VNG gids corona, cultuur en gemeenten
Tekst van het document
Corona, cultuur en gemeenten Informatiegids over gemeentelijke coronasteun aan de lokale culturele infrastructuur
Corona, cultuur en gemeenten Informatiegids over gemeentelijke coronasteun aan de lokale culturele infrastructuur
Cor Wijn en Bastiaan Vinkenburg, Berenschot Met medewerking van Lydia Jongmans In opdracht van de VNG Eerste druk, februari 2021
Relevant voor elke gemeente, want élke gemeente ontvangt van het Rijk budget om tijdens de coronacrisis de cultuursector te ondersteunen.
Inhoud 1.
Inleiding
4
2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld Taakverdeling tussen de overheden Groot gemeentelijk aandeel in cultuurfinanciering Vitale infrastructuur op lokale schaal Cyclus met onmisbare schakels De kostenstructuur van culturele instellingen De verschillende inkomsten van culturele instellingen Werkgelegenheid: werknemers in loondienst en zelfstandigen
6 6 7 7 8 9 11 13
3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen Problematiek door de coronacrisis Grote financiële impact in 2020 en 2021 Generieke steunmaatregelen van het Rijk Eerste steunpakket van het Rijk voor de cultuursector: € 300 miljoen Rijkssteun aan gemeenten in 2020: € 168 miljoen Meer steun van het Rijk voor de cultuursector: € 522 miljoen Rijkssteun aan gemeenten 1e helft 2021: € 210 miljoen Steunpakket sociaal en mentaal welzijn en leefstijl
15 15 16 17 18 19 20 20 21
4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen Coronasteun aan huurders Coulancemaatregelen Overbruggingssteun Steun voor het maken van een (door)start Steun voor innovaties Steun aan amateurkunstverenigingen Coronasteun via een lokaal fonds De wettelijke grondslag voor steunmaatregelen
22 22 23 23 24 25 25 26 26
4.9 4.10 4.11 4.12
Coronasteun en Europese staatssteunregels Verantwoording van coronasteun De gemeente als informatiebron en verbinder Voorbeelden van provinciale steun voor lokale cultuur
26 27 28 28
5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s Langcyclische processen vergroten de nood Corona en de betekenis van het culturele leven Risicoanalyse per deelsector Randvoorwaarden voor een herstart Fieldlabs Scenarioverkenning voor perspectief na de coronacrisis Perspectief creëren
30 30 30 31 32 32 33 36
6. 6.1
Met de sector in gesprek Zicht op de vraagstukken en de risico’s voor de culturele infrastructuur Interactieve besluitvorming en het samen inslaan van nieuwe wegen Werkgelegenheid behouden en makersklimaat stimuleren Actieve cultuurdeelname in en buiten verenigingsverband Evenementen en festivals De wijze van organiseren en de gemeentelijke doorstart
38
6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Bijlage 1. Ringenmodel gemeentelijke culturele infrastructuur Bijlage 2. Nadere uitleg over coronasteun en Europese staatssteunregels
39 39 40 40 41 41 43 44
Corona, cultuur en gemeenten
3
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
1. Inleiding Cultuur: de zorg van gemeenten Deze gids, geschreven in opdracht van de VNG, biedt hulp aan gemeenten bij het vormgeven van steun aan de cultuursector. De coronacrisis heeft het culturele leven immers hard getroffen. Gemeenten ervaren de grote zorgen van de culturele instellingen en de mensen die in de sector actief zijn. Ook de burgers, zowel bezoekers als beoefenaars, zijn getroffen. De band tussen culturele instellingen en gemeenten is hecht en substantieel: 60% van de totale overheidssteun voor cultuur loopt via de gemeenten. De overheid heeft een grondwettelijke plicht met betrekking tot ons culturele leven. Op die verantwoordelijkheid wordt in deze tijd een beroep gedaan. In artikel 22 lid 3 van de Grondwet staat het als volgt: ‘de overheid schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.’ Die verantwoordelijkheid voor culturele ontplooiing is onder meer uitgewerkt in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Deze gids laat zien hoe gemeenten noodsteun voor de cultuursector effectief kunnen inzetten. Elke gemeente ontvangt daarvoor van het Rijk extra middelen: in 2020 was dit
€120
miljoen
van 2021 is er miljoen
algemene steun en
€60
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld In het tweede hoofdstuk beschrijven wij hoe de cultuursector in elkaar zit, welke kosten worden gemaakt, welke financiering daar normaal gesproken tegenover staat en hoe de werkgelegenheid in de sector is. We geven daarbij aan welke kenmerken veroorzaken dat de cultuursector extra gevoelig is voor de coronacrisis.
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
en voor de eerste helft
€150
Deze gids kent na deze inleiding vijf inhoudelijke hoofdstukken:
In hoofdstuk 3 beschrijven wij vanuit de specifieke problematiek van de cultuursector welke steun er beschikbaar is gesteld vanuit het Rijk en van provincies, en voorbeelden van steun door gemeenten. Een belangrijk punt hierbij is de besteding van de rijksmiddelen die gemeenten hebben ontvangen voor coronasteun aan de cultuursector, te weten € 120 miljoen in 2020 algemene steun plus € 48,5 miljoen voor lokale instellingen van landelijke betekenis en € 150 miljoen algemene steun plus € 60 miljoen voor inkomstenderving voor de eerste helft van 2021.
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen miljoen
ter dekking van inkomstenderving.
In de afgelopen maanden hebben veel gemeenten al ervaring opgedaan met het verlenen van noodsteun. Gemeenten benaderen het vraagstuk enerzijds in de rol van eigenaar van culturele gebouwen en anderzijds als verantwoordelijke voor de culturele infrastructuur. In hoofdstuk 4 komen
Corona, cultuur en gemeenten
4
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
voorbeelden aan bod van steunmaatregelen door grote en kleinere gemeenten. We roepen gemeenten op om goede voorbeelden van lokale steunmaatregelen te delen via de VNG-database met praktijkvoorbeelden.
5. Perspectief voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s Het vijfde hoofdstuk van deze gids betreft het ontwikkelen van perspectief voor de cultuursector voor de komende periode. We schetsen perspectieven aan de hand van scenario’s en met behulp van de instrumenten die nu in ontwikkeling zijn. Daar maken Fieldlabs ook onderdeel van uit.
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
In 2020 was via drie
Link naar VNGdatabase met voorbeelden. Nb: deze is alleen toegankelijk voor gemeentelijke medewerkers.
rijkscultuurfondsen
€48,5
miljoen
te cofinancieren coronasteun beschikbaar voor lokale (pop)podia, musea en filmtheaters van
6. Met de sector in gesprek Noodgedwongen is veel communicatie in de afgelopen periode teruggebracht tot het functioneel uitwisselen van informatie. Als de crisis ten einde komt zal er een grote behoefte blijken te zijn aan reflectie, duiding en het maken van plannen. Om het gesprek tussen de gemeente en het culturele veld te faciliteren, geven we tot slot een overzicht van gespreksonderwerpen die in de komende periode van belang kunnen zijn. Wij adviseren gemeenten om uit deze thema’s een selectie te maken en een lokale gespreksagenda op te stellen.
landelijke betekenis.
Deze gids is digitaal gepubliceerd om deze zo nodig te kunnen actualiseren en om directe links naar bronnen te geven.
