Transitieplan omgevingsplan Nijmegen
Tekst van het document
Transitieplan
Op weg naar één omgevingsplan Versie 1.0 Gemeente Nijmegen
Mei 2023
Inhoudsopgave 1
Inleiding ......................................................................................................................................................................3
2
Op weg naar één omgevingsplan ..............................................................................................................................4 2.1
Doel en strategie...................................................................................................................................................4
2.2
Omvang van de opgave........................................................................................................................................4
2.3
Aanpak ..................................................................................................................................................................5
2.3.1
Drie sporen...................................................................................................................................................5
2.3.2
Hoe houden we de winkel open?................................................................................................................8
2.3.3
Hoe gaan we de regels verhuizen? .............................................................................................................9
2.4
Voorbereidingen .................................................................................................................................................13
3
Toepasbare regels ....................................................................................................................................................15
4
Planning ....................................................................................................................................................................16
5
Organisatie en ambtelijke capaciteit ......................................................................................................................17 5.1
Voorbereiding organisatie..................................................................................................................................17
5.2
Capaciteit ............................................................................................................................................................17
1 Inleiding Op 31 december 2029 moet onze gemeente over één omgevingsplan voor het hele grondgebied beschikken. Op dat moment vervalt namelijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan. We hebben dus tot 2030 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan te laten vervallen en/of over te hevelen naar het nieuwe (permanente) deel van het omgevingsplan. Ook (onderdelen van) gemeentelijke verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving moeten we voor 2030 naar het permanente omgevingsplan verhuizen. Hoewel dat nog ver weg lijkt, vinden we het belangrijk een visie op de lange termijn te hebben. In dit transitieplan gaan we hier nader op in. De uitgangspunten voor het omgevingsplan zijn door de gemeenteraad al vastgelegd in de Nota van uitgangspunten voor het omgevingsplan (deel 1 en deel 2). De transitiefase betreft de periode vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet naar verwachting op 1 januari 2024 tot het moment waarop het tijdelijke deel van het omgevingsplan vervalt. Vooralsnog is deze datum vastgesteld op 31 december 2029, maar het is niet uitgesloten dat deze in de tijd naar achteren schuift.
Dynamisch document Dit transitieplan is niet in beton gegoten. Er is veel beweging rond de invoering van de Omgevingswet en de landelijke voorziening Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is nog volop in ontwikkeling. Bovendien is de opgave waar we voor staan enorm. Dit maakt dat we op dit moment nog niet alles kunnen voorzien. Dit transitieplan is dan ook een dynamisch document dat we jaarlijks actualiseren. Zo houden we grip op de opgave (en planning) en kunnen we bijsturen waar dat nodig is.
2 Op weg naar één omgevingsplan 2.1
Doel en strategie
Ons uiteindelijke doel is te komen tot één omgevingsplan voor Nijmegen volgens de eisen van de Omgevingswet en in lijn met de Nota van uitgangspunten voor het omgevingsplan deel 1 en 2. Het in één keer opstellen van een permanent omgevingsplan dat aan alle inhoudelijke en technische eisen voldoet is een onmogelijke opgave. Om die reden hebben we gezocht naar een fasering die recht doet aan het op tijd kunnen vaststellen van het permanente omgevingsplan (nieuwe deel) en rekening houdend met de omvang van de opgave en de beschikbare c.q. benodigde (ambtelijke) capaciteit en financiële middelen van onze gemeente. Zoals eerder vermeld moet het permanente omgevingsplan voor 31 december 2029 zijn vastgesteld. Dit lijkt nog ver weg, maar de opgave waarvoor we staan is omvangrijker dan de actualisatieopgave uit 2008. Toen moesten we volgens de Wet ruimtelijke ordening voor 1 juli 2013 alle bestemmingsplannen binnen het grondgebied actualiseren en aanpassen aan de nieuwe digitale standaarden (IMRO). Dat bleek destijds – ook voor Nijmegen – een race tegen de klok. Op dit moment voldoen de meeste bestemmingsplannen aan de huidige IMROstandaarden, maar nog niet allemaal. We stellen onszelf als doel het permanente omgevingsplan medio 2029 compleet te hebben, zodat we op tijd klaar zijn en – bij eventuele tegenvallers – nog enige uitloop hebben.
2.2
Omvang van de opgave
Het permanente omgevingsplan bestaat in globale zin uit twee bouwstenen: 1. het tijdelijke omgevingsplan (zie navolgend kader); en 2. de gemeentelijke verordeningen over de fysieke leefomgeving.
Afbeelding: het permanente omgevingsplan bestaat uit twee bouwstenen: het tijdelijk omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen.
Even opfrissen: het tijdelijk omgevingsplan dat we per 1 januari 2024 van rechtswege krijgen bestaat uit drie onderdelen: 1. 2. 3.
álle ruimtelijke regels binnen de gemeente (o.a. bestemmingsplannen en beheersverordeningen); de bruidsschat (bestaande uit voormalige Rijksregels, waaronder het Activiteitenbesluit); enkele lokale verordeningen (niet van toepassing voor Nijmegen*).
* Regels over archeologische monumentenzorg zijn in Nijmegen opgenomen in de bestemmingsplannen. Daarnaast heeft Nijmegen geen geurverordening en geen verordening met regels over de afvoer van hemelwater.
Het tijdelijk omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen zullen we (stapsgewijs) moeten verhuizen naar het permanente omgevingsplan. Er geldt een aantal spelregels voor deze verhuizing: 1. de regels in het permanente omgevingsplan moeten voldoen aan nieuwe digitale standaarden (STOP/TPOD); 2. daarnaast zijn er nieuwe instructiekaders voor het omgevingsplan: het Besluit kwaliteit leefomgeving (zie Nota van Uitgangspunten deel 2) en de omgevingsverordening van de provincie Gelderland; 3. naast de digitale standaarden en de nieuwe instructiekaders van hoger hand is het de vraag in hoeverre de gemeente(raad) zelf haar regels wil aanpassen. Hiervoor kunnen globaal gesteld twee aanleidingen zijn: a. het anders reguleren en/of dereguleren; en b. beleidsmatig andere keuzes maken (in de omgevingsvisie en/of programma’s). Het verhuizen van regels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan kan per thema (bijvoorbeeld voor sectorale regels), per locatie, of een combinatie van beide.
