Trendstudie Nijmegen 2022 - Nijmeegse hoofdopgaven: behaalde resultaten, actualisatie en samenhang
Tekst van het document
De kantoorleegstand is vooral groot bij de uitvalswegen van gemeenten en in kantoorparken langs de snelwegen. Het betreft locaties als bijvoorbeeld de Plaspoelpolder in Rijswijk, Flight Forum in Eindhoven en Goudse Poort in Gouda.38 In deze gebieden kunnen grootschalige gebiedstransformaties, die vaak al gepland stonden, versneld worden uitgevoerd. Op middellange en lange termijn zeer bescheiden groeiverwachtingen Op korte termijn zijn de economische groeiverwachtingen goed. Bij ongewijzigd beleid zal de economische groei gemiddeld twee procent per jaar zijn in 2022 tot 2025. Deels zijn deze groeiverwachtingen gebaseerd op een inhaaleffect ná de coronacrisis. Voor de economische groeiverwachtingen blijven de onzekerheden echter groot. Hoe werkt de economische crisis vanwege de pandemie door op de structurele arbeidsproductiviteit? Bij het begin van de pandemie zijn vele arbeidsmigranten naar huis en familie teruggekeerd. Wat wordt het structurele effect op de netto-immigratie? In welke mate en hoe gaat het toegenomen spaarsaldo tijdens de pandemie besteed worden?39 Verder kunnen vierde en vijfde golven van de coronavirus, en nieuwe varianten van de COVID-19, roet in het eten gooien van de economische groeiverwachtingen. Op middellange en lange termijn zijn de groeiverwachtingen niet groot.
Het is de verwachting dat de ontwikkeling van bijna ononderbroken substantiële economische groei in de naoorlogse periode ten einde is gekomen. De verwachte lage groei voor de toekomst is gebaseerd op het grote aandeel van de diensten en van het mkb in de economie, de vele zzp’ers en flexwerkers, de afname van de beroepsbevolking, de vergrijzende bevolking en het bereikte plafond in de opleidingsexpansie. Vele economen denken dat daarmee een langdurige periode van stagnatie met lage groei is aangebroken. Economen noemen de verwachte structurele economische groei van één procent het ‘nieuwe normaal’.40
Economische trends en ontwikkelingen in Nijmegen Economische effecten van de coronacrisis in Nijmegen In het eerste kwartaal 2021 is de groei van het aantal bedrijven hoger dan in het vierde kwartaal van 2020. Er zijn iets meer starters en minder stoppers. Zoals in heel Nederland is, vanwege de omvangrijke steunmaatregelen, het aantal faillissementen laag en stabiel. Het vertrouwen van ondernemers neemt begin 2021 weer toe, al is het nog niet het vertrouwensniveau van vóór de coronacrisis. Van april 2019 tot september is de werkgelegenheid
36
David Evers, Gertjan Slob, Jeroen Content en Frank van Dongen, Veerkracht op de proef gesteld, een verkenning van de impact van corona op
37
David Evers, Gertjan Slob, Jeroen Content en Frank van Dongen, Veerkracht op de proef gesteld, een verkenning van de impact van corona op
38
Dré van Leeuwen, Frank Verwoerd en Ruben Quak, Zelfs bij massaal thuiswerken, blijft leegstand kantoren behapbaar, Colliers, 10 december 2020.
39
Centraal Planbureau, Actualisatie Verkenning middellange termijn 2022-2025, CPB Raming, maart 2021.
40
The Economist, Secular stagnation. The long view, 3 november 2014.
binnensteden, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2020. binnensteden, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2020.
33
(werknemers en zelfstandigen) bij bedrijven en instellingen in de gemeente Nijmegen nog flink gegroeid. De marktsector voelde in deze periode de gevolgen van de coronacrisis sterker dan de onderwijs- en zorgsector. De onderwijs- en zorgsector laten een groei zien, waardoor de banenontwikkeling nog steeds flink positief uitvalt. In Nijmegen-Centrum en in minder mate in Nijmegen-Oost is er sprake van dalende werkgelegenheid in 2020. In het centrum komt dat vooral door de krimp in de horeca. In 2020 is het bezoekniveau aan de binnenstad van Nijmegen zo’n 40 procent lager dan in 2019. Er waren minder incidentele bezoekers en ook minder mensen die de stad voor het eerst bezoeken. Toch zorgt dit (nog) niet tot een sterke stijging van de leegstand. In het vierde kwartaal 2020 is de leegstand in het winkelgebied Centrum Nijmegen 6,5 procent. Dat is laag in vergelijking met 11,8 procent gemiddeld van de centra van de benchmarksteden (Groningen, Enschede, Arnhem, Nijmegen, Leiden, Tilburg, Eindhoven en Maastricht).
In april 2021 ligt de leegstand in Nijmegen vrijwel onveranderd op 6,8 procent.41 De sterke groei van het aantal inwoners kan de positie van Nijmegen als werkstad verminderen Nijmegen lijkt ondanks de vele toonaangevende bedrijven en organisaties (op Novio Tech Campus, Radboud Universiteit, NXP Semiconductors, het Chip Integration Technology Centre, in de logistiek, et cetera) geen sterke werkstad (voor de eigen inwoners). Het aantal banen per 1.000 inwoners van 15 tot 65 jaar is 830 banen. Dit is meer dan gemiddeld in alle Nederlandse gemeenten die net als Nijmegen sterk verstedelijkt zijn, meer dan gemiddeld in Nederland en meer dan gemiddeld in de provincie Gelderland. Tegelijkertijd zijn er vele benchmarkgemeenten die een sterkere werkgemeente zijn dan Nijmegen (grafiek 3.5). Vele Nijmegenaren pendelen naar banen buiten Nijmegen en vaak naar gemeenten buiten de eigen regio (in 2018 circa 46.000 inwoners, 53 procent van de Nijmeegse werknemers). Dat Nijmegen tegelijkertijd de ‘werkstad’ voor de regio is, blijkt uit de omvangrijke binnenkomende pendel (60.500 personen). Grafiek 3.5 Aantal banen per 1.000 inwoners van 15 tot 65 jaar in 2019 in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, Gelderland en Nederland
Bron: waarstaatjegemeente.nl
Vele gemeenten streven naar een ‘evenwichtige’ woon-werkbalans of naar het voorkomen van een verslechtering van de woon-werkbalans. Het voorkomen van een verslechtering van de woon-werkbalans zorgt er voor dat niet steeds meer Nijmegenaren naar een baan buiten Nijmegen moeten pendelen met alle kostbare consequenties van dien voor de verkeers- en vervoersinfrastructuur en de druk op het milieu en de leefbaarheid. In de afgelopen vijf jaar is de inkomende pendel met 23 procent gegroeid en de uitgaande pendel met 30 procent. Het saldo inkomende minus uitgaande pendel is nog steeds positief, maar neemt wel iets af.42 Door de hoge inkomende pendel heeft Nijmegen voor de regio een functie als werkstad.
41
Gemeente Nijmegen, Corona-crisismonitor Nijmegen 2021, eerste kwartaal (pdf), Onderzoek en Statistiek, mei 2021.
42
Informatie van Onderzoek & Statistiek gemeente Nijmegen (memorandum Reflectie en aanvulling op Trendstudie Platform31).
