CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

2021.05.20 Eindrapportage Proces- en Impactevaluatie de Taalsnelweg naar Werk (ZINZIZ 2020) (002)

Commissie Sociaal Domein 20 mei 2021, gemeente NissewaardBij agendapunt: Presentatie Vluchtelingenwerk21.005 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

“Iemand heeft zelf informatie over zijn eigen ervaringen en als je dan samen de CV controleert met de trainer, dat werkt heel goed. Als er eerst alleen naar de structuur van de CV gekeken kan worden, dan kan daarna iemand zelf dingen erin zetten.” Eén van de deelnemers geeft aan dat het wel fijn zou zijn als het CV ook samen gemaakt kon worden met de docent.

“Iedere VIP-coach heeft verschillende informatie maar de docent heeft de meeste informatie. “ Een ander advies als het gaat om CV’s komt van een van de VIP-coaches. Hij zegt dat er een optie zou moeten zijn voor een extra cursus om nog meer digitaal vaardig te worden. Sommige mensen hebben bijvoorbeeld minder kennis van Word en het maken van een CV in Word. Het gevolg is dat zij dit niet zelf kunnen doen, geen eigenaarschap voelen over hun werk en het begrip en belang van het maken van een CV gaat op die manier verloren. Hoewel zij enthousiast waren over de manier waarop ze werden ingezet, de situatie rondom corona maakt het toch lastig. De VIP-coaches waren blij dat de lessen niet digitaal werden gegeven, want zij gaven de voorkeur aan face-to-face contact. Het wordt als prettiger ervaren omdat het waardevol is om elkaar te zien en het is prettig om bijvoorbeeld iets te kunnen uittekenen of opschrijven. Een van de VIP-coaches wil zelf zo min mogelijk gebruik maken van de digitale mogelijkheden met de overtuiging dat je live betere interactie hebt met de deelnemers en beter kunt oefenen met het Nederlands spreken: “Digitaal vind ik heel statisch.” Ondanks dat ze blij waren dat het niet digitaal was, gaf een van de VIP-coaches aan dat het wel moeilijk was om de afstand te behouden bij iemand thuis. Zij is zelf ouder dan 70 en behoort dus tot een risicogroep.

Zij heeft in dit geval de wens dat de Taalsnelweg naar Werk deze wekelijkse bijeenkomsten op school kan faciliteren in bijvoorbeeld een (groot) klaslokaal met een beamer.

“Het zou heel prettig zijn als daar meer aan gedaan zou worden. De afstand kunnen bewaren in een groepje van vijf en misschien ook beter ventileren.” Wel lijkt het alsof de VIP-coaches deels hun eigen werkwijze bepalen. De ene VIP-coach focust zich primair op het opstellen van CV’s, de ander werkt met maatwerk en vraagt waar de deelnemers zelf behoefte aan hebben en weer een andere VIP-coach is meer aan het netwerken en aan het ondersteunen bij het waarderen van diploma’s. De veranderingen bij de VIP-coaches worden vooral positief ontvangen, door de deelnemers, maar zeker ook door de VIP-coaches. De VIP-coaches zijn zeer tevreden over de manier waarop zij ingezet zij bij de tweede lichting. De tijd van de VIP-coach wordt, naar eigen zeggen, nu nuttiger besteed, en de begeleiding was productiever, met meer aandacht en was meer ‘to the point’. Op deze manier krijgen alle deelnemers ook meer de kans om te melden waar ze tegenaan lopen met hun huiswerk.

23

De tweede lichting is overwegend positiever over VIP Naast de specifieke focus op VIP-coaches, zijn de deelnemers, docenten en VIP-coaches positiever over VIP dan tijdens de eerste lichting. De positieve elementen die worden uitgelicht zijn:  Sommige elementen in de taalles en in de VIP les komen overeen. De deelnemers vinden deze manier van informatieoverlap dus wel prettig  De deelnemers vinden het fijn dat zij banen zoeken via websites  De deelnemers leren ook hoe je een pitch moet geven. De deelnemers moesten via Whatsapp een video maken van 30 seconden en daar moesten zij zichzelf in presenteren.  De docent merkt dat bij één van de groepen de onderwerpen van de VIP-lessen echt ‘leven’  De VIP lessen zijn niet digitaal. Dit is niet zozeer een verschil met de eerste lichting, maar wordt wel als prettig ervaren. Wel worden er ook door deze groep nog enkele verbeterpunten genoemd:  Volgens de docenten moet VIP eerder worden ingezet met een langere doorlooptijd. Zij zeggen dat als je nog nooit eerder hebt gesolliciteerd (in Nederland) het moeilijk is dit in een korte tijd te leren en het je eigen te maken. Het eerder beginnen met VIP binnen het traject, maakt volgens hen dat de verbinding met werk nog sterker wordt. Op die manier kunnen begrippen rondom werk besproken worden en kan geoefend worden met rollenspellen.

Naast het eerder beginnen met VIP is het verspreiden van VIP over bijvoorbeeld drie maanden ook door hen gewenst  Het is belangrijk dat er nog meer aandacht wordt besteed aan wat deelnemers willen en kunnen, wat er voor hen mogelijk is op korte en lange termijn en welke functies bij hen passen  Voor een deel van de deelnemers is er nog steeds sprake van te veel herhaling en overlap. Een van de deelnemers zegt: “toen ik hier kwam maakten we veel kennis met de werkcultuur, over alles hoe het hier in Nederland eraan toe gaat op de arbeidsmarkt. Het was niet nieuw voor ons.”  Het niveau en de benaderingswijze past minder voor de hoogopgeleiden.

BewegenWerkt Een derde onderdeel binnen de onderwijsfase van de taalsnelweg is BewegenWerkt. De deelnemers kregen iedere week op woensdagmiddag een aantal uur BewegenWerkt: een combinatie van sportactiviteiten en educatie over gezond leven. Er is bewust voor gekozen om in het programma ook aandacht te besteden aan beweging. Het is volgens de professionals belangrijk dat deelnemers ervaren hoe het is om sport en bewegen naast werk te doen. Het eerste doel is om de deelnemers te laten ervaren dat ze door te sporten van hun stress kunnen vrijkomen, daarna wordt de aandacht meer gericht op een gezonde levensstijl.

TERUGBLIK OP BEWEGENWERKT BIJ DE EERSTE LICHTING BewegenWerkt is een onderdeel dat aan de start van het project niet altijd even soepel verliep. Hoewel vanaf het begin duidelijk was dat professionals én deelnemers het wel een belangrijk onderdeel vinden van het programma, was er binnen de eerste lichting veel verzuim. Veel deelnemers kwamen niet opdagen en gaven als voornaamste reden dat zij het vervelend vonden dat mannen en vrouwen samen moesten sporten. Vooral voor sommige vrouwen lag dat te gevoelig, zeker omdat het tijdens de eerste lessen verschillende keren voorkwam dat er ook onderling fysiek contact was. Ook de betrokken professionals zeggen hierover dat het vooral veel vroeg van de vrouwelijke deelnemers, omdat zowel het sporten in sportkleding als het fysieke contact met mannen voor hen ongebruikelijk was. Andere redenen om niet te komen waren onder andere dat kinderen op woensdagmiddag vrij zijn en er deelnemers met fysieke klachten waren. Er werden vanuit deelnemers en professionals verschillende suggesties ter verbetering gegeven:

 Andere invulling van de lessen  Meer contact en afstemming tussen docenten zodat ook andere docenten de deelnemers kunnen motiveren voor sport

 In de ochtend in plaats van in de middag les, of vaker kortere lessen  Vanaf het begin mannen en vrouwen gescheiden laten sporten.

