25,Voorontwerp Bestemmingsplan Korte Schenkeldijk 2; BP - bijlagen toelichting
Tekst van het document
KORTE SCHENKELDIJK SPIJKENISSE Bestemmingsplan 6 mei 2021
1/2
2/2
DATUM KENMERK
6 mei 2021 20201725
PROJECT PROJECTLEIDER IDENTIFICATIE OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR STATUS
ing. W.IJ. Groenen NL.IMRO.1930.KorteSchenkeldijk-1001 I. Penning Voorontwerp
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 2
Watercompensatie
Bijlage 3
Ruimtelijk-economisch onderzoek Korte Schenkeldijk
Bijlage 4
Quickscan ecologie
Bijlage 5
Aerius memo
Bijlage 6
Stikstofberekening aanlegfase
Bijlage 7
Stikstofberekening gebruiksfase
Bijlage 8
Verkennend bodemonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
4
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
5
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
7
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
8
Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
9
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
6 mei 2021
1/13
6 mei 2021 4102024.20180222.004 20201725 drs. W. IJ. Groenen Gemeente Nissewaard
Concept
2/13
3/13
De initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse (gemeente Nissewaard) een tuincentrum, een sportaccomodatie en een restaurantfunctie te realiseren. Op het perceel staat momenteel een boerderij met een groot opslag-/parkeerterrein. Vanuit deze locatie wordt momenteel de buitendienst van de gemeente Nissewaard aangestuurd. Ter plaatse van het bestaande opslag-/parkeerterrein is een tuincentrum met sportschool voor judo en fitness beoogd. Daarnaast is ruimte gereserveerd voor horeca in de bestaande boerderij op de hoek van de Korte Schenkeldijk en de Gaddijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het planvoornemen behoort tot de activiteit ‘stedelijke ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in onderdeel D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Voor deze activiteit geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer, of 3. een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een tuincentrum, sportschool en horeca. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Dit document bevat die beoordeling.
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
In hoofdstuk 2 worden de plaats en omvang van het project beschreven. In hoofdstuk 3 worden de verwachte milieueffecten voor de verschillende omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 4 bevat de conclusie van de m.e.r.-beoordeling.
4/13
Het plangebied ligt aan de Korte Schenkeldijk 2 te Spijkenisse. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Maaswijkweg en aan de westzijde aan de Gaddijk. De noordzijde van het gebied wordt begrensd door de Korte Schenkeldijk. Het plangebied wordt aan de oostzijde door een watergang gescheiden van het naastgelegen agrarisch perceel. Zie figuur 2.1 voor de ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 2.1: Ligging en begrenzing plangebied (bron: Arcgis luchtfoto 2020)
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden Archeologie Het plangebied is gelegen in een gebied met Waarde - Archeologie – 2. Voor de historische dijktracés en wegen, alsmede voor het gebied waar de sedimenten van de Afzettingen van Duinkerke III dikker zijn dan 50 cm (Waarde - Archeologie - 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. Natuur Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied (figuur 2.2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 19 kilometer en betreft het gebied ‘Voornes Duin’. Het plangebied ligt niet in een waterwin-, grondwaterbeschermings- en/of milieubeschermingsgebieden (figuur 2.3).
5/13
Figuur 2.2: Ligging plangebied t.o.v. Natuur Netwerk Nederland
Figuur 2.3: Ligging plangebied t.o.v. waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (bron: Atlas Leefomgeving)
6/13
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een tuincentrum met aangrenzend sportvoorzieningen en een horecagelegenheid. Het tuincentrum heeft een bruto oppervlakte van 3.153 m² Het tuincentrum krijgt onder andere een warme- en koude kas. Het nieuwe gebouw biedt daarnaast ruimte aan een sportschool met een bruto oppervlakte van circa 2.000 m2. Dit bestaat voor 500 m2 uit een judoschool, dit betreft een verplaatsing van de bestaande judoschool aan de Galileilaan in het Sterrenkwartier. De overige 1.500 m2 wordt als fitness ingericht. In de bestaande boerderij wordt een ondergeschikte horecavoorziening gerealiseerd met een oppervlakte van circa 376 m². Op het buitenterrein zijn 208 parkeerplaatsen voorzien. De ontsluiting zal via de parallelweg plaatsvinden. Op figuur 2.2 is de terrein indeling van het tuincentrum weergegeven.
Figuur 2.2: Impressie beoogde ontwikkeling (bron: BIAS architecten)
Het verkeer van de beoogde ontwikkeling heeft nu alleen de mogelijkheid om te ontsluiten via de parallelweg richting voorrangskruising Rivierenlaan. In de toekomstige situatie wordt vooralsnog uitgegaan van een ontsluiting richting het oosten, naar de rotonde. Een idee is dan om de bestaande ontsluiting richting het westen te veranderen naar een fietsstraat zodat hier minder auto verkeer naar toe rijdt. Bij de oostelijke rotonde verdeelt het verkeer zich evenredig over Maaswijkweg.
7/13
Voor zover bekend zijn er in de omgeving van het plangebied geen andere plannen en projecten in voorbereiding. Er worden dan ook geen cumulatie effecten verwacht.
8/13
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen.
Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Uit de berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 1179 mvt/etmaal (motorbewegingen en per etmaal) bedraagt. De verkeerstoename spreidt zich over de dag. Wel is het extra verkeer van en naar de ontwikkeling op maatgevende momenten van de week (bijv. zaterdagmiddag) merkbaar in de vorm van een drukker verkeersbeeld. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is met dubbelgebruik 207 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 208 parkeerplaatsen gerealiseerd waarmee de parkeerbehoefte van de planontwikkeling volledig kan worden opgevangen.
Het plan voorziet in de realisatie van een tuincentrum, sportvoorziening en horeca. Deze functies zijn niet aangemerkt als geluidsgevoelig objecten in de Wet geluidhinder (Wgh). Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het extra verkeer dat door de ontwikkeling ontstaat, kan echter wel leiden tot een uitstralingseffect (significante geluidstoename) op geluidsgevoelige functies gelegen langs de ontsluitende wegen. Vanaf de parallelweg van de Maaswijkweg zullen de extra verkeersbewegingen op de Maaswijkweg worden afgewikkeld. Er is pas sprake van een uitstralingseffect (significante geluidstoename) op geluidsgevoelige functies bij een toename aan verkeer van meer dan 40%. Gezien de ontsluitende functie van de Maaswijkweg zal de verkeersgeneratie van het tuincentrum niet tot deze verkeerstoename leiden. Onderzoek in het kader van een uitstralingseffect door het extra verkeer is daarom niet noodzakelijk. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een tuincentrum. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 1.179 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving. In de NIBM-tool (versie 06-04-2021) is 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,83 µg/m³ en van fijnstof van 0,19 µg/m³ (figuur 3.1). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Met de NIBM-tool is berekend of de toename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zie figuur 3.1.