34
Het nastreven van een goede mix van wonen en werken en een ‘evenwichtige’ woon-werkbalans sluit aan bij de trend naar meer gemengde woon- en werkmilieus, gemengde gebiedsontwikkelingen en kan zorgen voor een meer levendige en leefbare stad.43 Tot de financiële crisis van 2008 verbetert de woon-werkbalans in Nijmegen, om tot 2016 af te nemen en om daarna weer sterk toe te nemen (grafiek 3.6). Grafiek 3.6 Ontwikkeling van aantal inwoners en aantal banen 1996 – 2019 in Nijmegen (1996=100)
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek: aantal inwoners per 1-1; LISA: banen = totaal aantal werkzame personen: alle arbeidskrachten die fulltime of parttime beroepsmatig (een) betaalde activiteit(en) verrichten op of vanuit de vestiging, zoals meewerkende ondernemer/eigenaar (directeur, bedrijfshoofd), meewerkend gezinslid, zelfstandig beroepsbeoefenaar, freelancer, werknemer en uitzendkracht. Bewerking Platform31: index aantal inwoners in 2019 = 120; index aantal banen in 2019 = 132; gemiddelde woon-werkbalans in periode 1996-2019 = 0,59 (mediaan)
De afgelopen vijf jaar een sterke toename van het aantal banen en vestigingen De afgelopen vijf jaar is het aantal banen en het aantal vestigingen relatief sterk gestegen in Nijmegen. Het aantal banen is met 6.900 banen gestegen tot 103.700 banen in 2019. De groei van het aantal banen speelt zich af in bijna alle sectoren.44 Vooral na 2017 trekt de banengroei over een breed front aan. Met een toename van circa 7.500 banen komt het aantal banen in de stad najaar 2020 op 105.500 banen. De eerste cijfers over het banenverloop in coronajaar 2020 laten nog steeds een groei van het aantal banen zien in Nijmegen, ondanks een krimp van 850 banen in de horeca. Ook in de benchmarksteden is het aantal banen de afgelopen jaren toegenomen, maar meestal niet in dezelfde mate als in Nijmegen. Het aantal banen is de afgelopen vijf jaar in Nijmegen met bijna 8 procent gestegen en het aantal vestigingen met 22 procent (grafiek 3.7). Dit is een sterkere groei van het aantal banen en het aantal vestigingen dan gemiddeld in heel Nederland, de regio Arnhem/Nijmegen, de provincie en vele vergelijkbare steden. Ook over een ruimere periode bekeken, neemt het aantal vestigingen van bedrijven en instellingen sterk toe. De afgelopen tien jaar, tot 2019, steeg het aantal vestigingen tot circa 16.400.
43
Wouter Jan Verheul e.a., Leren van stedelijke transformaties. Over sturingsdilemma’s en veerkracht in binnenstedelijke gebiedsontwikkeling, Platform31, Den Haag, oktober 2019; Simon Franke en Gert-Jan Hospers (red.), De levende stad. Over de hedendaagse betekenis van Jane Jacobs, Amsterdam, 2009; Jolina van Dijk, Leve de leefstraat. De P is van Picknickbank, Over Morgen, in: Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur Ruimte en Milieu, 15 november 2019; Lab van Troje, De Leefstraat. Experimenteren met de stad van straks, Gent, januari 2018.
44
Gemeente Nijmegen, Stads- en Wijkmonitor 2020, Economische veerkracht.
35
Grafiek 3.7 Toename van het aantal banen (links) en het aantal vestigingen (rechts) van 2016 tot 2020 in procenten in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, de regio, provincie en Nederland
Bron: LISA
In het economisch herstel, voor de vele transities (digitalisering, ICT, High Tech, Health, duurzaamheid) en de toename van de arbeidsproductiviteit is er behoefte aan goed en ambitieus ondernemerschap in Nijmegen. Voor zover het aantal snelgroeiende ondernemingen en het aantal exporterende bedrijven (grafiek B-1) en bijvoorbeeld de gemiddelde inkomens van zzp’ers (grafiek B-3) een indicatie zijn voor goed en ambitieus ondernemerschap dan is de relatieve positie van Nijmegen niet sterk. Wel zijn er tegelijkertijd relatief weinig zzp’ers met een laag inkomen (grafiek B-3). Nijmegen is een gemiddelde zzp-stad. Het aantal zzp’ers in het totaal aantal banen is in Nijmegen minder dan gemiddeld in Gelderland, Nederland en in gemeenten met een zelfde mate van stedelijkheid (sterk stedelijk) en grootte (100.000 tot 300.000 inwoners). Wel zijn er zeven benchmarkgemeenten waar het aantal van zzp’ers in het aantal banen geringer is dan in Nijmegen (grafiek B-2). De afgelopen tien jaar groeit het aantal bedrijfsvestigingen in Nijmegen vooral sterk door de toename van het aantal zzp’ers; namelijk van 5.700 in 2009 naar 8.400 in 2019. Sterke arbeidspolarisatie in Nijmegen Na het verlies van banen voor laagopgeleiden door automatisering, verdwijnen in toenemende mate taken van middelbaar opgeleiden.
Digitalisering heeft de afgelopen jaren vooral de banen voor middelbaar opgeleiden – en dan vooral aan de onderkant daarvan – onder druk gezet. Het werkgelegenheidsaandeel van beroepen met routinematige taken (zoals boekhouders, logistiek medewerkers en vrachtwagenchauffeurs) – vooral taken in het middensegment van de arbeidsmarkt – neemt af. Het aandeel van beroepen met niet-routiniseerbare taken stijgt. Het gaat enerzijds om werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt (zoals conciërges, kleermakers, vuilnismannen, obers, kappers of verzorgers van kinderen) en anderzijds om banen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt (psychologen, artsen, docenten of fysiotherapeuten). De economie wordt in toenemende mate gekenmerkt door een zandlopermodel. Er is sprake van baanpolarisatie met een geleidelijk krimpend middensegment op de arbeidsmarkt. Banen in het middensegment van de arbeidsmarkt verdwijnen door de introductie van nieuwe technologieën en technologische veranderingen die automatisering van voorheen niet automatiseerbare taken mogelijk en goedkoper maken. Deze ontwikkeling zet bijvoorbeeld de hoeveelheid banen voor accountants, boekhouders, makelaars, notarissen en doctoren onder druk. Opmerkelijk in Nijmegen is de sterke banenpolarisatie. In Nijmegen wonen relatief veel mensen met beroepsniveau 1 en met beroepsniveau 4 (grafiek 3.8).45 45
Beroepsniveau 1 (ISCO 2008): eenvoudige routinematige taken; elementair of lager onderwijsniveau vereist. Onder beroepsniveau 1 vallen beroepen met eenvoudig en routinematig lichamelijk en handmatig werk. Taken zijn bijvoorbeeld schoonmaken, graven, met de hand tillen en verplaatsen van materiaal, sorteren, opslaan of met de hand in elkaar zetten van goederen (soms met behulp van machines): bedienen van niet-gemotoriseerde voertuigen, en fruit plukken en groente oogsten. Veel beroepen op dit niveau vereisen lichamelijke inspanning en/of uithoudingsvermogen. Voor sommige beroepen is basisvaardigheid in lezen en schrijven vereist. Maar die vaardigheid vormt niet het belangrijkste onderdeel van de baan. Voorbeelden van beroepen op beroepsniveau 1 zijn schoonmaker van kantoren, glazenwasser, lader en losser, vuilnisman, bollenpeller, opperman, frietbakker en keukenhulp. Beroepsniveau 4 (ISCO 2008): zeer complexe gespecialiseerde taken; hoger of wetenschappelijk onderwijsniveau vereist. Onder beroepsniveau 4 vallen beroepen met taken als het uitvoeren het oplossen van ingewikkelde problemen en nemen van beslissingen die zijn gebaseerd op een uitgebreide theoretische en praktische kennis op een gespecialiseerd gebied.
Tot de taken behoren onderzoek om kennis op een speciaal gebied te vergroten, diagnose en behandeling van ziekte, kennis delen met anderen en het ontwerpen van constructies, machines,
36
Grafiek 3.8 Beroepsniveau 1 (links) en beroepsniveau 4 (rechts) in procenten van de beroepsbevolking in 2020 in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, de regio, provincie en Nederland
Bron: CBS-Statline
In geen van de benchmarksteden wonen procentueel zo weinig mensen met een middelbaar beroepsniveau als in Nijmegen (grafiek 3.9).46 Grafiek 3.9 Beroepsniveau 2 (links) en beroepsniveau 3 (rechts) in procenten van de beroepsbevolking in 2020 in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, de regio, provincie en Nederland
Bron: CBS-Statline
bouwprojecten en productieprocessen. Beroepen op dit niveau vereisen in het algemeen een uitgebreide taal -en rekenvaardigheid, soms op zeer hoog niveau, en uitstekende communicatieve vaardigheden. Voorbeelden van beroepen op beroepsniveau 4 zijn sales- en marketing manager, ingenieur weg- en waterbouw, leraar voortgezet onderwijs, arts, gespecialiseerd verpleegkundige, musici en systeemanalist. 46
Beroepsniveau 2 (ISCO 2008): weinig tot middelmatig complexe taken; lager of middelbaar onderwijsniveau vereist. Onder beroepsniveau 2 vallen beroepen met taken als het bedienen van machines en elektronische apparaten, voertuigen besturen, onderhouden en repareren van elektrische en mechanische apparaten en het bewerken, ordenen en opslaan van gegevens. Voor veel beroepen op beroepsniveau 2 zijn een gevorderde taal- en rekenvaardigheid en goede communicatieve vaardigheden vereist. Bij sommige beroepen vormen deze vaardigheden het belangrijkste onderdeel van het werk. Veel beroepen op dit niveau vereisen een goede handvaardigheid. Uitgedrukt in termen van het Nederlandse onderwijssysteem zijn in skill level 2 beroepen met voornamelijk lager en deels middelbaar niveau samengenomen. Voorbeelden van beroepen op beroepsniveau 2 zijn slager, buschauffeur, secretaresse, boekhoudkundig medewerker, naaister, coupeuse, verkoper, politieagent, kapper, elektrisch installateur en automonteur. Beroepsniveau 3 (ISCO 2008): Beroepsniveau 3 (ISCO 2008); complexe taken; middelbaar of hoger onderwijsniveau vereist. Onder beroepsniveau 3 vallen beroepen met taken als het uitvoeren van complexe technische en praktische taken die een uitgebreide feitenkennis, technische kennis en kennis van procedures op een specifiek gebied vereisen.