Corona, cultuur en gemeenten
5
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld De wijze waarop de cultuursector is gestructureerd en gefinancierd zorgt ervoor dat er een breed palet aan steunmaatregelen nodig is. De cultuursector bestaat uit een fijnmazig netwerk van culturele instellingen en makers/kunstenaars die alle hun eigen kenmerken hebben, zowel wat betreft kostenstructuur als wat betreft inkomsten die worden verkregen. Het gaat om professionals en vrijwilligers/amateurs. De grote diversiteit aan soorten instellingen, makers/kunstenaars en financiering maakt dat noodsteun het nodige maatwerk vergt. In dit hoofdstuk bespreken we de beleids- en bedrijfsmatige kenmerken van de sector, in het volgende hoofdstuk de noodmaatregelen.
2.1 Taakverdeling tussen de overheden Om te kunnen bepalen welke overheidslaag primair aan zet is om bepaalde problemen of knelpunten op te lossen is het belangrijk om inzicht te hebben in de verantwoordelijkheid voor beleid én
Deze gids hanteert als afbakening van de cultuursector de volgende deelsectoren: • Podiumkunsten (muziek, theater, dans en andere vormen) • Film en audiovisueel • Letteren en bibliotheken • Beeldende kunst • Musea • Cultuureducatie en cultuurparticipatie/amateurkunst • Roerend erfgoed en archieven De (onder- en bovengrondse) monumentenzorg, de media (waaronder pers, uitgeverijen en radio/tv/internet) en de creatieve dienstverlening (architectuur, design en mode) vallen buiten het bestek van deze gids.
financiering van de cultuursector. Tussen de overheden is sprake van een zekere taakverdeling. Die taakverdeling is enerzijds gebaseerd op een aantal wetten (de Erfgoedwet, de Archiefwet, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en de Mediawet) en anderzijds op ongeschreven regels en afspraken die zijn vastgelegd in het Algemeen Kader Interbestuurlijke Verhoudingen Cultuur tussen OCW, IPO en VNG. De verdeling ziet er in grote lijnen als volgt uit: • Het Rijk ondersteunt festivals en instellingen van (inter)nationale betekenis (zoals musea, orkesten en toneel-, opera- en dansgezelschappen) via de landelijke basisinfrastructuur (BIS) cultuur en de cultuurfondsen. Het Rijk heeft verder verantwoordelijkheid voor het behoud van de rijkscollectie, instandhouding van rijksmonumenten, cultuureducatie, het bibliotheekstelsel en archiefvoorzieningen. De rijkscultuurfondsen bekostigen voorts experimenten, stimuleringsprogramma’s, bijzondere lokale programmering en talentvolle makers/kunstenaars. • Provincies zijn verantwoordelijk voor bovengemeentelijke coördinatie op regionaal niveau en de financiering van provinciale collecties. In sommige gevallen ondersteunen provincies ook het cultuuraanbod. • Gemeenten zijn verantwoordelijk voor accommodaties van culturele instellingen en voor de financiering van het beheer van gemeentelijke collecties.
Zij subsidiëren lokaal aanbod, podia, bibliotheken, cultuur op school/muziekscholen/
Corona, cultuur en gemeenten
Link naar Algemeen Kader Interbestuurlijke Verhoudingen Cultuur tussen OCW, IPO en VNG.
6
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
kunstencentra, festivals en financieren het beheer van gemeentelijke en lokale musea. Voorts stimuleren gemeenten cultuurparticipatie en amateurkunst. In de beeldende kunst is er een gezamenlijke verantwoordelijkheid met het Rijk.
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
Gemeentelijke bijdragen jaarrekening cultuur 2019
2.2 Groot gemeentelijk aandeel in cultuurfinanciering Link naar CBS-gegevens: Cultuurlasten van provincies en gemeenten (2019).
De verdeling van de overheidsuitgaven aan cultuur wordt door het CBS bijgehouden. De laatst bekende detailcijfers over de uitgaven aan cultuur door gemeenten en provincies zijn over het jaar 2019. Van de totale overheidsuitgaven aan kunst en cultuur komt 60% van de gemeenten. Gemeenten droegen € 1.921 miljoen bij aan cultuur, de provincies € 348 miljoen, waarvan een deel tijdelijk extra monumentengeld is vanuit rijksbijdrage.
125 schouwburgen, 150 podia, 60 poppodia, gezelschappen, e.a.
84 presentatieinstellingen, ateliers, kunst in openbare ruimte e.a.
500 81 miljoen
De lijst van gemeentelijke bestedingen zoals hiernaast weergegeven kan nog worden uitgebreid met cultuurhuizen, multifunctionele centra en onroerend erfgoed. Ook is niet exact bekend welke cultuurelementen een plek hebben in andere onderdelen van de gemeentebegrotingen, zoals onderwijs, welzijn/zorg en openbare ruimte.
2.3 Vitale infrastructuur op lokale schaal Link naar boek Gemeentelijk cultuurbeleid – een handleiding (2003) van Cor Wijn.
De culturele infrastructuur van gemeenten is afhankelijk van meerdere factoren (zie de handleiding Gemeentelijk cultuurbeleid van Cor Wijn). Er is een duidelijk verband tussen de grootte van een gemeente (inwonertal) en de aard en omvang van de culturele infrastructuur. Eenvoudig gezegd: in kleinere gemeenten (tot circa 30.000 inwoners) is de culturele infrastructuur bijna overal hetzelfde. Middelgrote gemeenten (van circa 30.000 tot 100.000 inwoners) laten een grote diversiteit aan voorzieningen zien. En de 100.000plus gemeenten hebben allemaal een breed en divers cultureel aanbod dat alle deelsectoren omvat. In bijlage 1 is het ringenmodel voor de gemeentelijke culturele infrastructuur weergegeven. In een publicatie van de Erasmus Universiteit (2003) werd het begrip culturele infrastructuur omschreven als: ‘het geheel van makers en bemiddelaars die culturele uitingen voortbrengen, presenteren, openbaar maken, verspreiden, faciliteren en dergelijke, inclusief de accommodaties en media die het publiek in staat stellen kennis te nemen van die uitingen’.
Film en video*
Beeldende kunst en vormgeving*
Podiumkunsten*
Bibliotheken
160 regionale bibliotheken met 1.200 vestigingen e.a
Professioneel en amateur Instellingen, makers/kunstenaars en festivals, 106 filmhuizen
19
miljoen
miljoen
Musea
Kunst- en cultuureducatie
215 musea e.a.
149 kunstcentra, muziekscholen, volksuniversiteiten e.a.
422 238 203 miljoen
miljoen
Historische archieven
Lokale omroep/pers
355 gemeenten met plaatselijke of regionale organisaties
Amateurkunst
74
32
miljoen
miljoen
10.000 amateurverenigingen
*Deel hiervan valt onder amateurkunst
miljoen
(Onroerend) erfgoed Overige multifunctionele centra/ cultuurhuizen
Bron: CBS
Corona, cultuur en gemeenten
7
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
Belangrijk voor de sector in tijd van crisis is dat de gemeenten oog hebben voor wat de vitale onderdelen van hun infrastructuur zijn. Hoewel dit in kleine gemeenten vanzelfsprekend iets anders is dan in grote, is het belangrijk dat gemeenten hierover nadenken. Kenmerkend voor deze vitale onderdelen is dat als bepaalde elementen verloren gaan, het soms jaren werk en veel inspanning kan kosten om weer een gelijksoortige voorziening terug te krijgen, en de kans is groot dat het nooit meer op het gewenste niveau terugkomt. Er zijn verschillende invalshoeken denkbaar bij het bepalen van wat de vitale onderdelen van een lokale culturele infrastructuur zijn.