Figuur 3.1 Resultaten van berekening met de NIBM-tool
9/13
Uit de NIMB-tool blijkt dat de verkeerstoename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Maaswijkweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 22,2 µg/m³ voor NO2, 18,6 µg/m³ voor PM10 en 10,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,6. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. In de directe omgeving van het plangebied zijn twee risicovolle inrichtingen gelegen en vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Oude Maas en door een leiding (risicobronnen Gemeente Spijkenisse). Het gaat hierbij allereerst om het benzineservicestation DCB Maaswijk. Deze inrichting heeft een maatgevende PR 10-6 risicocontour van 110 m rondom het vulpunt. Het aandachtsgebied van het groepsrisico bedraagt daarnaast 150 m. Het plangebied ligt op circa 500 m afstand van de inrichting. Dit is ruim buiten de risicocontouren. Ten oosten van het plangebied ligt daarnaast de gaswinningsinstallatie Spijkenisse-oost. De PR 10-6 risicocontour van deze inrichting is 80 m. Het plangebied ligt op circa 250 m afstand. Dit is ruim buiten de risicocontour. Ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door de aardgasleiding van de NAM (diameter 8 inch, werkdruk 115 bar). De PR 10-6 risicocontour is niet buiten de leiding gelegen. Het aandachtsgebied van het groepsrisico van de leiding is 145 m. Het plangebied ligt op ruim 200 m afstand, buiten de risicocontouren. Ten oosten van het plangebied vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via het water over de Oude Maas (vaarwegroute Rotterdam-Moerdijk).
Het invloedsgebied van deze vaarroute bedraagt 1.070 m. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 740 m en valt hiermee in het invloedsgebied. Omdat de afstand tot het plangebied meer dan 200 m bedraagt, is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel is een (beknopte) verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voldoende zijn. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlagen bij het bestemmingsplan. Ter plaatse van het overige en grootse deel van de onderzoekslocatie worden maximaal verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Op basis van deze resultaten is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Er zijn op dit deel van de locatie geen belemmeringen met betrekking tot de geplande ontwikkelingen. Voor een deel van het plangebied rondom de boerderij dient actualiserend nader onderzoek te worden uitgevoerd. Negatieve effecten door, en ten gevolge van, de beoogde ontwikkeling kunnen worden uitgesloten.
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater worden duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
10/13
Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem ter plaatse kunnen dan ook worden uitgesloten. Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta bevinden in het plangebied watergangen behorende tot de categorie 'overig water'. De beschermingszone van een overig watergang betreft 2 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. Verder ligt het plangebied niet binnen de kern- en/of beschermingszone van een waterkering. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak In de huidige situatie bestaat de verharding uit 4.928 m2. In de toekomstige situatie is de verharding 9.019 m2 wat een toename van 4.091 m2 betekent. Omdat dit meer dan 500 m2 is, moet er 10 % van de toename aan verharding gecompenseerd worden. De compensatie eis bedraagt 409 m2. De compensatie zal uitgevoerd worden in de aangrenzende watergang.
De ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een tuincentrum, sportvoorzieningen en een horecagelegenheid in bestaand stedelijk gebied. Risico’s op rampen door klimaatverandering nemen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling dan ook niet toe.
Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het plangebied niet gelegen binnen beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt wel tot een toename van verkeersbewegingen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ligt op 19,0 kilometer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met behulp van de AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. Deze is in de bijlagen bij het bestemmingsplan toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen daarmee worden uitgesloten.
Door bureau ECOlogisch is een quickscan ecologie uitgevoerd. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat met de plannen mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van beschermde soorten. In de bebouwing en in de boomholtes in het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De bomenrijen en de watergangen maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Onder de dakpannen van de bebouwing zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren rondom de bebouwing maken mogelijk onderdeel uit van functioneel leefgebied van de huismus. Er zijn potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. De groenstructuren en de watergangen in het plangebied maken onderdeel uit van geschikt broedbiotoop voor algemene soorten broedvogels. Nader ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd.
In het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Als gevolg van de voorziene ontwikkeling worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen verstoord.
11/13
Het plangebied is gelegen in een gebied met Waarde - Archeologie – 2. Voor de historische dijktracés en wegen, alsmede voor het gebied waar de sedimenten van de Afzettingen van Duinkerke III dikker zijn dan 50 cm (Waarde - Archeologie - 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. De ontwikkeling wordt voorgelegd aan het BOOR. Zij adviseren of archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Op de verbeelding en in de regels zijn dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van eventuele archeologie waarden ter plaatse.
Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit.
Gelet op de tijdelijkheid van sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.
Voor de beoogde ontwikkeling zijn geen aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk.
12/13
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieueffecten. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is zodoende niet noodzakelijk.
13/13
10
Bijlage 2 Watercompensatie
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
11
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
bestaand
5,66 voorstel perceelsgrenzen
H=7m
huidige watergangen gehandhaafd
gedeelte huidige watergang binnen plangebied vervalt (DEEL A)
gedeelte huidige watergang buiten plangebied vervalt (DEEL B) H=11m
H=13m
H=11m
H=11m (overbouwing)
6,79
voorstel verleggen/verbreden sloot (DEEL C)
maat = afstand waarover zijkant sloot opschuift
7,21
deel A = 310m2 deel B = 126m2 balans wateroppervlak
deel C = 845m2 7,15
7,10
Verleggen sloot Korte Schenkeldijk ARCHITECTEN
Spijkenisse-Nissewaard
voor realisatie
na realisatie
verschil
380m2 126m2 0m2 _____________ totaal 621m2 oppervlaktewater neemt toe met 409m2
70m2 0m2 845m2 ________ 1033m2
-310m2 -126m2 +845m2 ________ +409m2
binnen plangebied (deel A) buiten plangebied (deel B) verlegde sloot (deel C)
benodigde compensatie oppervlaktewater vanwege toename verhard/bebouwd oppervlak: 409m2
i.o.v. DC Berkel - Spijkenisse 30 april 2021
12
Bijlage 3 Ruimtelijk-economisch onderzoek Korte Schenkeldijk
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
13
Rho adviseurs voor leefruimte
20201725
30 maart 2021
1/47
30 maart 2021 44002390_20201725JB Korte Schenkelijk Spijkenisse ing. W.IJ. Groenen DCB Maaswijk VI B.V. 20201725 Julia Breukelman Concept
2/47
3/47
4/47
5/47
D.C. Berkel is voornemens om een nieuw tuincentrum en sportschool te realiseren aan de Korte Schenkeldijk 2 te Spijkenisse (figuur 1.1). Binnen het beoogde tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse zijn de volgende functies te onderscheiden onder één dak: ● Tuincentrum: 3.153 m2 bvo, waarvan 2.943 m2 wordt aangemerkt als winkelvloeroppervlak (wvo)1. ● Horeca: 376 m2 bvo. ● Sportschool: 2.000 m2, waarvan een fitness van 1.500 m2 bvo en een judoschool van 500 m2 bvo ● Totaal: 5.488 m2 bvo. De horecafunctie wordt gerealiseerd in het voorhuis van de boerderij die op de projectlocatie is gesitueerd. Het gaat om ondersteunende ‘lichte horeca’. Dit type horecabedrijven is in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend en verstrekt vooral etenswaren en maaltijden. Lichte horeca veroorzaakt daardoor slechts in beperkte mate hinder voor omwonenden.