24

Digitale gymlessen juist prettig Het grootste verschil met de beweeglessen van de eerste lichting was dat de lessen nu online gegeven werden. De tweede lichting kreeg deze lessen aanvankelijk nog op locatie en daarna via ZOOM. Dit heeft goed uitgepakt: Deelnemers uit de tweede lichting waren overwegend positiever over de sportlessen dan de eerste lichting deelnemers. Hoewel één van de docenten in de veronderstelling is dat veel deelnemers negatief tegenover de lessen staan en deze niet waarderen, leken de deelnemers de lessen juist zeer positief te ontvangen. Eén van de deelnemers noemde namelijk dat de locatie voor hem eerst te ver weg en dat hij daarom niet meer naar de lessen kwam. Nu het online is kan hij wel gewoon aan de lessen meedoen. Een ander vond het ook niet erg dat de lessen nu online waren, want zij vond de sportlocatie onhygiënisch. Ook wanneer wordt gekeken naar de redenen voor verzuim van de eerste lichting, lag het in de lijn der verwachting dat deelnemers nu meer aanwezig waren:  Mannen en vrouwen hoeven niet (fysiek) samen te sporten  Iedereen sport thuis dus dat de kinderen vrij zijn is mogelijk een minder groot probleem  Er was geen sprake van contactsport dus deelnemers met fysieke klachten liepen minder risico en konden mogelijk gewoon meedoen op hun eigen tempo.

“Gewoon school is saai. Ik wil juist zwemmen of muziek maken. Als ik geen school heb, ga ik Netflix kijken. Ik wil iets te doen hebben. Dus ik vind gymlessen juist leuk.” Naast alle voordelen die genoemd werden over bewegen en over de online lessen, was er ook een deelnemers die vond dat de sportlessen naast alle andere lessen wel wat veel werd.

TERUGBLIK OP EUROWIJZER BIJ DE EERSTE LICHTING De deelnemers van de eerste lichting kregen de eerste zes weken van fase een, een dagdeel per week Eurowijzer. De deelnemers van de eerste lichting waren zeer positief over het programma Eurowijzer. Het grootste minpunt dat werd genoemd kwam van de projectleider van Eurowijzer, namelijk dat de samenstelling (en dus de moedertalen) van de groep laat gecommuniceerd werd waardoor er geen tolken geregeld konden worden. Normaliter werkt Eurowijzer met een aantal tolken, omdat de onderwerpen die besproken worden lastig kunnen zijn, maar wel belangrijk. De projectleider vroeg zich toen af of de deelnemers er echt voldoende van hadden opgestoken, omdat er alleen een Arabische tolk aanwezig was. Dit leek voor de deelnemers geen punt van aandacht. Zij waren erg positief over Eurowijzer, vooral over de docent. Volgens hen werden allerlei nuttige onderwerpen besproken die ze in hun dagelijkse praktijk kunnen gebruiken. Ze benoemden dan ook dat zij het liefst nog meer lessen Eurowijzer in het programma hadden gekregen. Adviezen die gegeven zijn in de tussenrapportage:

 Verken mogelijkheden om meer lessen Eurowijzer structureel op te nemen in het programma  Stem samen met de docenten van Eurowijzer af hoe zij hun programma kunnen aanbieden in deze (voor hen nieuwere) context.

Vanaf september werd BewegenWerkt overigens wel weer op locatie gegeven, met de aanpassing dat mannen en vrouwen gescheiden sportten. Er was ook nu wel sprake van enig verzuim, maar volgens de projectleider was dit coronagerelateerd. De reacties op BewegenWerkt in deze aangepaste vorm waren zowel van de docent als van de deelnemers eveneens positief.

Eurowijzer Het laatste programmaonderdeel in deze fase is Eurowijzer. Aanvankelijk was het plan dat de groepen gezamenlijk de eerste zes weken een dagdeel per week lessen van Eurowijzer kregen. Door corona werd het programma voor de tweede lichting opgeschoven naar de laatste zes weken (vanaf 1 september). In Eurowijzer worden financiële zaken uitgelegd rondom werk en Nederland. Binnen deze pilot is deze vorm van Eurowijzer ook een pilot. Normaal gesproken wordt er gewerkt met kleinere 25

groepen en groepen met dezelfde taalachtergrond. De onderwerpen die met de deelnemers behandeld worden zijn:  Omgaan met geld  Hoe je het beste kunt sparen (en dus minder kunt uitgeven)  Informatie over metingen rondom gas, water, elektriciteit  Hoe je omgaat met giro kaarten  Relevante belangrijke websites. Ook de tweede lichting enthousiast over Eurowijzer De groepen in de tweede lichting waren net als de groepen in de eerste lichting zeer te spreken over Eurowijzer. Zij krijgen naar eigen zeggen veel informatie die in de dagelijkse praktijk belangrijk is. Ook gaf een van de vrouwelijke deelnemers aan dat zij voorheen niet veel wist van financiële zaken omdat haar man dat eerst allemaal regelde. Nu leert zij hier zelf ook over. Wel zegt zij dat het aantal lessen voor haar niet genoeg is. Een andere belangrijke tip vanuit de deelnemers:

“Als iemand nog niet eerder Eurowijzer heeft gevolgd, dan kwam het wel heel laat. Misschien moet het wat eerder in het programma komen. Want het is wel belangrijk om te weten, hoe eerder hoe beter.”

26

TAALVORDERINGEN Een belangrijk doel van de Taalsnelweg naar Werk is dat de deelnemers in korte tijd zodanige vorderingen in de Nederlandse taal maken dat zij zich hiermee ook op de werkvloer kunnen redden. In dit hoofdstuk bekijken we de taalvorderingen van de deelnemers van beide lichtingen, aan de hand van de getoetste ERK-taalniveaus en ervaringen van deelnemers en betrokkenen. De taalvordering van de deelnemers wordt zowel aan het begin (bij de intake) als het einde van fase 1 formeel getoetst. Volgens de docenten zijn de toetsen omvangrijk en bieden ze veel inzicht. In de tussenrapportage konden we constateren dat de deelnemers doorgaans grote taalvorderingen doormaakten tijdens fase 1. Tegelijkertijd bleek ook dat nog niet elke deelnemer op het streefniveau van het ERK-taalniveau A2 zat, tenminste niet op elk van de vier taalonderdelen (leesvaardigheid, schrijfvaardigheid, spreekvaardigheid, luistervaardigheid). Ook bij de tweede lichting deelnemers 9 is het taalniveau bij de intake en tegen het eind van fase 1 getoetst tegen de ERK-taalniveau maatstaven10. We beginnen met het beschouwen van deze toetsgegevens, in vergelijking met die van de eerste lichting. Daarna bespreken we wat betrokkenen zelf over de taalvorderingen melden. Gemiddelde taalvorderingen lichting 1 (2019) en lichting 2 (2020) B1

A2

A1 Leesvaardigheid

Intake

Na fase 1

Schrijfvaardigheid

Intake

Na fase 1

Eerste lichting

Spreekvaardigheid

Luistervaardigheid

Intake

Intake

Na fase 1

Na fase 1

Tweede lichting

Figuur Gemiddelde taalvorderingen volgens toetsgegevens van lichting 1 (2019) en lichting 2 (2020)

Duidelijke taalvorderingen zichtbaar In bovenstaande figuur hebben we de gemiddelde taalvordering van de tweede en de eerste lichting deelnemers grafisch weergegeven. Allereerst wordt hieruit duidelijk dat, net als bij de eerste lichting deelnemers, er duidelijke taalvorderingen gemaakt worden tijdens de eerste fase van de Taalsnelweg. Verder valt op dat beide lichtingen gemiddeld gesproken ongeveer hetzelfde startniveau hadden. En

9 We hebben toetsgegevens ontvangen van 19 deelnemers. Bij twee van hen (B1-groep) ontbraken alleen de toetsen

schrijfvaardigheid. 10 In tegenstelling tot de tussenrapportage gaan we nu alleen nog uit van gehele ERK-taalniveaus. Een A2- bijvoorbeeld wordt nu gerekend als A1, omdat de formele toetsing op A2-niveau niet behaald is. Voor de gemiddelde taalvorderingen hebben wij de niveaus eerst de volgende waarden gegeven: A1 een 1, A2 een 2, B1 een 3. Vervolgens hebben we het gemiddelde over de deelnemers berekend. Bij een toets uitslag van bijvoorbeeld ‘Geen B1’ zijn we ervan uit gegaan dat de deelnemer wel een voldoende zou hebben behaald op het daaronder gelegen, in dit geval niveau A2. Deze werkwijze hebben we toegepast op de toetsgegevens van zowel de eerste als de tweede lichting. 27

dat de gemiddelde vorderingen op het gebied van leesvaardigheid, schrijfvaardigheid en luistervaardigheid van de tweede lichting groter waren dan die van de eerste lichting. Een van de redenen hiervoor kan zijn dat de tweede lichting zes weken langer taalonderwijs heeft gehad, waardoor de taalvordering ook meer tijd heeft gehad. Een andere reden kan de digitale vorm van onderwijs zijn: mogelijk vraagt dat meer van de deelnemers op het gebied van lezen, luisteren en schrijven, waardoor zij hierin ook grotere stappen maken. Juist op het vlak van leesvaardigheid is de grootste sprong te zien. Online onderwijs biedt daarnaast minder eenvoudig mogelijkheden tot veel onderlinge interactie (in het Nederlands) en een-op-een interacties, waardoor mogelijk geen vergelijkbare toename in groei op het gebied van spreekvaardigheid heeft plaatsgevonden. Tot slot kan de verklaring ook liggen in de vooropleiding die de deelnemers uit de beide lichtingen al hadden genoten: in de tweede lichting zaten meer deelnemers (vooral in de A2-groep) die al een (iets) hogere opleiding hadden genoten. Overeenkomstig de grotere taalvordering zien we ook dat meer deelnemers dan in de eerste lichting op zijn minst A2-niveau op elk van de onderdelen halen: nu zijn dat er dertien, in de eerste lichting waren dat tien deelnemers11.