Voorzieningen: sommige gemeenten hebben in het kader van de coronacrisis een omschrijving gemaakt van wat voor hen vitaal is. Het woord (kern) voorziening staat daarbij vaak centraal. Zo heeft de gemeente Utrecht in juli 2020 een zogeheten Afwegingskader essentiële voorzieningen opgesteld waarin werd vastgelegd dat de noodmaatregelen zich richtten op: (a) instellingen waar een subsidierelatie mee bestaat op grond van het eigen cultuurbeleid, (b) een beperkt aantal essentiële voorzieningen (zonder winstoogmerk) waarmee geen subsidierelatie bestaat maar die de gemeente wel wil behouden en (c) beschermde monumenten met een bijzonder economisch of toeristisch belang dan wel met sociaal-maatschappelijke betekenis,
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
waarbij die monumenten moeten zijn opengesteld en niet primair een commerciële functie mogen hebben. Ecosysteem: een term die de laatste tijd in zwang raakt is ‘cultureel ecosysteem.’ Het woord ecosysteem is in dit verband een analogie met een natuurlijk geheel dat in een zeker evenwicht verkeert: levende onderdelen (dieren en planten) en nietlevende onderdelen (lucht, water en bodem) zorgen ervoor dat stromen en kringlopen in gang worden gehouden. Deze analogie illustreert dat op lokaal niveau de vele soorten van culturele activiteiten en voorzieningen in elkaar grijpen en van elkaar afhankelijk zijn.
Basisinfrastructuur: in het landelijk cultuurbeleid wordt onder basisinfrastructuur verstaan: culturele instellingen met een specifieke functie in het nationale cultuurbestel of instellingen die een kernfunctie vervullen in de stedelijke of regionale infrastructuur. Vertaald naar de gemeentelijke situatie zou de definitie van lokale basisinfrastructuur kunnen luiden: de instellingen die binnen het culturele leven van de stad een structurele en bijzondere functie vervullen. NB: dit staat dan in beginsel los van de subsidierelatie die de gemeente met instellingen heeft. De grote instellingen: gemeenten hebben vaak - naar analogie met de landelijke basisinfrastructuur (BIS) - een eigen lokale ‘harde kern’ van culturele instellingen bepaald: de organisaties waarmee langjarig een structurele subsidierelatie wordt onderhouden. Meestal heeft dit betrekking op enkele grote gesubsidieerde instellingen.
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
Er zijn verschillende invalshoeken om te bepalen wat de vitale onderdelen van een lokale culturele infrastructuur zijn.
2.4 Cyclus met onmisbare schakels Hiervoor beschreven we wat een lokale culturele infrastructuur is. Hoe deze in de praktijk functioneert, kan goed worden begrepen via het concept van de creatieve cyclus. Dit is een eenvoudig analysemodel dat snel duidelijk maakt waar een gemeente sterk in staat en waar hiaten zijn. Het concept is gebaseerd op het gegeven dat de manier waarop mensen deelnemen aan cultuur een aantal vaste stappen kent: eerst moeten er vaardigheden worden geleerd, vervolgens moeten deze worden aangewend om een creatief product te maken, daarna kan het product aan een publiek worden gepresenteerd en als er veel draagvlak voor deze kunstuiting is, zal deze
Corona, cultuur en gemeenten
8
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
1. Inleiding
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
wortelen in de samenleving en de basis vormen voor het ontstaan van weer nieuwe creatieve uitingen. Deze cyclus in de cultuurdeelname vergt bepaalde culturele voorzieningen. Die voorzieningen vormen samen de culturele infrastructuur van een gemeente en kunnen worden opgevat als een cyclus, met schakels die een ronde keten vormen: • Het leren gebeurt in het reguliere onderwijs, bij muziekscholen/kunstencentra en in amateurkunstverband. • Het produceren van kunst vindt plaats in werk- en oefenruimten, zowel voor amateurs als voor professionals. • Het presenteren van kunstuitingen voltrekt zich op podia en festivals, in galeries, bibliotheken, artotheken, musea en zelfs de openbare ruimte. • Het interesseren voor kunst gebeurt via allerlei intermediaire acties voor en door culturele instellingen: denk aan draagvlakvorming, marketing, sponsoring, mecenaat.
leren
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
Als er sprake is van aantasting van de creatieve keten op kritische punten, dan kan het gemeentebestuur onderzoeken of er interventies nodig zijn.
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
Essentieel voor het concept van de creatieve cyclus is het inzicht dat de schakels van de lokale keten in elkaar grijpen en elkaar versterken en dat het omgekeerd zo is dat een zwakke schakel de kracht van de hele keten aantast. Het model van de creatieve keten helpt bij het maken van keuzes in lokaal cultuurbeleid. Een aantal benaderingen is hierbij mogelijk. Eén is dat eenvoudigweg voor iedere schakel in beeld wordt gebracht wat er op dat gebied aan instellingen en initiatieven zijn en waar bijvoorbeeld de coronacrisis zorgt voor verzwakking of verlies. Als er sprake is van aantasting van de keten op kritische punten, dan kan het gemeentebestuur er over nadenken of er interventies nodig zijn. En als de benadering wordt toegepast in een periode van wederopbouw of van rust en continuïteit dan kan zij worden gebruikt om binnen en tussen werkvelden (podiumkunsten, beeldende kunst, film, erfgoed, amateurkunst, kunsteducatie, media en letteren) te bekijken hoe de cyclus geoptimaliseerd kan worden.
2.5 De kostenstructuur van culturele instellingen
interesseren
produceren
presenteren
Om te begrijpen waarvoor de culturele instellingen subsidie nodig hebben en dus ook steun tijdens de coronacrisis, is het goed om inzicht te hebben in de structuur van hun kosten/uitgaven en baten/inkomsten. Beide zijn divers en bijna álle soorten kosten en inkomsten worden door de crisis beïnvloed. Het gevolg hiervan is dat iedere culturele instelling er anders voor staat. En dat dus ook
Corona, cultuur en gemeenten
9
1. Inleiding
Link publicatie Cultureel Ondernemen, nieuw rendement voor gemeenten en instellingen van VNG en CultuurOndernemen uit 2015.
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
voor iedere instelling andere ingrepen nodig zijn om de crisis te doorstaan. Culturele instellingen kennen diverse lasten die vaak niet volledig kunnen worden gedekt met zelf verworven inkomsten. Navolgend gaan we kort in op de voornaamste kostenposten. Vervolgens beschrijven we andere manieren om kosten in te delen. Voor meer informatie verwijzen we naar een publicatie van VNG en Cultuur-Ondernemen uit 2015: Cultureel Ondernemen, nieuw rendement voor gemeenten en instellingen.
konden hierdoor relatief gemakkelijk afschalen. Dit voordeel is vanuit het perspectief van de werkenden een nadeel: veel freelancers zijn tijdens de crisis thuis komen te zitten (zie ook § 2.6). De personeelskosten bedragen bij de podia ongeveer 30% van de uitgaven, bij de musea/bibliotheken 45-50% en bij de centra voor de kunsten/muziekscholen 70% .