Figuur 1.1 Beoogde locatie tuincentrum Spijkenisse (bron: luchtfoto Kadaster 2019) De beoogde ontwikkeling van een tuincentrum en sportschool is momenteel niet mogelijk op basis van de vigerende planologische regeling: Beheersverordening Maaswijkweg e.o. (2013). Rho adviseurs is gevraagd om de beoogde ontwikkeling te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking in verband met de haalbaarheid van het initiatief.
1 Wvo: het oppervlak van een (winkel)unit dat voor het publiek vrij toegankelijk is, dan wel zichtbaar is, inclusief de ruimten die direct met de
verkoop samenhangen. 6/47
De ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is het ruimtelijke afwegingskader voor het al dan niet toevoegen van nieuwe stedelijke functies.
De ladder voor duurzame verstedelijking (ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening). Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Of er sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling aangetoond worden. De behoefte wordt bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de detailhandelsontwikkeling. De voorkeursvolgorde van de ladder is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen ‘bestaand stedelijk gebied’ worden gerealiseerd. De eerste vraag is of de beoogde ontwikkeling van een tuincentrum (met horeca) en sportschool kan worden aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. In de Beheersverordening Maaswijkweg e.o. (2013) is de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Naast een functiewijziging neemt ook het ruimtebeslag toe met de ontwikkeling van een tuincentrum.
De ontwikkeling van een tuincentrum, 3.153 m2 bvo, en sportschool, 2000 m2 bvo, wordt dan ook aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en zal getoetst moeten worden aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
In de onderbouwing komen de volgende aspecten aan bod. ● Toets aan de vigerende beleidskaders ten aanzien van detailhandelslocaties en sport (hoofdstuk 2); ● Onderbouwing van de behoefte aan het tuincentrum (hoofdstuk 3); ● Onderbouwing van de behoefte aan de sportschool (hoofdstuk 4); ● Onderbouwing van de locatiekeuze van het tuincentrum en sportschool (hoofdstuk 5). Tot slot zijn in hoofdstuk 6 de belangrijkste conclusies opgenomen.
7/47
In dit hoofdstuk is de beoogde ontwikkeling van een tuincentrum op de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse getoetst aan de vigerende provinciale -, regionale en gemeentelijke beleid ten aanzien van detailhandel.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De Omgevingsvisie Zuid-Holland bevat de volgende relevante passage voor de beoogde ontwikkeling van het tuincentrum: Nieuwe detailhandelsontwikkelingen concentreren binnen de centra van dorpen en steden. Uitzondering hierop zijn goederen van een aard en omvang die fysiek niet in te passen zijn in centra.
De provincie wil detailhandel concentreren om te zorgen voor levendige en krachtige stads- en dorpscentra en werklocaties die de vitaliteit en de kracht van het bedrijfsleven versterken. Daarbij wil de provincie slim omgaan met ruimte en leegstand en overaanbod beperken. Er zijn in Zuid-Holland grofweg drie typen winkelcentra te onderscheiden: ● de grote centra, ● de middelgrote centra; ● en de overige centra. De grote centra hebben over het algemeen voldoende massa en bieden naast detailhandel een breder aanbod aan publieksvoorzieningen die er samen voor zorgen dat deze centra ook voor de aankoop van niet-dagelijkse artikelen veelal worden bezocht. Dit geldt in mindere mate voor de middelgrote centra die over het algemeen een minder grote regionale rol (zijn gaan) vervullen. De overige centra hebben vooral op lokaal niveau een verzorgende functie waarin het dagelijks aanbod een belangrijke positie inneemt. Het generieke beeld in het functioneren van de verschillende type centra is doorvertaald in een ontwikkelingsperspectief voor de provinciale detailhandelsstructuur. Deze bestaat uit drie categorieën: ‘te versterken centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’. Deze driedeling maakt het ‘level playing field’ herkenbaar.
Hierdoor wordt duidelijk en inzichtelijk welke positie een centrum heeft in de provinciale detailhandelsstructuur en worden onze keuzes voor ontwikkelingsmogelijkheden (investeringen, ruimtelijke toevoegingen en herstructureringen/transformaties) daarbinnen helder. Ruimtelijke ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard gaan, worden in de toelichting op het bestemmingsplan onderbouwd via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand en de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit in het verzorgingsgebied, alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering.
8/47
In de visie is aangegeven dat nieuwe detailhandel primair binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie moet worden gerealiseerd. Voor (ontwerp)bestemmingsplannen die nieuwe detailhandel groter dan 2.000 m² bruto vloeroppervlak binnen de centra mogelijk maken, moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig worden aangetast. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Met het oog hierop is advies nodig van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland en wordt zo nodig een distributieplanologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd. Voor de binnensteden van Rotterdam en Den Haag ligt de grens voor het aanvragen van advies bij de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland vanwege eerdergenoemde redenen op 4.000 m2 bvo. Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Indien een ontwikkeling bovengemeentelijke effecten met zich meebrengt, beoordeelt de provincie de toelichting op het bestemmingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen. Tuincentra en bouwmarkten kunnen op bedrijventerreinen gehuisvest worden.
Bij nieuwe ontwikkelingen groter dan 1.000 m2 geldt dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Het gaat daarbij onder andere om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Hiervoor gelden vrijwel dezelfde voorwaarden voor onderzoek en advies als bij nieuwe detailhandel in centra.