Bovendien halen nu zes deelnemers uit de A2-groep het A2-niveau op alle onderdelen, in de eerste lichting haalde niemand uit de A2-groep dat. Uit de B1-groep halen nu vier deelnemers op elk van de onderdelen B1-niveau, in de eerste lichting gold dat voor één van de deelnemers. Gemiddelde taalvorderingen A2-groep en B1-groep (2019 + 2020) B1

A2

A1 Leesvaardigheid

Intake

Na fase 1

Schrijfvaardigheid

Spreekvaardigheid

Luistervaardigheid

Intake

Intake

Intake

Na fase 1

A2 groep

Na fase 1

Na fase 1

B1 groep

Figuur Gemiddelde taalvorderingen van de niveaugroepen, op basis van toetsgegevens van lichting 1 (2019) en lichting 2 (2020) samen

Kijken we naar de gemiddelde taalvorderingen binnen de twee verschillende niveaugroepen, dan zijn allereerst de niveauverschillen duidelijk te zien in de gemiddelde startniveaus, behalve bij leesvaardigheid. Ook zien we dat in beide niveaugroepen op elk van de taalonderdelen vooruitgang wordt geboekt. Bij schrijf-, spreek- en luistervaardigheid is de mate van vooruitgang tussen de twee niveaugroepen ongeveer vergelijkbaar. Bij leesvaardigheid maakt de B1-groep echter duidelijk een grotere sprong. Dat kan overigens ook komen doordat het startniveau van de A2-groep in deze

11 In deze analyse zit een verschil ten opzichte van de tussenrapportage. Bij ‘geen B1’ als toetsresultaat gaan we nu uit van ‘wel A2’,

in de tussenrapportage deden we dat niet. 28

weergave ‘kunstmatig’ hoog is: de laagste niveaus die in deze toetsgegevens zijn weergegeven zijn A1, maar mogelijk is de A2-groep (vooral op dit onderdeel) met een grotere achterstand begonnen. Een van de docenten plaatst overigens een kanttekening bij de toetsresultaten van lichting 2 aan het einde van fase 1. De toets vond plaats na zes weken zomervakantie, waarin de deelnemers geen onderwijs gevolgd hadden. De docent denkt dat er in de zomervakantie door de deelnemers zelf niet veel geoefend is en de toets-scores daarom lager zijn uitgevallen dan ze hadden kunnen zijn.

Ook de deelnemers en andere betrokkenen zijn positief over taalvorderingen Ook de deelnemers zelf zeggen dat ze grote vorderingen hebben gemaakt in hun beheersing van de Nederlandse taal. Daarbij zeggen ze dat ze online net zoveel hebben geleerd als dat ze in een klas zouden doen. Andere betrokkenen, zoals de docenten, de projectleider en VIP-coaches zien ook duidelijke taalvorderingen. Een van de VIP-coaches geeft aan:

“Ik ben echt onder de indruk hoe taalvaardig ze zijn. Dat ze bijvoorbeeld al woorden gebruiken als accuraat en punctueel.” Sommige deelnemers hadden ook al taalonderwijs gehad bij een andere school voordat zij naar de Taalsnelweg gingen. Zij kunnen de twee vormen van onderwijs vergelijken en vinden de Taalsnelweg veel beter. Zij vinden het heel fijn dat je vijf dagen per week naar les gaat in plaats van drie dagen een aantal uur. Op deze manier leren zij veel meer, geven zij aan:

“Ik kan al na zes maanden goed praten.” De rol van de docenten was hierin heel belangrijk. Een van de deelnemers zegt hierover:

“De taal is moeilijk natuurlijk, maar we krijgen goede les van [naam van de docent]. Dus dat maakt het weer makkelijker.”

29

FASE 2: ERVARINGEN EN RESULTATEN RONDOM WERK De tweede fase binnen de Taalsnelweg naar Werk bestaat uit het opdoen van werkervaring. Na de intensieve onderwijsperiode wordt voor de deelnemers een passende plek op de arbeidsmarkt gezocht. Door de coronacrisis werd dit bemoeilijkt: door de daling in werkgelegenheid en door de coronamaatregelen is er minder vraag vanuit de werkgevers voor nieuwe werknemers of stagiaires. Het vinden van werkervaringsplekken voor de deelnemers ging daardoor lastiger. Desondanks is voor de meeste deelnemers een arbeidsplaats gevonden. Dit hoofdstuk beschrijft de (werk-)ervaringen van de deelnemers12 in deze fase en de ervaringen van betrokken werkgevers, jobcoaches, participatiecoaches en accountmanagers.

De zoektocht naar werk Al gedurende de eerste fase (de onderwijsperiode) wordt er toegewerkt naar het vinden van een voor de deelnemer passende arbeidsplaats voor in fase 2, meestal in de vorm van een stage of werkervaringsplek. De insteek van de Taalsnelweg naar Werk is dat deze arbeidsplaats zo veel mogelijk aansluit op de wensen, interesses, niveau en leerbaarheid van de deelnemers en dat de arbeidsplaatsen gerealiseerd worden bij werkgevers die ook echt behoefte hebben aan personeel. Tijdens de eerste ronde van de Taalsnelweg bleek dit in de praktijk moeilijker te realiseren dan verwacht. Dat kwam onder andere door de interne organisatie en onderlinge afstemming van de uitvoerende partijen en onduidelijkheid over wie, wat en (vanaf) wanneer zou regelen. Ook was het in een aantal gevallen moeilijk om een juiste match tussen een gevonden arbeidsplaats en de wensen van de deelnemer te vinden. In de tweede ronde van de Taalsnelweg zijn de verbeterpunten uit de eerste ronde doorgevoerd om het vinden van arbeidsplaatsen te versoepelen. Bij de eerste lichting werden de volgende lessen getrokken: UIT DE TUSSENRAPPORTAGE: “De projectleider geeft over dit proces aan dat het ook voor de tweede lichting belangrijke lessen heeft opgeleverd.

Er zal veel eerder ingezet worden op het duidelijk in kaart brengen op welk terrein de behoefte en kansen per deelnemer liggen om zo ook veel eerder te kunnen beginnen met het vinden van een juiste vervolgplaats. Ook in het groepsinterview met professionals werd aangegeven dat het een goed idee was om bij toekomstige lichtingen veel eerder te starten met de begeleiding naar werk, bijvoorbeeld door vroegtijdig de werkervaring, behoeften en kansen van een deelnemer te inventariseren, reële beroepskansen voor de deelnemers in kaart te brengen en op tijd contacten met de arbeidsmarkt te leggen. Het is belangrijk dat daarin duidelijke onderlinge afspraken zijn over wie (welke partij) wat en wanneer regelt. Een voordeel van eerder beginnen met deze taken is ook dat in een vroeger stadium individuele bezwaren tegen bepaalde arbeidsplaatsen inzichtelijk en bespreekbaar kunnen worden. Bovendien kan daarin overwogen worden om afspraken en regels op te stellen rondom de ‘garantie op een arbeidsplaats’ na fase 1, die vooraf duidelijk aan de deelnemers gecommuniceerd worden.

