie van de provincie Zuid-Holland over de fysieke leefomgeving en de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid. Deze is op 1 april 2019 in werking getreden en voor het laatst gewijzigd 8 maart 2023 door Provinciale Staten. In 2030 wil provincie ZuidHolland de uitstoot van broeigassen t.o.v. 1990 met 49 % hebben teruggedrongen. In 2050 is het doel om nog maar 5 % van de uitstoot van 1990 te produceren. Om dit na te streven wordt integraal ingezet op de thema’s warmte, wind, zon, energie-efficiëntie en mobiliteit. Binnen dit alles wordt uitgegaan van de (omgevings-) kenmerken van Zuid-Holland en (kosten) efficiëntie en kwaliteit. De provincie sluit binnen dit alles vooraf geen bronnen van duurzame energie uit. Wel wordt er vanwege van de schaarse onbebouwde ruimte binnen Zuid-Holland voorkeur gegeven aan de plaatsing van zonnepanelen en warmtecollectoren op daken en andere functies voor meervoudig ruimtegebruik. Om de gestelde doelen te bereiken ziet provincie Zuid-Holland een belangrijke rol voor samenwerking met de 7 RES-regio’s binnen Zuid-Holland, waaronder de RES-regio Rotterdam Den Haag.
13 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
Omgevingsprogramma Zuid-Holland In het Omgevingsprogramma Zuid-Holland staan de beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie uitgewerkt. In 2022 heeft de provincie een plan-MER, Provinciale plan-MER Module Energietransitie, uitgevoerd in het kader van het vastleggen van de zoekgebieden voor zon en wind van de RES1.0 in het Omgevingsprogramma. Waar mogelijk sluit dit plan-MER aan bij het provinciale plan-MER binnen de effectbeoordeling. Door het verschil in schaal (provinciaal t.o.v. regionaal) is de informatie en methodiek niet 1 op 1 over te nemen. In 2025 doorloopt provincie Zuid-Holland opnieuw een mer-procedure om haar omgevingsprogramma te wijzigen. De provincie gebruikt hiervoor o.a. de resultaten van de u voorliggende mer-procedure. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening Zuid-Holland, in werking vanaf 26 maart 2024, staan de regels voor de fysieke leefomgeving opgesteld. De omgevingsverordening geeft daarom aan welk ruimtegebruik wel en niet is toegestaan binnen Zuid-Holland. In de omgevingsverordening wordt een onderscheid gemaakt tussen regels voor wind- en zonne-energie. Windenergie In artikel 7.75 van de omgevingsverordening staat dat de locaties voor windenergie de locaties zijn waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, op kaart 25, van de omgevingsverordening (zie afbeelding 2.1).
Artikel 7.76 lid 1 stelt daarbij dat een omgevingsplan windturbines alleen toelaat binnen de gebieden zoals bedoeld in artikel 7.75. Dit is het werkingsgebied.
Afbeelding 2.1 Geometrische begrenzing met locaties voor windenergie (bron: provinciale omgevingsverordening, kaart 25)
Wanneer een gemeente met een omgevingsplan de geometrische begrenzing van de in artikel 7.75 bedoelde gebieden wil aanpassen is dat alleen mogelijk onder de gestelde voorwaarden binnen artikel 7.76 lid 2. Hierin staat de begrenzing van deze gebieden aangepast kan worden waarbij er rekening gehouden wordt met de lokale omstandigheden, ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de locatie in de omgeving, of ten behoeve van de uitbreiding van deze locatie mits de locatie een samenhangende eenheid
14 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
vormt in het landschap. Daarbij geldt dat de locatie voor windenergie kan worden uitgebreid met een capaciteit van: 1 maximaal 5 MW (bij in werking treding van de Energiewet wordt dit mogelijk gewijzigd naar 15 MW); of 2 meer dan 5 MW wanneer gedeputeerde staten op grond van artikel 9c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 van oordeel zijn dat het project met toepassing van artikel 5.55 van de Omgevingswet kan worden uitgevoerd door het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, en dat bevoegde bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd. Lid 3 van artikel 7.76 stelt dat in afwijking van de in lid 1 bedoelde gebieden, een omgevingsplan in gebieden buiten het bestaand stads-en dorpsgebied windturbines met een ashoogte tot 15 meter kan toelaten. Daarnaast kan een omgevingsplan binnen bestaand stads-en dorpsgebied of voor locaties binnen het glastuinbouwgebied, zoals aangewezen in bijlage II, windturbines toelaten met een ashoogte tot 45 meter mits dit past bij de lokale situatie. Lid 4 van artikel 7.76 stelt daarnaast dat wanneer een omgevingsplan de bouw van windturbines of gebouwen die gebouwd zijn ten behoeve van de opwekking van windenergie de sloop hiervan moet verzekeren na beëindiging van deze opwekking. Zonne-energie Artikel 7.76a is alleen van toepassing op nieuw te ontwikkelen zonnevelden buiten bestaand stads-en dorpsgebied staat in lid 1 van het artikel.