Gezien het bovenstaande beleid betreffende de concentratie van detailhandel maakt het tuincentrum onderdeel uit van de uitzonderingsregel. Een tuincentrum is, met de goederen die het verkoopt, qua aard en omvang fysiek niet in te passen in de bestaande centra. De Omgevingsvisie verwijst voor deze uitzonderingsregel naar de Omgevingsverordening. Omdat de ontwikkeling groter is dan 1.000 m2 bvo moet aangetoond worden dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangepast. Daarbij moet advies worden ingewonnen bij de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland met een DPO. De DPO-onderbouwing is opgenomen in hoofdstuk 3 van dit onderzoek. Daarnaast ligt het plangebied binnen het ‘bestaand stads- en dorpsgebied 2018’ zoals weergegeven in de verbeelding van de omgevingsvisie. Met de ontwikkeling wordt dus aangesloten bij de ambitie van de provincie van het benutten van de bebouwde omgeving.
Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Het provinciale detailhandelsbeleid is erop gericht om de detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken door deze vooral kwalitatief te verbeteren en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. De kern van het provinciaal detailhandelsbeleid ligt in de concentratie en clustering van detailhandel in de centra van steden, dorpen en wijken. Verspreid liggend aanbod draagt niet bij aan het clusteren en concentreren van het detailhandelsaanbod en tast de detailhandelsstructuur in ruimtelijke zin (afname ruimtelijke kwaliteit, toename leegstand) aan. Voor alle winkelgebieden, zowel regulier als perifeer, geldt dat kwalitatieve versterking een doorlopende opgave is. De detailhandelsstructuur staat op onderdelen onder druk. De provincie Zuid-Holland heeft daarom het terugbrengen van plancapaciteit voor detailhandel expliciet opgenomen in het Programma ruimte. Om inzicht te verkrijgen in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in Zuid-Holland, is een berekening gemaakt die dit indicatief in beeld brengt tot 2022.
In tabel 2.1 zijn de resultaten opgenomen voor de Regio Rotterdam (waar Nissewaard onder valt). Het model is bedoeld om kwantitatief gevoel te krijgen wat het doorzetten van een aantal ontwikkelingen betekent voor de kwalitatieve en ruimtelijke provinciale beleidsopgave in centrumgebieden en daarbuiten. Op basis van specifieke lokale omstandigheden zou voor een specifieke branche of winkel een meer locatie-specifieke berekening of afweging kunnen worden gemaakt.
9/47
Tabel 2.1 Kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden op subregionale schaal tot 2022
Regio Rotterdam
Ontwikkelingsmoge-
Harde -en zachte plan-
Uitbreidingsruimte 2022 na realisa-
lijkheden tot 2022
capaciteit
tie harde – en zachte plancapaciteit
In en om huis
Totaal niet-dagelijks
Niet-dagelijks
Niet-dagelijks
63.000
25.000
73.000
-48.000
Uit tabel 2.1 kan worden opgemaakt dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor de branchegroep in/om huis 63.000 m2 wvo omvat. De hoofdbranche ‘plant & dier’ (tuincentrum) valt binnen de branchegroep in/om huis conform de indeling van Locatus (zie bijlage 1). De eerste conclusie is dan ook dat er (indicatief) ruimte is voor ontwikkeling binnen de branchegroep ‘in/om huis’ in de regio Rotterdam. Per saldo is de ontwikkelingsruimte slechts 25.000 m2 voor de totale niet-dagelijkse goederensector in de regio Rotterdam. Dit heeft er mee te maken dat er geen ontwikkelingsruimte is voor de branchegroep mode & luxe (-51.900 m2). Vervolgens gaat de berekening er van uit dat alle plancapaciteit, dus ook de zachte plannen (waar nog geen bestemmingsplan voor is), wordt gerealiseerd, waardoor er in 2022 na de realisatie van alle plannen geen uitbreidingsruimte meer is. Aangezien de regio Rotterdam een grote regio is en bestaat uit meerdere centra, kunnen er op basis van deze cijfers geen goede conclusies getrokken worden in het kader van de komst van het tuincentrum in Spijkenisse. Dit is ook in het Programma ruimte (2019) benadrukt. In het volgende hoofdstuk zal daarom worden ingegaan op de specifieke hoofdbranche ‘plant & dier’ in het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied van de gemeente Nissewaard.
In het Programma ruimte wordt verder beschreven dat de provincie het wenselijk acht om detailhandelsontwikkelingen in een breder regionaal kader te plaatsen. Hierbij wordt een regionale samenwerking voorgesteld waarbij gemeenten in regionaal verband afspraken met elkaar maken om te komen tot sterke, vitale centra met detailhandel als belangrijke drager daarvoor. De provincie stimuleert daarom het opstellen van regionale detailhandelsvisies met daaraan gekoppeld duidelijke afspraken over uitvoering en monitoring. Een voorbeeld hiervan is de Discussienota Detailhandel Zuid-Holland 2017. Regionaal worden afspraken gemaakt over het saneren van overaanbod. Tot slot is in het Programma ruimte nog een overzicht opgenomen van de winkelgebieden in de provincie. Uit het overzicht blijkt dat het Kolkplein in Spijkenisse wordt aangemerkt als PDV-winkelgebied.
In het Programma ruimte is beschreven dat tuincentra buiten de reguliere detailhandelsstructuur mogelijk zijn. Voor de hoofdbranche ‘in en om huis’ (waar een tuincentrum onder valt) is er in de regio Rotterdam marktruimte. Opgemerkt wordt dat dit per marktgebied sterk kan verschillen. Daarom is in hoofdstuk 3 een marktruimteberekening gemaakt voor de specifieke hoofdbranche plant & dier in de verzorgingsgebied van de gemeente Nissewaard.
De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat de volgende relevante onderdelen voor de beoogde ontwikkeling van het tuincentrum en sportschool.
In artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkelingen’ wordt gerefereerd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader.