Voor beroepen op dit beroepsniveau zijn in het algemeen een uitstekende taal- en rekenvaardigheid en goed ontwikkelde communicatieve vaardigheden noodzakelijk. Uitgedrukt in termen van het Nederlandse onderwijssysteem zijn in skill level 3 beroepen met voornamelijk middelbaar en deels hoger niveau samengenomen. Voorbeelden van beroepen op beroepsniveau 3 zijn uitvoerder, bouwkundig opzichter, medisch laboratoriumpersoneel, juridisch secretaresse, vertegenwoordiger, technisch personeel in de IT-ondersteuning en radioen opnametechnici.
37
3.4 Sociale trends en ontwikkelingen Landelijke trends en ontwikkelingen Effecten van de coronacrisis De coronacrisis raakt niet iedereen even hard Na de daling van de consumptie met 5,8 procent in 2020, volgt naar verwachting een sterke stijging van 4,4 procent in 2021. Mede vanwege de voorzichtigheid bij huishoudens vanwege de pandemie en de verslechterde economische situatie is het herstel niet volledig. Deze gemiddelde cijfers zijn slechts een deel van het verhaal en achter deze gemiddelde cijfers gaan grote verschillen schuil. De toename van de koopkracht en consumptie laat zien wat er in doorsnee gebeurt als de persoonlijke omstandigheden niet veranderen: geen werkloosheid, geen gezinsuitbreiding, geen echtscheiding, enzovoort. Maar juist in een crisis zijn die persoonlijke omstandigheden voor veel mensen verslechterd, en dat zit niet in de cijfers. De coronacrisis heeft door haar aard een heel verschillende uitwerking op verschillende delen van de economie. Wie een vaste baan heeft in een sector die niet hard geraakt is (overheid, supermarkten, bezorgdiensten), ziet zijn besteedbaar inkomen dit jaar waarschijnlijk stijgen.
Wie als flexwerker of zelfstandige in de reisbranche, de sport- en bewegingssector of de commerciële evenementenindustrie werkte, heeft een geheel ander perspectief.47 Op de arbeidsmarkt verdiept de coronacrisis de al bestaande breuklijnen De Nederlandse arbeidsmarkt kenmerkt zich door een scherpe tweedeling tussen mensen met veel en mensen met weinig baan- en inkomenszekerheid. Dat is op zichzelf geen nieuws, maar de coronacrisis laat opnieuw de kwetsbaarheid van onze arbeidsmarkt zien. Het betekent dat het grootste deel van een economische schok wordt opgevangen door een specifieke groep: uitzend- en oproepkrachten en zzp’ers. Bedrijven die de broekriem aanhalen, nemen eerst afscheid van flexkrachten en zzp’ers en verlengen tijdelijke contracten niet. Dat is al te zien in de cijfers: de werkloosheid is het scherpst opgelopen onder jongeren, omdat zij relatief vaak geen vast contract hebben. Juist de groepen die de klap opvangen, lopen een relatief groot risico op financiële problemen. Onder de risicogroep op de arbeidsmarkt bevinden zich vaker studenten, jongeren, migranten, alleenstaanden en mensen met een relatief laag inkomen. Deze groepen hebben vaak weinig andere bronnen van huishoudinkomen om op terug te vallen. Daarnaast hebben mensen met relatief lage inkomens weinig buffers.
Een stresstest laat zien dat, als er geen TOZO was geweest, zo’n 10 procent van de zelfstandigen binnen drie maanden de vaste lasten niet meer kan betalen wanneer hun inkomen wegvalt. De crisis versterkt bovendien de effecten van discriminatie op de arbeidsmarkt: er is sprake van last-in-first-out. Op de Nederlandse arbeidsmarkt is sprake van discriminatie: sollicitanten met een migratieachtergrond ontvangen minder reacties dan identiek gekwalificeerde sollicitanten met een Nederlandse achtergrond. Dit effect is het sterkst voor groepen met een niet-westerse achtergrond, en in het bijzonder een Afrikaanse of Arabische herkomst. Doordat deze groepen op achterstand staan op de arbeidsmarkt, hebben ze vaker een tijdelijk contract of uitzendbaan. Zo zijn ze in hoogconjunctuur de laatsten die worden aangenomen, en in crisistijd de eersten die er uitgaan.48 Ook voorbeelden van maatschappelijke veerkracht Tijdens de coronacrisis zijn burgers met eigen initiatieven gekomen om hun externe afhankelijkheid te beperken, bijvoorbeeld rond duurzaamheid en voedselvoorziening. In de crisis hebben de burgers ervaren dat informeel leren ons in de crisis veel heeft gebracht. Koken, bakken, muziek maken, tuinieren en voor elkaar zorgen hebben ons meer zelf- en samenredzaamheid gebracht. Er is een hernieuwd gevoel van saamhorigheid tot uiting gekomen in maatschappelijke initiatieven.
Mensen cijferen zichzelf weg voor het algemeen belang. Bedrijven haken in op de voorkeuren van consumenten door duurzamer en socialer te produceren. Ze reduceren hun te grote externe afhankelijkheid en brengen de waardeketens dichter bij huis. In de bestuurskamers is tijdens de 47
Centraal Planbureau, Macro Economische Verkenning 2021, CPB Raming, Den Haag, september 2020, blz. 17, 36.
48
Centraal Planbureau, Macro Economische Verkenning 2021, CPB Raming, Den Haag, september 2020, blz. 19, 20.
38
crisis gesproken over het lange termijn evenwicht tussen de belangen van financiers, werknemers en de maatschappelijke opgaven.49 Verwachte toename van de werkloosheid De werkloosheid is vanwege de steunmaatregelen zeer beperkt opgelopen. In 2020 is het werkloosheidspercentage gemiddeld 4,3 procent en 5,9 procent in 2021. Als er in het najaar nieuwe golven komen van de pandemie (tweedegolfscenario van het Centraal Planbureau) dan loopt de werkloosheid naar verwachting op tot 8,5 procent in 2021. De toename is ongelijk verdeeld: jongeren verloren het vaakst hun baan.50 Wel is het ook mogelijk dat de werkloosheid onderschat wordt als werklozen en mensen die willen werken zich, bij gebrek aan perspectief, zich terugtrekken van de arbeidsmarkt. Veel (kleine) bedrijven en zzp’ers hadden en hebben het zwaar, hebben fors moeten interen op hun reserves en hun perspectieven op het voortzetten van hun activiteiten zijn sterk verslechterd. De kans is groot dat een deel van de bedrijven zal moeten stoppen of failliet gaat. Mede omdat zij hun opgebouwde belastingschuld niet, of niet op tijd, kunnen terugbetalen. Volgens onderzoek van McKinsey zal door de coronacrisis na schatting 10 tot 35 procent meer werkenden de komende tien jaar op zoek moeten gaan naar een andere baan.51 Het betreft dan vooral de zwaksten op de arbeidsmarkt zoals laagopgeleiden, minderheden, vrouwen en jongeren.