Culturele instellingen hebben te maken met vier grote kostenposten. We lichten deze beknopt toe.
c. Kosten voor bedrijfsvoering en beheer Elke professionele organisatie maakt algemene kosten voor de bedrijfsvoering en het beheer van de organisatie. Hieronder vallen bestuurskosten, accountantskosten, porti- en telefoonkosten en ICT-lasten. Voor culturele instellingen, die vaak sober georganiseerd moeten zijn, zijn deze kosten meestal beperkt.
a. Kosten voor activiteiten en de marketing daarvan Het culturele aanbod aan activiteiten, de output, vormt de kern van culturele instellingen. De kostenpost Activiteiten en marketing omvat alle directe uitgaven aan het cultuuraanbod, zoals kosten voor materialen, instrumenten, decors, maar ook voor de promotie van de activiteiten. Meestal zijn deze kosten relatief laag ten opzichte van de andere kosten die culturele instellingen hebben. De aan de activiteiten gerelateerde personeelskosten bijvoorbeeld zijn vaak veel hoger dan de directe uitgaven voor activiteiten. Voor één deelsector, namelijk de podia, geldt dat een groot deel van de kosten weer de inkomstenbron vormt van de cultuurproducenten: theaters, poppodia en concertzalen hebben forse kosten aan de inkoop van de culturele programmering in de vorm van uitkoopsommen, partage-regelingen en andere vormen van vergoedingen aan de optredende artiesten en musici. b. Personeelskosten Personeelskosten vormen meestal de grootste kostenpost voor culturele instellingen, ook al zijn de salarissen relatief laag, zeker gezien het vaak hoge opleidingsniveau van artistieke medewerkers. Ook de topsalarissen in de sector zijn relatief laag en blijven op een enkele uitzondering na onder de WNT-norm (Wet normering van topinkomens, ook wel Balkenende-norm genoemd).
De maatschappelijke trend van flexibilisering van arbeidsvoorwaarden is in de cultuursector zeer sterk zichtbaar: de vaste kern is bij veel instellingen kleiner geworden, de flexibele schil is fors gegroeid. Tijdens de coronacrisis bleek dit voor de culturele instellingen een voordeel: vele
Om de lijst van bedrijfsvoeringskosten compleet te maken, moeten we hier ook de financiële lasten noemen als kostensoort. In strikte zin betreffen het rentelasten en kapitaalslasten. Verder kunnen we afschrijvingen en buitengewone lasten als gevolg van (verander)processen hieronder rekenen. d. Kosten voor huisvesting Huisvesting is voor veel culturele instellingen een grote kostenpost. Musea, podia, bibliotheken en centra voor de kunsten zijn vaak gevestigd op centrale plaatsen. Vaak betreffen het monumentale panden, maar regelmatig ook relatieve nieuwbouw met een specifiek culturele bestemming of multifunctionele gebouwen. Deze huisvesting is belangrijk voor het goed uitvoeren van de publieke functie, voor de uitstraling en marketing. Maar de keuze hiervoor heeft grote financiële gevolgen. Bovendien zijn de kosten weinig beïnvloedbaar. Voor culturele instellingen is de huur in veel gevallen een grote kostenpost. En de huisvestingslasten
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
Om te begrijpen waarvoor de culturele instellingen steun nodig hebben tijdens de coronacrisis, is het goed om inzicht te hebben in de structuur van hun kosten en inkomsten. Beide zijn divers en bijna álle soorten kosten en inkomsten worden door de crisis beïnvloed. Het gevolg hiervan is dat iedere culturele instelling er anders voor staat.
De personeelskosten bedragen bij de podia ongeveer
30%
van de uitgaven, bij de musea en bibliotheken
45-50%
en bij de centra voor de kunsten/ muziekscholen
70%
.
Corona, cultuur en gemeenten
10
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
omvatten meer dan huur- en kapitaalslasten. De culturele instelling moet ook de lasten dragen van gas, water en licht, schoonmaak, beveiliging, klein onderhoud en dergelijke. De volgende figuur laat zien wat het aandeel is van de huisvestingslasten in de totale exploitatiekosten van culturele instellingen. De figuur laat zien waarom het tijdens de coronacrisis van belang is om huursteun (opschorten of kwijtschelden) te geven.
Huisvestingskosten in % van de totale exploitatiekosten Schouwburgen en concertzalen
30%
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
2.6 De verschillende inkomsten van culturele instellingen De financiering van de gesubsidieerde cultuursector bestond de afgelopen jaren over de gehele linie voor bijna twee derde uit bijdragen van overheden. Eén derde wordt dus door de culturele instellingen zelf verdiend en deze inkomsten worden onder de verzamelnaam eigen inkomsten geschaard. In het kader van (het nadenken) over de impact van de coronacrisis en de mate waarin steunmaatregelen uitkomst , is het nuttig om de verscheidenheid aan inkomsten duidelijk voor ogen te houden.
Verhouding inkomstenbronnen per type instelling
Musea
25%
Subsidies
Publieksinkomsten
Overig eigen
Private bijdragen
Bibliotheken
23%
81% Bibliotheken
68% (semi-)professionele gezelschappen
64% Centra voor kunsten
Poppodia
15%
29% 63% Musea
42% Theaters/ Concertzalen
Poppodia
Bron: CBS plus Berenschot Benchmark
Corona, cultuur en gemeenten
11
1. Inleiding
Link naar achtergrondartikel over ‘dynamic pricing’.
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Net zoals de kosten van culturele instellingen heel divers zijn, zijn ook de soorten inkomsten heel verschillend. Hierna delen we de baten in vier hoofdgroepen in: subsidies, entreegelden, overige eigen inkomsten en vormen van private begunstiging.
lidmaatschappen; deze bijdragen worden vaak wel voortgezet, bijvoorbeeld om een vereniging door de moeilijke tijd heen te helpen of omdat de dienstverlening (denk aan de openbare bibliotheek) op aangepaste wijze wordt gecontinueerd.
a. Subsidies Binnen de cultuursector bevinden zich gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde instellingen. Het ongesubsidieerde deel van de sector weet normaal gesproken voldoende inkomsten te genereren om zonder structurele overheidssubsidie te bestaan. Het kan hier gaan om individuele kunstenaars of kleine instellingen die geen beroep doen op subsidie omdat zij dit niet hoeven, omdat ze voldoende alternatieve inkomsten hebben, niet willen, omdat ze onafhankelijk willen zijn, of niet kunnen, omdat ze niet voldoen aan de criteria. Soms betreft het (wat) grotere culturele instellingen met een commerciële inslag, zoals theaters of vrije producenten. Hier is vaak een overlap met de entertainmentindustrie, en de grenzen zijn niet scherp afgebakend. Nagenoeg alle overheden in Nederland hebben tijdens de coronacrisis hun subsidies gecontinueerd. Hierdoor is het vooral het ongesubsidieerde deel van de sector dat door corona financieel in de problemen is gekomen.
c. Overige eigen inkomsten De overige eigen inkomsten naast entreegelden bestaan uit inkomsten waar prestaties tegenover staan. Veel van deze prestaties bleken in de coronaperiode niet meer te leveren, waardoor deze inkomsten in volume fors zijn teruggezakt: • Overige inkomsten uit publiek. Horeca is onder normale omstandigheden een behoorlijk goede bron van inkomsten waarop in principe ook een goede marge te behalen valt. Tijdens de coronacrisis zijn veel horecapartners in de problemen gekomen: als de culturele activiteiten weer worden opgestart moet hiermee rekening worden gehouden. • Commerciële inkomsten. Culturele instellingen kunnen hun assets, dus de mensen, middelen, faciliteiten en huisvesting te gelde maken door deze niet alleen ten behoeve van het eigen culturele aanbod in te zetten, maar ook als commerciële diensten aan te bieden (denk aan verhuur van ruimten). • Sponsoring wordt soms wel genoemd als een alternatief voor subsidies, maar het is dat niet (althans niet in Nederland, wel in de Verenigde Staten waar een heel andere cultuur bestaat wat betreft het financieren van ‘merit goods’). Er zijn ook in ons land goede voorbeelden van mooie sponsorovereenkomsten bekend, maar vooral van bekende (inter)nationaal opererende kunstinstellingen. De Code Cultuursponsoring is een instrument om te gebruiken in de relatie tussen instelling en sponsor.