In lid 2 staan verdere regels in het geval dat er een omgevingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld. Zo is een nieuw zonneveld alleen toegestaan op de volgende locaties: - agrarische bouwpercelen; - locaties met een functie verkeersinfrastructuur of een locatie ten dienste daarvan; - slibdepots, waterbassins, spaarbekkens, bergingsgebieden en voormalige stortplaatsen; - glastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied; - een locatie waar een stedelijke functie is toegedeeld, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd; - een windpark. Een omgevingsplan kan afwijken van lid 2 volgens lid 3 en zonnevelden toelaten wanneer zoekgebieden voor zon uit de RES’en door PS zijn vastgesteld en wanneer het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd. Daarnaast dient een omgevingsplan dat voorziet in de toelating van een nieuw zonneveld een motivering te bevatten voor de bijdrage die geleverd wordt aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing en de realisatie hiervan, en de combinatie met andere relevante opgaven. Daarnaast dient het omgevingsplan te verzekeren dat het zonneveld en bijbehorende andere bouwwerken na beëindiging van de energieopwekking gesloopt worden.
Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie Zuid-Holland Met deze handreiking geeft provincie Zuid-Holland handvaten aan gemeenten en initiatiefnemers voor de ruimtelijke inpassing van zonnevelden. Het doel daarbij is om plannen te realiseren met kwaliteit. De handreiking maakt geen deel uit van het omgevingsbeleid van provincie Zuid-Holland, maar sluit aan op deze kaders. Ruimtelijke koers toekomstbestendig Zuid-Holland In dit document schetst provincie Zuid-Holland de richting welke ze op wil binnen haar ruimtelijk beleid. Hierbinnen staan vier principes als richtinggevend: - een toekomstbestendige leefomgeving is onze topprioriteit; - we accepteren dat niet voor alles ruimte is in Zuid-Holland; - we sturen op kwaliteit en maximale maatschappelijke toegevoegde waarde; - we houden rekening met de maatschappelijke kosten en baten op de korte en lange termijn. Duurzame energie is een belangrijk onderdeel hiervan.
15 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
2.4
Regionaal beleid
Convenant Realisatie windenergie stadsregio Rotterdam (2012) en convenant Realisatie windenergie in de Rotterdamse haven (2009) Het convenant Realisatie windenergie stadsregio Rotterdam is een afspraak uit 2012 tussen gemeenten, provincie en andere organisaties zoals Havenbedrijf Rotterdam om minimaal 150 MW aan windenergie te realiseren in 2020. Daarbij sluit het aan bij het convenant Realisatie windenergie in de Rotterdamse haven uit 2009. In deze twee convenanten samen is de ambitie vastgelegd om in 2025 een opgesteld vermogen van 450 MW windenergie op land te realiseren. Het windconvenant is in 2020 verlengd. De locaties uit het convenant worden aangeduid als VRM-locaties, en zijn in de omgevingsverordening verankerd. Hoe er met VRM-locaties wordt omgegaan staat in het plan-MER staat in paragraaf 1.5. Cluster Energiestrategie (CES) Rotterdam/Moerdijk Het Rotterdamse havengebied is geen deel van de RES-regio Rotterdam Den Haag maar van de Cluster Energiestrategie (CES) Rotterdam/Moerdijk. Hierin werken het Rijk, provincie, gemeenten en bedrijven samen aan de verduurzaming van het Haven Industrieel Complex. Dit komt voort uit het Klimaatakkoord. Voor het Havengebied geldt dat sturing op realisatie van projecten of de ontwikkeling van nieuwe locaties in afstemming gaat tussen gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf.
Dit is een parallelle opgave die een deel van de RES-opgave invult. Het Brabantse deel valt buiten de RES-opgave voor Rotterdam Den Haag.
2.5
Gemeentelijk beleid en lopende ontwikkelingen
Binnen het plan-MER wordt rekening gehouden met gemeentelijk beleid. Gemeentelijk beleid is zelfbindend en daarmee kaderstellend voor de betreffende gemeente. Het meenemen van gemeentelijk beleid geeft een realistische analyse van de haalbaarheid van de ambities van de RES1.0 in het plan-MER, en doet recht aan de inspanningen die gemeenten voor zonne- en windenergie voor, tijdens of na vaststelling van de RES1.0 hebben gedaan. Tabel 2.1 bevat een inventarisatie van beleid en lopende ontwikkelingen in deelnemende gemeenten uit RES-regio Rotterdam Den Haag voor zon- en windenergie.
Tabel 2.1 Inventarisatie beleid en lopende ontwikkelingen gemeenten in RES-regio Rotterdam Den Haag Gemeente
Bron
Beschrijving zon en wind
Albrandswaard
Structuurvisie (2013)
In de structuurvisie staat dat zonnepanelen een ruimteplan duurzamer kunnen maken. Verder staat er niks genoemd over zon- en windenergie.