2.3
Aanpak
2.3.1
Drie sporen
Op weg naar een volwaardig en gebiedsdekkend (permanent) omgevingsplan onderscheiden we drie sporen (zie ook de Nota van uitgangspunten deel 1): 1. 2. 3.
nieuwe gebiedsontwikkelingen; het gebiedsgericht verhuizen van het tijdelijke omgevingsplan naar het permanente (nieuwe) deel; het thematisch verhuizen van autonome gemeentelijke verordeningen en (nieuwe) beleidsregels naar het permanente (nieuwe) deel.
Spoor 1 Nieuwe gebiedsontwikkelingen • wijziging omgevingsplan voor nieuwe ontwikkelingen • Inpassen Bopa's
Spoor 2 Gebiedsgericht verhuizen tijdelijk deel
Spoor 3 Thematisch verhuizen verordeningen en beleid
• Ruimtelijke regels • Bruidsschat
• Integratie autonome verordeningen • Nieuw (of aanpassing van) beleid implementeren
Gebiedsgerichte uitwerking De ruimtelijke regels gaan we gebiedsgericht verhuizen. Dit zijn de regels die nu in onze bestemmingsplannen en beheersverordeningen zijn opgenomen. De ruimtelijke regels op een locatie kunnen alleen gezamenlijk vervallen in het tijdelijke deel. Dit betekent dat wanneer een ruimtelijke regel voor een specifieke locatie vervalt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, direct álle ruimtelijke regels voor diezelfde locatie moeten vervallen1. Het is dus niet mogelijk om voor een locatie een ruimtelijke regel te schrappen en tegelijkertijd een andere ruimtelijke regel voor diezelfde locatie te behouden. Een voorbeeld: wat niet mag
Het is niet mogelijk om voor een specifieke locatie de bestemming ‘Wonen’ te schrappen of te wijzigen en tegelijkertijd de andere regels uit het betreffende bestemmingsplan (o.a. dubbelbestemmingen en algemene bouw- en gebruiksregels) te behouden. In dat geval moeten álle bestemmingsplanregels voor de betreffende locatie in één keer naar het permanente omgevingsplan verhuisd worden. locatie in één keer naar het permanente omgevingsplan verhuisd worden. Het is wel mogelijk om de ruimtelijke regels voor de specifieke locatie te laten vervallen, maar voor andere locaties te behouden. Voor de verschillende gebieden binnen een gemeente kunnen deelplannen worden gemaakt. Als gemeente kunnen we zelf bepalen hoe groot een gebied is. We hoeven dus niet in één keer voor het hele grondgebied de regels om te zetten. Dit kunnen we ook doen per wijk of gebiedstype. Uiteindelijk zullen de verschillende deelplannen samensmelten tot één volwaardig omgevingsplan voor het hele gemeentelijke grondgebied. Een voorbeeld: wat wel mag
De ontwikkellocatie ‘Nieuw Metterswane’ valt in het bestemmingsplan ‘Nijmegen Centrum – Stationsgebied’. Het is mogelijk om de bestemmingsplanregels voor de ontwikkellocatie te laten vervallen in het tijdelijke omgevingsplan en te verhuizen naar het permanente omgevingsplan, maar de rest van het bestemmingsplan ‘Nijmegen Centrum – Stationsgebied’ te behouden. Thematische uitwerking De regels uit de gemeentelijke verordeningen kunnen themagewijs worden omgezet naar het nieuwe deel. Wel is het van belang dat er geen strijdigheid ontstaat met de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorbeelden van thematische wijzigingen die als deelplan kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan zijn de APV en de Bruidsschat, net als thema’s gebaseerd op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zoals veiligheid, gezondheid, klimaatadaptatie en de energietransitie. Anders dan nu het geval is met een facetbestemmingsplan, zal een thematische wijziging opgaan in het geconsolideerde omgevingsplan van de gemeente. Er blijft dus altijd sprake van één omgevingsplan voor het hele grondgebied van Nijmegen.
1 artikel 22.6 Ow, eerste lid
1 januari 2024 Tijdelijk omgevingsplan
Eerste herziening van het omgevingsplan voor een gebied.
Herziening van het omgevingsplan voor een thema (voor de hele gemeente).
Tweede herziening van het omgevingsplan voor een gebied.
Permanent (gebiedsdekkend) omgevingsplan voor heel Nijmegen.
31 december 2029 Afbeelding: het tijdelijke omgevingsplan bouwen we stapsgewijs uit tot een volwaardig en gebiedsdekkend (permanent) omgevingsplan.
Voorbereiding Het omgevingsplan is vormvrij. Om het tijdelijk omgevingsplan en onze gemeentelijke verordeningen netjes naar het permanente omgevingsplan te verhuizen, werken we momenteel aan een basis-omgevingsplan. Dit basisomgevingsplan bevat de contouren voor het nieuwe omgevingsplan (structuur en hoofdstukindeling) en een zo goed mogelijk gevulde bibliotheek met juridische regels, activiteiten, omgevingsnormen en gebiedsaanwijzingen. Dit basis-omgevingsplan betreft een werkdocument, is (en wordt) niet vastgesteld en heeft nog geen juridische status. Het dient uitsluitend als vertrekpunt voor nieuwe gebiedsontwikkelingen én voor het verhuizen van het tijdelijke omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen naar het permanente omgevingsplan.
2.3.2
Hoe houden we de winkel open?
We zien een groot aantal (gebieds)ontwikkelingen op ons af komen. Ontwikkelingen die in strijd zijn met het (tijdelijk) omgevingsplan kunnen straks op twee manieren mogelijk worden gemaakt: a. door het omgevingsplan te wijzigen (wijzigingsbesluit) of; b. met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Het werken met de Bopa heeft als voordeel dat de opbouw van het permanente omgevingsplan ongestoord kan plaatsvinden. Een groot nadeel van de Bopa is dat er sprake moet zijn van een concreet bouwplan en deze binnen vijf jaar moet zijn verwerkt in het omgevingsplan. Dit betekent dubbel werk. Op de langere termijn heeft het daarom onze voorkeur om ontwikkelingen zoveel mogelijk te faciliteren met een wijzigingsbesluit, waardoor het omgevingsplan direct wordt aangepast. Parallel wijzigen en besluiten In de eerste twee jaar na inwerkingtreding kiezen we er voor om kleinschalige en concrete initiatieven (waarvoor al een bouwplan is) zoveel mogelijk te faciliteren met een Bopa. Op het moment van schrijven zijn er namelijk nog altijd veel praktische (technische) onzekerheden over het wijzigen van het omgevingsplan, vooral wanneer er verschillende wijzigingen parallel aan elkaar in procedure worden gebracht. Onder de huidige wetgeving staat elk bestemmingsplan op zichzelf en functioneert los van andere plannen.