Overweeg bijvoorbeeld om de keuzeruimte en ruimte voor bezwaren van de deelnemer tot aan een bepaald moment (bijvoorbeeld enkele weken voor afronding van fase 1) te laten gelden: is er tegen die tijd nog geen arbeidsplaats naar keuze gerealiseerd, dan zal de deelnemer akkoord moeten gaan met een andere beschikbare arbeidsplaats.”

Voor het vinden van arbeidsplaatsen worden meerdere professionals en vrijwilligers ingezet Om arbeidsplaatsen te realiseren is de samenwerking met de sociale dienst Avres van groot belang. Twee type professionals van Avres houden zich hier binnen de Taalsnelweg dan ook mee bezig. Ten 12 Op het moment van de interviews hadden de meeste deelnemers van de eerste lichting hun werkervaringsplek afgerond en de

deelnemers van de tweede lichting zaten op dat moment in de overgangsfase van onderwijs naar een werkervaringsplek. 30

eerste hebben de participatiecoaches van Avres als primaire taak om de mogelijkheden rondom het vergroten van participatie van de deelnemers in beeld te brengen en hier samen met de deelnemers een plan op te maken, passend bij de persoonlijke ontwikkeling. Zij zijn dus vooral betrokken in de aanloop naar de plaatsing bij een arbeidsplaats. Dit kan zich naast werk ook richten op (vervolg)opleidingen die de arbeidskansen in de toekomst verder doen toenemen. Daarnaast ondersteunen de vrijwillige VIP-coaches de deelnemers ook door gesprekken te voeren over hun arbeidswensen en ze te ondersteunen in zaken als het opstellen van een goed CV. Ten tweede zijn er verder vier accountmanagers van Avres verantwoordelijk voor het realiseren van de arbeidsplaatsen: zij vormen de verbindende schakel tussen werkgevers en deelnemers in aanloop naar de plaatsing. Ook het netwerk van de projectleider wordt ingezet voor het vinden van arbeidsplaatsen: vaak speelt deze bijvoorbeeld contactgegevens door aan de accountmanagers. Het is belangrijk om verwachtingen en realiteit bij elkaar te brengen en hier een plan op te maken De meeste deelnemers zouden op het gebied van werk graag aansluiting vinden op de functie of het niveau dat zij ook in het land van herkomst hadden. De praktijk is echter dat dit vaak niet direct mogelijk is.

Dit zagen we al bij de eerste lichting deelnemers en komt ook nu weer naar voren. Zowel een van de participatiecoaches als een VIP-coach hebben gemerkt dat dit een lastig proces is voor veel deelnemers: zij zullen vaak op een lager niveau moeten beginnen dan het niveau dat zij gewend zijn, door taal- en opleidingseisen en door bijvoorbeeld cultuurverschillen. Ook een van de docenten zegt dat deelnemers soms nog een ander verwachtingspatroon hebben.

“De deelnemers moeten eigenlijk twee stappen terug doen om hier te beginnen” Een voorbeeld is een deelnemer die graag in de zorg wil werken en medicijnen wil toedienen aan zorgbehoevenden. Daarvoor is in Nederland op zijn minst een MBO -4 opleiding nodig, terwijl er in Syrië geen diploma voor nodig was. Om dit werk toch te kunnen gaan doen zal deze deelnemer dus eerst een gepaste zorgopleiding moeten voltooien. Beginnen op een lager instapniveau is dus voor veel deelnemers de realiteit, maar ook noodzakelijk, zegt een VIP-coach. De participatiecoach die wij geïnterviewd hebben zegt dat er goed geluisterd moet worden naar de wensen van de deelnemers, maar ook dat goed duidelijk moet zijn wat op korte en middellange termijn haalbaar is. Het is daarbij belangrijk om een reëel beeld te schetsen in de stappen die ondernomen moeten worden om het beroe p naar wens te kunnen bereiken.

“Ik wil niet dat ze denken dat ze gelijk na de inburgering op een hoog niveau zitten. Ik leg daarbij uit dat je kleine stapjes maakt. Dat duurt misschien nog lang maar het is wel een investering in je eigen toekomst.” Zowel de participatiecoach als de docenten hebben gemerkt dat het verschil tussen de verwachtingen van de deelnemers en de realiteit verkleind kan worden door goed uit te leggen hoe het proces in Nederland te werk gaat en wat de beweegredenen daarvoor zijn. Het helpt om dan goede informatie te kunnen geven en (gezamenlijk) een stappenplan te maken met het wensberoep en de tussentijdse stappen die daarvoor gezet moeten worden. Volgens de participatiecoach en de docent geeft dit deelnemers inzicht in hun eigen loopbaanroute, worden verwachtingen bijgesteld en zien zij daardoor ook het langeretermijnperspectief.

31

De meeste deelnemers hebben een arbeidsplaats gevonden Het realiseren van arbeidsplaatsen voor de deelnemers is om verschillende redenen, voor zowel de eerste lichting deelnemers als de tweede lichting, een uitdaging geweest. Bij de eerste lichting deelnemers bleek dat dit soms minder voorspoedig liep, en meer tijd en afstemming vroeg, dan vooraf was beoogd. De komst van corona zorgde vervolgens voor zodanige veranderingen dat zowel het vinden als het uitvoeren van werkervaringsplekken ernstig werd bemoeilijkt voor beide lichtingen deelnemers. Ook de regionale arbeidsmarkt en de beperkte beschikbaarheid van arbeidsplaatsen in bepaalde sectoren in de regio kunnen het proces van het vinden van een arbeidsplaats bemoeilijken. Een voorbeeld is een deelnemer die in het land van herkomst al ervaring in de televisiewereld heeft opgedaan en daar graag in verder wil. In de regio waren hiervoor geen mogelijkheden. Een andere deelnemer had het gevoel dat de beperkte beschikbaarheid van arbeidsplaatsen ook kwam doordat weinig werkgevers statushouders een kans willen geven:

“De accountmanager van Avres heeft echt zijn best gedaan maar ik wil zeggen dat de mensen, Nederlanders die een bedrijf hebben, ons een kans moeten geven.” Toch is het voor de meeste deelnemers, ondanks de omstandigheden, gelukt om een werkervaringsplek te realiseren13. Door de coronacrisis, of soms door andere omstandigheden zoals zwangerschap of gezondheidsproblemen, is een deel hiervan uitgesteld naar 2021. Dat geldt ook voor de deelnemer die in de televisiewereld aan de slag wil: uiteindelijk is er toch een arbeidsplaats buiten de regio gevonden, in mediapark Hilversum. Deze kan echter pas in 2021 van start gaan in verband met corona. Deel van de eerste lichting uitgestroomd naar een betaalde baan Dertien van de twintig deelnemers van de eerste lichting hebben inmiddels werkervaring opgedaan of doen dat nog steeds, meestal met een werkervaringsplek. Binnen deze groep zijn meerdere concrete successen zichtbaar: zes deelnemers hebben inmiddels een betaalde baan, waarvan dit bij drie deelnemers direct voortkwam uit goede prestaties op de werkervaringsplek. Maar ook van de meeste andere deelnemers is duidelijk dat zij stappen blijven zetten richting betaald werk via stages, een opleiding of eerst nog een periode vrijwilligerswerk. Werkervaring lichting 1 7

Aantal deelnemers

6 5 4 3 2 1 0 Betaalde baan

Stage

Vrijwilligerswerk

Opleiding

Overig

Figuur. Werkervaring van de deelnemers van lichting 1, d.d. 1 november 2020

13 We baseren ons hierbij op de gegevens ten tijde van 1 november 2020. De projectleider van de Taalsnelweg naar Werk gaf hierbij

aan dat de ontwikkelingen soms zo snel gaan, onder andere door de coronacrisis maar ook door andere omstandigheden, dat de aantallen per week kunnen verschillen. 32

Vier deelnemers lopen nog steeds stage. Twee deelnemers hebben overigens ook kort stage gelopen, maar dit bleek op dat moment nog te hoog gegrepen. Zij doen inmiddels werkervaring op bij een vrijwilligerswerkorganisatie. Een van hen had last van te veel fysieke ongemakken voor het werk op de werkervaringsplek, en de ander bleek door cultuurverschillen en angst nog niet klaar te zijn om binnen een bedrijf te functioneren. Drie deelnemers hebben geen werkervaring opgedaan maar doen wel een vervolgopleiding of zijn dit van plan te gaan doen. Voor twee andere deelnemers was in eerste instantie wel een werkervaringsplek geregeld, maar door de coronacrisis kwam deze te vervallen. Voor één van hen wordt momenteel een passende werkervaringsplek gezocht, bij de ander ligt dit stil vanwege zwangerschap. Bij een andere deelnemer is, eveneens in verband met zwangerschap, geen werkervaringsplek gezocht. Tot slot is er een deelnemer (uit de B1-groep) al tijdens fase 1gestopt met de Taalsnelweg naar Werk. Wat verder opvalt is dat de begeleiding vanuit de Taalsnelweg en Avres niet stopt als de werkervaringsplek door omstandigheden niet goed uitpakt. Bij drie deelnemers is na verloop van tijd een passender werkervaringsplek gevonden en bij één deelnemer loopt dit proces nog.