Barendrecht
Structuurvisie (2012)
Heeft zoekgebieden aangewezen voor wind en zon. Met name langs de A15 en de tunnelmond van de A29. Knooppunt Vaanplein is door provincie ZuidHolland aangewezen als locatie voor windenergie.
Capelle aan den IJssel
Stadsvisie (2021)
Gaat voor zonnepanelen op daken en sommige overdekte parkeerterreinen. Onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen langs de A20.
Delft
Omgevingsvisie (2021)
Delft zet in op zonne-energie op daken, maar wil dit niet 100% benutten om ruimte over te houden voor andere opgaven als wateropvang. Wil geen windmolens plaatsen in natuur- en recreatiegebieden.
Den Haag
Stedelijk energieplan (2020)
Den Haag zet in op zonne-energie en warmtebronnen. Voor grootschalige opwekking van windenergie is geen ruimte in de stad. De gemeente houdt de mogelijkheid open voor nieuwe oplossingen als geïntegreerde daksystemen voor windenergie, al moeten deze nog ontwikkeld worden. De GAVI-kavel is reeds bestemd als toekomstig bedrijventerrein.
Krimpen aan den IJssel
Duurzaamheidsagenda 2021-2024
Krimpen zet in op zon op daken. Daarnaast deed de gemeente onderzoek naar de plaatsing van een zonnepark, en onderzocht of de plaatsing van windturbines in het stormpoldergebied realistisch is. De conclusie was dat alleen de zuidrand geschikt was voor windturbines.
16 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
Gemeente
Lansingerland
LeidschendamVoorburg
Bron
Beschrijving zon en wind
Beleidskader windenergie (2018)
In dit beleidskader heeft de gemeente kaders gesteld voor de realisatie van windenergieprojecten over hinder, participatie en compensatie van omwonenden.
Omgevingsvisie (2022)
In de gemeente zijn ruimtelijke beperkingen geïdentificeerd voor windenergie vanwege RTH-airport en woningen. Gaat eerst voor zon op daken, waterbassins, koppelkansen, daarna pas grondgebonden zonnevelden. Wil de zoekgebieden uit de RES verder onderzoeken. Daarbij is Bleizo-West een mogelijk knelpunt vanwege voorgenomen woningbouwplannen.
Gemeentelijk Beleids- en Toetskader Windenergie Lansingerland (2017)
De gemeente stelt voor ten minste 12 MW aan windenergie op te wekken.
Beleidskader zonneenergie Lansingerland (2023)
Ook heeft de gemeente een beleidslijn voor de opwek van zonne-energie. Daarbij ligt de voorkeur voor zon op dak, langs infrastructuur, op overdekte parkeerplaatsen, en op waterbassins van de glastuinbouw.
Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2023-2026 (2023)
De gemeenteraad heeft besloten tot 2030 niet in te zetten op grootschalige opwekking met windturbines. De gemeente onderzoekt of het mogelijk is om langs de tracés van de rijkswegen A4 en A12 zonne-energie op te wekken. Daarnaast wordt er ingezet op zon op daken. Tot 2030 zet de gemeente niet in op grootschalige zonnevelden. In 2021 heeft de gemeente ingestemd met het vaststellen van de RES 1.0 inclusief de zoekgebieden voor zon- en windenergie. In 2023 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen om open te staan voor initiatieven voor het opwekken van windenergie in het landelijk gebied mits in grotendeels collectief en lokaal eigendom. Op dit moment wordt een initiatief rondom windenergie binnen de RES-zoekgebieden verder onderzocht met medewerking van de gemeente.
Lokale Energie Strategie (2021)
Maassluis
Structuurvisie (2012)
Gemeente Maassluis heeft voor haar structuurvisie onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van zoeklocaties voor windenergie. Hieruit is gebleken dat deze om verschillende redenen niet haalbaar zijn. Er is in de gemeente Maassluis daarom geen plaats voor grootschalige windturbineopstellingen. De gemeente is wel voorstander van kleinschalige oplossingen waarbij energie voor eigen gebruik wordt geproduceerd, in overleg met de omgeving.
MiddenDelfland
Omgevingsvisie (2021)
Heeft in het open veenweidelandschap geen ruimte voor grootschalige winden zonne-energie (landschappelijke kwaliteiten voorop). In lijn met de zonneladder daarom eerst zon op dak, bedrijventerreinen en glasbouw. Aangewezen RES-zoekgebieden zijn de zones van de A4 en A20. Kleinschalige zonnepanelen en windmolens op erven worden gestimuleerd mits landschappelijk goed ingepast.
Nissewaard
Programmaplan Duurzaamheid 2023-2024
Gemeente Nissewaard heeft een windenergieproject en ruimte voor zonnevelden. Er is een doel van18 MW binnen het zoekgebied van locatie M te Nissewaard, deze locatie is opgenomen in het stadsregionale convenant en verankerd in de provinciale omgevingsverordening.
