Toolbox Natuurinclusief Bouwen, leidraad gemeente Nijmegen, november 2023
Tekst van het document
Toolbox natuurinclusief bouwen Leidraad gemeente Nijmegen November 2023
www.nijmegen.nl
1
Colofon Toolbox natuurinclusief bouwen, Leidraad gemeente Nijmegen November 2023 Contactpersonen Joep van Belkom stadsecoloog M +31631020653 E j.van.belkom@nijmegen.nl Tanja Martens adviseur groen en natuur M +31629004990 E t.martens@nijmegen.nl
Gemeente Nijmegen Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen Postbus 9105 6500 HG Nijmegen www.nijmegen.nl
Foto’s: Joep van Belkom Vormgeving: Colet Falke
2
Inhoud 1 Inleiding 5 1.1 Waar doen we het voor
5
1.2 Samenhang met andere gemeentelijke ambities
6
1.3 Toelichting leidraad 6 1.4 Proces 7
2 Leidraad natuurinclusief bouwen
9
Stap 1 – Locatieaanduiding 9 Stap 2 – Type ontwikkeling
10
Stap 3 – Omvang initiatief
10
Stap 4 – Verblijfplaatsen gebouwbewonende soorten
10
Stap 5 – Natuurinclusieve maatregelen doelsoorten
12
Stap 6 – Rapportage 15
3 Wijze van toetsing 17
Bijlagen 19 Bijlage A Definities
19
Bijlage B Format rapportage
22
Bijlage C Afwijkingen
24
Bijlage D Gehanteerde uitgangspunten
25
Bijlage E Gerelateerde doelstellingen en baten van groen
26
Bijlage F Richtlijnen voor verblijfplaatsen
29
Bijlage G Matrix doelsoorten en natuurinclusieve maatregelen 32
3
Bijlage H Mogelijke natuurinclusieve maatregelen
35
Bijlage I
Informatie over doelsoorten
42
Bijlage J Samenvatting
67
4
1
Inleiding 1.1 Waar doen we het voor De gemeente Nijmegen hecht grote waarde aan een prettige leefomgeving. Voor haar burgers, maar ook voor de flora en fauna in de omgeving. Uitgangspunt uit de omgevingsvisie (Omgevingsvisie Nijmegen 2020-2040) is: we nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor ‘natuurinclusief bouwen’. Om natuurinclusief bouwen beter te implementeren is de “Toolbox natuurinclusief bouwen, leidraad voor de gemeente Nijmegen” (verder benoemd als Toolbox nib Nijmegen) opgesteld. Nijmegen is de stad aan de Waal met het meeste aantal inwoners van de Provincie Gelderland. Een stad die blijft groeien en daarmee een opgave heeft om voldoende woningen en een prettige leefomgeving te realiseren. Dat doen we samen met bewoners, ondernemers, woningbouworganisaties, zorg- en welzijnsorganisaties en andere belanghebbenden. Daarbij is één van de uitgangspunten groen en natuurinclusief. Vanuit dit uitgangspunt is dit document tot stand gekomen: een natuurinclusieve aanpak waar biodiversiteit vanaf het begin van het (ontwerp)proces integraal wordt meegenomen als onderdeel van de opgave. Hierin staat het dier en zijn leefomgeving centraal.
Met de Toolbox Nijmegen krijgt biodiversiteit een volwaardige plek in het integrale ontwerpproces, wordt er nagedacht over het natuurlijk systeem en dragen we gezamenlijk bij aan het behoud en versterking van bedreigde, maar ook de meer algemene planten diersoorten. Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten die er zijn. Ook voor de mens is biodiversiteit van groot belang; voor ons welzijn, een goede ontwikkeling van gewassen en het voorkomen van ziekten en plagen. Variatie is belangrijk voor evenwicht in de natuur en maakt haar minder kwetsbaar. We maken er immers onderdeel van uit. Voor een stabiel evenwicht is naast variatie ook robuustheid van belang. Dat betekent dat populaties groot genoeg dienen te zijn om negatieve effecten op te kunnen vangen. Door populaties onderling te verbinden via een netwerk ontstaat robuustheid. Met het natuurinclusief bouwen werken we aan het versterken van de stedelijke biodiversiteit ѐn vergroten we de belevingswaarde voor de bewoners.