Het aantal werkenden dat de stap moet zetten naar een heel ander beroep groeit gemiddeld met 12 procent ten opzichte van de verwachtingen vóór corona. Het gaat daarbij om lager betaalde banen (kantoorbediendes, kassamedewerkers en keukenhulpen) waar steeds minder vraag naar is. McKinsey verwacht dat één op de zestien werkenden voor 2030 van beroep moet wisselen. Bij-, om- en herscholing en activering Door de coronacrisis is het werkdeel (re-integratie, bij-, om- en herscholing) nagenoeg stil komen te liggen. Vanaf 1 oktober 2021 zal de werkloosheid toenemen omdat de steunmaatregelen afgebouwd worden. Dit leidt tot een grotere behoefte aan om-, bij- en herscholingsmogelijkheden. De teruggekeerde omvangrijke mismatches op de arbeidsmarkt nopen tot een intensivering van het arbeidsmarktbeleid. Bijvoorbeeld met mobiliteitsteams of door een mobiliteitscentrum of een House-of-Skills in te richten voor werkloze inwoners en lokale werkgevers. Met een vaardighedenpaspoort, door arbeidsmarktbemiddeling over meerdere arbeidsmarktregio’s heen, door een intensievere inzet van de middelen van de A&O-fondsen of door het inrichten van regionale opleidingsfondsen. Mogelijkerwijs versnelt deze crisis de omscholing van medewerkers in krimpsectoren naar groeisectoren.
Zodat er minder arbeidsmarktkrapte ontstaat in de energietransitie en ook de publieke sector als werkgever (zorg, onderwijs en veiligheid) aantrekkelijker wordt. Bijstand Ondanks het veronderstelde herstel in de basisraming van het Centraal Planbureau krijgen de gemeenten naar verwachting te maken met zzp’ers en flexwerkers die hun spaartegoeden hebben aangesproken en een beroep moeten doen op de bijstand. In algemene zin komt 70 procent van de werklozen in de WW en 30 procent direct in de bijstand. Van de WW’ers stroomt 17,5 procent alsnog door naar de bijstand. De grootste stijging (60 procent) doet zich voor bij jongeren onder de 27 jaar (vooral in de horeca), onder flexwerkers en mensen met een nietwesterse migratieachtergrond. Bij het versoberen en afbouwen van de steunmaatregelen neemt de instroom in de WW toe. En op termijn daardoor ook het aantal bijstandsgerechtigden. Halverwege vorig jaar werd door het adviesbureau Berenschot geraamd dat in 2022 het aantal bijstandsuitkeringen met 51 procent zou kunnen
49
Koos van Dijken, Razia Ghauharali en Simone ’t Hooft, De coronacrisis en de stad. Een verkenning van scenario’s, effecten en handelingsperspectieven voor gemeenten, Platform31, Den Haag, juni 2020, blz. 17 en 18; VNG, Sociaal sterker de crisis uit. Lokaal perspectief op herstel en innovatie na(ast) corona, Den Haag, mei 2021, blz. 21.
50
Centraal Planbureau, Macro Economische Verkenning 2021, CPB Raming, Den Haag, september 2020, blz. 41.
51
Rik Winkel, Corona versnelt vernietiging van banen, in: Het Financieele Dagblad, 18 februari 2021 (op basis van McKinsey Global Institute, The future of work after Covid-19, 18 februari 2021).
39
toenemen ten opzichte van 2019.52 Voorlopig wordt deze verwachte stijging van de bijstandsuitkeringen in 2020 (nog) niet aangetroffen in de statistiek.53 Jeugdzorg In algemene zin zorgt de toenemende vraag naar jeugdzorg voor een sterke stijging van de gemeentelijke uitgaven. Dit is een structurele trend die voor de decentralisaties in 2015 al duidelijk zichtbaar was en sindsdien is doorgegaan. Het aantal cliënten per jaar, en de kosten, is met 16 procent gestegen sinds 2015. De toename in het jeugdhulpvolume komt niet door een stijgende instroom, maar door een achterblijvende uitstroom. Dit verklaart voor een deel de stijging in de kosten. Andere verklaringen zijn een stijging van de gemiddelde kosten per cliënt per jaar en een toename van kosten voor wijkteams en voorliggend veld. De volumegroei wordt vooral veroorzaakt door gezinnen met hogere inkomens die gebruik maken van ambulante jeugdhulp. Ondanks de toename aan jeugdhulp vallen de echte probleemjongeren nog steeds tussen wal en schip.54 De gemeenten zijn er (nog) niet in geslaagd om de toename aan jeugdhulp sinds 2015 af te remmen en om de kostenstijging (16 procent sinds 2015) een halt toe te roepen. De sociale impact van het coronavirus op het leven van kinderen en jongeren is groot. Daarom heeft het kabinet steunpakketten vrijgemaakt voor jeugd, voor zowel de korte als de langere termijn.
De problemen die zich momenteel met name voordoen, betreffen: depressie, sociale angststoornissen, gedragsstoornissen, eetproblemen en grote spanningen en overbelasting in gezinssystemen. Momenteel is niet te duiden in welke mate deze extra inzet en instroom Covid-19 gerelateerd is. WMO De coronacrisis heeft in eerste instantie gezorgd voor minder druk op de Wmo. Er konden geen huisbezoeken plaatsvinden en het vraagafhankelijk vervoer is sterk verminderd omdat kwetsbare inwoners thuis moeten blijven. In tweede instantie kan de coronacrisis leiden tot een groter beroep op de Wmo. De coronacrisis leidt in het algemeen tot een toename van achter-de-voordeur problematiek, van huiselijk geweld, van eenzaamheid, van stress, frustratie, machteloosheid, verdriet, boosheid en van crisissituaties. Mede omdat de financiële crisis bij een deel van de inwoners voor extra spanning en stress zorgt, leidt dat tot een toenemend beroep op gemeentelijke zorg. Uitgestelde zorg kan op termijn zorgen voor hogere kosten voor de Wmo (zwaardere maatwerkvoorzieningen). Zestig procent van de Nederlanders geeft aan minder te bewegen en te sporten vergeleken met de periode voor de coronacrisis. Armoede en schuldenproblematiek Huishoudens komen na inkomensverlies al snel in financiële problemen.
Een toenemend beroep op het minimaen armoedebeleid wordt niet automatisch gecompenseerd door het Rijk en vormt daarmee een financieel risico voor de gemeente. Het grootste risico loopt de gemeente bij de BUIG. Het macrobudget zal aangepast worden door het Rijk, maar of dat voldoende is voor elke gemeente is onduidelijk. Corona kan zorgen voor een na-ijleffect en dat in 2021 bij de verandering van de Wgs (1 juli 2021) een grotere instroom in de schulphulpverlening gaat ontstaan. Een verwachte toename van het aantal aanvragen schuldhulpverlening leidt ook tot een toename van het aantal aanvragen voor bewindvoering (bijzondere bijstand). Kansenongelijkheid, sociale scheidslijnen, kwetsbare inwoners en wijken Reeds bestaande maatschappelijke opgaven voor gemeenten zijn door de pandemie vergroot. Maatschappelijke vraagstukken betreffende de arbeidsmarkt, de armoedeproblematiek (ook onder kleine ondernemers en zzp’ers), energie- en vervoersarmoede, de (houdbaarheid van) de zorg, de teruglopende prestaties van het onderwijs en sociale scheidslijnen. Deze maatschappelijke vraagstukken hangen met elkaar samen en cumuleren bij kwetsbare groepen en vergroten de kansenongelijkheid. Zo werken leerachterstanden langdurig door op de arbeidsmarkt omdat mensen mogelijk moeilijker een baan vinden of een lager salaris gaan verdienen. Op de 52
Adriaan de Jonge, 14.000 nieuwe bijstandsuitkeringen in coronajaar, in: Binnenlands Bestuur, 1 maart 2021; Adriaan de Jonge, Mogelijk 51 procent meer
53
Van januari 2019 tot en met februari 2020 is het gemiddeld aantal bijstandsuitkeringen per maand: 358.839. Van maart 2020 tot en met februari 2021
bijstandsuitkeringen in 2022, in: Binnenlands Bestuur, 1 juli 2020. gemiddeld per maand: 362.634. Een toename van 1,1 procent. Centraal Bureau voor Statistiek – Statline: bijstandsuitkeringen; uitkeringsgrondslag, regio’s. 54
Andersson Elffers Felix (AEF), Stelsel in groei. Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg, Utrecht, 15 december 2020; Martin Sommer, “Alles wordt nieuw, zodat het oude kalmpjes kan voortbestaan”, in: De Volkskrant, 9 april 2021.