Leidraad windenergie Voorne-Putten (2018)
Gemeente Nissewaard zet zich in voor wind en zon. Via het stadsregionale convenant windenergie Rotterdam en in samenwerking met leidraad windenergie Voorne-Putten. Voorne-Putten heeft als eiland een gezamenlijke aanpak waarin de gemeente Nissewaard samen optrekt met de gemeente Voorne aan Zee.
PijnackerNootdorp
Omgevingsvisie (2021)
In de Omgevingsvisie is geen ruimte voor grootschalige zonnevelden of windmolens opgenomen. Zonne-energie op waterbassins is uitgangspunt (drijvend) of plekken die niet meer gebruikt worden voor glastuinbouw. Glastuinbouw moet ontzien worden. Zonne-energie expliciet genoemd. Zon ook mogelijk op daken van woningen of bedrijven/gevels. Ook boven parkeerplaatsen.
Ridderkerk
Omgevingsvisie (2017)
De mogelijkheden voor windenergie zijn beperkt tot bedrijventerrein NieuwReijerwaard. Mogelijkheden voor zonne-energie zijn aanzienlijk: platte daken in Ridderkerk en eilanden ten zuiden van Bolnes. De gemeente sluit geen van beide soorten uit.
17 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
Gemeente
Bron
Beschrijving zon en wind
Klimaatvisie
In de gemeente staat het benutten van daken voor het opwekken van duurzame energie voorop.
Website
Zet in op zon op daken vanwege de dichte bebouwing.
Motie windturbines NEE BVR
De gemeente verleent geen medewerking aan het zoekgebied voor wind rondom de A4, en beperkt zich in dit gebied tot medewerking aan verder onderzoek zon.
Omgevingsvisie (2021)
Rotterdam gaat uit van aangewezen zoekgebieden voor windenergie. De gemeente wil daarnaast zonne-energie opwekken op daken en bij infrastructuur. Niet bij natuur of water. Het Rotterdamse havengebied maakt geen onderdeel uit van de RES-regio Rotterdam Den Haag maar van de Cluster Energiestrategie (CES) Rotterdam/Moerdijk.
Leidraad zonne-energie (2021)
In 2030 wil Rotterdam 750 MWp aan zonne-energie gerealiseerd hebben. De voorkeur is daarbij volgordelijk op daken en gevels, op en langs infrastructuur, op water, en daarna op land.
Leidraad windenergie (2021)
Met deze leidraad geeft Rotterdam een kader voor windprojecten, van initiatief tot sloop. Daarnaast wordt er ingegaan op uitgangspunten om de ruimtelijke impact waar mogelijk te beperken.
Schiedam
KIimaatbeleid gemeente Schiedam (2020)
Heeft onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor windenergie. Wil energie opwekken met 2 windmolens en zon op daken.
Vlaardingen
Website
Vlaardingen wil wind en zon gebruiken. Zon daarbij op daken. Er is in Vlaardingen nog ruimte voor 3 extra windturbines naast de al bestaande.
Voorne aan Zee
Leidraad windenergie Voorne Putten (2018)
Voorne-Putten heeft als eiland een gezamenlijke aanpak in samenhang met gemeente Nissewaard. Voorne aan Zee heeft meerdere windenergieprojecten vanuit het stadsregionale convenant. Daarnaast is er ruimte voor zonnevelden. Op 21 december 2023 stemde de gemeenteraad voor een motie om geen extra zonnevelden toe te voegen op landbouwgrond en/of natuurgebieden binnen Voorne aan Zee. Gemeente Brielle, in 2023 met gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne gefuseerd tot gemeente Voorne aan Zee, heeft de RES1.0 niet vastgesteld.
Wassenaar
Structuurvisie (2017)
Gemeente Wassenaar is voorstander van windmolens op zee, buiten zichtafstand. Er is beperkt beschikbare ruimte, dus het is lastig om grote windmolens en zonneweiden in te passen. Voor deze is dus geen ruimte.
Haalbaarheidsonderzoek zonnevelden (2021)
Gemeente Wassenaar heeft een haalbaarheidsonderzoek naar zonnevelden laten uitvoeren. De conclusies hiervan zijn dat er beperkte mogelijkheden zijn voor de plaatsing van zonnevelden.
Westland
Omgevingsvisie (2020)
Windenergie speelt een beperkte rol in het Westland vanwege de hoge bebouwingsdichtheid. Daarnaast is de voorkeur voor zon op daken of parkeerplaatsen in plaats van zonnevelden in de open ruimte.
Zoetermeer
Lokale verkenning potentie en wenselijkheid windenergie en zonnestroom binnen en buiten de stad Zoetermeer
Gemeente Zoetermeer heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor zon- en windenergie. daarbij is gekeken naar zonnepanelen, zonnevelden, en windenergie. De conclusie hiervan was dat windenergie en zonnevelden minder wenselijk zijn behalve de zonlocaties Roeleveenseveld en baggerdepot. Er wordt ingezet op zon op daken, geluidswallen en parkeerplaatsen.