5
1.2 Samenhang met andere gemeentelijke ambities
waaruit moet worden gekozen. Deze doelsoorten geven
Met de groenmaatregelen uit de Toolbox Nijmegen leveren
van natuurinclusieve maatregelen (zowel gebouw- als
we tevens een bijdrage aan het tegengaan van hittestress,
grondgebonden). Hiermee sturen we op onderlinge
wateroverlast en droogte. Klimaatadaptieve maatregelen
samenhang tussen maatregelen die aansluit op de behoeftes
moeten bijdragen aan het terugdringen of tenminste
van een doelsoort. De zogenoemde 4 V’s.
beheersbaar houden van de effecten van klimaatverandering.
richting aan de keuzes die worden gemaakt bij de toepassing
Deze maatregelen hebben tevens grote invloed op de
Vier V’s
leefbaarheid. De wijze waarop de natuurinclusieve
Iedere doelsoort vertegenwoordigt een specifieke leefgebied
maatregelen bijdragen aan de klimaatadaptieve ambities
waarvoor vaste richtlijnen worden meegeven verdeeld over
wordt afgebeeld met pictogrammen bij de maatregelen (zie
de zogenoemde 4 V’s. De 4 V’s staan voor de functies Voedsel,
ook bijlage E en H).
Voortplanting, Veiligheid en Verbinding waaraan moet worden
Groen en biodiversiteit dragen ook bij aan een gezonde
voldaan om geschikt te zijn als leefgebied. Daarmee is iedere
leefomgeving. Vanwege deze brede samenhang wordt dit
doelsoort een goede indicator voor een gezonde staat van
aspect niet apart per maatregel benoemd.
het betreffende leefgebied. Wanneer het leefgebied voor de doelsoort op orde is, profiteren er talloze andere soorten van mee. De vereiste inspanning wordt bepaald o.b.v. kavelgrootte
1.3 Toelichting leidraad
(bij nieuwbouw) en omvang van de ingreep (bij bestaande
Nieuwbouw en bestaande bouw
bouw). Hoe groter een kavel, des te meer doelsoorten dienen
De Toolbox Nijmegen is van toepassing op zowel nieuwbouw
te worden geselecteerd. Daarbij is het van belang dat de
als bestaande bouw en daarbij is de focus tweeledig: 1. de
doelsoorten een verschillend leefgebied vertegenwoordigen
gebouwen en 2. de omgeving daaromheen. Enerzijds richt de
(zie figuur 4 in hoofdstuk2). Dit versterkt de gebiedseigen
toolbox zich op het realiseren van geschikte verblijfruimtes
biodiversiteit.
in een gebouw voor gebouwbewonende diersoorten (zie stap 4 in hoofdstuk 2). Anderzijds richt de toolbox zich op het
Bestaande waarden behouden
realiseren van een geschikte leefomgeving voor doelsoorten.
Het behouden van bestaande natuurwaarden en kwaliteiten
Doelsoorten zijn dieren en planten die een specifiek leefgebied
is zeer wenselijk en van grote meerwaarde voor flora en fauna.
vertegenwoordigen. Op de maatregelen die getroffen worden
Bestaande verblijfplaatsen en groenelementen, die voldoen
voor de doelsoorten liften andere dier- en plantsoorten mee
aan de gestelde eisen, kunnen bij behoud in mindering
(zie de toelichting bij stap 5 in hoofdstuk 2).
worden gebracht op de opgave. Met behoud van bestaande elementen kan dus (deels) invulling worden gegeven aan de
Gebiedspecifiek
opgave uit de toolbox.
Voor het realiseren van een geschikte leefomgeving voor
Voor bestaande (gebouwde) inrichting is de Omgevingswet (tot
plant- en diersoorten is gekozen voor een gebiedspecifieke
1 januari 2024 de Wet Natuurbescherming) van toepassing. Die
aanpak waarbij een diversiteit aan natuurinclusieve
ziet toe op bescherming van bepaalde dier- en plantensoorten.
maatregelen wordt gestimuleerd. Hiervoor is Nijmegen
Bevoegd gezag hiervoor is de provincie. De Toolbox Nijmegen
opgedeeld in 9 deelgebieden (zie stap 1 in hoofdstuk 2).
is een lokale ‘plus’ die de gemeente oplegt. Een eventuele
Ieder deelgebied bevat een selectie aan doelsoorten. De
verplichting vanuit de wetgeving kan in mindering worden
locatie van een initiatief is bepalend voor de doelsoorten
gebracht op de opgave vanuit de Toolbox Nijmegen.