10/47
In artikel 3.1.6 van het Bro is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaan stedelijk gebied, bevat de toelichting tevens een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het provinciale detailhandelsbeleid is er enerzijds op gericht om de ruimtelijke detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Anderzijds wordt de dynamiek in de detailhandel bevorderd vanwege het grote economische belang van deze sector. In artikel 6.10 van de omgevingsverordening is beschreven dat detailhandel gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling en dus getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaatsvinden binnen de bestaande (aangewezen) winkelgebieden. Voor verschillende branches wordt er een uitzondering gemaakt en kan de ontwikkeling ook buiten de centra plaatsvinden. Bouwmarkten en tuincentra behoren ook tot deze uitzonderingsregel. Hierbij is in de verordening de volgende toelichting opgenomen: “Bouwmarkten en tuincentra zijn al van oudsher in de periferie gevestigd. Het gaat om een vorm van detailhandel waarbij de verkoop van goederen die in overwegende mate volumineus zijn wordt gecombineerd met een breed assortiment. Ook de aard van de goederen is een reden voor vestiging in de periferie, bij tuincentra bijvoorbeeld de – deels seizoensgebonden - verkoop van planten in de openlucht en in kassen (soms gecombineerd met kweek en verzorging).
In de loop der jaren is het assortiment steeds verder verbreed. Een passende bestemming en handhaving hiervan kan nodig zijn om branchevervaging te voorkomen. In de begripsbepalingen zijn de begrippen “tuincentrum” en “bouwmarkt” gedefinieerd.” Gezien de bovenstaande toelichting en het genoemde in Artikel 6.13, lid 3 onder a, kunnen tuincentra ook buiten het bestaande winkelgebied gevestigd worden. Als aanvulling hierop wordt ook detailhandel in volumineuze goederen beschreven in de uitzonderingsregel. De verordening beschrijft dat het in dat geval gaat om detailhandel die niet essentieel is voor de kwaliteit van de centra, mede gelet op het specifieke karakter van de goederen. Daarnaast is het fysiek moeilijk inpasbaar in een centrum. De provincie hanteert hierbij de volgende definitie van een tuincentrum (bijlage 1): “Tuincentrum: detailhandelsvestiging waarvan het hoofdassortiment bestaat uit boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen waaronder tuinmeubilair, alsmede de daarbij benodigde hulpmaterialen.” Verder blijkt uit Artikel 6.13 lid 5 dat een bestemmingsplan dat voorziet in een tuincentrum de volgende voorwaarden stelt aan de nevenassortimenten: 1. ten hoogste 20% van het netto verkoopvloeroppervlak wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt, en; 2.
het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.
De ontwikkeling van het beoogde tuincentrum en sportschool in Spijkenisse voldoet op hoofdlijnen aan het provinciale beleid ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en sluit dus aan bij het beleid van concentratie in het bestaand stads- en dorpsgebied. Ook wordt aangesloten bij het beleid ten aanzien van detailhandelslocaties. Een tuincentrum is onderdeel van de uitzonderingsregel in artikel 6.13, lid 3 onder a, waardoor de beoogde locatie aan de Korte Schenkeldijk in Spijkenisse geschikt wordt geacht. De Omgevingsverordening doet geen uitspraken doet over horeca. In hoofdstuk 3 en 4 wordt de behoefte onderbouwd in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking waar ook in de Omgevingsverordening naar verwezen wordt.
11/47
De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en haar voorgangers kennen een jarenlange traditie van een consistent en restrictief detailhandelsbeleid. Dit heeft geleid tot een winkelstructuur die tegen een stootje kan en waar nog kansen liggen. De strategische opdrachten die betrekking hebben op detailhandel zijn de volgende: 1. Metropoolvorming: meer agglomeratiekracht met behoud van de voordelen van de meerkernige stedelijke structuur. Aandacht voor het realiseren van de juiste hoeveelheid en kwaliteit (ha, m2) vestigingsmogelijkheden op de juiste plaats – geredeneerd vanuit de vestigingseisen van bedrijven – op de schaal van de MRDH als geheel. 2. Aantrekkelijke metropoolregio: een hoogwaardiger voorzieningenaanbod. Aandacht voor leisure, grootschalige detailhandel/funshoppen e.d. en voor behoud van een voldoende aantrekkelijk voorzieningenniveau in kleinere kernen. De regio sluit op hoofdlijnen aan bij het beleidskader van de provincie: 1. Concentratie en clustering van detailhandel in de centra van steden, dorpen en wijken. 2. Reduceren van winkelvloeroppervlak. 3. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan detailhandel die vanwege de aard en of de omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de centra en die niet essentieel is voor de kwaliteit van centra. 4. Het aantal PDV-locaties (woondetailhandel) terugbrengen. 5.
Bij grootschalige initiatieven (meer dan 1.000 m2 bvo buiten de centra) moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangepast. Met het oog hierop is advies nodig van de Adviescommissie Detailhandel en wordt zo nodig een distributieplanologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd. 6. Toepassen SER-ladder/ladder voor duurzame verstedelijking. Voor tuincentra en bouwmarkten geldt dat gelet op de kenmerken van dit aanbod vestiging buiten de aangewezen gebieden bespreekbaar is. Wanneer sprake is van ontwikkelingen op één bedrijventerrein, dan is vanuit ruimtelijk ordeningsperspectief (efficiënt ruimtegebruik) het clusteren van bouwmarkten en tuincentra en aansluiting bij andere voorzieningen wel uitgangspunt. De afwegingen voor het al dan niet toestaan van nieuwvestiging van een tuincentrum of bouwmarkt is gericht op de consumentenverzorging in het verzorgingsgebied.
Met het regionale beleid wordt aangesloten bij het provinciale beleidskader dat is gericht op clustering van detailhandel binnen de aangewezen winkelgebieden. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan detailhandel die qua aard en omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de centra. Voor het beoogde tuincentrum in Spijkenisse is dit nader onderbouwd in hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk is tevens een actueel dpo opgenomen en is de ontwikkeling getoetst aan de ladder.
De Strategie Werklocaties 2019-2030 bevat de visie tot 2030 en de regionale afspraken tot 2023 over de werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Hiermee versterken de 23 regiogemeenten, waaronder gemeente Nissewaard, het regionaal economisch vestigingsklimaat. De MRDH is een samenwerkingsverband waar concrete ruimtelijk-economische vraagstukken worden geagendeerd. Die rol is ook het uitgangspunt van deze strategie. Regionale afstemming is ook een vereiste vanuit de provincie Zuid-Holland bij wijzigingen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze strategie is geen blauwdruk van de regio. Het is een samenhangende visie op de ontwikkeling van werklocaties vanuit de bestaande situatie, en richting de gewenste ramingen tot 2030. Met deze strategie bepalen MRDH en regiogemeenten de juiste acties voor de huidige bestuursperiode.