Rijswijk
Rotterdam
2.6
Raakvlakprojecten
Ontwikkelingen met een groot ruimtebeslag kunnen in de toekomst ervoor zorgen dat ruimte niet meer in aanmerking komt voor de ontwikkeling van duurzame energie. Dit worden raakvlakprojecten genoemd. Raakvlakprojecten in het plan-MER zijn grote planologische buitenstedelijke projecten die vanwege hun mogelijke ontwikkeling impact op de RES-zoekgebieden en ambitie kunnen hebben. Deze hebben een andere status dan autonome ontwikkelingen (zie paragraaf 4.2). Juridisch-planologisch zijn deze nog niet
18 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
vastgelegd. Wel kunnen deze raakvlakprojecten ondersteuning in de belangenafweging bieden, door mogelijke ruimtelijke spanningsvelden aan te duiden.
Tabel 2.2 Overzicht van raakvlakprojecten met ambities binnen RES RT-DH Categorie
Gemeente
Beschrijving
Impact
Impact op RES-ambitie en ruimte
woningbouw, grootschalige planologie
regio
verstedelijkingsakkoord, stedelijke verdichting en grootschalige woningbouw langs de Oude Lijn
ruimtebeslag
onzeker
energie
Rotterdam, Voorne aan Zee, Den Haag, Lansingerland
aanlanding wind op zee (VAWOZ)
ruimtebeslag, impact op het net
onzeker
wind
Lansingerland
haalbaarheidsonderzoek wind
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
onzeker
wind
Nissewaard
windpark Brielse Maasdijk, 5 turbines
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
onzeker, verklaring geen bedenkingen niet afgegeven
woningbouw
Lansingerland
gebiedsontwikkeling Wilderszijde (2600-3000 woningen)
ruimtebeslag
vastgesteld bestemmingsplan, omgevingsvergunning onzeker
warmte
Rijswijk, Leiden
Warmtenetwerk WarmtelinQ
ruimtebeslag
omgevingsvergunningen ter inzage
buisleiding
Rotterdam
buisleiding met CO2 Aramis
ruimtebeslag, veiligheidscontour
voorkeursalternatief vastgesteld
drinkwatersysteem
Den Haag, Lansingerland, Wassenaar, Rijkswijk, Westland LeidschendamVoorburg
uitbreiding drinkwatersysteem Dunea
ruimtebeslag
uitvoering onzeker
Novex
regio
woningbouwversnelling
ruimtebeslag
uitvoering onzeker
kernenergie
Rotterdam
Maasvlakte zoeklocatie kerncentrale
ruimtebeslag, veiligheidscontour
onzeker
warmte
regio
warmte systeem ZuidHolland
ruimtebeslag
uitvoering onzeker
woningbouw
Wassenaar
ontwikkeling Kerkehout
ruimtebeslag
planvormingsfase
woningbouw
LeidschendamVoorburg
gebiedsontwikkeling Overgoo
ruimtebeslag
ontwikkelvisie vastgesteld
zon
Zoetermeer
Zonneveld bij Roeleveenseweg
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
ontwerpvergunning verleend
woningbouw
Lansingerland, Zoetermeer
gebiedsontwikkeling Bleizo-West
ruimtebeslag
uitvoering onzeker
19 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
Categorie
Gemeente
Beschrijving
Impact
Impact op RES-ambitie en ruimte
wind
Rotterdam
2 turbines VRM Hoeksebaan
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
onzeker
wind
Voorne aan Zee
2 turbines N57-Entree Noord
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
besluit in 2024
wind
Voorne aan zee
2 turbines Noordzeeboulevard
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
vergunningsaanvraag loopt
buisleiding
regio
Delta Rhine Corridor
ruimtebeslag
verkenningsfase
treinverbinding
regio
MIRT-Verkenning Oude Lijn
ruimtebeslag
verkenningsfase
hoogspanningsverbinding
Ridderkerk
hoogspanningsverbinding Geertruidenberg Krimpen aan den IJssel of Crayestein
ruimtebeslag
planvormingsfase
wind
Rotterdam
windturbine SIF II, 1 turbine
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
vergunningsaanvraag loopt
wind
Rotterdam
windpark Hartel III, 2 turbines
ruimtebeslag, draagt bij aan ambitie
vergunningsaanvraag loopt
elektriciteitsnet
Rotterdam
uitbreiding en verzwaring Elektriciteitsnet Rotterdamse Haven
ruimtebeslag
in ontwikkeling
20 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
3 AANPAK VAN HET MILIEUONDERZOEK Zoals al beschreven in de inleiding, draagt de plan-mer in twee inhoudelijke sporen bij aan het doel, namelijk: - het bieden van een (juridisch houdbare) milieuonderbouwing voor de zoekgebieden die zijn vastgelegd in RES1.0; - het faciliteren van een verdere uitwerking van zoekgebieden naar zoeklocaties met onderbouwende milieu-informatie. Om het doel te bereiken worden verschillende stappen doorlopen in het milieuonderzoek, waarbij in elke stap milieu-informatie betrokken wordt. De stappen die doorlopen worden zijn in afbeelding 3.1 schematisch weergeven. De aanpak van het milieuonderzoek voor windenergie is uitgebreider dan de aanpak voor zonne-energie. Zoals in paragraaf 1.5 is toegelicht, komt dit door een verschil in mer-plicht en informatiebehoefte.