6
waar ook de openbare ruimte mee wordt ontwikkeld, is het
1.4 Proces
onder voorwaarden mogelijk om het plangebied geheel te
Ontwerp Natuurinclusiviteit dient vanaf het allereerste begin in het ontwerpproces meegenomen te worden. Op deze manier kunnen we zorgen voor de beste condities voor de soorten en tegelijkertijd kosten-efficiënt werken. In het begin van het proces is het nog mogelijk om rekening te houden met factoren zoals bezonning, afstand tot aanwezige (groen-) elementen, barrières enz. De richtlijnen waaraan de leefgebieden moeten voldoen zijn vermeld in de bijlagen. Het is zeer wenselijk om een ecoloog bij de planvorming en
zien als tijdelijk eigen terrein. In uitzonderlijke situaties kan het zich voordoen dat de natuurinclusieve maatregelen niet geheel (op eigen terrein) gerealiseerd kunnen worden. Dit zijn de zogenaamde afwijkingen. De initiatiefnemer moet dan aantonen dat hij zich redelijkerwijs voldoende heeft ingezet om de volgens de geldende norm benodigde natuurinclusieve maatregelen te kunnen realiseren. Zie bijlage C voor de wijze waarop de afwijking moet worden onderbouwd: 1.
samenwerken en zo een integraal natuurinclusief ontwerp
uitvoeringsfase te betrekken. Bij grotere ontwikkelingen en plannen met een kavelgrootte van meer dan 2.000 m2 is dit verplicht.
De initiatiefnemer kan met aangrenzende partijen maken.
2.
De initiatiefnemer kan onder bepaalde voorwaarden de openbare ruimte betrekken bij het plan. Dit laatste slechts in uitzonderlijke situaties en in overleg met de gemeente.
Vergunning De initiatiefnemer wordt bij de inwerkingtreding van de beleidsregel natuurinclusief bouwen in het Omgevingsplan bij de fysieke balie en de vergunningcheck op de hoogte gebracht van de werkwijze en verplichting van de Toolbox Nijmegen. Tijdens het proces om te komen tot een vergunningverlening is er de mogelijkheid om de gemeente mee te laten kijken met de plannen. Dit kan in de vorm van vooroverleg of wanneer het initiatief in strijd is met het omgevingsplan tijdens de zogenaamde ‘omgevingstafel’. In de Toolbox Nijmegen wordt een norm meegegeven waaraan moet worden voldaan. Voor de wijze waarop aan de norm word voldaan is alle keuzevrijheid. De natuurinclusieve maatregelen uit de Toolbox Nijmegen (zie ook bijlage H) zijn ter inspiratie. Zij verbeelden op welke wijze aan de minimum verplichting kan worden voldaan. Het staat de initiatiefnemer vrij om op creatieve wijze invulling te geven aan de Toolbox Nijmegen, met in achtneming van de eisen die de diersoorten
3.
In geval het treffen van fysieke maatregelen echt niet mogelijk is, kan om een bijdrage worden gevraagd voor een compensatiefonds.
Leren en doorontwikkelen Nijmegen is in ontwikkeling en inzichten kunnen veranderen. Daarom wordt de Toolbox Nijmegen de eerste jaren regelmatig geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Die actualisatie betreft kleine wijzigingen waarbij de systematiek in stand blijft. Grote wijzigingen worden eerst voorgelegd aan het college.
Duurzame instandhouding maatregelen De gerealiseerde natuurinclusieve maatregelen dienen duurzaam in stand te worden gehouden. De manier waarop de instandhouding en het beheer zijn geregeld dient beschreven te worden in de rapportage van de genomen stappen (zie bijlage B).
stellen aan hun leefgebied.