De gemeente kan in de subsidievoorwaarden opnemen dat een instelling deze Code moet toepassen.
b. Entreegelden, contributies et cetera Bij de professionele gesubsidieerde cultuursector bestaat de helft van de eigen inkomsten uit entreegelden of andere direct aan het culturele product gerelateerde publieksinkomsten, zoals lidmaatschappen en contributies. Er zijn in principe twee instrumenten om de inkomsten uit entreegelden en contributies te verhogen: meer kaarten/lidmaatschappen verkopen en de prijs verhogen. Het verkopen van meer kaarten vereist marketing, communicatie en sales. Het verhogen van de prijs bevat een paar aspecten: prijselasticiteit, prijsdifferentiatie en prijsdiscriminatie en meerprijs voor exclusiviteit. Het zoeken naar het maximaliseren van het resultaat van een culturele inspanning, zowel wat betreft financiële opbrengst als wat betreft de kwantiteit en de diversiteit van het bereikte publiek, wordt wel ‘dynamic pricing’ genoemd. In de sector wordt daarmee steeds meer geëxperimenteerd. In de coronaperiode waren er minder, beperkt toegankelijke, of tijdelijk zelfs geen producties. De kosten vielen ten dele weg, maar de entreegelden vaak geheel. Dit geldt niet in dezelfde mate voor contributies en
Bijlagen
Link naar Code Cultuursponsoring.
d. Private bronnen Inkomsten waar geen (directe) tegenprestatie tegenover hoeft te staan, zijn er eveneens in diverse soorten en maten. Bij bijdragen uit mecenaat, van donateurs of vrienden, uit private fondsen of loterijen is de essentie dat het geld door de verstrekkers wordt weggegeven. In de cultuursector zien we private begunstiging als de derde geldstroom naast subsidies en eigen
Corona, cultuur en gemeenten
12
1. Inleiding
Link longitudinaal onderzoek filantropie: ‘Geven in Nederland 2020 ‘ met laatste cijfers over geven door huishoudens, bedrijven, fondsen, kansspelen en nalatenschappen.
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
inkomsten. De gever kan naast een huishouden ook een stichting of fonds zijn. In totaal ging het in 2018 landelijk om € 439 miljoen aan giften voor cultuur, waarvan echter slechts een zeer beperkt deel bij lokale instellingen terecht kwam. In de coronaperiode hebben veel private actoren zich royaal betoond jegens de cultuursector. De sector was hier dankbaar voor, niet zozeer vanwege de financiële betekenis (die ten opzichte van de geleden schade beperkt was), maar vanwege de symbolische waarde die het had.
2.7 Werkgelegenheid: werknemers in loondienst en zelfstandigen De structuur van de arbeidsmarkt van de cultuursector maakt dat de coronacrisis de sector in zijn hart treft, namelijk bij de werkenden, in loondienst, maar vooral bij de zelfstandigen, zzp’ers en freelancers. Het aantal banen (zonder zelfstandigen) in de culturele en creatieve sector ontwikkelde zich de laatste jaren anders dan in de gehele economie. Terwijl in de periode 2010 tot en met 2016 het aantal banen in de gehele economie groeide met 2,1%, daalde het arbeidsvolume in de culturele en creatieve sector met 11,5%. In de kunsten en erfgoed nam het aantal banen minder sterk af dan in de totale sector (8,5%). In de media en entertainment was de afname met 13,3% het sterkst. De sterkste daling vond plaats in de periode na de bankencrisis, tussen 2010 en 2013. In de jaren daarna stabiliseerde het aantal banen. Uitzondering hierop is de subsector media en entertainment. Gelijktijdig met het afnemen van het aantal banen groeide wel het aantal zelfstandigen in onze economie, zowel over de gehele linie (met 17,3%) als in de culturele en creatieve sector: met 27,7%. Het aantal banen in de sector bedroeg volgens het CBS in 2017 148.000 personen/116.000 fte.
Link Fair Practice Code culturele en creatieve sector 2017.
Van oudsher is het aantal zelfstandigen onder kunstenaars en in creatieve beroepen relatief groot. Uit CBS-onderzoek in 2017 bleek dat in 2014 16% van de Nederlandse werkende bevolking zelfstandige was in de eerste werkkring (de werkkring waarin de meeste uren worden gewerkt). In de tweede werkkring was dit 39%. Onder kunstenaars was 62% zelfstandige in de eerste werkkring en 53% in de tweede werkkring. Vooral de beoefenaars van een beeldend beroep doen dat vaak als zelfstandige. Onder de overige creatieve beroepen lagen deze percentages op 34% zelfstandigen (eerste werkkring)
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
Ontwikkeling aantal banen (VTE)
in de totale economie en in de culturele en creatieve sector, 2010-2016 105 100 95 90 85 80
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
Totaal economie
Kunsten en erfgoed Creatieve zakelijke dienstverlening
Totaal culturele en creatieve sector
Media en entertainment
Rijksgesubsidieerde instellingen
(indexcijfers 2010=100)
en 52% zelfstandigen (tweede werkkring). Naar schatting telde de culturele en creatieve sector volgens het CBS in 2017 ruim 128.000 zelfstandigen: 84.000 zzp-ers en 44.000 freelancers. Anno 2020 wordt door het Rijk gesproken over 100.000 personen. Al voor de coronacrisis lag het inkomen van zzp-ers in de culturele en creatieve sector beduidend lager dan in andere sectoren. Dit is één van de redenen waarom de sector in 2017 als instrument van zelfregulering de zogeheten Fair Practice Code afsprak. De code is een poging om tot een toekomstbestendige arbeidsmarkt en beroepspraktijk te komen wat betreft de kunst, cultuur en creatieve industrie. Het is een paraplu voor nadere regelingen en
Corona, cultuur en gemeenten
Link CBSgegevens van 11 januari 2021 over de omzet en de inkomenspositie van zzp-ers in de culturele sector.
13
1. Inleiding
2. Kenmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
richtlijnen ter verbetering van het verdienvermogen en ontwikkelingsperspectieven bij werkenden. In de volgende tabel is te zien hoeveel lager het gemiddelde inkomen van zzp-ers in de culturele en creatieve sector is ten opzichte van het gemiddelde totale inkomen van de zpp-er in Nederland. Uit recent onderzoek van het CBS blijkt dat de zzp’ers in de culturele en creatieve sector in 2020 met een forse omzetdaling te maken hebben gehad. Gemiddeld inkomen zzp’er 2018 (x 1.000 euro) Inkomen zelfstandigen
Persoonlijk inkomen
Bruto huishoudinkomen
Totaal zzp Nederland
25,9
41,4
96,9
Totaal culturele en creatieve sector
18,3
32,0
81,8
Kunsten
16,0
29,9
75,8
Media en vermaak
17,4
35,8
87,8
Creatief zakelijke dienstverlening
23,9
34,1
87,9
Onderwijs
10,7
21,9
72,6
NB: het persoonlijk inkomen van iemand die als zelfstandige werkzaam is kan groter zijn dan het inkomen uit de freelance activiteiten. Het persoonlijk inkomen omvat het totaal van inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (m.u.v. kinderbijslag en kindgebonden budget)
Corona, cultuur en gemeenten
14
1. Inleiding
2. K enmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. N oodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
3. Noodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen 3.1 Problematiek door de coronacrisis De cultuursector wordt op diverse manieren geraakt door de coronacrisis. Culturele kaalslag • Geen of weinig uitingen, ook als expressiemiddel en reflectie op ontwikkelingen. • Verlies van vaardigheid, ambachtelijkheid, ook fysiek. • Negatieve maatschappelijke effecten, zoals verlies van inclusie, cohesie, eenzaamheid. • Onbenutte productie-en ontwikkelcapaciteit. • Verlies van leden bij verenigingen. Daar waar al sprake was van transitie (denk aan de koorsector) raakt dit in een stroomversnelling. Personele knelpunten • Verlies van werkgelegenheid, met name voor zelfstandigen. • Verlies van cultureel kapitaal. • Verlies van deskundigheid. • Verlies van vrijwilligerscapaciteit. Financiële problemen • Verlies van eigen inkomsten door terugvallende publieksinkomsten (entreegelden en horeca), daarnaast ook minder verhuur. • Liquiditeitstekort op korte termijn, met faillissement als dreiging - in de praktijk oplosbaar via versnelde bevoorschotting, huuruitstel et cetera.