12/47
Het regionale detailhandelsbeleid stuurt op het versterken van de hoofdcentra en het optimaliseren van middelgrote centra, waardoor inwoners ook in de toekomst terecht kunnen in aantrekkelijke en economisch gezonde winkelgebieden. In de Strategie Detailhandel 2030 is het centrum van Spijkenisse aangewezen als te optimaliseren centrum én prioritaire locatie. De prioritaire locatie betreft het Kolkplein in Spijkenisse. Dit is een middelgrote perifere detailhandelslocatie. De regionale verzorgingsfunctie van dit soort locaties staat onder druk. In samenwerking met de provincie Zuid-Holland wordt voor dit soort locaties gewerkt aan de herontwikkeling, samenvoeging of transformatie van dit soort locaties. Naast het gebruikelijke afwegingskader van de ladder voor duurzame verstedelijking is er een regionaal afwegingskader om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen. De MRDH faciliteert regionale afstemming bij plannen voor uitbreidingen van winkelgebieden met meer dan 2.000 m2 in bestaande winkelgebieden of meer dan 1.000 m2 in de periferie. Daarbij wordt getoetst of de hoofdstructuur wordt behouden en in hoeverre het plan onaanvaardbaar bijdraagt aan leegstand. Nieuwe ontwikkelingen mogen er niet toe leiden dat de bestaande perspectiefrijke winkelgebieden op den duur niet meer levensvatbaar zijn.
Vernieuwende of complementaire concepten die niet in de bestaande winkelgebieden kunnen worden gevestigd, of tuincentra en bouwmarkten kunnen afhankelijk van de lokale situatie solitair worden gevestigd.
De ontwikkeling van een tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse is mogelijk op basis van de Strategie Werklocaties 2019-2030. Een tuincentrum kan solitair gevestigd worden. Er moet echter wel worden aangetoond dat: ● het initiatief niet in – of aangrenzend aan een bestaand winkelgebied gerealiseerd kan worden; ● het initiatief geen blijvende negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur. De effecten zijn nader onderzocht in hoofdstuk 3. De locatieafweging is opgenomen in hoofdstuk 5. Tot slot wordt geconcludeerd dat het initiatief regionaal moet worden afgestemd met de MRDH vanwege de omvang (groter dan 1.000 m2).
De detailhandelsvisie Nissewaard richt zich vooral op het versterken van de bestaande winkelstructuur. In de visie hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: ● streven naar een duurzame en toekomstbestendige winkelstructuur; ● geen nieuwe winkellocaties, tenzij ze van aantoonbare toegevoegde waarde zijn met een nieuw onderscheidend (regionaal) concept; ● perspectiefarme winkelgebieden moeten worden omgezet naar een andere functie en de invulling hiervan moet worden gezocht; ● perspectiefrijke winkelgebieden moeten worden geoptimaliseerd. De gemeente Nissewaard heeft hierbij 12 beleidsuitgangspunten vastgesteld. Hiervan zijn de volgende uitgangspunten van belang voor de beoogde ontwikkeling van een tuincentrum: ● het juiste aanbod op de juiste plaats: balans tussen type winkelgebied (verzorgingscategorie) en winkelaanbod, afgestemd op de verzorgingsreikwijdte (centrum, wijk, kern, lokaal, regionaal, bovenregionaal); aanbod moet aansluiten bij consumentengedrag en verwachtingspatroon (complementariteit en samenhang). ● toevoegen van nieuwe winkelmeters is uitsluitend geoorloofd onder voorwaarde van sanering van ongewenst (in omvang gelijk) aanbod en van aantoonbare toegevoegde waarde met een nieuw onderscheidend (regionaal) concept.
Op basis van de berekening van de distributieve ruimte geldt voor de niet-dagelijkse artikelensector: Zonder onderscheid naar type winkelgebieden en branchering met bijbehorende vloerproductiviteit is de totale niet-dagelijkse artikelensector qua vraag en aanbod nagenoeg in evenwicht. Voor het stadscentrum blijven de koopstromen echter 13/47
achter en daarmee is er een overcapaciteit van fysieke retail. De Meerjarenvisie Stadscentrum Spijkenisse is erop gericht de koopstromen (en daarmee de omzetten) op normniveau te brengen. In de kernen is het aanbod en het economisch functioneren van de niet-dagelijkse sector gelet op het schaalniveau en de verspreide ligging ten opzichte van elkaar in zijn algemeenheid afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. Voor de kernen in Nissewaard geld dat deze voor de niet-dagelijkse artikelensector sterk gericht zijn op het stadscentrum van Spijkenisse, Hellevoetsluis en Rotterdam (Koopstromenonderzoek Randstad 2011). Retailontwikkelingen zoals online winkelen vergroten de opgave van krimp van fysieke winkelruimte. Voor de niet-dagelijkse sector heeft de gemeente Nissewaard een aantal specifieke uitgangspunten opgesteld: 1. ontwikkeling van nieuwe winkelmeters is ongewenst (geen marktruimte). Eventuele reserveringen hiervoor in ruimtelijke plannen dienen in het belang van een evenwichtige winkelstructuur te worden heroverwogen; 2. de transformatieopgave overheerst vanwege het ontbreken van distributieve ruimte en structuurbepalende veranderingen in het winkellandschap. Voor de transformatieopgave gelden geen actieve saneringsmiddelen, eventuele initiatieven tot functiewijziging worden ondersteund, onder intrekking van de winkelfunctie; 3.
het stadscentrum is de primair aangewezen vestigingslocatie en legt beperkingen op aan uitbreiding van winkelaanbod niet-dagelijkse artikelen in alle andere winkelgebieden; 4. uitbreiding van niet-dagelijks aanbod, anders dan in het stadscentrum is ongewenst, tenzij van aantoonbaar toevoegde waarde en met een onderscheidend nieuw concept; 5. voor de woonboulevard wordt onder stringente voorwaarden rek geboden aan echt volumineuze detailhandel, die past in het profiel home and living en de verzorgingspositie van andere centra niet aantast. Bij deze uitgangspunten moet in acht genomen worden dat de detailhandelsvisie het karakter heeft van een vraaggericht beleidsdocument. Het anticipeert optimaal op de signalen vanuit de markt. De gemeente Nissewaard heeft niet de intentie om zoals het in de visie beschrijft “alles dicht te regelen”.
In de detailhandelsvisie noemt de gemeente Nissewaard dat uitbreiding van het niet-dagelijks aanbod in het algemeen, anders dan in het stadscentrum, ongewenst is, tenzij er aangetoond kan worden dat er sprake is van een toegevoegde waarde met een onderscheidend nieuw concept. Het beoogde tuincentrum concept en de marktruimte binnen de branche ‘plant & dier’ is nader onderzocht in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 5 is tevens onderzocht of het tuincentrum binnen de reguliere winkelstructuur kan worden ingepast.