Na 1 januari 2024 hebben gemeenten echter maar één (tijdelijk) omgevingsplan. Dit betekent dat elke wijziging van dat plan, automatisch doorwerkt in de volgende wijziging. Onze planjuristen werken gelijktijdig aan tientallen wijzigingen en regelmatig worden er meerdere plannen in één raadsvergadering vastgesteld. Dit maakt het een grote uitdaging om ervoor te zorgen dat alle afzonderlijke wijzigingen een coherent en juridisch kloppend geheel blijven vormen. Zeker wanneer de Raad van State achteraf een besluit vernietigt. De onderlinge samenhang tussen de verschillende wijzigingsbesluiten en de volgorde waarin ze genomen worden noemen we ‘parallel wijzigen en besluiten’. Navolgende afbeelding laat zien hoe dit werkt. Op dit moment is er vanuit het DSO en de plansoftwareleveranciers nog geen technische oplossing voorhanden om parallel wijzigen en besluiten zorgvuldig te coördineren. Hier ligt dus nog een grote uitdaging. Daarom is het nodig om een ‘regisseur omgevingsplan’ aan te stellen, die het parallel wijzigen en besluiten - en de onderlinge afstemming die daarvoor nodig is - coördineert. Uit praktische overwegingen kiezen we er op dit moment voor om elke (gebieds)ontwikkeling in een afzonderlijk (nieuw) hoofdstuk in het omgevingsplan onder te brengen.
Dit heeft als voordeel dat de juridische regels voor een specifieke ontwikkeling2 overzichtelijk gebundeld worden in één hoofdstuk. Hierdoor kunnen de afzonderlijke wijzigingsbesluiten (zoveel mogelijk) los van elkaar functioneren en zullen ze elkaar niet ‘besmetten’. Het grote nadeel hiervan is dat we niet één integraal omgevingsplan maken, maar in feite de huidige werkwijze (met postzegelbestemmingsplannen) verkapt voortzetten. Om tot één integraal omgevingsplan te komen, moeten we de afzonderlijke besluiten (hoofdstukken) na een tijdje beleidsneutraal in het omgevingsplan integreren. Dit betekent dus net als bij de Bopa-vergunning dubbel werk. Tegelijkertijd zien we op dit moment – met de kennis van nu – geen andere oplossing, omdat het juridisch risico van parallel wijzigen en besluiten (nog) niet te overzien is. We zullen dit uiteraard continue blijven monitoren en bijsturen waar nodig. TAM-IMRO: Vanaf 1 januari is er een tijdelijk alternatieve maatregel beschikbaar: TAM-IMRO. Daarmee kunnen gemeenten op basis van de huidige IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) het omgevingsplan wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen. Juridisch gezien maak je een omgevingsplan, maar technisch gezien een bestemmingsplan. Deze TAM-IMRO plannen moeten later weer worden opgenomen in het permanente deel van het omgevingsplan.
Het heeft niet onze voorkeur gebruik te maken van TAM-IMRO, omdat we graag ervaring op doen met parallel wijzigen en besluiten. Tegelijkertijd willen we het ook niet op voorhand uitsluiten, als de komende tijd blijkt dat er op 1 januari nog te veel praktische belemmeringen zijn om een wijzigingsbesluit conform STOP-TPOD te publiceren.
2 Alle (gebieds)ontwikkelingen waarvoor nog geen uitgewerkt bouwplan is.
Afbeelding: essentieel is dat een wijziging steeds gebaseerd is op de laatst gewijzigde en vastgestelde versie van het omgevingsplan. Dit noemen we ‘parallel wijzigen en besluiten’.
We gaan de afzonderlijke hoofdstukken voor (gebieds)ontwikkelingen pas integreren als deze volledig zijn uitontwikkeld c.q. gerealiseerd, zodat we ook direct de beheersituatie kunnen vastleggen. Dit hoeft niet voor 2030, maar mag ook op een later moment. De hoofdstukken voor ontwikkelgebieden maken immers al onderdeel uit van het permanente omgevingsplan. Hoe houden we de winkel open? Met het oog op de onzekerheden rondom parallel wijzigen en besluiten… • … gaan we kleinschalige en concrete initiatieven met een Bopa faciliteren; • … worden grotere (gebieds)ontwikkelingen in een apart hoofdstuk opgenomen; • … stellen we een ‘regisseur omgevingsplan’ aan om de afzonderlijke besluiten te coördineren.
2.3.3
Hoe gaan we de regels verhuizen?
Naast het mogelijk maken van (gebieds)ontwikkelingen, staan we voor de opgave om het tijdelijk omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen te verhuizen naar het permanente omgevingsplan. Een enorme operatie die bovenop de huidige werkvoorraad komt en waarvoor we zes jaar de tijd hebben.
Gebiedsgericht verhuizen ruimtelijke regels (spoor 2) We gaan de ruimtelijke regels (bestemmingsplannen, beheersverordeningen, enz.) gebiedsgericht en stapsgewijs overzetten naar het nieuwe (permanente) omgevingsplan. Daarvoor hanteren we de volgende deelgebieden en volgorde: 1. Woongebieden en gemengde gebieden bestaande stad (inclusief Lent – Visveld en Groot Oosterhout) 2. Centrumgebieden bestaande stad (Binnenstad – Dukenburg – Hof van Holland) 3. Campusgebieden (Heijendaal en Novio Tech Campus) 4. Buitengebied en groen- en recreatiegebieden 5. Industrie- en bedrijventerreinen bestaande stad 6. Waalsprong en Winkelsteeg
We streven er naar de ruimtelijke regels voor de verschillende deelgebieden in één keer te verhuizen (met één wijzigingsbesluit). Maar als het noodzakelijk, wenselijk of efficiënter is om een deelgebied op te knippen, doen we dat. De praktijk zal moeten uitwijzen welke werkwijze de voorkeur heeft, dat is nu nog moeilijk in te schatten.
Afbeelding: globale indeling deelgebieden
Woon- en gemengde gebieden Als we het basis-omgevingsplan hebben staan, starten we direct met het opstellen van een conceptwijzigingsbesluit voor het gebiedsgericht verhuizen van de ruimtelijke regels voor de wijken BottendaalGalgenveld, Brakkenstein en Lindenholt naar het permanente omgevingsplan.