De meerderheid van de tweede lichting heeft een stageplek en een enkeling een betaalde baan Voor de deelnemers van de tweede lichting zijn er voor vijftien van de twintig deelnemers via Avres of via het netwerk van de Taalsnelweg arbeidsplaatsen gerealiseerd. Twee van hen hebben een betaalde baan. De stage- of werkervaringsplekken die gevonden werden lopen uiteen van een basisschool, mediapark Hilversum, de gehandicaptenzorg, de productie en de zorg tot aan sales. Voor twee deelnemers geldt dat de stage door de coronacrisis nog niet gestart is. Dat geldt ook voor een deelnemer die een leerwerkplek (in de grafiek is deze ook meegeteld onder ‘stage’) bij een ICT-bedrijf heeft gevonden. Drie van de deelnemers waarvoor nu een stage gerealiseerd is willen hierna hun arbeidskansen vergroten door in 2021 een zorgopleiding te gaan doen, één wil een andere studie gaan volgen.

Werkervaring lichting 2 14

Aantal deelnemers

12 10 8 6 4 2 0 Betaalde baan

Stage

Overig

Figuur. Werkervaring van de deelnemers van lichting 2, d.d. 1 november 2020

Twee deelnemers zullen voorlopig nog geen werkervaring op gaan doen: de een heeft gezondheidsproblemen, de ander heeft een complexe zwangerschap. Een andere deelnemer wil met behulp van Avres een eigen bedrijf gaan opzetten. Verder waren er voor twee deelnemers op 1 november 2020 nog geen werkervaringsplek gerealiseerd: een van hen wil dit zelf organiseren waarbij Avres monitort of dit ook gaat lukken. Voor de andere deelnemer is het nog een te grote stap om werkervaring op te gaan doen, zowel door fysieke als psychische omstandigheden, en wordt geprobeerd om een vrijwilligersplek te vinden om van daaruit vervolgstappen te kunnen gaan maken.

33

DEELNEMER UITGELICHT Een deelnemer die is geïnterviewd is succesvol uitgestroomd naar betaald werk en heeft een jaarcontract gekregen bij een elektricienbedrijf. Bij het arbeidsvoorwaardengesprek waren twee personen van Avres aanwezig, waaronder de jobcoach, en de directeur van het elektricienbedrijf. De ondersteuning vanuit Avres werd als prettig ervaren door de deelnemer. Als de deelnemer bepaalde bewoordingen niet begreep, kon een medewerker van Avres het uiteggen of een voorbeeld geven. Na een goede afronding van het gesprek, is de deelnemer aangenomen als volwaardige werknemer op fulltime-basis. Daarna is de jobcoach nog eenmaal gekomen toen de deelnemer aan het werk was.

“Ik ben klaar met stage. Ik had 1,5 maand stage. Ik heb nu een jaarcontract gekregen bij het elektricienbedrijf. Ik werk nu 36 uur in de week, fulltime.”

Werkervaringen van de deelnemers De deelnemers van de Taalsnelweg hebben de afgelopen maanden hun eerste werkervaringen op kunnen doen. Wij hebben vanuit het onderzoek, onder andere door omstandigheden rondom corona, maar een beperkt aantal deelnemers gesproken over hun ervaringen op de arbeidsplaats. Deze waren over het algemeen erg positief. Via de jobcoach, andere geïnterviewden van Avres, werkgevers en de projectleider hebben we ook een beeld gekregen de werkervaringen, waaronder ook enkele minder positieve ervaringen. Enkele deelnemers zeggen dat de werkervaringsplek goed geregeld was, dat ze het erg leuk vinden om te zien wat er gedaan wordt en dat het goed bevalt om steeds meer taken uit te voeren op de werkvloer. Zo ging een van de deelnemers aan het werk bij een elektricienbedrijf (zie ook kader). Hij was zelf erg tevreden over zijn stage en vond het leuk om te zien wat ze precies doen en hoe ze werken. Hij vond het leuk om te onderzoeken hoe hij daarin kon aanvullen en ondersteunen. Eerst mocht hij meekijken bij de verschillende werkzaamheden, zoals verdeelkasten in elkaar zetten en producten controleren op beschadigingen en geldigheid, later kreeg hij ook meer taken, waaronder werken met een heftruck.

Algemene en specifieke werkervaringen die de deelnemers volgens werkgevers hebben opgedaan Drie werkgevers deelden ervaringen die de deelnemers tijdens hun periode op de werkplek hadden opgedaan. Deze werkgevers waren niet in persoon direct betrokken bij de deelnemers op de werkvloer, dus zij baseren deze ervaringen op verhalen van collega’s en overstijgende ontwikkelingen die zijn waargenomen. De ervaringen die de werkgevers hebben genoemd die de deelnemers hebben opgedaan zijn grofweg in te delen in twee soorten werkervaring: 1)

Algemene werkervaring Het gaat hierbij om ervaring opdoen met de Nederlandse werkcultuur en de Nederlandse arbeidsmarkt. Het gaat dan specifiek om algemene informele aspecten zoals samen koffie drinken, koffie aanbieden aan collega’s, gewend raken aan een niet-hiërarchische cultuur, leren over de basisomgangsvormen en waarden, zoals respect voor vrouwen en leren meer assertief te zijn. Daarbij gaf een werkgever aan dat het ook belangrijk is om te richten op de ‘hardware’ van de deelnemer, op wat hij al weet en welke competenties hij al heeft (taal-, spreek-, en schrijfvaardigheden). De algemene informele aspecten gingen bij twee van de drie deelnemers erg goed. Een voorwaarde hiervoor is volgens de werkgevers een basisniveau van de Nederlandse 34

taal. Opmerkelijk is wel dat de deelnemer waarbij het taalniveau op redelijk goed niveau was, de ontwikkelingen rondom het meegaan met de koffiepauzes en de assertiviteit minder te zien was. De werkgever van deze deelnemer gaf als verklaring dat zij een zeer introvert persoon was. Persoonlijkheid en mogelijk cultuur lijkt dus een rol te spelen in het ontwikkelen van deze algemene werknemersvaardigheden. Dit wordt teruggezien bij het ontwikkelingsproces van de twee andere deelnemers: zij hebben zich op het gebied van sociale werknemersvaardigheden en assertiviteit goed ontwikkeld en zij worden omschreven als sociaal en vrolijk. 2)

Specifieke werkervaring Daarnaast is er ook de specifieke werkervaring, waarbij het gaat om vakspecifieke kennis. Eén van de werkgevers vertelde dat de deelnemer klantgesprekken mocht bijwonen en de opdracht kreeg een cursusboek te lezen. Dit pakte hij erg goed op volgens de werkgever.