Afbeelding 3.1 Schematisch overzicht van de te nemen stappen in het plan-MER
Hieronder wordt nader toegelicht hoe de stappen in dit schema van toepassing zijn op RES RT-DH.
3.1
Stap 1: in kaart brengen plangebied (voor wind en zon)
Het milieuonderzoek start met het in kaart brengen van de huidige status van het milieu en de kansen en fysieke en wettelijke belemmeringen voor wind- en zonne-energie in de gehele RES-regio, het plangebied. Het onderzoeksgebied is het gebied dat overblijft na het uitsluiten van gebieden binnen het plangebied waar het op voorhand niet mogelijk is om windturbines of zonneparken te realiseren. Op deze locaties is sprake van belemmeringen. In het milieuonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen belemmeringen: - harde belemmeringen; - zachte belemmeringen. Harde belemmeringen Binnen de regio zijn er gebieden waar grootschalige opwekking van duurzame energie vanuit (milieu-) wetgeving niet is toegestaan of fysiek niet mogelijk is. Het is niet nodig om deze gebieden te onderzoeken
21 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
in het milieuonderzoek. Op voorhand is al duidelijk dat grootschalige opwekking onmogelijk is. Daarom worden deze gebieden niet nader betrokken in het onderzoek. Zachte belemmeringen Binnen de regio zijn er gebieden waar aanvullende eisen gelden voor de opwekking van duurzame energie. Deze zachte belemmeringen zijn aandachtspunten vanuit beleid en regelgeving, advies- of richtafstanden. In deze gebieden of binnen deze afstanden is de opwekking van duurzame energie mogelijk zolang er voldaan wordt aan veiligheidsvoorschriften of aangetoond kan worden dat effecten minimaal zijn. Deze zachte belemmeringen geven een indicatie van het gebied waar milieueffecten worden verwacht. De gebieden waar op voorhand geen harde belemmeringen zijn of waar alleen zachte belemmeringen worden verwacht, zijn mogelijk kansrijk voor de opwekking van grootschalige duurzame energie. Paragrafen 5.2 (voor wind) en 8.2 (voor zon) presenteren de resultaten van deze stap. Het gehele onderzoeksgebied wordt onderzocht op milieueffecten. Milieu-informatie binnen én buiten de RES1.0 zoekgebieden helpt om vanuit milieu te beargumenteren waarom een locatie al dan niet geschikt is. Er is immers breder gekeken, ook andere locaties zijn onderzocht en overwogen.
3.2
Stap 2: van onderzoeksgebied naar zoeklocaties (voor wind)
In de tweede stap van het milieuonderzoek is het onderzoeksgebied, het deel van het plangebied zonder harde belemmeringen, samengevoegd met de in RES1.0 vastgestelde zoekgebieden. In deze stap worden de besluiten van de gemeenten bij vaststelling van de RES1.0 gehonoreerd. Ook worden de beleidsontwikkelingen uit tabel 2.1 in paragraaf 2.5 meegenomen ter afbakening van het zoekgebied. Zoals benoemd is de RES-regio niet van plan om af te wijken in haar besluit van de in de RES1.0 vastgelegde zoekgebieden voor windenergie. Daarom beperkt dit verdere milieuonderzoek voor windenergie zich alleen tot de RES1.0-zoekgebieden. Hieruit zijn eerst gebieden met belemmeringen geïdentificeerd. Deze gebieden zijn niet verder betrokken in het onderzoek (zie stap 1). De resterende gebieden zonder harde belemmeringen binnen de RES1.0 zoekgebieden zijn vervolgens opgedeeld of gecombineerd tot logische zoeklocaties. Dit wordt gedaan op basis van transparante richtlijnen in paragraaf 5.3. De zoeklocaties dienen vervolgens als basis voor de alternatievenontwikkelingen studie.