Deze wijken vormen gezamenlijk een mooie afspiegeling van de verschillende wijken in de bestaande stad en zijn daarom een goed opstapje naar de gebiedsgerichte verhuizing van alle (bestaande) woon- en gemengde gebieden. Bij het verhuizen van de woon- en gemengde gebieden nemen we ook een aantal uitontwikkelde delen van de Waalsprong mee (Lent – Visveld en Groot Oosterhout). De rest van de Waalsprong volgt later. De gebiedsgerichte verhuizing van alle woon- en gemengde gebieden hopen we binnen drie jaar na inwerkingtreding af te ronden. De wijken Bottendaal-Galgenveld, Brakkenstein en Lindenholt lopen daar dus op vooruit. Werk-, winkel- en recreatiegebieden Na de gebiedsgerichte verhuizing van de woon- en gemengde gebieden pakken we door met de centrum- en campusgebieden en parallel daaraan het buitengebied en de groen- en recreatiegebieden (o.a. Goffertpark). De campusgebieden zijn over het algemeen dynamische gebieden, waar regelmatig ontwikkelingen plaatsvinden. Dit kan aanleiding zijn om de campusgebieden (of delen daarvan) in de tijd naar voren te halen. Waarschijnlijk is dit voor het Campusgebied Heijendaal aan de orde, omdat voor dit campusgebied momenteel aan een gebiedsvisie wordt gewerkt die naar verwachting in de eerste helft van 2024 vertaald kan worden naar het omgevingsplan.
De industrie- en bedrijventerreinen (werkgebieden) schuiven we in de tijd wat verder naar achteren. Dit zijn complexe gebieden. Onder de Omgevingswet krijgen zowel overheden als bedrijven te maken met een geheel andere systematiek. De huidige werkwijze met milieucategorieën komt te vervallen, net als de term ‘inrichting’. Bovendien moet de regelgeving die nu in het Activiteitenbesluit is opgenomen (op termijn) geïntegreerd worden in het omgevingsplan. Met andere woorden; hier is nog veel werk te verzetten. Het werkt prettiger als we de systematiek van het omgevingsplan (en de techniek die daar achter zit) goed in de vingers hebben en er meer jurisprudentie is. Waalsprong en Winkelsteeg In de Waalsprong en Winkelsteeg wordt de komende jaren nog volop gebouwd. Om deze reden pakken we deze gebieden als laatste op. Hoewel grote delen van de Waalsprong inmiddels zijn gerealiseerd, gelden er voor dit gebied veel globale bestemmingsplannen, die doorgaans nog ruime bouwmogelijkheden bevatten. Dat geldt ook voor Winkelsteeg. Dit betekent dat we de ruimtelijke regels niet één-op-één kunnen verhuizen, maar toe moeten werken naar een regeling die (meer) is gericht op de beheersituatie. Dit gaat beter/gemakkelijker als deze gebieden grotendeels zijn uitontwikkeld.
Verhuizen bruidsschat De bruidsschat bevat onder meer regels over milieubelastende activiteiten en het bouwactiviteiten die nu op landelijk niveau geregeld zijn. In de Nota van uitgangspunten deel 1 hebben we afgesproken dat we de bruidsschatregels zo veel mogelijk meenemen bij het gebiedsgericht verhuizen van de ruimtelijke regels. We plaatsten wel een kanttekening: indien het wenselijk, noodzakelijk of efficiënter is delen van de bruidsschat in de andere sporen mee te laten lopen, dan doen we dat. De bruidsschat bevat onder meer regels over het bouwen, slopen en gebruiken van bouwwerken. Deze regels moeten in samenhang met de planologische regels (in onze bestemmingsplannen) bekeken worden. Daarom nemen we deze mee bij het gebiedsgerichte verhuizen van de ruimtelijke regels. Het verhuizen van deze regels zal gefaseerd plaatsvinden, per deelgebied. De bruidsschat bevat daarnaast regels over milieubelastende activiteiten. Het is wenselijk deze regels thematisch naar het permanente omgevingsplan te verhuizen (spoor 3), zodat we ze direct over de hele gemeente kunnen uitrollen. Deze thematische verhuizing schuiven we in de tijd iets naar achteren, omdat dit minder prioriteit heeft. We kunnen de regels uit de bruidsschat namelijk tot eind 2029 in stand houden, naast het gebiedsgericht verhuizen van de ruimtelijke regels.
Er is dus geen urgentie om de bruidsschatregels op korte termijn naar het permanente omgevingsplan te verhuizen, tenzij er aanleiding is om bepaalde regels uit de bruidsschat aan te scherpen, te verruimen of te laten vervallen. We nemen daarom de tijd om te bepalen op welke wijze we de bruidsschatregels ten aanzien van o.a. geur en geluid gaan vertalen naar het permanente omgevingsplan. Zoals we in de Nota van uitgangspunten deel 2 al hebben geconstateerd, hebben we hier nog wat werk te verzetten. Als we de huidige normen willen aanscherpen, zal dit bijvoorbeeld eerst zijn grondslag moeten vinden in de omgevingsvisie.
Thematisch verhuizen gemeentelijke verordeningen en beleid (spoor 3) Integreren verordeningen Op dit moment zijn ook in gemeentelijke verordeningen regels opgenomen die gaan over de fysieke leefomgeving. We onderscheiden drie categorieën: 1. Dit moet: een deel van deze regels moet overgezet worden naar het omgevingsplan. Het Omgevingsbesluit bepaalt welke regels in de gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan overgeheveld moeten worden. Dat zijn regels die dus niet in de verordening mógen achterblijven3. 2. Dit mag: er zijn ook regels die gaan over de fysieke leefomgeving en die naar het omgevingsplan mogen. 3. Dit mag niet: tenslotte zijn er nog regels die niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Er is dus sprake van drie categorieën: regels die ‘niet mogen’, ‘mogen’ en ‘moeten’. Tot 2030 is het wel toegestaan om de gemeentelijke verordeningen te wijzigen, zonder de wijziging in het nieuwe deel van het omgevingsplan op te nemen. In de Nota van Uitgangspunten deel 1 zijn de regels benoemd die medio 2022 in gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen, én waarvan is beoordeeld dat deze voor 2030 in het omgevingsplan moeten staan. De voorbereidingen voor het gefaseerd en thematisch verhuizen van de regels uit de gemeentelijke verordeningen naar het permanente omgevingsplan starten in 2024.