Nissewaard heeft te maken met een aantal vraagstukken van sociaaleconomische, maatschappelijke en ruimtelijke aard. Voor nieuwe verstedelijking ligt een sterke basis in de bestaande structuur. Dit biedt verschillende mogelijkheden, zoals de grote woningbouwopgave in heel Zuid-Holland die voor een deel in de voormalige groeikern Spijkenisse kan worden opgelost. Om de genoemde opgaven het hoofd te bieden is dit ontwikkelperspectief opgesteld, in nauwe afstemming met de provincie, waarin voor de korte en lange termijn een visie en kansen worden geformuleerd voor een aantrekkelijke, vitale, toekomstbestendige woon- en werkgemeente in 2040. De hoofdboodschap van het ontwikkelperspectief is dat de oorspronkelijke monofunctionele kracht van Spijkenisse (wonen) multifunctioneler moet worden. Er is focus op: ● verzilveren van kansen die er liggen; ● werkgelegenheid en ondernemerschap; ● verbinden van onderwijs met arbeidsmarkt; ● een actieve rol spelen in haventransitie; ● een kwaliteitsimpuls voor het landschap in relatie tot recreatie en toerisme en zorg en revalidatie. Waaronder het benutten van ruimte in en om Spijkenisse Medisch Centrum; ● behouden en aantrekken van jongeren, evenwichtige bevolkingsopbouw; ● aantrekkelijk (uitgaans-)centrum. 14/47
Daarbij wordt er voortgebouwd op het raamwerk van de stad (figuur 2.1): ● hoofdwegennet met de centrumring als belangrijke kern; ● het lightrailnetwerk en de drie stations; ● het groenblauwe netwerk van fietspaden, vaarwegen en het omringende landschap.
Figuur 2.1 Raamwerk van Spijkenisse (projectlocatie met blauw aangegeven; bron: Gemeente Nissewaard, 2017) Het gemeentelijke visiedocument van Nissewaard is opgebouwd uit vier principes (figuur 2.2): ● bouw meer verschillende woningtypes in Spijkenisse; ● verbeter de bereikbaarheid; ● zorg voor meer en gevarieerde werkgelegenheid; ● benut het groen in de Bernisse.
15/47
Figuur 2.2 Kansenkaart verrassend, veelzijdig, veerkrachtig, vitaal en verbindend Nissewaard (projectlocatie met oranje aangegeven; bron: Gemeente Nissewaard, 2017)
Voor het centrumgebied wordt gestreefd naar het clusteren van winkels, transformeren van leegstand en een vitaal en leefbaar gebied (figuur 2.3).
Figuur 2.3 Kansenkaart centrum Spijkenisse (bron: Gemeente Nissewaard, 2017)
De visie voor Nissewaard bevat het ontwikkelingsperspectief voor de komende jaren. Voor het centrumgebied wordt gewerkt aan de ruimtelijke concentratie van detailhandel en de transformatie van leegstand. Uit het beleidsdocument kan worden afgeleid dat de Korte Schenkeldijk 2 een strategische ligging heeft. De projectlocatie Korte Schenkeldijk 2 ligt direct 16/47
aan de Maaswijkweg, welke behoort tot het hoofdwegennet. Daarnaast ingezet op een groenblauw netwerk van fietspaden en een kwaliteitsimpuls voor het landschap in dit gebied. Al deze ambities kunnen worden gerealiseerd met de ontwikkeling van het tuincentrum waarbij aandacht is voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.
Uit de toetsing aan het provinciaal – en regionaal detailhandelsbeleid blijkt dat een tuincentrum behoort tot de uitzonderingen van detailhandel die buiten de reguliere winkelgebieden zijn toegestaan. Een tuincentrum past qua aard en omvang niet in het centrum en mag zich daardoor buiten de bestaande winkelcentra vestigen. Aangetoond moet worden dat het planinitiatief geen structuurverstorende effecten heeft op de gewenste detailhandelsstructuur en dat het gaat om een bijzonder concept. Verder moet de ontwikkeling regionaal worden afgestemd, vanwege de omvang van meer dan 1.000 m2. Het concept en de effecten zijn onderbouwd in hoofdstuk 3 met o.a. een distributieve marktanalyse voor de hoofdbranche ‘plant & dier’ met de meest actuele bronnen en kencijfers. In hoofdstuk 4 is daarnaast de behoefte aan de sportschool in beeld gebracht. Ook moet aangetoond worden, conform het regionale beleid, dat een ontwikkeling niet binnen of aangrenzend op de reguliere winkelstructuur kan worden ingepast. Dit is nader onderzocht in hoofdstuk 5. Tot slot wordt op basis van de gemeentelijke structuurvisie geconcludeerd dat de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse een strategische ontwikkellocatie is. De locatie maakt onderdeel uit van het hoofdwegennet van Spijkenisse en ligt aan de gewenste recreatieve verbindingsroutes.
17/47
In dit hoofdstuk is de behoefte aan het tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse nader onderbouwd. Hierin komen de volgende zaken aan bod: ● beschrijving van het beoogde tuincentrum concept; ● beschrijving van het relevante verzorgingsgebied; ● analyse van de hoofdbranche ‘plant & dier’ in Nissewaard; ● een actuele marktanalyse voor de branches ‘plant & dier’ en ‘horeca’.
Zoals in de inleiding beschreven wordt uitgegaan van een tweetal functies onder één dak van het tuincentrum (figuur 3.1): ● Tuincentrum: 2.943 m2 wvo. ● Horeca: 308 m2 wvo. ● Totaal: 3.251 m2 wvo. Daarnaast zal op de eerste verdieping een sportschool worden gerealiseerd. De behoefte aan de sportschool wordt in hoofdstuk 4 onderbouwd.
Figuur 3.1 Verbeelding ontwikkeling tuincentrum Spijkenisse (bron: BIAS architecten, 2020) De functies zijn herkenbaar voor een modern tuincentrum. Onderscheidend element is dat het concept niet wordt geëxploiteerd door één ondernemer/formule, maar door twee afzonderlijke ondernemers. De functies zijn onderling wel verbonden in het tuincentrum. Het concept biedt een aantal voordelen: ● door de ruimtelijke concentratie onder één dak ervaart de consument het concept als één modern tuincentrum; ● door te werken met twee ondernemers kan ieder zich richten op zijn eigen specialisatie, waardoor de kwaliteit van het tuincentrum als geheel beter is dan gemiddeld;
18/47
● ●
naast de eigen specialisatie kan worden ingezet op samenwerking, waardoor nog beter op de (gezamenlijke) doelgroep kan worden ingespeeld, door bijvoorbeeld assortimenten aan te bieden (combinatiedeals detailhandel/horeca); de kans op leegstand is kleiner. Mocht één ondernemer vertrekken dan kunnen de andere ondernemers de activiteiten voortzetten. De aantrekkingskracht op een nieuwe ondernemer is daarbij ook groter als deze kan mee profiteren van het totaalconcept.