3.3
Stap 3: alternatievenontwikkeling (voor wind)
In de derde stap van het milieuonderzoek vindt een alternatievenstudie plaats en worden uit het resterend gebied uit stap 2 zoeklocaties geselecteerd die: - voldoende ruimte bieden voor het realiseren van de openstaande RES1.0-ambitie. Deze stap maakt dat de alternatieven ‘redelijk’ zijn; - vanuit de hoeken van het milieuspeelveld een uniek perspectief laten zien, en daarmee ruimtelijk onderscheidend zijn. Er zijn drie alternatieven ontwikkeld die elk een milieubelang centraal stellen: 1) landschap en ruimtelijke kwaliteit, 2) leefomgeving en 3) natuur. Deze alternatieven maken verschillend gebruik van de zoeklocaties. Daarbij worden kwetsbare delen van zoeklocaties vermeden op basis van het milieubelang, of juist kansrijke delen van zoeklocaties benut. De ontwerprichtlijnen (uitgangspunten) voor de alternatieven zijn ingevuld op basis van vooronderzoek en vormgegeven met experts en RES-partners in werksessies. In hoofdstuk 6 worden de alternatieven nader toegelicht.
22 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
3.4
Stap 4: beoordeling van milieueffecten (voor wind en zon)
In stap 1 is al informatie verzameld over de huidige staat van het milieu en is in kaart gebracht waar mogelijk kansen of belemmeringen optreden. In stap 4 wordt bepaald hoe de ingreep die bij het voornemen van RES1.0 hoort de huidige staat van het milieu beïnvloedt. Voor windenergie wordt het milieu onderzocht en beoordeeld op 2 niveaus: - milieuonderzoek onderzoeksgebied; het onderzoeksgebied (stap 1, zie paragraaf 3.1) wordt in zijn geheel beoordeeld op kaart in een basisbeoordeling. Deze basisbeoordeling zorgt voor de juridische borging van de RES1.0; - beoordeling zoeklocaties; de zoeklocaties (stap 2, zie paragraaf 3.2) worden individueel per alternatief (stap 3, zie paragraaf 3.3) beoordeeld in een tabel. Deze beoordeling geeft gemeenten beslisinformatie over de effecten van individuele zoeklocaties en de afwegingen die vanuit milieu hierin te maken zijn. Het faciliteert gemeenten die het plan-MER willen gebruiken voor de lokale vastlegging van locaties. Voor zonne-energie worden de zoekgebieden uit RES1.0 beoordeeld. Deze stap wordt voor beide energietechnieken doorlopen op basis van het beoordelingskader in hoofdstuk 7 (voor windenergie) en paragraaf 8.3 (voor zonne-energie). Waar relevant worden ook cumulatieve effecten in beeld gebracht.
23 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
4 REFERENTIESITUATIE De milieueffecten van wind- en zonne-energie worden in het plan-MER beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie omvat de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkelingen binnen het plangebied. In het plan-MER wordt daarom onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de referentiesituatie. In de volgende paragrafen wordt een globaal beeld geschetst van de huidige situatie en worden autonome ontwikkelingen benoemd. Samen vormen deze de referentiesituatie. - huidige situatie: de huidige situatie van het milieu/feitelijke staat van de leefomgeving zoals die op dit moment er uit ziet. In paragraaf 4.1 wordt hiervan een globaal beeld geschetst. Dit wordt in het planMER verder uitgewerkt; - referentiesituatie: situatie van het milieu in 2030. Ontwikkelingen met een juridisch-planologisch vastgestelde status op 6 juni 2024 worden in het plan-MER meegenomen als autonome ontwikkeling. Van deze ontwikkelingen kan er met sterke mate van zekerheid gezegd worden dat deze de huidige situatie richting 2030. Daarom worden deze meegenomen als onderdeel van de referentiesituatie. Niet alle ontwikkelingen worden gezien als autonome ontwikkeling binnen het milieuonderzoek. Alleen buitenstedelijke ontwikkelingen die een groot ruimtebeslag hebben of de milieusituatie ernstig veranderen zijn relevant.
De referentiesituatie is de basis voor de milieubeoordeling in het plan-MER. Binnen de autonome ontwikkelingen wordt een onderscheid gemaakt tussen ontwikkeling van wind- of zonne-energie en overige ontwikkelingen als woningbouw. De autonome ontwikkelingen worden in paragraaf 4.2 benoemd.
4.1
Huidige situatie
RES-regio Rotterdam Den Haag omvat het grondgebied van 21 gemeenten in de provincie Zuid-Holland. Binnen de regio zijn twee grote gemeenten te herkennen, Rotterdam en Den Haag. De regio kent ongeveer 2,4 miljoen inwoners, en heeft een bevolkingsdichtheid van 1903 inwoners per vierkante kilometer. Dit is sterk boven het landelijk gemiddelde van 529 inwoners per vierkante kilometer op basis van CBS-data uit 2023. Afbeelding 4.1 laat het landgebruik in de regio zien. De regio heeft een hoog stedelijk karakter. Verspreid door de regio liggen diverse natuurgebieden en gebieden met landschappelijke waarden, waaronder Natura 2000-gebieden zoals de duinen en een stukje van het groene hart. Daarnaast wordt het gebied gebruikt voor landbouw: akkerbouw, grasland en glastuinbouw. De aanwezigheid van de Rotterdamse havens, het grootste haven- en industriecomplex van Europa, zorgt voor een diversiteit aan infrastructuur en industrie. In het plan-MER zal de huidige situatie uitgebreider beschreven worden.