Het eerste wijzigingsbesluit (het daadwerkelijk verhuizen van de regels) verwachten we echter niet voor medio 2025. We vinden het namelijk belangrijk dat de structuur en opbouw van het permanente omgevingsplan volledig is uitgekristalliseerd, voordat we de gemeentelijke verordeningen naar het permanente omgevingsplan verhuizen. We volgen hierbij zoveel mogelijk de volgorde zoals opgenomen in de Nota van Uitganspunten deel 1. Het kan zijn dat zich eerder een ‘natuurlijk’ moment aandient (bijvoorbeeld omdat de verordening geactualiseerd moet worden) of er een concrete aanleiding is om (delen van) een gemeentelijke verordening al eerder naar het permanente deel te verhuizen. Als dat aan de orde is, zullen we dat uiteraard doen. Even opfrissen: in de Nota van Uitgangspunten deel 1 hebben we de volgende prioriteit afgesproken: Prio 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
Thema/activiteit objectvergunning kapvergunning aanwijzen monumenten reclamevergunning inritvergunning ligplaatsvergunning instemmingsbesluit AVOI aanleg, veranderen weg ontheffing van verbod objecten onder hoogspanningslijn aanwijzen van crossterreinen aanwijzen locaties voor nachtverblijf regels m.b.t. bestaande bodemsanering
Verordening 2:10 APV 4:11 APV Erfgoedverordening 4:15 APV 2:12 APV 2.2 Haven en kadeverordening 10 AVOI 2:11 APV 2:22 AVP 5:32 APV 4.19 APV Verordening bodembescherming
Thematische wijzigingen Voor een aantal onderwerpen is een thematische verhuizing naar het permanente omgevingsplan gewenst, bijvoorbeeld omdat er na inwerkingtreding sprake is van enkele leemten in de regelgeving (o.a. bodem), behoefte is aan uniformiteit (o.a. voor evenementen) of om nieuw beleid te implementeren (o.a. gezondheid en klimaatadaptatie). Op dit moment voorzien we al een aantal thematische wijzigingen, maar er zullen de komende tijd vermoedelijk meer thematische wijzigingen volgen die we nu nog niet in beeld hebben. Uit de actualisatie van de omgevingsvisie kunnen bijvoorbeeld nieuwe doelen of opgaven komen, die vragen om regelgeving in het omgevingsplan.
3 artikel 2.1 Omgevingsbesluit
Op dit moment verwachten we de volgende thematische wijzigingen: -
-
-
2.4
Evenementen: het beleid voor evenementen is versnipperd en slechts deels in onze bestemmingsplannen verankerd. Met de Omgevingswet ontstaat de mogelijkheid dit duidelijk en gemeentebreed te regelen in het omgevingsplan. Bodem; voor bodem ontstaan er na 1 januari enkele leemten in de regelgeving. Daarom willen we graag kort na inwerkingtreding een wijzigingsbesluit nemen om bodemgevoelige locaties aan te wijzen, normen aan te vullen of aan te passen. Daarnaast moet op basis van instructieregels van het Rijk de deelgebieden uit de bodembeheernota 2021 als bodembeheergebieden worden aangewezen in het omgevingsplan. Natuurinclusief bouwen: er wordt gewerkt aan een gemeentebrede toolbox voor natuurinclusief bouwen. Om dit juridisch afdwingbaar te maken, is het wenselijk regels op te nemen in het omgevingsplan. Omgevingsveiligheid: we actualiseren het externe veiligheidsbeleid naar omgevingsveiligheid en vertalen dit waar nodig naar juridische regels in het omgevingsplan. Bebouwingscontouren jacht en houtkap: deze halen we naar voren voor een beter dienstverleningsniveau.
Voorbereidingen
Een goede voorbereiding is het halve werk. Om een vliegende start te maken als de Omgevingswet in werking treedt, treffen we dit jaar de volgende voorbereidingen: •
Opstellen basis-omgevingsplan; vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn we in het eerste kwartaal van 2023 gestart met het opstellen van een basis-omgevingsplan. Dit basisomgevingsplan vormt het vertrekpunt voor het permanente omgevingsplan dat we vanaf 1 januari 2024 gaan vormgeven. Dit doen we aan de hand van het casco voor het omgevingsplan (met geïntegreerde staalkaarten) van de VNG. In het basis-omgevingsplan zetten we de hoofdlijnen voor het permanente omgevingsplan uit. Anders dan onze huidige bestemmingsplannen, is het omgevingsplan vormvrij. We willen daarom eerst een functioneel en duurzaam raamwerk neerzetten. Om dit raamwerk te testen, nemen we ook direct een aantal juridische regels op. Voor de inhoud van deze regels dient het bestemmingsplan ‘Bottendaal – Galgenveld’ als basis. Zo krijgen we meer grip op de opgave, doen we waardevolle ervaring op en bereiden we ons tegelijkertijd voor op de eerste gebiedsgerichte uitwerking. Bovendien hebben we ook een basis nodig voor nieuwe gebiedsontwikkelingen, die na inwerkingtreding direct gaan komen.
•
Opstellen juridische regels bouwen; de concept-regels voor het bouwen (bouwactiviteiten) willen we graag vóór inwerkingtreding van het omgevingsplan op hoofdlijnen gereed hebben. Op deze manier beschikken we over een goed vertrekpunt voor het gebiedsgericht overzetten van de ruimtelijke regels naar het permanente deel én voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. De regels voor het bouwen zijn nu nog versnipperd. In elk bestemmingsplan zijn vergelijkbare regels opgenomen, maar deze zijn soms net anders geformuleerd. Daarnaast komt een deel van het vergunningvrij bouwen via de bruidsschat terug naar gemeenten en vervalt de kruimelgevallenregeling. We werken daarom toe naar meer uniforme bouwregels die (op termijn) gaan gelden voor de hele gemeente. De regels voor het bouwen zetten we beleidsneutraal om. Dit betekent dat vergunningplichten blijven gelden. Wel kan het opstellen van toepasbare regels (zie hoofdstuk 3) ertoe leiden dat we bepaalde bouwregels anders moeten formuleren of vereenvoudigen.
•
Testen met publiceren; in het tweede en derde kwartaal van dit jaar gaan we oefenen met het publiceren van het basis-omgevingsplan om ervaring op te doen en eventuele fouten op te sporen.