40
arbeidsmarkt, in het onderwijs, op de woningmarkt en in gezondheid (gezonde levensjaren) is er sprake van kansenongelijkheid en soms zelfs van een toename in de kansenongelijkheid. De complexe ongelijkheid, vanwege de samenhang van de ongelijkheid op meerdere levensdomeinen, is dé sociale kwestie van deze tijd.55 Door de coronacrisis zijn bepaalde bevolkingsgroepen, sectoren en wijken onevenredig hard geraakt. Het gaat onder andere om ondernemers, werkenden in sectoren die gesloten zijn of om andere redenen niet-operationeel kunnen zijn, zzp’ers, flexwerkers, jongeren, verarmde werkenden, langdurig werklozen, mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, ouderen en mensen met een fysieke of mentale arbeidsbeperking, taalachterstanden, chronisch zieke werkenden en statushouders.56 Ondanks alle steunmaatregelen worden deze groepen getroffen door onder andere (jeugd)werkloosheid, bestaansonzekerheid, onderwijsachterstanden, schuldenopbouw, fysieke en mentale gezondheidsklachten, onveiligheid en eenzaamheid. De negatieve gevolgen hiervan zijn groot. Dat wij de talenten van de outsiders onvoldoende weten te benutten, is bovendien hoogst onwenselijk gezien de krimpende beroepsbevolking de komende jaren. Deze sociale scheidslijnen en de kansenongelijkheid zijn door de pandemie zeker niet minder geworden.
Een belangrijke nieuwe scheidslijn is de lijn tussen degenen die zich grote zorgen maken over besmettingsgevaar tegenover degenen die dat geheel niet, of alleen in lichte mate, doen. Vooral ouderen en mensen die door ziekte minder weerbaar zijn, kunnen kwetsbaar zijn. Voor de een betekent dit leven in (bijna) totaalisolement, voor de ander gaat het leven ‘gewoon door’. In het verlengde hiervan speelt ook het onderscheid tussen degenen die zich hebben laten vaccineren en degenen die dat (bewust) niet doen. De tweespalt die hieruit voortkomt, kan door bestaande familie-, werk- en zorgrelaties lopen en aan beide zijden aanleiding geven tot gevoelens van frustratie, verdriet en onbegrip. De coronacrisis kan de bestaande kansenongelijkheid in het onderwijs versterken Ook op lange termijn kan de coronacrisis de ongelijkheid vergroten doordat de al bestaande kansenongelijkheid in het onderwijs wordt versterkt. Als je met een zilveren lepel in de mond wordt geboren, zijn je kansen op een voorspoedige schoolcarrière en daarmee uiteindelijk een goed inkomen een stuk beter. Het sluiten van de scholen tijdens de lockdown heeft deze al bestaande kansenongelijkheid waarschijnlijk versterkt. Het praktijkonderwijs heeft onder druk gestaan omdat stages en ‘werkplekleren’ waren weggevallen. Afstandsonderwijs heeft veel gevraagd van studenten en leerlingen.
Het schrappen van de eindtoets in het primair onderwijs heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat vooral leerlingen met een migratieachtergrond en kinderen van ouders met een lager inkomen- of opleidingsniveau een hoger schooladvies zijn misgelopen. Maar corona heeft niet alleen de achtstegroepers geraakt, het vergroot waarschijnlijk ook de ongelijkheid in de andere klassen. Thuisonderwijs is immers een stuk lastiger voor wie klein behuisd is, minder de beschikking heeft over (digitale) leermiddelen en lager opgeleide ouders heeft. Indicatief in dit verband is onderzoek naar de zogenaamde summer learning loss, dat laat zien dat leerlingen door studieonderbreking vaardigheden verliezen, en dat dit effect sterker is bij leerlingen met een bestaande leerachterstand. De betere scholen lijken er bovendien beter in geslaagd te zijn het afstandsonderwijs goed in te richten.57 De mate waarin de leerlingen de onderwijsachterstanden hebben ingelopen, vertoont een duidelijke samenhang met de sociaaleconomische achtergrond van hun ouders.58 Uit het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs blijkt dat leerlingen met laagopgeleide en/of ouders die de Nederlandse taal niet machtig zijn, door de lockdowns gemiddeld een grotere achterstand in taal en rekenen hebben opgelopen dan kinderen met hoogopgeleide ouders. Die achterstand is anderhalf tot twee keer zo groot.
Leerlingen in de eerste drie klassen van het vmbo hebben door de twee
55
Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 300, nr. 1, Miljoenennota 2020, blz. 59; Raad Volksgezondheid & Samenleving, Wissels omzetten voor een veerkrachtige samenleving. Vier prioriteiten voor de nieuwe kabinetsperiode, Den Haag, 2021, blz. 6; Denktank Coronacrisis, De contouren van een intelligent herstelbeleid, Advies, Den Haag, mei 2020, blz. 21, 25 en 41; SCP/PBL/CPB, Briefadvies Planbureaus voor herstelbeleid. Een doorstart van de samenleving, Den Haag, februari 2021; Denktank Coronacrisis, advies Perspectief op Herstel, Den Haag, januari 2021, blz. 19, 21.
56
Denktank Coronacrisis, Neem iedereen mee: Kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt, Den Haag, december 2020.
57
Centraal Planbureau, Macro Economische Verkenning 2021, CPB Raming, Den Haag, september 2020, blz. 20, 21.
58
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 35 925, nr. 1 (Miljoenennota 2022), blz. 14; Frederiek Weeda, Leerachterstanden door lockdowns op vmbo veel groter dan op het vwo, in: NRC, 28 oktober 2021.
41
lockdowns een achterstand in leesvaardigheid opgelopen van een vol schooljaar. Met rekenen lopen de vmbo’ers zestien weken achter op eerdere schooljaren.59 Groeiende kansenongelijkheid Er is in toenemende mate sprake van perspectief- en kansenongelijkheid tussen inwoners. Samen met de arbeidsmarktontwikkelingen (flexibiliteit), de toenemende onzekerheid (over werk, inkomen, pensioen en zorg) en de effecten van en maatregelen in het licht van de coronacrisis leidt dit bij belangrijke groepen Nederlanders tot onvrede over de maatschappij en de politiek.60 De toenemende kansenongelijkheid is op vele terreinen zichtbaar. Op de woningmarkt, in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, in koopkracht (problematische schulden, armoede) en in gezondheid, levensverwachting en gezonde levensjaren. De verschillen op één domein hangen vaak samen met die op een ander domein. Daarbij is het onderwijs een belangrijke motor van kansenongelijkheid geworden.
Verschillende onderzoeken laten een groeiende scheidslijn zien tussen hoog- en laagopgeleiden, toenemende segregatie naar opleidingsniveau van de ouders en leerlingen van verschillende sociaaleconomische achtergronden die elkaar steeds minder tegenkomen op school.61 Gaat het om kansenongelijkheid in termen van gezondheid, dan valt op dat inwoners met een lage sociaaleconomische status ten opzichte van de inwoners met een hoge sociaaleconomische status gemiddeld acht jaar korter en maar liefst vijftien jaar minder in goed ervaren gezondheid leven. Inwoners die moeite hebben om rond te komen, hebben drie- tot viermaal meer last van hart- en vaatziekten, angststoornissen, overspannenheid en nervositeit dan inwoners waarvoor dat niet geldt en zij hebben vier- tot vijfmaal zoveel last van diabetes, depressie en ernstige eenzaamheid.62 Deze verschillen zijn hardnekkig. Daarbij is de groep lage SES ook nog eens bovengemiddeld geraakt door het COVID-virus.63 De complexe ongelijkheid, vanwege de samenhang van de ongelijkheid op meerdere levensdomeinen, is dé sociale kwestie van deze tijd.64 Verschillende onderzoeken laten een groeiende scheidslijn zien tussen hoog- en laagopgeleiden, toenemende segregatie naar opleidingsniveau van de ouders en leerlingen van verschillende sociaaleconomische achtergronden die elkaar steeds minder tegenkomen op school.
Perspectiefongelijkheid tussen verschillende bevolkingsgroepen zorgt voor maatschappelijke onvrede In het hele land zien wij dat de segregatie naar opleidingsniveau en naar mentaliteit verdiept. In de verbanden waar mensen elkaar tegenkomen (wonen, werken, onderwijs) is uitsortering waar te nemen. Er is in toenemende mate sprake van perspectiefongelijkheid. Samen met de arbeidsmarktontwikkelingen (flexibiliteit) en de
59
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 35 925, nr. 1 (Miljoenennota 2022), blz. 58.