Hardheidsclausule: wanneer het opvolgen van de Toolbox
Het uitgangspunt is dat de natuurinclusieve maatregelen
de toepassing ervan worden afgeweken.
worden gerealiseerd op eigen terrein. Bij ontwikkelingen
7
Nijmegen onbedoelde en ongewenste gevolgen heeft, kan van
88
2 2.5
Stap 1
Leidraad natuurinclusief bouwen Natuurwaarden per een deelgebied In dit hoofdstuk volgt stapsgewijze uitleg. Zie bijlage B voor
het format daarin de te doorlopen stappen en J voorOm de iets meer deta We kennen met nu de natuurwaarden in de gemeente opbijlage hoofdlijnen. samenvatting. te geven, zoomen we nu in op de situatie in negen stadsdelen. In figuur 2.3 en tab zijn de stadsdelen binnen onze gemeente aangegeven. Stadsdelen hebben vergeli Stap 1: Locatieaanduiding én unieke natuurwaarden. Voor elk stadsdeel is een korte kenschets gegeven m Bepaal de locatie van het initiatief belangrijkste natuurwaarden en bijbehorende flora en fauna. We beginnen me beschrijving van natuurwaarden in stedelijk gebied omdat die in alle deelgeb De locatie van het initiatief is bepalend voor de doelsoorten waaruit gekozen kan worden. voorkomen en hetopgedeeld grootstein oppervlakte innemen van de gemeente. Daarvoor is Nijmegen negen deelgebieden, zie onderstaande kaart. Iedere doelsoort vertegenwoordigt een specifiek leefgebied en is een goede indicator voor een gezonde staat daarvan. De keuze voor de doelsoorten volgt in stap 4.
9
Figuur 1
Stap 2
Stap 2: Type ontwikkeling
Bepaal de aard van de ontwikkeling
De Toolbox Nijmegen is van toepassing op zowel nieuwbouw als bestaande bouw. De aard van de ingreep bepaalt de wijze waarop dat dient te gebeuren. Hiervoor zijn de volgende categorieën opgesteld (zie ook bijlage A Definities). •
Nieuwbouw
•
Bestaande bouw - Ingrijpende renovatie Oppervlakte tot 500 m2 Oppervlakte 500 m2 en meer - Dak- en/of spouwmuurisolatie - Overige initiatieven
Stap 4
Stap 4: Verblijfplaatsen gebouwbewonende soorten Gebouwbewonende diersoorten hebben hun broed- en verblijfsplaatsen in of tegen gebouwen. Door moderne bouwtechnieken en isolatiemethoden blijven weinig spontane spleten en gaten over die hiervoor gebruikt kunnen worden. De Toolbox Nijmegen zet er op in om hiervoor weer bewust ruimte te creëren. De opgave wordt uitgedrukt in strekkende meters. Vleermuizen zijn afhankelijk van meerdere typen verblijfplaatsen met eigen kenmerken: zomer-/paarverblijf, kraamverblijf en winterverblijf. Er zijn verschillende manieren waarop de ruimte kan worden ingericht voor de soorten. Dat kan door aanpassingen in de architectuur en ontwerp (zoals in schoorsteen, dak en dakrand en gevel) en door ingebouwde (nest)voorzieningen. De eerste twee manieren hebben sterk de voorkeur, omdat dat het meest overeenkomt met de vertrouwde leefwijze van de soorten en het kosten bespaart (zie voor meer informatie bijlage F). Er kan voor gekozen worden om meerdere methodes tegelijk toe te passen. Bij
Stap 3
Stap 3: Omvang initiatief
Bepaal de kavelgrootte, de hoogte en % bebouwing (nieuwbouw) of de omvang van het initiatief en de hoogte (bestaande bouw)
De omvang van het initiatief is bepalend voor de grootte van de vereiste inspanning. Bij nieuwbouw gebeurt dit op basis van de kavelgrootte in m2, de hoogte van de bebouwing in m1. (strekkende meter) en het percentage aan te bouwen oppervlak. Bij bestaande bouw is het oppervlak van de ingreep bepalend en de hoogte. Zie bijlage A Definities.
grote projecten kan het voorkomen dat er dusdanig grote aantallen te realiseren verblijfplaatsen uit de berekening volgen, dat deze niet meer functioneel zijn. Daarvoor geldt een onderbouwd maximum. De Rijksoverheid werkt aan een aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving (‘BBL’, voorheen: Bouwbesluit) om daarmee de realisatie van verblijfplaatsen te verplichten. Op moment van die inwerkingtreding worden de betreffende regels uit de Toolbox Nijmegen vervangen door de regels in het BBL. In geval van hoogbouw wordt voor de gierzwaluw en de vleermuis naast de kavelgrootte een factor gebruikt om bij het bepalen van de omvang de categorie hoogbouw in te verwerken. Daarvoor geldt: x 1: tot 25 meter - laagbouw en middelhoogbouw x 2: 25 meter en hoger - hoogbouw
10 10
Stap 4a Nieuwbouw
Bepaal de strekkende meters aan verblijfplaatsen per soort en de wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven.