•
Opstellen handboek omgevingsplan voor externen; de tweede helft van 2023 stellen we een handboek op voor externen. Een groot deel van onze huidige bestemmingsplannen stellen we in eigen beheer op, maar een aantal ontwikkelingsgerichte plannen besteden we uit aan stedenbouwkundige bureaus. Als we deze werkwijze na 1 januari 2024 willen voortzetten, is het nodig een handboek met richtlijnen op te stellen. We vinden het namelijk belangrijk aan de voorkant goed na te denken over de rolverdeling tussen de ambtelijke organisatie en stedenbouwkundige bureaus, vooral omdat zij rechtstreeks wijzigingen aanbrengen in het permanente omgevingsplan. In het handboek leggen we in ieder geval vast wat de rol
van stedenbouwkundige bureaus is, op welke wijze zij (geo)informatie moeten aanleveren en aan welke minimale eisen het wijzigingsbesluit (wijziging omgevingsplan) moet voldoen. Met name het annoteren4 van de regels – een nieuwe discipline onder de Omgevingswet – vraagt om gemeentelijke sturing en toezicht. Hetzelfde geldt voor het beheren van de geometrie. In het handboek spreken we af hoe we hiermee omgaan. Het handboek wordt ter besluitvorming aan het college voorgelegd. •
Oefenen met wijzigen van het omgevingsplan; op dit moment is de landelijke voorziening en plansoftware nog niet gereed om te oefenen met het wijzigingen van het (permanente) omgevingsplan. Voorwaarde voor de invoering van de Omgevingswet is dat de techniek tenminste een half jaar vóór inwerkingtreding gereed moet zijn. We gaan ervan uit dat het wijzigen van het omgevingsplan in de tweede helft van dit jaar ondersteunt wordt door de plansoftware en het DSO, zodat we hier in het derde en vierde kwartaal mee kunnen oefenen. We benutten de tweede helft van dit jaar om de gevolgen voor het besluitvormingsproces in beeld te brengen. We gaan na welke impact de nieuwe werkwijze heeft op het besluitvormingsproces. Vragen die hierbij aan bod komen zijn bijvoorbeeld: o Hoe gaan we om met de parallel wijzigen en besluiten? En wat betekent dit voor het besluitvormingsproces? o Hoe kan de raad inzage krijgen in wat zij vaststellen (visualiseren van het voorstel in het DSO) en op welke wijze kunnen belanghebbenden inzage krijgen?
Geometrie op orde De plansoftware biedt de mogelijkheid geometrie uit de geldende bestemmingsplannen in te laden, waarna deze kunnen worden omgezet in zogenaamde werkingsgebieden. Een groot deel van onze bestemmingsplannen is echter getekend op basis van de GBKN1-ondergrond, terwijl de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) de huidige én toekomstige standaard is. Daarnaast zijn kleine delen van Nijmegen-Noord nog niet gedigitaliseerd. Voor deze gebieden is dus nog geen (of slechts beperkt) geometrie beschikbaar. Om na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voortvarend van start te gaan met de gebiedsgerichte uitwerking maken we in de aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet een inventarisatie van onze geometrie. We controleren de geo-objecten uit de geldende bestemmingsplannen op juistheid en maken inzichtelijk voor welke gebieden (nog) geen geometrie voor handen is. In Nijmegen zijn er namelijk nog enkele beheersverordeningen van kracht, waar bestemmingsplannen uit de jaren ’80 en ’90 onder liggen. Deze zijn nog niet gedigitaliseerd. Waarom is het belangrijk de geometrie op orde te hebben? In het DSO vormt de BGT de zichtbare onderlegger voor het omgevingsplan. De praktijk leert dat de BGT op onderdelen afwijkt van de GBKN-ondergrond. In de regel gaat het om minimale verschillen, maar in een aantal gevallen zijn deze afwijkingen significant.
Deze afwijkingen – groot of klein – zijn ook voor de burger zichtbaar wanneer via het omgevingsloket ‘Regels op de kaart’ worden geraadpleegd. Om interpretatieverschillen te voorkomen is het wenselijk dat de toekomstige werkingsgebieden naadloos aansluiten op de BGT. 1 Grootschalige basiskaart van Nederland
4 Door te annoteren voeg je kenmerken (labels) toe aan een juridische regel. Hiermee wordt duidelijk waar de regel van toepassing is en
waarover deze gaat. Het annoteren van regels is een voorwaarde om toepasbare regels te kunnen maken. Meer hierover staat in het eerste deel van de Nota van uitgangspunten voor het omgevingsplan.
3 Toepasbare regels Toepasbare regels zijn duidelijke en begrijpelijke vertalingen van juridische regels. De gemeente maakt toepasbare regels voor het Omgevingsloket. Daar kunnen burgers en bedrijven checken of ze een vergunning moeten aanvragen voor hun plan of initiatief. Dat doen ze door een vragenboom te doorlopen. Toepasbare regels dragen zo bij aan de digitale dienstverlening van de gemeente voor burgers en bedrijven. De gemeente maakt alleen toepasbare regels voor haar eigen juridische regels. Het Rijk, het waterschap en de provincie maken ook toepasbare regels voor het Omgevingsloket. Even opfrissen: in de Nota van Uitgangspunten deel 1 hebben we het volgende afgesproken: • We beginnen met het maken toepasbare regels voor activiteiten die veel voorkomen. • Daarna volgen ook andere activiteiten, alleen als dit effectief is. • Voor een beperkt aantal regels uit de bruidsschat is een aanvulling van de gemeente nodig, het streven is om die voor inwerkingtreding van de wet aan te vullen.