60
Cok Vrooman, Meedoen in onzekerheid, Utrecht, 2016; B. Steur, E. van Doorne en T. Zandstra, Maatschappelijk onbehagen en het openbaar bestuur,
61
Er is een toenemende fragmentatie en segmentatie door het onderwijs van de meritocratie. Meritocratie (vrij vertaald: geregeerd door degenen die het
Strategische verkenning ministerie van BZK, Den Haag, 1 februari 2017. verdienen) is een maatschappijmodel waarin de sociaaleconomische positie van elk individu is gebaseerd op zijn of haar verdiensten (merites). Deze meritocratie heeft wrede kanten omdat mensen die niet mee kunnen komen in deze complexe en veeleisende samenleving denken dat dit door eigen toedoen komt en zich daardoor minderwaardig gaan voelen. Dat zij niet mee kunnen komen, kan gelegen zijn in werkloosheid, ziekte, sociale en psychische beperkingen of aan de hoge eisen die gesteld worden. Een segmentatie en fragmentatie die zich bovendien dreigt te versterken omdat hoogopgeleide, goed verdienende ouders (‘curling ouders’) de vaardigheden en financiële mogelijkheden hebben om elke hobbel in de opvoeding en opleiding van hun kinderen te effenen (sport, theater, bijlessen, tutors, druk op docenten uitoefenen). Mogelijkheden en vaardigheden die laagopgeleide en minder-verdienende ouders niet, of veel minder, hebben. Lex Herweijer en Edith Josten, “Een ideaal met een keerzijde”, in: Cok Vrooman, Mérove Gijsberts en Jeroen Boelhouwer, Verschil in Nederland, SCP, Den Haag, december 2014, blz. 69, 70. 92; Judith Elshout, Evelien Tonkens en Tsjalling Swiestra, ‘Meritocratie als aanslag op het zelfrespect van ‘verliezers’’, in: P. de Beer en M.
van Pinxteren (red.), Meritocratie: op weg naar een nieuwe klassensamenleving?, Amsterdam, 2016, blz. 209-234; Martin Sommer, Waar is Jan Normaal gebleven? De grote middengroep is finaal gespleten in hoger en lager opgeleiden, in: de Volkskrant, 27 februari 2016; Anouk Boone, “Interview de kloof. Ondernemer Rutger Koopmans ‘Mijn generatie denkt ook: wij willen jullie jongeren wakker schudden’, in: de Volkskrant, 5 september 2019. 62
Michiel van der Geest, Achtergrond gezondheidsverschillen arm en rijk, in: de Volkskrant, 2 oktober 2020.
63
Mirjam de Klerk, Martin Olsthoorn, Inger Plaisier, Joep Schaper en Fieke Wagemans, Een jaar met corona. Ontwikkelingen in de maatschappelijke gevolgen van corona, Sociaal Cultureel Planbureau, Den Haag, maart 2021; Raad Volksgezondheid & Samenleving, Wissels omzetten voor een veerkrachtige samenleving. Vier prioriteiten voor de nieuwe kabinetsperiode, Den Haag, 2021.
64
Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 300, nr. 1, Miljoenennota 2020, blz. 59; Raad Volksgezondheid & Samenleving, Wissels omzetten voor een veerkrachtige samenleving. Vier prioriteiten voor de nieuwe kabinetsperiode, Den Haag, 2021, blz. 6.
42
toenemende onzekerheid (over werk, inkomen, pensioen en zorg) leidt dit bij belangrijke groepen inwoners tot onvrede over maatschappij en politiek.65 Verminderde sociale cohesie De inwoners in de steden en gemeenten zijn op allerlei manieren gesegmenteerd en gefragmenteerd. Naar leeftijd, naar inkomenssituatie, naar gezinssituatie, naar mate van hulpbehoevendheid, naar werkzekerheid, naar opleiding, naar herkomst en naar etniciteit. De sociale scheidslijnen zijn zichtbaar in het onderwijs, op de woningmarkt, in gezondheid, in vaste en flexibele arbeidscontracten, in participatie, in meedoen en niet-meedoen, en tussen insiders en outsiders. Daarbij wordt de segregatie naar opleidingsniveau en naar mentaliteit dieper. Vooral in de grote steden is het meest duidelijk zichtbaar dat de diversiteit van de inwoners naar herkomst toeneemt. De groep inwoners met een migratieachtergrond wordt niet alleen groter maar ook veel diverser (‘superdiversiteit’). In de verbanden waar mensen elkaar tegenkomen (wonen, werken, onderwijs) is uitsortering waar te nemen.
De toegenomen diversiteit en uitsortering leidt tot verliesgevoelens onder autochtone inwoners, verlies van thuisgevoelens, minder buurtcohesie en lage omgevingsbetrokkenheid.66 Tegelijkertijd zijn in heel Nederland de afgelopen zes jaar de verschillen in economisch, persoons, sociaal en cultureel kapitaal tussen de zes onderscheiden groepen in onze bevolking tot nu toe (tot de coronapandemie) opmerkelijk stabiel. De andere kant van de medaille is dat de sociale ongelijkheid in Nederland ook nagenoeg gelijk is gebleven. Het meest in het oog springt dat de groep jongere kansrijken is toegenomen van 12 procent naar 15 procent van de volwassen bevolking, terwijl het precariaat in omvang afnam van 13 procent naar 9 procent. Het precariaat kromp in omvang door de selectieve mortaliteit, de toename van digitale vaardigheden en van sociale contacten met vrienden en familie.67 De vergrijzing en de toenemende zorgvraag van ouderen in wijk, buurt en kern Vooral op latere leeftijd gaat de vergrijzing gepaard met een toename van de zorgbehoeften.68 De groep oude ouderen neemt de komende drie decennia in Nederland en in de gemeenten sterk toe. Het aantal mensen van 80 jaar of ouder zal naar verwachting stijgen van ruim 800 duizend naar tussen de 1,5 en 2,6 miljoen in 2050.69 Velen van deze oude ouderen zullen op enig moment zorgbehoeftig zijn.
Op dit moment krijgt vanwege het Langer thuis’-beleid minder dan tien procent van de zorgbehoeftige ouderen hun zorg in een verpleeg- of verzorgingstehuis. Dus meer dan 90 procent van de zorgbehoeftige ouderen krijgt hun wmo- en thuiszorg in wijk, buurt en kern. Als deze verhouding zo blijft dan betekent de sterke groei van de zorgbehoeftige ouderen voor de gemeenten een belangrijke trend en opgave. Er is lang gesproken over en gelobbyd voor de kwaliteit van de zorg in verpleegtehuizen. Daar komt twee miljard euro extra voor beschikbaar om de kwaliteit op orde te krijgen. Voor de sterk groeiende groep zorgbehoeftige ouderen die hun zorg in wijk, buurt en kern moet krijgen, heeft zo’n kwaliteitsdebat en de middelen die dat gaat vergen nog niet plaatsgevonden.70 De gemeenten kunnen deze discussie niet meer lang voor zich uitschuiven.
65
Cok Vrooman, Meedoen in onzekerheid, Utrecht, 2016.
66
Roel Jennissen, Godfried Engbersen, Meike Bokhorst en Mark Bovens, De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland,
67
Stella Hoff, Cok Vrooman, Jurjen Iedema, Jeroen Boelhouwer en Jeanet Kullberg, Verschil in Nederland 2014-2020, Factsheet oktober 2021, Sociaal en
68
Tot de leeftijd van 50 jaar liggen in 2020 de gemiddelde zorgkosten onder de drieduizend euro per jaar. Daarna beginnen ze steeds sterker te stijgen. Op
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag, 2018. Cultureel Planbureau, Den Haag, oktober 2021. 70-jarige leeftijd zijn de zorgkosten gemiddeld ongeveer zesduizend euro, voor een 80-jarige dertienduizend euro, en voor een 95-jarige zo’n vijftigduizend euro. De hoge zorguitgaven van ouderen komen voor het grootste deel voor rekening van de langdurige zorg. Maar ook de uitgaven aan Zvw en Wmo stijgen met de leeftijd, omdat voor ouderen de kans op (intensive) ziekenhuisopnames en het beroep op thuiszorg stijgt. Yvonne Adema en Iris van Tilburg, Zorgen om morgen, CPB Vergrijzingsstudie, Den Haag, december 2019. 69
Centraal Bureau voor de Statistiek, In 2050 zijn er twee tot drie keer zoveel 80-plussers als nu, 13 april 2021.
70
Corinne Ellemeet, Lachend tachtig. Initiatiefnota 34 948 voor een toekomstbestendige ouderenzorg, Den Haag, 17 mei 2018; Wilma Kieskamp, We weten nog niet half wat op ons afkomt, met de zorg voor zieke ouderen die thuiswonen, in: Trouw, 18 november 2019.