Voor het tuincentrum wordt aangesloten bij de definitie zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Dat betekent dat het hoofdassortiment bestaat uit boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen waaronder tuinmeubilair, alsmede de daarbij benodigde hulpmaterialen. Naast het tuincentrum is maximaal 308 m2 wvo aan horeca voorzien. Hiervoor wordt de bestaande bebouwing (voormalige boerderij) op het perceel benut. Het gaat om ‘lichte’ horeca. Dit is horeca die in beginsel alleen overdag en ’s avonds is geopend ten behoeve van de verstrekking van etenswaren en maaltijden. Dit type horeca geeft beperkt hinder voor omwonenden. Voorbeelden van dit type horeca zijn broodjeszaken, cafetaria, koffiebar, lunchroom, snackbar, restaurant, tearoom etc. Vrijwel ieder modern tuincentrum beschikt over een horecagelegenheid. Op de specifieke locatie is de doelgroep drieledig: Bezoekers van het tuincentrum. De bezoekers van het tuincentrum beschikken over de mogelijkheid om tijdens het bezoek gebruik te maken van de horecagelegenheid. Hiermee wordt de bezoekduur van de consument verlengd. Een hogere verblijfstijd leidt tot hogere bestedingen. Bezoekers vanuit de recreatieve verbindingsroute: fietsknooppunt 20.
De combinatie van het tuincentrum en horeca met een terras zorgt voor een hoger bezoekpotentieel. Fietsknooppunt 20 is een start- en eindpunt van verschillende fietsroutes en sluit aan op de beleidsmatig gewenste versterking van dergelijke recreatieve fietsroutes (zie beleid hoofdstuk 2). Een voorbeeld van één van deze fietsroutes is te zien in figuur 3.2. Naast dat fietsers even kunnen stoppen voor om te eten of te drinken bij de horecavoorziening zullen recreanten mogelijk ook het tuincentrum bezoeken, waardoor beide functies elkaar aanvullen en versterken op deze locatie. Verder zou de horeca nog bezocht kunnen worden door passanten van het autoverkeer, vanwege de zichtlocatie aan de Maaswijkweg (hoofdontsluitingsroute Spijkenisse).
Figuur 3.2 Uitsnede fietsroute Molen & Waard (projectlocatie aangegeven met rood; bron: eropuitnissewaard.nl, 2020)
De reikwijdte van een verzorgingsgebied van een tuincentrum is vooral afhankelijk van de bereikbaarheid/infrastructuur en de spreiding van het aanbod aan tuincentra in een regio. Wanneer er naar een grotere omtrek rondom Spijkenisse wordt gekeken, kan worden gesteld dat er zich een groot aantal tuincentra in de omgeving bevinden. Een inventarisatie hiervan is
19/47
te zien in figuur 3.3. In het overzicht is ook bouwmarkt Praxis opgenomen in Nieuw Mathenesse (Rotterdam). Deze bouwmarkt heeft een complete afdeling in tuinartikelen. De verschillen in omvang zijn groot en variëren van circa 500 m2 wvo tot 13.000 m2 wvo.
Figuur 3.3 Inventarisatie aanbod ‘plant & dier’ (tuincentra en dierenspeciaalzaken) regio Spijkenisse (bron: Locatus, 2020; bewerking Rho adviseurs)
Uit de inventarisatie van tuincentra in de regio Spijkenisse blijkt dat er binnen de gemeente Nissewaard zich nog geen grote tuincentra bevinden. In de regio net buiten Spijkenisse met Hellevoetsluis, Vierpolders/Brielle, Oud-Beijerland en Rhoon is sprake van relatief grote tuincentra met minimaal 5.000 m2 wvo. Binnen de gemeente Nissewaard is nog geen tuincentrum met een omvang van meer dan 1.500 m2 wvo gevestigd (figuur 3.4). Het grootste tuincentrum binnen de gemeente Nissewaard is Planten & Zo en heeft een omvang van circa 1.000 m2 wvo. Ten oosten van de beoogde ontwikkeling vormt het Spui (verbinding tussen de Oude Maas en het Haringvliet) een barrière voor de bewoners aan de andere kant van de rivier, waaronder Oud-Beijerland. Deze watergang is namelijk alleen met een veerverbinding over te steken.
20/47
Figuur 3.4 Tuincentra en dierenspeciaalzaken binnen het verzorgingsgebied (bron: Locatus, 2020, bewerking Rho adviseurs) Op basis van de inventarisaties uit de figuren 3.3 en 3.4 wordt geconcludeerd dat een nieuw tuincentrum primair een verzorgingsfunctie heeft voor de gemeente Nissewaard. De toevloeiing (secundair marktgebied) wordt uit de direct omliggende gemeenten, waaronder Brielle, Hellevoetsluis, maar ook Rotterdam Hoogvliet. Voor de inwoners van Hoogvliet is qua bereikbaarheid de Intratuin in Rhoon vergelijkbaar met het beoogde tuincentrum in Spijkenisse, maar door de grote omvang is de verwachting dat de meeste inwoners hun aankopen bij de Intratuin zullen doen. De koopkrachttoevloeiing zal relatief beperkt zijn, vanwege de bereikbaarheid van Spijkenisse. In de marktanalyse (paragraaf 3.4) zal rekening worden gehouden met de koopstromen conform het KSO Randstad 2018.
De definitie van een tuincentrum, conform de landelijke definitie van Retailinsiders (zie hoofdstuk 1), komt overeen met de hoofdbranche ‘plant & dier’ van Locatus (2020; zie bijlage 1). De winkelruimte met ‘plant & dier’ artikelen heeft een totaal winkelvloeroppervlakte (wvo) van 2.945 m2. Daarnaast is ruimte gereserveerd voor horeca (circa 376 m2) ter hoogte van de bestaande bebouwing op het perceel als onderdeel van het totaalconcept op de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse. In deze paragraaf wordt het bestaande aanbod in Nissewaard nader geanalyseerd.