Toepasbare regels in het Omgevingsloket In het Omgevingsloket komen toepasbare regels voor bij drie onderdelen: ‘vergunningcheck’, ‘aanvragen’ en ‘maatregelen op maat’. Bij de vergunningcheck kunnen burgers en bedrijven controleren of ze hun plan op een bepaalde locatie mogen uitvoeren. Dit doen ze door een vragenboom te doorlopen. Als hieruit volgt dat er een vergunning-, melding- of informatieplicht geldt, kunnen zij direct een aanvraagformulier invullen. Via toepasbare regels vraagt de gemeente bij dit onderdeel de zogenaamde indieningsvereisten. Dit is informatie die de gemeente nodig heeft om de vergunning, melding of informatieplicht te beoordelen. Bij het onderdeel maatregelen op maat kunnen burgers en bedrijven controleren welke maatregelen ze moeten nemen bij het uitvoeren van een activiteit. Via toepasbare regels laat de gemeente de regels en voorschriften op maat zien voor de activiteiten die de aanvrager wil uitoefenen. Geen wettelijke verplichting, wel minimale acties Het aanbieden van toepasbare regels is geen wettelijke verplichting. De VNG adviseert wel twee minimale eisen: 1. toepasbare regels maken voor de indieningsvereisten voor het onderdeel ‘aanvragen’. Initiatiefnemers kunnen zo via het Omgevingsloket een vergunningaanvraag indienen, melding doen of informatie aanleveren, afhankelijk van de lokale regels. 2.
ervoor zorgen dat het huidige dienstverleningsniveau gelijk blijft. Dat betekent dat de gemeente rekening moet houden met bijvoorbeeld aanvullende of andere lokale indieningsvereisten in lokale verordeningen en vergunningschecks of lokale indieningsvereisten in het huidige Omgevingsloket online (OLO). Toepasbare regels voor topactiviteiten Om het dienstverleningsniveau te verbeteren, willen we in ieder geval toepasbare regels maken voor de gemeentelijke topactiviteiten. Dat zijn activiteiten waarvoor de meeste aanvragen of meldingen worden gedaan, zoals het kappen van een boom. Voor die activiteiten zijn vergunningchecks erg nuttig, omdat ze de gebruiker direct vertellen wat wel en niet mag. In overleg met de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) stellen we een overzicht op van de gemeentelijke topactiviteiten. Het is trouwens niet effectief om voor alle activiteiten toepasbare regels te maken. Sommige activiteiten komen maar weinig voor of zijn erg complex. Daarnaast is het voor sommige activiteiten lastig om een vragenboom te doorlopen, bijvoorbeeld wanneer een juridische regel een open norm bevat. De conclusie van een vergunningcheck is dan ‘neem contact op met de gemeente’. Maken en beheren van toepasbare regels Het maken en/of beheren van toepasbare regels loopt parallel aan de verhuizing van regels naar het permanente omgevingsplan.
Er is namelijk een duidelijke wisselwerking tussen het opstellen van de juridische regels in het omgevingsplan en de toepasbare regels. Daarom is het logisch de planning van de verhuizing te volgen. Juridische regels moeten toepasbaar gemaakt kúnnen worden. Alleen dan verbetert de dienstverlening. Dit kan ertoe leiden dat juridische regels anders of duidelijker geformuleerd moeten worden. Toepasbare regels worden, in tegenstelling tot juridische regels, niet vastgesteld en hebben geen juridische status. We richten een proces in waarbij toepasbare regels op kwaliteit worden getest, zowel inhoudelijk als op gebruiksvriendelijkheid, voordat ze gepubliceerd worden. Mocht er onverhoopt toch een fout in de vragenboom zitten, dan bevat het omgevingsloket altijd een disclaimer. Aan het omgevingsloket kunnen dan ook geen rechten ontleend worden.
4 Planning Op basis van onze ervaringen met de actualisatieopgave onder de Wet ruimtelijke ordening verwachten we dat het gebiedsgericht verhuizen van de ruimtelijke regels (bestemmingsplannen) naar het permanente deel per deelgebied anderhalf tot twee jaar in beslag neemt (van inventarisatie – via participatie – naar vaststelling). Dit zal per deelgebied verschillen afhankelijk van de actualiteit van de nu geldende bestemmingsplannen, de omvang (en complexiteit) van de gebieden en de ervaring die we in de loop van de tijd opdoen met het verhuizen van de ruimtelijke regels naar het permanente omgevingsplan. Het eerste (gebiedsgerichte) omgevingsplan vergt waarschijnlijk meer tijd, omdat het omgevingsplan voor onze organisatie een nieuw instrument is. Vanaf 2025 starten we met het thematisch verhuizen van delen van de Bruidsschat en de gemeentelijke verordeningen over de fysieke leefomgeving. Voor de verhuizing van deze bouwstenen nemen we twee tot drie jaar de tijd. Als er aanleiding bestaat (delen van de) bruidsschat of lokale verordeningen eerder naar het permanente deel te verhuizen, zullen we dat uiteraard doen. We streven er naar medio 2029 over een permanent en gebiedsdekkend omgevingsplan te beschikken. Als we mogelijkheden zien om te versnellen, grijpen we dat met beide handen aan. Hoe sneller we over een permanent omgevingsplan beschikken, hoe beter.
Wanneer we over een permanent omgevingsplan beschikken kunnen we ontwikkelingen efficiënter faciliteren. Weggezet in de tijd ziet de planning voor de transitiefase er als volgt uit: Gebiedsgericht 0. Bottendaal-Galgenveld, Brakkenstein en Lindenholt 1. Woon- en gemengde gebieden 2. Centrumgebieden bestaande stad 3. Campusgebieden 4. Buitengebied en groengebieden 5. Industrie- en bedrijventerreinen bestaande stad 6. Waalsprong en Waalfront Bruidsschat (bouwen, slopen en gebruiken)
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Thematisch Bruidsschat (milieuregels) Autonome gemeentelijke verordeningen
Geplande inwerkingtreding Ow (1 januari 2024)
Tot hier hebben we de tijd.
5 Organisatie en ambtelijke capaciteit 5.1
Voorbereiding organisatie
De aanloop naar en het opstellen van een permanent en gebiedsdekkend omgevingsplan is een omvangrijke opgave die fors ingrijpt op onze huidige werkprocessen. Het opstellen van een omgevingsplan is nieuw, voor de meesten onbekend (een pad dat we nog niet eerder bewandeld hebben) en op bepaalde vlakken ook nog steeds onzeker. Dit betekent dat er soms iets mis zal gaan en bijsturen noodzakelijk is. Dat is niet erg, zolang daar ruimte voor is (in tijd, maar vooral in acceptatie). Wat het daarnaast complex maakt is dat (gebieds)ontwikkelingen gewoon doorgaan en ook de behoefte zal zijn om de regels voor bepaalde thema’s zoals duurzaamheid aan te scherpen. De relevante teams (o.a. planjuristen, stedenbouwkundigen en verschillende vakdisciplines) in onze organisatie worden via interactieve werksessies betrokken bij het proces om te komen tot een gebiedsdekkend omgevingsplan. Hiervoor moet in de tweede helft van 2023 tijd en ruimte voor worden vrijgemaakt. De planjuristen moeten opgeleid worden en vertrouwd raken met de nieuwe plansoftware en systematiek, zodat zij ook na 1 januari 2024 hun huidige werkzaamheden kunnen voortzetten. Dit vraagt om een intensief opleidingstraject. Ook de collega’s die adviseren vanuit hun vakdiscipline bij bestemmingsplannen, moeten het omgevingsplan straks begrijpen. Hetzelfde geldt voor projectleiders en ontwikkelaars.