43
Sociale trends en ontwikkelingen in Nijmegen Effect van corona In de eerste maanden van de coronacrisis steeg het aantal WW- en bijstandsuitkeringen sterk. Vanaf juni 2020 is er weer sprake van een constante daling van de WW-uitkering. Dit betekent niet per definitie goed nieuws. Het kan zijn dat mensen zich ontmoedigd terugtrekken van de arbeidsmarkt of dat na drie maanden de WWuitkering is afgelopen. De daling zet door tot 6.956 uitkeringsgerechtigden in de bijstand in december 2021. Het aantal cliënten Wmo/jeugdzorg laat al langere tijd een gestaag stijgende lijn zien. Vergrijzing en extramuralisering spelen een rol. Een duidelijke relatie met corona-effecten is bij het zorggebruik vooralsnog niet te leggen. Over heel 2020 en de eerste vier maanden van 2021 zijn er aanzienlijk minder aanmeldingen voor schuldhulpverlening. De oorzaken van de daling zijn onbekend. Zijn er minder problemen dan in 2019? Zoeken mensen, door de coronamaatregelen, minder hulp? Of duurt het enige tijd voordat inwoners zich melden met het schuldhulpverleningsvraag?71 Verbetering werkloosheidspercentage en bruto arbeidsparticipatie In 2020 is het werkloosheidspercentage in Nijmegen 4,6 procent. Dit is hoger dan het werklosheidspercentage in Gelderland, Nederland, de regio Arnhem/Nijmegen en diverse benchmarksteden.
Vier benchmarksteden in de periferie van Nederland kennen een hoger werkloosheidspercentage (grafiek 3.10). Het werkloosheidspercentage is ten opzichte van het werkloosheidspercentage in 2016 (7,4 procent) aanzienlijk gedaald. De afname met 2,8 procentpunt is fors. Vanuit een veel hoger niveau in 2016 is de verbetering in procentpunten in Leeuwarden, Groningen en Enschede nog hoger dan de verbetering in Nijmegen. De bruto arbeidsparticipatie is sterk gestegen in Nijmegen van 2016 naar 2020. In 2016 was de brutoarbeidsparticipatie 69,6 procent. In 2020 is de bruto-arbeidsparticipatie 71,5 procent (grafiek 3.10). Een verbetering met 1,9 procentpunt. De verbetering van de bruto-arbeidsparticipatie de afgelopen jaren is in Nijmegen sterker dan in de regio en Nederland. Daarmee komt de bruto arbeidsparticipatie in Nijmegen in 2020 hoger uit dan in de regio en in Nederland. In 2016 was dit nog het omgekeerd. Grafiek 3.10 Werkloosheidspercentage (links) en bruto arbeidsparticipatie (rechts) in 2020 in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, de regio, provincie en Nederland
Bron: CBS-Statline
Sociale problematiek in Nijmegen niet verdwenen Uiteraard is de sociale problematiek van en in Nijmegen de afgelopen jaren niet volledig verdwenen. Het percentage huishoudens dat een beroep doet op zorg en ondersteuning en het percentage huishoudens met een bijstandsuitkering is hoger dan gemiddeld in vergelijkbare gemeenten die ook sterk verstedelijkt zijn, in gemeenten met tussen de 100.000 en 300.000 inwoners, in Nederland, in Gelderland en in diverse benchmarkgemeenten. Tegelijkertijd zijn er benchmarkgemeenten waarvoor de sociale problematiek groter is dan 71
Gemeente Nijmegen, Corona-crisismonitor Nijmegen 2021, eerste kwartaal, Onderzoek en Statistiek, mei 2021.
44
in Nijmegen (grafiek 3.11). Ook uit het aantal huishoudens met vijf of meer voorzieningen per 1.000 huishoudens (grafiek B-4) en het percentage kinderen in een uitkeringsgezin (grafiek B-5) blijkt dat er in Nijmegen een serieuze sociale problematiek is. De score van Nijmegen op beide indicatoren is aanzienlijk slechter dan in vele vergelijkbare gemeenten. Grafiek 3.11 Percentage huishoudens met zorg en ondersteuning 2e halfjaar 2020 (links) en percentage huishoudens met een bijstandsuitkering maart 2021 (rechts) in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, provincie en Nederland
Bron: waarstaatjegemeente.nl
Naar schatting hoort zo’n 20 tot 25 procent van de Nijmegenaren tot een of meer van cliëntgroepen van de Wmo, jeugdhulp, welzijn, participatie, inkomensondersteuning, onderwijs, veiligheid, overlast- en multiprobleemaanpak, arbeidsongeschikten en cliënten GGZ (18+). Het betreft meer dan 35.000 Nijmegenaren. Daarbij zien we een sterke concentratie en stapeling van het gebruik van voorzieningen. Veel huishoudens maken gebruik van meerdere voorzieningen. Dit geldt vooral in de stadsdelen met aandachtsgebieden, voor eenoudergezinnen en huishoudens van niet-westerse afkomst. Alles bij elkaar legt ruim 3,7 procent van de huishoudens beslag op ongeveer 30 procent van de voorzieningen. Dit is tussen 2017 en 2018 niet wezenlijk veranderd, al zijn de aantallen huishoudens met voorzieningen op zorggebied en huishoudens met stapeling van voorzieningen lichtjes toegenomen.72 Nog steeds is het “onbenutte arbeidspotentieel” aanzienlijk De mensen die werken, willen werken en op korte termijn beschikbaar zijn om te werken vormen de beroepsbevolking. Van de 98.000 inwoners die de Nijmeegse beroepsbevolking vormen, zijn er 94.000 aan het werk (96 procent) en zijn er 4.000 werkeloos (4 procent). Op deze wijze benaderd is er niet of nauwelijks een onbenut arbeidspotentieel in Nijmegen.
Door uit te gaan van de personen die óf recent gezocht hebben naar werk óf meer uren willen werken én direct beschikbaar zijn voor werk plus deels de werklozen met een werkloosheidsof bijstandsuitkering raamt het Centraal Bureau voor de Statistiek een ‘onbenut arbeidspotentieel’ van ruim 1,1 miljoen mensen in Nederland.73 Hoeveel van deze 1,1 miljoen mensen Nijmegenaar zijn, is niet bekend. Door niet uit te gaan van de mensen die willen werken, die meer uren willen werken én die direct beschikbaar zijn, kan een andere benadering gevolgd worden. Op deze wijze kan op alternatieve wijze door Platform31 het ‘onbenutte arbeidspotentieel’ van Nijmegen geraamd worden. Wij doen dit door te inventariseren hoeveel inwoners in Nijmegen en de benchmarkgemeenten een uitkering ontvangen en dit aantal te relateren aan de beroepsbevolking. In 2019 ontvangen ruim 17.000 Nijmegenaren een uitkering (2.300 een WW-uitkering, 7.200 een bijstandsuitkering tot de AOW-leeftijd74 en 7.800 inwoners een arbeidsongeschiktheidsuitkering). Gerelateerd aan de beroepsbevolking van 98.000 Nijmegenaren is dat bijna 18 procent van de beroepsbevolking. Dit noemen wij het ‘onbenutte arbeidspotentieel’ in de alternatieve benadering van Platform31 (grafiek 3.12). Vergeleken met de benchmarkgemeenten neemt Nijmegen met het ‘onbenutte arbeidspotentieel’ een middenpositie is. Het is noch zeer groot noch zeer gering.
Wel is het ‘onbenutte arbeidspotentieel’ op deze wijze gedefinieerd verbeterd 72
Gemeente Nijmegen, Programma Welzijn en Zorg, Totaalbeeld zorg en welzijn.
73
Centraal Bureau voor de Statistiek, Gezocht, niet beschikbaar, Dashboard beroepsbevolking 4e kwartaal 2020 niet seizoens-gecorrigeerd, 16 februari 2021;
74
Ongeveer duizend uitkeringen zijn bestemd voor stellen.
Centraal Bureau voor de Statistiek, Onbenut arbeidspotentieel meest toegenomen in Noord-Holland en Drenthe, 26 mei 2021.