24 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
Afbeelding 4.1 Landgebruik in de regio Zuid-Holland (CBS, 2017)
4.2
Autonome ontwikkelingen
In onderstaande tabel 4.1 zijn autonome ontwikkelingen op het gebied van wind- en zonne-energie in de provincie Zuid-Holland opgenomen. Deze ontwikkelingen hebben een mate van zekerheid. In het plan-MER wordt aangenomen dat deze ruimte is vergeven, en de energie die opgewekt wordt bij zal dragen aan de ambitie van de regio in 2030. Dit zijn bijvoorbeeld VRM-locaties waar al procedures voor lopen.
Tabel 4.1 Autonome ontwikkelingen van wind- of zonne-energie, provincie Zuid-Holland Categorie
Gemeente
Beschrijving
wind
Rotterdam
Rozenburg Landtong (oost uitbreiding 2)
1 turbine
vergunning verleend
wind
Voorne aan Zee
Haringvlietdam (binnenzijde)
2 turbines
vastgesteld bestemmingsplan, omgevingsvergunning verleend
wind
Ridderkerk
Nieuw Reijerwaard
3 turbines
vergunningen verleend
wind
Barendrecht
Vaanplein
2 turbines
lokale kaders vastgesteld, plan wordt ontwikkeld
wind
Rotterdam
Beneluxplein
2 turbines
Plan-mer gestart
wind
Rotterdam
Windenergie Innocent
2 turbines
vergunning verleend
zon
Rotterdam
Oranjebuitenpolder
25 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
Ruimtebeslag (ha) /turbines
25 ha
Status
vastgesteld bestemmingsplan
Categorie
Gemeente
Beschrijving
Ruimtebeslag (ha) /turbines
Status
zon
Nissewaard
Zon in Beerenplaat
3 ha
vergunning verleend voor proefopstelling
zon
Rotterdam
Zonnepark Schiebroek
2 ha
vergunning verleend
In tabel 4.2 is opgenomen welke overige autonome ontwikkelingen meegenomen worden. Deze ontwikkelingen dragen niet bij aan de ambitie van de RES, maar leggen wel met een bepaalde zekerheid een claim op de beschikbare ruimte.
Tabel 4.2 Overige autonome ontwikkelingen, provincie Zuid-Holland Categorie
Gemeente
Beschrijving
Impact
Status
buisleiding
Rotterdam
buisleiding met CO2 Porthos
ruimtebeslag, veiligheidscontour
omgevingsvergunning verleend
woningbouw
Katwijk
woningbouw Valkenhorst
ruimtebeslag
bestemmingsplan vastgesteld
hoogspanning
Rotterdam
Net op zee: IJmuiden Ver Beta en Ver Gamma
ruimtebeslag
in realisatiefase
woningbouw
LeidschendamVoorburg
ontwikkeling recreatiepark Vlietland
ruimtebeslag
bestemmingsplan vastgesteld
woningbouw
Maassluis
woningbouw Wilgenrijk
ruimtebeslag, veiligheidscontour
in delen gerealiseerd, vastgesteld, in voorbereiding voor vaststelling
26 | 54
Witteveen+Bos | 139608/24-010.325 | Definitief
5 REIKWIJDTE MILIEUONDERZOEK WINDENERGIE De ontwikkeling van windturbines is niet overal mogelijk. Om gebieden binnen de regio uit te sluiten waar de opwekking van windenergie vanuit (milieu-)wetgeving niet is toegestaan, zijn als eerste stap kansen- en belemmeringenkaarten opgesteld in lijn met de methode benoemd in hoofdstuk 3. De referentiesituatie, de wettelijke en regelgevende kaders, en beleidskaders zijn in beeld gebracht om de milieueffecten van windturbines te kunnen onderzoeken en beoordelen. Deze wettelijke- en regelgevende kaders en beleidskaders geven een beeld van de (on)mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie in de regio en zijn vertaald in belemmeringenkaarten. De resterende gebieden zonder harde belemmeringen binnen de RES1.0 zoekgebieden zijn vervolgens opgedeeld of gecombineerd tot logische zoeklocaties. Dit hoofdstuk omvat stap 1 en stap 2 zoals beschreven in hoofdstuk 3, en geeft invulling aan de reikwijdte van het plan-MER. Afwijkende aanpak locatie strekdam Nieuwe Waterweg In de RES1.0 is de strekdam aan de noordkant van de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland aangewezen als zoekgebied voor windenergie. Bij deze locatie wordt afgeweken van de methode voor de overige locaties. Aangezien er niet voldoende ‘land’ aanwezig is om een fundering van een windturbine op te plaatsen, zal de fundering in water geplaatst worden.