“Ik heb een cursusboek voor hem gekocht voor een tekenprogramma. Hij wil de studie architectuur doen. Dan is het goed om dat te leren. Hij kon er zelfstandig mee aan de slag en hij stelde vragen. Toen hij ermee overweg kon had hij een model gemaakt van één van onze projecten en daar stelde hij af en toe vragen over. Hij pakte dat heel goed zelfstandig op. Hij is heel intelligent.” Deze werkgever denkt dat de deelnemer een goede kans maakt op een betaalde baan, omdat hij dit aankan en omdat hij erg sociaal is. De meeste deelnemers hebben veel en positieve collegiale contacten op de werkvloer Daarnaast is het collegiale contact een onderwerp waar de meeste deelnemers zeer positief over zijn. Meerdere deelnemers geven aan dat zij heel positieve ervaringen hebben opgedaan, mede doordat zij leuke en behulpzame collega’s hadden. Wanneer zij iets nodig hadden of vragen hadden konden zij “altijd” terecht bij hun directe collega’s. Een van de deelnemers gaf ook aan dat hij met veel respect behandeld werd en dat hij voor zijn afscheid een kaartje met een cadeau heeft ontvangen van zijn collega’s. Verder had een van de deelnemers via vrijwilligerswerk meerdere Nederlandse contacten opgedaan, waarmee ook buiten de werkvloer contact was ontstaan. Deze deelnemer zegt ook dat dat nog weer verder stimuleert om Nederlands te praten:

“Het is niet hetzelfde als op school. Het is juist goed om buiten school nog iets te doen.” Niet voor elke deelnemer gold overigens dat zij blij waren met (het contact met) collega’s. Zo was een deelnemer vooral erg teleurgesteld over het onderlinge contact tijdens de lunch:

“Als je naar je werk gaat en je bent samen met collega’s dan eten sommige collega’s achter hun eigen bureau. Ik vind het niet leuk. Ik mag met niemand praten maar tijdens de lunch pak ik mijn mobiel. Dan kan ik mijn mail lezen of ga ik iemand bellen. Tijdens werk probeer ik minder mijn telefoon te pakken.” Een andere deelnemer vond het ook moeilijker om contact en aansluiting te vinden, maar vond hier een mooie oplossing voor. Zij was gestart bij de logistieke afdeling van een internationaal bedrijf, op de support binnen de customer order. Door de maatregelen rondom corona waren er minder mensen op kantoor en ging het meeste contact digitaal. Zij was daarentegen zelf wel dagelijks op kantoor. De eerste week vond de deelnemer het heel moeilijk en had ze veel last van hoofdpijn. In de tweede week hadden collega’s het bovendien heel druk. Ze vond het dan soms lastig om vragen te stellen, omdat er

35

zo weinig tijd beschikbaar was. Toch heeft ze zelf een manier gevonden waardoor meer contact ontstond:

“Ik heb in de chat van een online teammeeting gezegd: als jullie iets nodig hebben, vraag het aan mij. Ik ben hier om te leren.” Zij zegt overigens dat ze een goede kans heeft gekregen door bij dit bedrijf werkervaring op te mogen doen, omdat ze bij andere vacatures zag dat mensen een Vwo-diploma moeten hebben en twee tot vier jaar werkervaring moeten hebben. Soms is de stap naar werk nog te groot vanwege fysieke of psychische omstandigheden In de gesprekken met de projectleider en met geïnterviewden van Avres bleek dat er ook voorbeelden waren van werkervaringsplaatsen die minder positief waren verlopen. Bij vier deelnemers had dit voor een belangrijk deel te maken met fysieke klachten, waardoor het werken niet haalbaar bleek. In een geval ging dit om corona met blijvende klachten, waardoor de werkgever de deelnemer niet meer terug wilde hebben. Avres heeft uiteindelijk werk voor deze deelnemer gevonden bij Tempo-Team. Voor een andere deelnemer wordt nu een doelgroepverklaring aangevraagd om makkelijker werk te kunnen vinden, dit proces loopt nog. Voor de twee andere deelnemers is of wordt een vrijwilligersplek gevonden om van daaruit te werken aan verdere participatie.

Diezelfde strategie (vrijwilligerswerk) wordt nu ingezet bij een deelnemer waarbij op de eerste stagedag direct duidelijk werd dat deze door psychische problemen, cultuurverschillen en angst nog niet in staat was om in een bedrijf te participeren. In sommige gevallen is het taalniveau toch nog niet voldoende voor op de werkvloer Ondanks duidelijke vorderingen op het gebied van taal, geven meerdere deelnemers aan dat zij merkten dat hun taalniveau nog niet voldoende was om goed te kunnen communiceren op de werkvloer. Met name het vakjargon is moeilijk te volgen en bepaalde benamingen van middelen of producten worden niet altijd begrepen.

“Alles is nieuw voor mij, ik weet niet hoe bepaalde dingen heten. Het is moeilijk want je moet weten wat een tang, kniptang en sluiting is bijvoorbeeld. De woordenschat was moeilijk.” Maar ook in het contact met collega’s of met klanten merken sommigen dat hun Nederlands nog onvoldoende is om alles te begrijpen en goed te kunnen antwoorden.

“Ik begrijp op stage nog niet zo heel veel. Vooral niet als het snel gaat. Dan moet ik vragen: “Sorry, ik begrijp het niet. Kun je het nog een keer zeggen?”. Zowel twee werkgevers als de jobcoach herkennen dit. Een werkgever benoemde dat een deelnemer tijdens het kennismakingsgesprek veel vragen niet kon beantwoorden. Echter gaf de werkgever ook aan dat het wellicht door de zenuwen kwam. Een andere werkgever zegt daarnaast dat de deelnemer die daar stage loopt op dit moment nog niet in een betaalde baan aan de slag zou kunnen, ook niet met aanvullende begeleiding:

“Tijdens het gesprek vond ik haar niveau wel echt te laag. Ik probeer haar wel klaar te stomen voor wat ik kan gaan vragen.”

36

Een andere werkgever heeft om diezelfde reden een taalmaatje op de werkvloer ingezet. Dit helpt om het vakjargon en termen die veel op de werkvloer voorkomen sneller te leren kennen en helpt ook in de communicatie met collega’s. Voor deelnemers van de Taalsnelweg zou het helpen als zij, al voor dat zij op de werkplek aan de slag gaan, kennismaken met veelgebruikte termen in de branche waar de deelnemer werkervaring op gaat doen. Een aanbeveling is dan ook om te kijken of hier, al dan niet samen met de werkgevers en bijvoorbeeld in de laatste weken voorafgaand aan de overstap naar de werkvloer, manieren voor bedacht kunnen worden. Dit helpt niet alleen het begrip van de deelnemers verder op gang, het voorkomt ook dat er van beide kanten (deelnemer en collega’s) frustraties ontstaan over moeizame communicatie. Naar werkgevers toe kan vanuit de Taalsnelweg nadrukkelijk geadviseerd worden om een taalmaatje aan te wijzen die de deelnemer specifiek op dat vlak ondersteunt. Ook is het belangrijk om goed te kijken naar het taalniveau (eventueel op specifieke taalonderdelen, zoals luisteren, spreken en schrijven) dat binnen bepaalde functies en branches een voorwaarde is om volwaardig mee te kunnen draaien op de werkvloer en dit mee te wegen in de arbeidsplaatsen die voor de deelnemers gezocht worden.

Overigens zijn er ook heel positieve geluiden over het taalniveau van deelnemers en de motivatie om hier nog beter in te worden. Zo vertelt een van de werkgevers over de deelnemer die daar aan de slag is gegaan:

“ Zijn Nederlands zal zeker beter geworden zijn. Hij is de hele dag ook met mensen die Nederlands praten. […] Hij wordt boos als iemand Engels tegen hem praat. Hij wil gewoon Nederlands praten.” Meer ondersteuning tijdens de werkervaringsperiode is wenselijk Het is de bedoeling dat deelnemers tijdens hun periode van werk in ieder geval ondersteuning van een jobcoach van Avres krijgen. Wanneer er een match is gerealiseerd, neemt deze de begeleiding van de accountmanager over. De jobcoach vormt hierbij de schakel tussen werkgever en deelnemer, en begeleidt de deelnemer tijdens zijn periode op de arbeidsplaats. Hij wordt ingezet wanneer deelnemers praktische vragen hebben en hij coacht de deelnemers bij ervaren belemmeringen. Hij registreert de ontwikkelingen op de werkvloer in voortgangsoverzichten. Naast de jobcoach blijft ook de VIP-coach beschikbaar voor de deelnemer: die is bereikbaar voor vragen of het bespreken van onderwerpen die de deelnemer niet met de werkgever of jobcoach op kan of wil pakken. De VIP-coach neemt actief contact op met de deelnemer gedurende de werkervaringsperiode. De jobcoach vanuit Avres werd echter later ingezet dan oorspronkelijk bedoeld: vanaf juli 2020 was deze beschikbaar. Toen wij de jobcoach in oktober 2020 interviewden had hij inmiddels 16 deelnemers begeleid.