45
van 20,4 procent in 2015/2016 naar 17,7 procent in 2019. Tegelijkertijd daalt in Eindhoven, Dordrecht, ’sHertogenbosch, Tilburg en gemiddeld in Nederland in deze periode het ‘onbenutte arbeidspotentieel’ sterker dan in Nijmegen. Als bij het ‘onbenutte arbeidspotentieel’ de mensen opgeteld worden die niet in een uitkering zitten, wel willen werken of meer uren willen werken (een belangrijk deel van het statistische onbenut arbeidspotentieel van 1,1 miljoen mensen in Nederland) dan doet zeker 20 procent van de beroepsbevolking bijna 20.000 Nijmegenaren niet mee, werkt niet wit, staat langs de kant en van hen worden de talenten onvoldoende benut. Grafiek 3.12 Onbenutte arbeidspotentieel in 2019 in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, regio, provincie en Nederland
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek – Statline. Berekening Platform31: totaal aantal uitkeringen ww, bijstand tot AOW-leeftijd en arbeidsongeschiktheid in procenten van de beroepsbevolking.
Het is de vraag of het verstandig is om met een krimpende of stabiliserende beroepsbevolking zo’n groot deel van de inwoners niet of niet volledig mee te laten doen. Dit vraagstuk komt, gezien de krimpende beroepsbevolking, de komende bestuursperiode op vele gemeenten af. Ook op Nijmegen. Sociale cohesie in Nijmegen Met diverse indicatoren kan iets gezegd worden over de sociale cohesie in Nijmegen. In welke mate gaan de mensen prettig met elkaar omgaan en heeft men veel contact met andere buurtbewoners. Relatief veel Nijmegenaren vinden dat de mensen prettig met elkaar om gaan. Maar weinig Nijmegenaren zijn van mening dat er veel contact is met andere buurtbewoners (grafiek 3.13). Waarschijnlijk kan dit mede verklaren waarom Nijmegen ten opzichte van de vergelijkbare gemeenten relatief hoog scoort op sociale overlast in de buurt (grafiek B-6), op overlast en onveiligheidsgevoelens (grafiek B-7). Daar staat weer tegenover dat Nijmegen in vergelijking met de benchmarkgemeenten niet hoog scoort op eenzaamheid (grafiek B-8). Grafiek 3.13 Sociale cohesie Mensen gaan prettig met elkaar om % ‘(helemaal) eens’ (links) en Sociale cohesie Veel contact met andere buurtbewoners % ‘(helemaal) eens’ in 2019 in Nijmegen, vergelijkbare gemeenten, provincie en Nederland
Bron: waarstaatjegemeente.nl
46
Door de coronacrisis is het samen sporten en bewegen in groeps- en verenigingsverband afgenomen. Dit leidt tot een vermindering van het aantal sociale contacten. Kansenongelijkheid in Nijmegen In toenemende mate is de toenemende kansenongelijkheid (versterkt door de coronacrisis) een aandachtspunt. Een kansenongelijkheid die met de recente gegevens van de Kansenatlas van SEO op allerlei manieren in kaart gebracht kunnen worden. Wat is bijvoorbeeld de kans op een baan op 28-jarige leeftijd als je bent opgegroeid in een bepaalde gemeente? Deze variabele (de kans op arbeidsparticipatie voor een jongvolwassen inwoner) kan immers een indicatie zijn over de mate waarin het beleid en het onderwijs erin slaagt om de kansenongelijkheid tussen de inwoners te verkleinen. In welke mate bepaalt het inkomen van je ouders de kans op jouw inkomen per gemeente? Er zijn vele kansenongelijkheids-, fragmentatie- en segregatie-indicatoren per gemeente in de Kansenatlas opgenomen. In figuur 3.14 is de kansengelijkheid op een persoonlijk inkomen op 28-jarige leeftijd opgenomen als je in Nijmegen en de vergelijkbare gemeenten bent opgegroeid en de kans op een laag inkomen aan de onderkant van de inkomensverdeling op 40-jarige leeftijd van personen die gedurende de beginjaren van hun werkzame leven in Nijmegen en de benchmarkgemeenten hebben gewoond.
Bij de lage percentages zegt de inkomenspositie van ouders minder over de inkomenspositie van hun kinderen op latere leeftijd dan bij hoge percentages. Dit kun je ook vertalen naar het beeld dat je in Leiden (onderaan de grafiek) makkelijker een kwartje wordt als je voor een dubbeltje bent geboren dan in ’s-Hertogenbosch, Maastricht, Leeuwarden of Enschede. Nijmegen scoort, op deze wijze gemeten, niet slecht op kansengelijkheid. Maar Leiden verslaat Nijmegen met neuslengtes in de kansengelijkheid (op deze wijze gemeten). Grafiek 3.14 Kansengelijkheid persoonlijk inkomen op 28-jarige leeftijd (links) en de kans op een persoonlijk laag inkomen in de onderkant van de inkomensverdeling op 40-jarige leeftijd (rechts) in Nijmegen en vergelijkbare gemeenten
Bron: SEO Kansenatlas
De kansenongelijkheid kan ook geanalyseerd worden aan de hand van segregatie-indexen op diverse variabelen. In welke mate is Nijmegen gesegregeerd naar migratieachtergrond en naar opleidingsniveau in vergelijking met de benchmarkgemeenten (figuur 3.15). Bij de waarde 0 is er sprake van een perfect gelijke verdeling van de inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond over de gemeente en van een perfect gelijke verdeling over de stad van de inwoners met een laag opleidingsniveau. Bij de waarde 1 is er sprake van volledige segregatie van de inwoners met een niet-westerse bevolkingsgroep en laag opleidingsniveau. Nijmegen blijkt vooral sterk gesegregeerd naar opleidingsniveau en veel minder naar migratieachtergrond.
47
Grafiek 3.15 Segregatie-index naar migratieachtergrond (links) en segregatie-index naar opleidingsniveau in Nijmegen en vergelijkbare gemeenten
Bron: SEO Kansenatlas
Zoals ook uit de segregatie-indexen blijkt is de woningmarkt (samenstelling woningvoorraad, toegankelijkheid, imago, doorstroming) een zeer bepalende factor in de verdeling van de bevolkingsgroepen over de stad en daarmee van de kansenongelijkheid in de stad. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het Sociaal Statistisch Bestand dat er grote verschillen zijn tussen de wijken in het gebruik van voorzieningen en de stapeling van het gebruik van regelingen. In de stadsdelen Oud-West, Nieuw-West, Zuid en Dukenburg is het percentage huishoudens dat gebruikmaakt van minstens vijf regelingen het hoogst (5 tot 5,5 procent), gevolgd door Lindenholt (4,6 procent).75 Met het Actieprogramma inclusie en de Regenboogagenda besteedt Nijmegen aandacht aan het beperken van de segregatie en het vergroten van de inclusie van inwoners met een beperking en van de Lhbti+-Nijmegenaren. Met het Actieprogramma en de Regenboogagenda is op diverse leefgebieden (werk, onderwijs, participatie, zorg en ondersteuning, bouwen en wonen, vervoer, sport, veiligheid) en binnen de gemeentelijke organisatie de diversiteit, toegankelijkheid en inclusie een systematisch aandachtspunt.76
3.5 Trends en ontwikkelingen in het veiligheidsdomein Landelijke trends en ontwikkelingen m.b.t. veiligheid Dalende trends criminaliteit en onveiligheidsbeleving houden aan Uit de meest recente cijfers blijkt dat de reeds in de beginjaren van de 21e eeuw ingezette daling van criminaliteit in Nederland voortduurt.77 De Veiligheidsmonitor, waarin verslag wordt gedaan van zelf gerapporteerde slachtofferschap, laat eenzelfde daling zien van veelvoorkomende ‘traditionele’ criminaliteit waarvan burgers het slachtoffer worden.78 Ook uit de Monitor Jeugdcriminaliteit blijkt dat jeugdcriminaliteit de afgelopen jaren is gedaald voor het aantal geregistreerde minderjarige verdachten. Ook ligt het aandeel zelfgerapporteerde jeugdcriminaliteit in 2020 lager dan in 2015.79 Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor de daling. Enkele van de meest aannemelijke verklaringen zijn: de preventieve maatregelen die worden genomen door burgers, bedrijven en overheden, de toenemende welvaart, de afname van heroïnegebruikers (die vooral in de jaren ‘80 verantwoordelijk waren voor een groot deel van vermogensdelicten) en de veranderende vrijetijdsbesteding (opkomst van internet en smartphones) die mogelijk de daling van jeugdcriminaliteit verklaart.80 In hoeverre de 75
Gemeente Nijmegen, Stads- en Wijkmonitor 2020, Zorg en ondersteuning.
76
Gemeente Nijmegen, Actieprogramma inclusie 2021-2024. Iedereen doet mee!, Gemeente Nijmegen, Regenboogagenda Nijmegen 2021-2024, 2021.