Stap 4b Bestaande bouw Bepaal de strekkende meters aan verblijfplaatsen per soort en de wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven.
•
Voor de huismus geldt de volgende rekensom:
Ingrijpende renovatie en/of dak- en/of spouwmuurisolatie
kavelgrootte x 0,01 x % bebouwing = … m1
•
•
•
Voor de huismus geldt de volgende rekensom:
verblijfplaatsen.
Omvang van de ingreep x 0,01 = … m1 verblijfplaatsen.
Hierbij geldt een minimale omvang van 1 m1.
Hierbij geldt een minimale omvang van 1 m1.
Voor de gierzwaluw geldt de volgende rekensom:
•
Voor de gierzwaluw geldt de volgende rekensom:
kavelgrootte x 0,01 x factor hoogbouw x % bebouwing =
Omvang van het initiatief x 0,01 x factor hoogbouw = …
… m1 verblijfplaatsen.
m1 verblijfplaatsen.
Hierbij geldt een minimale omvang van 1 m1.
Hierbij geldt een minimale omvang van 1 m1.
Voor de vleermuis geldt de volgende rekensom per type
•
Voor de vleermuis geldt de volgende rekensom per type
verblijfplaats.
verblijfplaats.
- Zomerverblijf: kavelgrootte x 0,005 x factor hoogbouw
- Zomerverblijf: omvang van het initiatief x 0,005 x factor
x % bebouwing = … m1 verblijfplaatsen.
hoogbouw= … m1 verblijfplaatsen.
Hierbij geldt een minimale omvang van 0,5 m1
Hierbij geldt een minimale omvang van 0,5 m1.
- Kraamverblijf: kavelgrootte x 0,002 x factor hoogbouw
- Kraamverblijf: omvang van het initiatief x 0,002 x factor
x % bebouwing = … m1 verblijfplaatsen.
hoogbouw = … m1 verblijfplaatsen.
Hierbij geldt een drempelwaarde van 1 m1.
Hierbij geldt een drempelwaarde van 1 m1.
- Winterverblijf kavelgrootte x 0,002 x factor hoogbouw
- Winterverblijf: omvang van het initiatief x 0,002 x factor
x % bebouwing = … m1 verblijfplaatsen.
hoogbouw = … m1 verblijfplaatsen.
Hierbij geldt een drempelwaarde van 2 m1.
Hierbij geldt een drempelwaarde van 2 m1.
Wanneer er toch voor wordt gekozen om neststenen of
Bij bestaande bouw zijn de mogelijkheden vaak beperkter en
kasten toe te passen ipv aanpassing in het ontwerp, dan
zal eerder naar gevelkasten worden uitgeweken. Zie bijlage A
geldt daarbij een omrekenfactor, zie Bijlage A.
voor de omrekenfactor van strekkende meters naar nestkasten. Overige initiatieven
Voor de categorie “overige initiatieven bestaande bouwwerken” wordt geen verplichting opgelegd. Het is echter wel zeer wenselijk om ook hier natuurinclusieve maatregelen te treffen. Zie hiervoor de informatie in de bijlagen.
1111
Stap 5
Stap 5: Natuurinclusieve maatregelen doelsoorten
locatie. Aanvullend staan er in de derde rij bijzondere soorten die middels kleine aanpassingen in de maatregelen hiervan kunnen meeprofiteren. Dit is optioneel.
Het tweede spoor waar de toolbox zich op richt is het realiseren van een geschikte leefomgeving voor
Het verplicht aantal doelsoorten kunnen uit de eerste twee
de doelsoorten. Om tot duurzame vestiging van
rijen gekozen worden, maar dienen wel een andere laag te
(gebouwbewonende) soorten te komen zijn verblijfplaatsen
vertegenwoordigen; laag A is kruidlaag, laag B is struiklaag,
alleen niet voldoende. Alle onderdelen die maken dat het leefgebied geschikt is, dienen op orde te zijn (de 4V’s) Voedsel, Voortplanting, Veiligheid en Verbinding. De Toolbox Nijmegen richt zich niet alleen op gebouwgebonden soorten maar
laag of lagen die zij vertegenwoordigen. Als alleen de huismus meerdere lagen te vertegenwoordigen. Het is echter wel zeer
d. Afhankelijk van de locatie kan er gekozen worden uit een
wenselijk om bij de keuze van natuurinclusieve maatregelen
aantal doelsoorten. Zie onderstaande figuur 2 voor de indeling van de doelsoorten naar de wijken in Nijmegen.