De jobcoach heeft naar eigen zeggen affiniteit met de doelgroep en gebruikte zijn eerdere werkervaring met de doelgroep in de begeleiding om een goede werkrelatie met de deelnemers te creëren. Hij merkt op dat het belangrijk is om te investeren in de vertrouwensband met de deelnemers en dat dit in zekere mate een veilige werkrelatie creëert. Dit legt naar eigen zeggen een basis om samen met de deelnemer aan de slag te gaan. De vier werkgevers die wij gesproken hebben, hebben overigens niets meegekregen van een vorm van begeleiding van de deelnemers vanuit Avres of van de Taalsnelweg. Mogelijk wordt dit verklaard doordat de begeleiding op dat moment nog opgestart moest worden met die deelnemers, of zijn werkgevers niet van de begeleiding op de hoogte gebracht. Toch blijkt uit de interviews dat er wel behoefte is aan meer begeleiding van de deelnemer gedurende de werkervaringsperiode (fase 2 van de Taalsnelweg), vanuit werkgeversperspectief en deelnemersperspectief. Twee werkgevers geven dit aan, waarbij een van de twee oppert om

37

bijvoorbeeld wekelijks of tweewekelijks een overlegmoment in te plannen met de deelnemer, om zo de voortgang te monitoren. De deelnemer ervaart volgens de werkgever dan ook dat er iemand is om op terug te vallen.

“Ik heb niet gehoord dat ze begeleiding heeft gehad. Meer begeleiding was wel gewenst. Ze is wel introvert en neemt weinig initiatief. Ze bleef vaak binnen tijdens de pauze. Het was een vrij ongemakkelijk traject. De verwachtingen zijn uitgesproken maar in de praktijk kwam dat niet tot zijn recht. Het was wel handig als iemand had meegekeken en er een driegesprek had plaatsgevonden.” Ook een deelnemer van de eerste lichting zegt dat de Taalsnelweg in de toekomst meer (en eerder tijdens de stageperiode) jobcoaches zou kunnen inzetten om de deelnemers beter te begeleiden. De deelnemer benoemde daarbij dat hij zelf heeft gemerkt, en ook bij andere deelnemers heeft gezien, dat zij er tijdens fase 2 achter kunnen komen dat het werk minder leuk is dan vooraf gedacht. Daardoor ontstaat twijfel over de loopbaankeuzes voor na de werkervaringsperiode. Ook wordt niet alles begrepen op de werkvloer, zoals bepaalde regels en systemen. Regelmatiger contact met een begeleider zou daarbij goed kunnen helpen, volgens deze deelnemer.

“Als ik meer hulp had gekregen op dat gebied, was het voor mij misschien nu wat duidelijker.” De werkgevers die wij gesproken hebben, hebben zelf geen extra begeleiding geboden aan de deelnemers, behalve het toewijzen van een taalmaatje bij een van de werkgevers. De voornaamste reden die zij daarvoor geven was een te beperkte capaciteit binnen het bedrijf. Overigens zijn er ook hele andere geluiden: een werkgever zegt bijvoorbeeld dat er geen andere begeleiding was dan elke nieuwe medewerker krijgt, maar dat dat ook niet nodig was. Drie deelnemers doorliepen hun stageperiode bovendien zo goed dat zij vervolgens een contract kregen aangeboden. In ieder geval wordt duidelijk dat begeleiding tijdens fase 2 door een deel van de deelnemers en werkgevers zeker gewenst is en dit het werkervaringstraject en verdere loopbaanproces kan ondersteunen. De duidelijk uitgesproken behoefte aan meer begeleiding kan ook deels komen doordat dit deelnemers betrof die pas laat of geen jobcoaching hebben ontvangen: later was dit beter geborgd. Een aanbeveling is dan ook om te borgen dat er begeleiding plaatsvindt, bijvoorbeeld in de vorm van jobcoaching zoals in de plannen van de Taalsnelweg was opgenomen. Daarbij is het belangrijk dat deze op zijn minst start vanaf het moment dat een deelnemer bij een werkervaringsplek begint en voldoende frequent plaatsvindt.

Bij die deelnemers en werkgevers waar de begeleiding minder nodig blijkt kan dit vervolgens afgebouwd worden.

Aanvullende aandachtspunten rondom het werkervaringsproces De betrokken professionals benoemden nog enkele relevante aandachtspunten rondom de periode van werkervaring en de blik op de langere termijn van de deelnemers. De (gezamenlijke) voorbereiding op financiële gevolgen om aan het werk gaan kon beter Tijdens de begeleiding van de jobcoach op de werkvloer bleek er bij een aantal deelnemers een aantal financiële regelingen niet te zijn getroffen. Deze deelnemers waren parttime gaan werken, maar er waren geen wijzigingen aangebracht in hun uitkering. Hierdoor ontvingen zij te veel uitkering en ontstonden er schulden. De deelnemers zijn op dit soort financiële gevolgen en de stappen die zij kunnen ondernemen om dit te voorkomen mogelijk gewezen tijdens Eurowijzer of op andere momenten. Uit deze voorbeelden komt

38

echter naar voren dat niet verwacht kan worden dat de verantwoordelijkheid hiervoor volledig bij de deelnemers gelegd kan worden. In de begeleiding vanuit de sociale dienst moet ondervangen worden dat aanpassingen en regelingen tijdig zijn aangevraagd en verwerkt, zodat deelnemers geen negatieve financiële gevolgen ervaren van aan het werk gaan. Een ander aandachtspunt was dat de reiskosten van de deelnemers door Avres sneller verwerkt konden worden. Deelnemers hebben lang moeten wachten op hun reiskostenvergoeding. Zonder opvolging en nazorg bestaat voor sommige deelnemers het risico op een ‘zwart gat’ De jobcoach merkte op dat het voor sommige deelnemers onduidelijk is hoe de periode na de Taalsnelweg eruitziet en vormgegeven moet worden. De deelnemer staat er op een gegeven moment weer alleen voor en daar zit een risico:

“Het is doodzonde dat een deelnemer 18 weken taal heeft gehad, op stage is geweest en dan vervolgens in een gat valt.” Eén van de deelnemers beaamde dit ook en gaf nadrukkelijk aan dat nu de Taalsnelweg naar Werk was afgerond, hij niks aan het doen is en ook niet weet wat hij kan doen.

“Mijn doel was toen ik naar Nederland kwam om meer contact te krijgen met Nederlandse mensen, om de cultuur meer te begrijpen, de taal te gebruiken en om nieuwe ervaringen te hebben. Dat is niet helemaal gelukt. Ik woon ook in een klein dorp.” Uit dit voorbeeld blijkt dat er zonder opvolging en nazorg een risico bestaat dat de winst die tijdens de Taalsnelweg is opgebouwd weer verloren gaat. Het is de vraag of de verantwoordelijkheid voor nazorg en opvolging specifiek bij de Taalsnelweg naar Werk, of juist bij een van de samenwerkende organisaties of allen tezamen gezocht moet worden. Voor deelnemers ligt het in ieder geval voor de hand dat zij in contact kunnen blijven met personen met wie zij ook tijdens de Taalsnelweg in contact waren en de focus op het toewerken naar of vinden van werk kunnen voortzetten.

39

SAMENWERKING Tijdens de eerste fase van de eerste lichting deelnemers werd al duidelijk dat de Taalsnelweg naar Werk een veelheid aan samenwerkende partijen en personen omvat, waarbij de samenwerking zowel complex als cruciaal is voor een goed verloop van de Taalsnelweg. In het vervolg van de Taalsnelweg bleek dat nog steeds te gelden: de projectgroep en de projectleider hebben daarin een essentiële rol die ook voor de toekomstige uitvoering van de Taalsnelweg van belang lijkt te zijn. Onder uitvoerende professionals is verbetering gemerkt, maar bestaan ook nog verbeterwensen.