• Negatief exploitatieresultaat op jaarbasis – afhankelijk van reserves en externe noodsteun. • Gebrek aan investeringsruimte voor voorfinanciering van nieuwe producties, maar ook voor onderhoud en andere reserveringen. Als we inzoomen op de verschillende deelsectoren van de sector dan is het beeld landelijk als volgt. • Podiumkunsten worden geconfronteerd met het terug-en wegvallen van publieksinkomsten uit entree en horeca: - Podia zoals theaters en concertzalen kunnen vaak op de gemeente rekenen, maar niet allemaal, vooral niet de poppodia. - Filmhuizen bieden - afhankelijk van hun subsidiehoogte - hetzelfde beeld als de podia, respectievelijk poppodia, - Festivals worden vaak geannuleerd. Er worden dan weinig kosten gemaakt, maar er kan niet geïnvesteerd worden in nieuwe edities. - Gesubsidieerde gezelschappen kunnen rekenen op extra steun van het Rijk en van fondsen en redden het wel. - Vrije producenten van onder meer theater en muziek, zonder structurele subsidie, hebben grote financiële problemen. - Het informele circuit zoals bands en artiesten in cafés en in het nachtleven is vrijwel stil komen te liggen en daar wordt niets verdiend. • Beeldende kunst biedt een gevarieerd beeld. Presentatie-instellingen hebben niet veel problemen: zij hebben regulier al weinig publieks-
Corona, cultuur en gemeenten
15
1. Inleiding
•
• •
•
•
•
2. K enmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. N oodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
inkomsten en behouden hun subsidies. Makers/kunstenaars/galeries hebben meer problemen: minder afzet, maar wel kosten aan accommodaties. Algemene coronasteun dekt slechts een deel. Musea hebben veel publieksinkomsten verloren, maar dekken vaste lasten vaak met de wel doorlopende subsidies. Flexibel en soms ook vast personeel vloeit af. Erfgoed verliest publieksinkomsten en inzet van vrijwilligers, maar behoudt vaste lasten en moet op reserves interen. Bibliotheken hebben beperkte financiële problemen, dankzij de voortzetting van en coulance met gemeentelijke subsidies. Ook lidmaatschappen worden niet snel opgezegd. Cultuureducatie lijkt over het algemeen wel door te gaan, binnenschools en buitenschools, in aangepaste, soms digitale vormen. Lastig kan de continuïteit voor (kans)arme deelnemers zijn. De amateurkunst is grotendeels stil komen te liggen. Men mist inkomsten uit verhuur en horeca. Daarnaast signaleert bijvoorbeeld Koornetwerk Nederland een terugloop van ledenaantallen van gemiddeld meer dan 12%. Minder dan 10% van de verenigingen en informele verbanden heeft volgens onderzoek van het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie Amateurkunst (LKCA) gebruik kunnen maken van de landelijke financiële steunregelingen. Tot op heden ontving slechts 6% ondersteuning van gemeente of provincie. Dit terwijl 49% van de verenigingen schade lijdt, gemiddeld ruim € 7.000.
Vanuit de invalshoeken subsidie en keten is het beeld in de verschillende deelsectoren overeenkomstig: • Structureel gesubsidieerde instellingen komen beter door de crisis dan niet of slechts incidenteel gesubsidieerde organisaties. • Presenterende instellingen zoals podia en festivals kunnen overleven doordat enerzijds subsidies worden gecontinueerd en soms steunmaatregelen kunnen worden benut (denk aan TOGS en TVL, zie voor uitleg van de begrippen paragraaf 3.3) en anderzijds kosten worden bespaard, vooral door het niet-inhuren van producerende gezelschappen en flexibel personeel, waardoor de artiesten, makers en ondersteuners hun inkomsten verliezen. Er is in totaliteit een vergelijkbare situatie bij de filmhuizen,
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
terwijl het in essentie ook geldt voor de musea. • De schade voor de langere termijn door het niet doen van investeringen en uitstellen van onderhoud is thans nog niet in te schatten.
3.2 Grote financiële impact in 2020 en 2021 De coronacrisis heeft de woorden uit de Grondwet en uit de Wet op het specifiek cultuurbeleid uiterst relevant gemaakt. De cultuursector heeft de overheid hard nodig om de crisis te overleven. De Taskforce Culturele en Creatieve Sector heeft over 2020 een verlies aan inkomsten van € 2,6 miljard berekend, en dit verlies loopt in 2021 verder op tot wellicht € 4 miljard. Daarvan is in 2020 ongeveer € 0,6 miljard met generieke maatregelen gedekt. De overige miljarden aan gederfde inkomsten moet worden opgevangen met andere middelen zoals kostenbesparingen, specifieke rijkssteun, provinciale en gemeentelijke steun. De Rijksoverheid heeft in aanvulling op de algemene steunmaatregelen op verschillende manieren specifieke steun beschikbaar gesteld voor de lokale cultuur, onder meer via het Gemeentefonds. Bureau AEF heeft in 2020 in opdracht van de VNG de coronaschade voor de lokale culturele sector in beeld trachten te brengen. Men schatte deze voorlopig op € 72 tot € 138 miljoen. Een belangrijke kanttekening van AEF was echter dat de schade bij bijvoorbeeld filmhuizen, concertzalen, beeldende kunst en festivals lastig in te schatten was.
Zowel het VNG-bureau als de Taskforce Culturele en Creatieve Sector gaan voor 2020 op basis van de reguliere cijfers in totaliteit uit van ongeveer € 350 miljoen schade, maar mogelijk kunnen lokale culturele instellingen meer besparen dan theoretisch becijferd en ook uit andere bronnen specifieke compensatie ontvangen.
Link ramingen van AEF, juli en oktober 2020 wat betreft gemaakte kosten en gederfde inkomsten als gevolg van de coronamaatregelen.
De financiële effecten op de exploitatie van een culturele instelling als gevolg van het coronavirus zijn als volgt te beschrijven: • Door sluiting of beperkte openstelling voor publiek ontstaat derving van eigen inkomsten (zoals entree en horeca). • In verreweg de meeste gevallen blijft structurele exploitatiesubsidie behouden, maar incidentele projectsubsidies vervallen wel. • Een deel van de instellingen ontvangt compensatie, zoals huurkwijtschelding van gemeenten als gebouweigenaren.