Daarnaast halen we waar nodig kennis op buiten de organisatie en delen we deze met elkaar. Dat is enerzijds kennis op vakinhoudelijk gebied, maar ook kennis over de technische aspecten van het omgevingsplan en het maken van (fundamentele) keuzes bij het neerzetten van een goed basis-omgevingsplan (casco) waar we de komende jaren op kunnen voortborduren.
5.2
Capaciteit
In de aanloop naar de transitiefase voorzien we knelpunten in de capaciteit binnen onze organisatie, vooral bij de planjuristen. We prioriteren nu al als het gaat om nieuwe ontwikkelingen (ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen). Daar komt bij dat alle planjuristen in de tweede helft van 2023 opgeleid moeten worden én het opstellen van het permanente (gebiedsdekkende) omgevingsplan ook capaciteit vraagt. Het opstellen van bestemmingsplannen is voor de planjuristen routine en projectleiders en ontwikkelaars weten hoe ze een bestemmingsplan moeten lezen en interpreteren. Het opstellen van een omgevingsplan betreft daarentegen een complexe opgave, die bovendien vraagt om een andere manier van denken. Het gaat om het daadwerkelijk inleven en doorgronden van de doelen die we in een gebied nastreven en de mate waarin regels deze doelen kunnen ondersteunen. Vervolgens moeten deze juridische regels vertaald worden naar een leesbaar omgevingsplan, dat digitaal ontsloten wordt en met behulp van toepasbare regels door mensen bevraagd kan worden. Dit betreft een hele nieuwe werkwijze. Regelanalist: onlangs heeft Nijmegen een regelanalist aangetrokken. De regelanalist is – in samenspraak met de beleidsadviseurs, planjuristen, vergunningverleners en handhavers – verantwoordelijk voor het opstellen en beheren van toepasbare regels.
De regelanalist geeft bovendien sturing aan het maken van de juridische regels, omdat deze met elkaar verweven zijn. Regisseur omgevingsplan: de (complexe) samenloop van wijzigingsbesluiten en de mate waarin deze met elkaar verweven zijn (parallel wijzigen en besluiten), dwingt ons ertoe een coördinator voor het omgevingsplan aan te stellen. Deze regisseur monitort alle lopende wijzigingen van de drie sporen: nieuwe gebiedsontwikkelingen, gebiedsgerichte wijzigingen voor verhuizen tijdelijk deel en de thematische wijzigingen. De regisseur stuurt hierin en waakt er bijvoorbeeld voor dat de raad niet onbedoeld twee keer dezelfde regel uit het omgevingsplan wijzigt. Hij of zij registreert de verleende Bopa-vergunningen en zorgt dat deze op tijd in het omgevingsplan worden verwerkt. De regisseur is de schakel tussen de planjuristen (die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van het wijzigingsbesluit) en het bestuur.
Ontwikkelingen gaan door Inmiddels is duidelijk dat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking treedt. Dit betekent dat we na 1 september 2023 geen nieuwe bestemmingsplantrajecten meer opstarten. Vanaf dat moment gaan we wijzigingsbesluiten voor het omgevingsplan en Bopa’s voorbereiden. We moeten dus bepalen welke ontwikkelingen nog met een bestemmingsplan worden gefaciliteerd en welke niet. Dit betekent ook dat de werkzaamheden van de regisseur vanaf september geleidelijk beginnen. Ook na 1 januari 2024 moet de winkel openblijven, ontwikkelingen gaan gewoon door. Het faciliteren van (gebieds)ontwikkelingen en implementeren van nieuw beleid behoort tot onze reguliere werkzaamheden. Tegelijkertijd constateren we dat het opstellen van een wijzigingsbesluit (wijziging omgevingsplan) in de eerste jaren na inwerkingtreding meer tijd zal vragen dan een huidige bestemmingsplanwijziging, omdat het werken met het omgevingsplan nieuw is. De capaciteit komt daardoor verder onder druk te staan. Prioriteren van nieuwe ontwikkelingen blijft daarom nodig en wordt nog urgenter. Het prioriteren van projecten is geen onderdeel van dit transitieplan. Bouwen aan het permanente omgevingsplan Het opstellen van het permanente omgevingsplan betreft een omvangrijke opgave, die we moeten uitvoeren naast de reguliere werkzaamheden.
Het verhuizen van de ruimtelijke regels en de bruidsschat (spoor 2) legt een extra claim op de toch al beperkte capaciteit bij de planjuristen. We verwachten we op dit moment tenminste 3 tot 4 Fte nodig te hebben voor de periode tot en met 2029 (2 planjuristen en 1-2 tekenaars). Dit betreft een voorlopige inschatting die we misschien tussentijds naar boven of beneden moeten bijstellen. Daarbij gaan we ervan uit dat we het omgevingsplan geheel in eigen beheer opstellen. Het verhuizen van de gemeentelijke verordeningen naar het permanente omgevingsplan (thematische wijziging, spoor 3) wordt vanuit afdeling VJB, team Juridische zaken opgepakt. Fte Transitieperiode (tijdelijk) Planjurist Tekenaar Structureel Regisseur omgevingsplan Regelanalist/-beheerder
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030 en later
2 1,5
2 1,5
2 1
2 1
2 1
2 1
n.t.b. n.t.b.
1 1
1 1
1 1
1 1
1 0,5
1 0,5
1 0,5
Tabel: overzicht benodigde capaciteit transitiefase
Budget: deze coalitieperiode is er voor drie jaar geld vrijgemaakt voor de invoering van de Omgevingswet en participatie. Het gaat in om een bedrag van 8 ton per jaar tot 2026. De kosten die gemaakt worden zijn vooral ambtelijke capaciteit, in de rol van een projectleider, planjurist, regelanalist en stedenbouwkundig tekenaar. Daarnaast is er budget voor ICT (plansoftware), communicatie en opleiding. De komende jaren tot en met 2029 zal er budget nodig blijven om tot één omgevingsplan te kunnen komen. Daarbij gaat het om een bedrag tussen de 5 en 6 ton.