Projectgroep en projectleider Zowel de projectgroep als de projectleider leveren een grote bijdrage aan het succes van de pilot. De projectgroep is een belangrijk orgaan om de samenwerking goed te laten verlopen De projectgroep vormt een cruciaal orgaan om de samenwerking goed vorm te geven binnen de Taalsnelweg. De projectgroep kwam, zeker in de eerste negen maanden, met regelmaat samen, besprak samen de voortgang en loste knelpunten op door gezamenlijk aanpassingen door te voeren. In de afstemming met (en de betrokkenheid van) de sociale dienst Avres bleken in deze periode nog verschillende verbeterpunten te liggen. Zo was niet altijd duidelijk wie precies welke taak op welk moment uit zou voeren of bereikte deze informatie niet altijd de uitvoerende professionals. De gevolgen hiervan waren merkbaar voor de deelnemers: een voorbeeld is dat sommige deelnemers nu langere tijd in onzekerheid verkeerden of zij een werkervaringsplek zouden krijgen. Deze en andere verbeterpunten werden actief opgepakt door de projectgroep en dat was merkbaar bij de tweede lichting deelnemers. Het maakt duidelijk dat een goede afstemming en samenwerking tussen de verschillende partijen een zeer belangrijke of zelfs cruciale component is voor succes van de Taalsnelweg, naar alle waarschijnlijkheid ook voor eventuele toekomstige uitvoering.

Sinds de overgang van fase 1 naar fase 2 in maart 2020 hebben er overigens minder frequent projectgroepoverleggen plaatsgevonden. Tot op zekere hoogte was dit ook minder noodzakelijk: veel van de belangrijkste knelpunten waren eerder in de pilot al beslecht en het proces verliep grotendeels goed. Maar dat het proces goed verliep, ook in veranderde omstandigheden door bijvoorbeeld corona, kwam ook doordat de projectleider een steeds nauwere samenwerking met Avres bewerkstelligde, in het bijzonder met een van de accountmanagers, en de lijnen kort gehouden werden. In die samenwerking werden veel punten onderling beslecht. Dat er ook nog steeds verbeterpunten zijn blijkt onder andere uit de constatering van een van de docenten dat beslissingen binnen of rondom de Taalsnelweg soms te lang op zich laten wachten en de beslisboom maar matig efficiënt verloopt. Zo kan het voorkomen dat leidinggevenden en directeuren van verschillende partijen het niet eens zijn met elkaar. Voor de uitvoerende professionals en de deelnemers kan dit frustrerend zijn, volgens de docent. Een voorbeeld is een woordenboek dat nodig was voor het examen: het duurde acht tot negen weken voordat deze vraag in behandeling werd genomen.

De projectleider is een belangrijke spin in het web van de Taalsnelweg De rol van de projectleider is gedurende het hele proces van de Taalsnelweg zeer belangrijk geweest voor een goed verloop van de pilot. De projectleider fungeerde in veel situaties als een sleutelpersoon tussen de organisaties, monitorde het proces, hield de lijnen kort en greep in waar nodig. Dat bleef ook zo gedurende de periode na de tussenevaluatie van de Taalsnelweg, zeggen ook de geïnterviewden van Avres. De projectleider geeft nadrukkelijk aan dat een dergelijke rol belangrijk is voor de uitvoering van de Taalsnelweg, ook in de toekomst: er werken te veel partijen en professionals samen rondom de deelnemers om deze zonder regie en aanjaagfunctie ‘hun gang te laten gaan’. Ook een docent en verschillende deelnemers geven aan dat de projectleider een grote succesfactor is geweest voor het succesvol doorlopen van het traject. Doordat hij als doel had dat 100 procent van

40

de deelnemers aan het werk moet, activeert hij ook iedereen die betrokken is bij dit doel. Verder is de projectleider behulpzaam in het inschakelen van zijn eigen netwerk, is een schakelaar tussen universiteiten en bedrijven en deelnemers, en is actief betrokken bij de ontwikkeling van de deelnemers.

“De projectleider is echt een voorwaarde voor succes. Het concept op zichzelf staand is niet genoeg om succesvol te zijn.” Naar eigen zeggen zou de functie van projectleider overigens nog beter uitgevoerd kunnen worden als deze niet vanuit een van de organisaties was aangesteld. De huidige projectleider was dat wel, namelijk vanuit Vluchtelingenwerk. Dat zorgt er volgens de projectleider voor dat er toch iets minder mandaat is om iedere partij, dus ook de eigen organisatie, verantwoordelijk te stellen voor zijn taken en deze daarop aan te spreken. Het verdient dan ook aanbeveling om ook voor toekomstige uitvoering zowel een project- of stuurgroep rondom de Taalsnelweg naar Werk actief vorm te geven als een aanjaagfunctie in de vorm van (bijvoorbeeld) een projectleider aan te stellen, die blijft fungeren als spin in het web en sleutelpersoon voor alle betrokkenen.

Uitvoerende professionals merken steeds betere samenwerking Onder de uitvoerende professionals van vooral Avres is gemerkt dat de samenwerking steeds beter is geworden en de Taalsnelweg naar Werk (nog) meer prioriteit heeft gekregen. Die prioriteit wordt zowel binnen de eigen organisatie als van buitenaf gemerkt. Zo geeft een van de geïnterviewden aan dat het commitment vanuit de gemeenten duidelijk gevoeld wordt en dat dit positief uitwerkt:

“De druk vanuit de gemeente helpt. Zij willen actie en resultaten zien en daardoor doe je ook beter je best.” Ook geven de geïnterviewden van Avres aan dat er in de Taalsnelweg korte lijnen zijn ontstaan met de Taalsnelweg en er daardoor veel sneller geschakeld kan worden. Wel was dit voornamelijk een korte lijn met de projectleider, niet zozeer met andere betrokkenen. Maar zij wensen ook (nog) meer onderlinge afstemming Juist op dat vlak van onderlinge afstemming liggen bij de uitvoerende professionals nog wel verbeterwensen. Een van de participatiecoaches van Avres geeft bijvoorbeeld aan dat er vooral aan het begin geen direct contact was met de VIP-coaches en de docenten. Daardoor zaten ze niet altijd op een lijn, bijvoorbeeld over of een deelnemer meer richting vervolgopleiding of juist richting werk zou moeten gaan. Een ander nadeel is dat er soms dingen dubbel gedaan werden, door het gebrek aan onderlinge communicatie en afspraken. Er is op dit vlak nog steeds ruimte voor verdere verbetering, maar volgens de participatiecoach is het ook al deels verbeterd. Dat blijkt ook uit een opmerking van een van de VIP-coaches:

“Ik probeer mee te denken in het kader van werkervaring opdoen. Maar het wordt nu wel ingekaderd door Avres, die houden zich daarmee bezig. Ik zag er wel ruimte voor, maar ik heb bewust een stapje terug gezet. Ik heb dit ook aangegeven bij Vluchtelingenwerk, met de vraag of ik me hierin moet terugtrekken, en dat werd door hen wel gedeeld. Anders komt er ook zoveel op de deelnemers af.” Toch is er vooral bij de VIP-coaches nog steeds een duidelijke wens voor meer afstemming en contact met de coaches van Avres. Zij zien meerwaarde in het ‘meekijken in elkaars keuken’ en dat dit kan zorgen voor een andere manier van kijken, meer onderlinge verbondenheid en meer inzichten over de betreffende deelnemer over waar hij of zij staat in het proces. 41

“Ik mis het gesprek met Avres. Dat vind ik jammer, je weet niet met wie ze contact hebben en waar je deelnemer staat in het proces.” Ook vindt een van de VIP-coaches dat er een betere onderlinge communicatie moet zijn over de mate van regie bij de deelnemers zelf. Nu heeft deze VIP-coach het gevoel, op basis van wat ze van de deelnemers te horen krijgt, dat er soms te veel vanuit de belangen van de organisaties gehandeld wordt en er daarbij te veel voor de deelnemers bepaald wordt. Ook de samenwerking met de deelnemers zelf vormt dus nog een aandachtspunt:

“Een van de deelnemers vertelde dat hij zich soms een voetbal voelde, waar iedereen een beetje tegenaan trapt, dan weer die richting op en dan weer een andere richting.”

42

STARTKLAAR VOOR DE NEDERLANDSE ARBEIDSMARKT? Is de Taalsnelweg naar Werk een effectieve methode om statushouders sneller naar werk te leiden dan binnen de reguliere aanpak? Deze vraag hebben wij ook aan alle geïnterviewden voorgelegd. In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan de antwoorden die zij hebben gegeven. Dat doen aan de hand van interviewfragmenten. Vervolgens verbinden we hun visie en door hen gesignaleerde succesfactoren aan brede bevindingen uit het onderzoek in een samenvattende conclusie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10175544/1