Corona, cultuur en gemeenten
16
1. Inleiding
2. K enmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. N oodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
• Instellingen kunnen op variabele kosten besparen doordat activiteiten niet doorgaan en flexibel personeel niet wordt ingezet. • Instellingen moeten vaak ook extra kosten maken om de accommodatie en activiteiten aan te passen aan corona-omstandigheden. • Instellingen kunnen ook ingrijpen in de vaste kosten door afscheid te nemen van personeel of door onderhoud uit te stellen. • Instellingen kunnen hun reserves aanspreken voor zover er (weerstands) vermogen beschikbaar is. • Instellingen kunnen vaak een beroep doen op generieke steun vanuit het Rijk zoals NOW (zie ook paragraaf 3.3), TOGS en TVL. • Instellingen kunnen soms ook een beroep doen op specifieke steun vanuit het Rijk, provincies en gemeenten. • De schade is het negatief effect op het exploitatieresultaat en is de uitkomst van alle hiervoor vermelde effecten. Schade = Derving inkomsten + Subsidieterugval + Extra kosten – Besparingen – Reserves – Generieke steun – Specifieke steun • Het resultaat voor 2020 van een instelling is pas vast te stellen als alle maatregelen bekend en berekend zijn in het voorjaar van 2021. • Instellingen missen ook de middelen om voor de komende jaren investeringen in nieuwe producties te doen en risico te nemen. • Langetermijnschade ontstaat doordat op reserves wordt ingeteerd, onderhoud wordt uitgesteld en personeel wordt ontslagen.
• Er is nauwelijks een overzicht van de totale schade te geven; ook het landelijke Kenniscentrum voor kunst, cultuur en beleid, de Boekmanstichting, slaagt er niet in deze data te produceren.
3.3 Generieke steunmaatregelen van het Rijk In verband met de COVID-19-crisis heeft het kabinet een aantal generieke maatregelen genomen om banen te behouden en steun te bieden bij acute problemen. Het kabinet heeft drie generieke (i.e. algemene) steunpakketten beschikbaar gesteld, namelijk het eerste (op 17 maart 2020), het tweede (op 20 mei 2020) en het derde (op 28 augustus 2020); ook de cultuursector kan hier (indien van toepassing) gebruik van maken.
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
Het gaat onder meer om: • het bieden van financiële steun op grond van de beleidsregel Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS). Voor ondernemingen die aan de voorwaarden voldoen (zoals mkbbedrijven met of zonder personeel, die schade lijden door noodgedwongen sluiting of de inperking van bijeenkomsten). Ondernemingen kunnen aanspraak maken op eenmalig € 4.000, belastingvrij en naar eigen inzicht te besteden. NB: de voortzetting heet TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten) met ruimere financiële compensatie. De aanvraag verloopt via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) • de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO). Met deze regeling kunnen zelfstandig ondernemers maximaal € 1.500 netto per maand ontvangen. Via de regeling kun je ook leningen voor bedrijfskapitaal krijgen. Sinds 1 juni 2020 is er een partnerinkomenstoets. De aanvraag verloopt via gemeenten • de tijdelijke Noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) i.e. hulp voor organisaties als ze geen personeel ontslaan. Deze regeling is bedoeld voor werkgevers die te maken hebben met tenminste 20% verwacht omzetverlies. Hiermee probeert de Rijksoverheid te voorkomen dat werknemers hun baan en inkomen kwijtraken. De aanvraag hiervoor loopt via het UWV.
Op 21 januari 2021 is een uitbreiding van het algemene steunpakket gepresenteerd, onder meer gericht op freelancers zonder inschrijving bij de Kamer van Koophandel (van belang voor zelfstandigen in de culturele en creatieve sector: éénderde heeft geen KvK-inschrijving). Ook aan evenementen inclusief festivals wordt meer financieel perspectief geboden: ‘Nadat de maatregelen weer versoepeld zijn, zal er voor de evenementensector een verhoogd risico blijven op annulering dat zij niet volledig zelf kunnen dragen. Het kabinet wil de sector ondersteunen in een oplossing hiervoor, aangezien dit perspectief biedt voor specifieke groepen en voor de samenleving als geheel. Er wordt een garantieregeling uitgewerkt zodat evenementen georganiseerd kunnen worden vanaf een tijdvak waar dat vanuit coronaoptiek redelijkerwijs verantwoord is, inzet is nu vanaf 1 juli 2021. Hiervoor is er dit jaar minimaal € 300 miljoen beschikbaar. Hiermee wordt voldaan aan een Kamermotie.’
Corona, cultuur en gemeenten
Link overzicht Ministerie van OCW van alle relevante algemene én specifieke steunmaatregelen.
Link naar informatie over uitbreiding van het algemene steunpakket van het kabinet per 21 januari 2021.
17
1. Inleiding
2. K enmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
Wat van meet af aan ingewikkeld is geweest, is het omzetbegrip binnen de NOW. Om het omzetverlies van een onderneming te kunnen berekenen, moet de omzet van 2020 vergeleken worden met die van 2019. Deze vergelijking moet consistent zijn: werkgevers moeten voor de omzetbepaling in 2020 dezelfde regels volgen als in 2019. Voor non-profitorganisaties geldt dat gekeken wordt naar baten die aan de reguliere activiteiten van de organisatie te koppelen zijn. Baten kunnen bijvoorbeeld subsidies, giften, bijdragen vanuit overheidsinstellingen, donaties etc. zijn. Deze worden tot de omzet gerekend als deze voortkomen uit de reguliere activiteiten van de onderneming. De corona-gerelateerde subsidies zijn een aparte categorie inkomsten waarbij geen vergelijking mogelijk is met 2019. Het Ministerie van SZW heeft gecommuniceerd dat ‘alle corona-gerelateerde subsidies meegerekend moeten worden in de omzet voor de NOW’. Dit is het geval omdat anders dubbel-financiering vanuit het Rijk kan ontstaan.
Link naar opmerkingen VNG voor het Wetgevingsoverleg Cultuur van 23 november 2020.
Wat ook geruime tijd een moeilijkheid is geweest, was het feit dat lokale huurkwijtschelding en gemeentelijke steunfondsen als extra baten (en dus als omzet) werden gezien. Door deze extra inkomsten zou de NOW-steun lager uitpakken. De VNG riep in november 2020 in haar position paper voor het Wetgevingsoverleg Cultuur op om een eind te maken aan deze verschui-
3. N oodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
Bij de generieke regelingen worden baten (bijvoorbeeld uit subsidies) tot de omzet gerekend als ze voortkomen uit de reguliere activiteiten.
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
ving van geld. Kamerleden vroegen de minister om gemeentelijke steun niet te ontmoedigen. De geluiden uit de Kamer brachten de minister ertoe om afspraken te maken met haar collega van SZW: dit leidde ertoe dat het kwijtschelden van huur niet wordt meegeteld in het omzetbegrip van de NOW. De uitleg: de huurverlaging heeft betrekking op de kosten voor de bedrijfsvoering, niet op de reguliere manier van inkomen verwerven door bijvoorbeeld een theater; door bezoekers een mooie voorstelling te laten zien.
3.4 Eerste steunpakket van het Rijk voor de cultuursector: € 300 miljoen Specifiek voor de culturele en creatieve sector zegde de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij brief van 27 maart 2020 een aantal coulancemaatregelen toe. Het ging daarbij bijvoorbeeld om het vervroegd uitbetalen van subsidievoorschotten aan door het Rijk en de rijkscultuurfondsen gefinancierde instellingen en om het niet toepassen van een sanctie als bedoeld in de artikelen 4:46, tweede lid, en 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wanneer voorgenomen prestaties niet worden gehaald vanwege COVID-19.
Kwijtschelden van huur wordt niet meegeteld in het omzetbegrip van de NOW.
Additioneel kondigde het kabinet op 15 april 2020 voor de culturele en creatieve sector een aanvullend pakket aan steunmaatregelen aan ter hoogte van € 300 miljoen. De brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 mei 2020 bevatte de uitwerking ervan. Het steunpakket kende vijf ‘sporen’ (i.e. onderdelen): 1. Aanvullende subsidie aan meerjarig door het Rijk gesubsidieerde producerende instellingen, dat wil zeggen instellingen die deel uitmaken van de basisinfrastructuur 2017-2020 en instellingen die meerjarige subsidie ontvangen van een rijkscultuurfonds. Dit is in totaal € 153 miljoen. 2. Een ‘Opengestelde Monumenten-Lening’ bij het Nationaal Restauratiefonds (totaal € 50 miljoen); 3. Investeren in de vitale regionale infrastructuur via de rijkscultuurfondsen voor cruciale regionale musea, (pop)podia en filmtheaters € 48,5 miljoen; 4. € 30 miljoen voor een Cultuur Opstart Lening. Deze is voor organisaties in de culturele en creatieve sector waarvan het verdienmodel vooral is gericht op eigen inkomsten en die geen gebruik kunnen maken van de andere maatregelen uit dit pakket.
Corona, cultuur en gemeenten
18
1. Inleiding
2. K enmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. N oodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
5. Inzet voor makers via a) bestaande regelingen van de rijkscultuurfondsen (€ 11,8 miljoen) en b) een steunfonds rechtensector (€ 5 miljoen). Met dit instrumentarium werd beoogd de vitale ketenonderdelen in de Nederlandse culturele infrastructuur in stand te houden, om zo het unieke Nederlandse artistieke product te behouden en de werkgelegenheid in de culturele en creatieve sector te waarborgen. Op 8 juni 2020 publiceerde het Ministerie van OCW een subsidieregeling ter uitwerking van de sporen 1, 3 en 5a.
Link overzicht van OCWverdeling in 2020 van de coronasteun voor lokale ‘top’cultuur.
Het derde spoor is via drie rijkscultuurfondsen (Fonds voor de Podiumkunsten, Mondriaanfonds en Filmfonds) vormgegeven. Gemeenten en provincies moesten dit bedrag cofinancieren. Op de VNG-site is te vinden hoeveel en welke instellingen dit rijksgeld hebben gekregen. De inspanning was gericht op de cruciale onderdelen van de regionale culturele basisinfrastructuur: instellingen die een dragende functie hebben in de regionale infrastructuur en acute liquiditeitsproblemen hebben als gevolg van de uitbraak van het coronavirus of de maatregelen ter bestrijding daarvan. Het gaat om gemeentelijke en provinciale musea, filmtheaters en (pop)podia. De implementatie van spoor 3 is belegd bij de fondsen die in de relevante sectoren actief zijn: Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed, Stichting Nederlands Fonds voor de Film en Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten. Overeenkomstig artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid hebben deze fondsen de steun verstrekt in de vorm van subsidie op basis van door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap goedgekeurde regelingen. Omdat het budget voor de uitvoering van spoor 3 beperkt was, was het niet mogelijk om vanuit het Rijk álle instellingen te ondersteunen die van vitaal belang zijn in de regionale infrastructuur.
Daarom beperkte deze regeling zich tot die instellingen die tevens van belang zijn voor de landelijke culturele infrastructuur (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2 van de regeling). Aan dat begrip is nadere invulling gegeven in de bijlage bij de regeling.
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
6. Met de sector in gesprek
Bijlagen
Evenals bij spoor 1 ging het bij spoor 3 nadrukkelijk om aanvullende steun: er werd vanuit gegaan dat een aanvrager van steun al gebruik had gemaakt van de generieke compensatiemaatregelen van de Rijksoverheid en/of van door gemeenten of provincies in het kader van hun lopende subsidies getroffen coulancemaatregelen. Bovendien moest er sprake zijn van medefinanciering door andere overheden: de door een fonds aan een cruciale regionale instelling te verstrekken subsidie vormde nadrukkelijk een aanvulling vanuit het Rijk op een in het kader van de COVID-19-crisis te verlenen additionele financiële bijdrage aan de instelling, afkomstig van een gemeente of provincie. Het was aan de betrokken gemeente of provincie zelf om te beslissen of zij bereid was om een instelling die in het kader van spoor 3 in aanmerking komt voor subsidie, een additionele financiële bijdrage toe te kennen, en zo ja, voor welk bedrag. Ook werd met de regeling niet bepaald in welke vorm een additionele financiële bijdrage moest worden verstrekt. Het kon gaan om een aanvullende subsidie, maar bijvoorbeeld ook om het kwijtschelden van de huur die een instelling aan bijvoorbeeld de gemeente verschuldigd is.
3.5 Rijkssteun aan gemeenten in 2020: € 168 miljoen Voor lokale culturele instellingen heeft de Rijksoverheid in 2020 dus langs twee wegen specifieke corona-compensatie beschikbaar gesteld. Enerzijds is er € 48,5 miljoen aan matchingssubsidie verstrekt via de cultuurfondsen van het Ministerie van OCW voor de ondersteuning van regionale musea, (pop) podia en filmtheaters -gemeenten en provincies moesten deze rijkssubsidie cofinancieren - uit de € 300 miljoen. Daar bovenop is er via het Ministerie van BZK € 8 miljoen voor de provincies plus € 120 miljoen (2 x € 60 miljoen ) voor gemeenten gegeven ter compensatie van inkomstenderving. Dit is opgenomen in de extra bijlage van 3 november 2020 bij de mei- en septembercirculaire Gemeentefonds 2020. In aanvulling op de generieke steunmaatregelen en het eerste steunpakket van het ministerie van OCW werd er eind mei 2020 door het ministerie van BZK € 60 miljoen via de meicirculaire bij het Gemeentefonds beschikbaar gesteld aan de gemeenten “met het oogmerk op borging van de lokale en regionale culturele infrastructuur”.
Corona, cultuur en gemeenten
Link naar informatie over compensatie die elke gemeente in 2020 ontving door het eerste en tweede corona steunpakket.
Link naar Kamerstukken 35420 nr. 43 met betrekking tot € 60 miljoen coronasteun voor gemeenten in juni 2020.
19
1. Inleiding
Link naar Kamerstukken 35420 nr. 105 inzage tweede tranche coronasteun voor gemeenten in augustus 2020.
Link naar VNG-site voor overzicht verdeling 2 x € 60 miljoen coronasteun over de gemeenten.
Link naar tweede specifieke steunpakket voor de cultuursector van € 482 miljoen.
Link naar gemeentelijke compensatie 2021 via een decentralisatieuitkering in de decembercirculaire.
2. K enmerken van de cultuursector: een zeer divers veld
3. N oodsteun voor de cultuursector: vormen en bedragen
4. Voorbeelden van gemeentelijke steunmaatregelen
5. Perspectieven voor de cultuursector: stimulansen en scenario’s
Een tweede tranche stelde het kabinet beschikbaar op 28 augustus 2020: nog eens € 60 miljoen voor de gemeenten (via de septembercirculaire Gemeentefonds) en daarnaast € 8 miljoen voor de provincies.
Gemeenten krijgen
De praktische vertaling van beide tranches vond voor de gemeenten plaats via een extra bijlage d.d. 3 november 2020 bij de mei- en septembercirculaire Gemeentefonds 2020.