zoveel mogelijk lagen te betrekken. Zie figuur 4. Voor doelsoorten die meerdere lagen vertegenwoordigen (bijvoorbeeld huismus, laag A-B) is het prima wanneer
In de eerste rij staan soorten die in alle gebieden gekozen
er overlap is met een andere geselecteerde doelsoort
kunnen worden. De huismus dient altijd gekozen te worden. In de tweede rij staan soorten die gelinkt zijn aan de specifieke
centrum
bodem. In de bovenstaande tabel staat achter de doelsoort de van toepassing is, wordt er geen verplichting opgelegd om
ook op doelsoorten die verbonden zijn aan een deelgebie
Noord
laag C is boomlaag/dak, laag D1 is waterpartij, laag D2 is
Oud-west
Nieuwwest
(bijvoorbeeld dagvlinder, laag A). Zodoende zijn er twee lagen gedekt (A en B).
Oost
Zuid
Midden
Lindenholt
Dukenburg
A-B. Huismus^ C. Gewone dwergvleermuis A. Dagvlinder/wilde bij* D2. Bodemdier* D1. Kleine watersalamander A-B. Wezel C. Scholekster A-C. Zwarte roodstaart
A-B. Egel A-B. Zanglijster A-C. Zwarte roodstaart
A-B. Egel C. Eekhoorn A-C. Zwarte roodstaart
A-B. Bunzing C. Eekhoorn A-C. Zwarte roodstaart
A-B. Wezel C. Eekhoorn C. Scholekster
A-B. Bunzing C. Eekhoorn A-B. Zanglijster
A-B. Wezel C. Eekhoorn A-C.Zroodstaart
A-B. Egel C. Eekhoorn C. Scholekster
A-B. Egel C. Eekhoorn C. Scholekster
Rugstreeppad Knautiabij Kamsalamander
Laatvlieger
Laatvlieger
Laatvlieger
Rosse vleermuis Zandhagedis Vliegend hert
Rosse vleermuis Zandhagedis Vliegend hert
Rosse vleermuis Vliegend hert
Laatvlieger
Laatvlieger Eikenpage
Figuur 2
12
EVEN VOORSTELLEN:
DE DOELSOORTEN VAN NIJMEGEN
Gewone dwergvleermuis
Huismus
De doelsoorten van Nijmegen zijn soorten dieren die thuishoren in de stad en het Nijmeegse landschap, en die daar kunnen leven als de kwaliteit daarvan goed is. Ze zijn een goede indicator voor een gezonde staat van de biodiversiteit in de gemeente. Als het leefgebied voor de doelsoorten op orde is, kunnen er ook tal van andere soorten planten en dieren leven. De doelsoorten geven richting aan de keuzes die we maken voor de inrichting van de omgeving en gebouwen.
Kleine watersalamander
Egel
Scholekster
Zwarte roodstaart
Wezel
Bunzing
Bijen en vlinders
Eekhoorn
Bodemdieren
Zanglijster
Natuurinclusief Bouwen | Doelsoorten en maatregelen | Gemeente Nijmegen
|
C. boomlaag/dak (>8.0 m)
B. struiklaag (1,35-8,0 m)
|
A. kruidlaag (0,1-1,35 m) D1. waterpartij D2. bodem Met dank aan Ecopedia.be/Jan Van Lierde
13
Figuur 3 en 4
4
Iedere doelsoort vertegenwoordigt een specifiek leefgebied
en daken in worden meegenomen. Bij bestaande bouw
waarvoor vaste richtlijnen worden meegeven, verdeeld over
wordt de 30% gebaseerd op het oppervlak van de ruimtelijke
de zogenoemde 4V’s. De 4V’s staan voor de functies Voedsel,
ingreep. In uitzonderlijke situaties kan het zich voordoen dat
Voortplanting, Veiligheid en Verbinding. Hieraan dient te
de soortennorm niet haalbaar is. Zie daarvoor paragraaf 1.4 en
worden voldaan, wil het leefgebied geschikt zijn. Daarmee is
bijlage C.
iedere doelsoort een goede indicator voor een gezonde staat van het betreffende leefgebied. Per doelsoort is ter inspiratie een aantal maatregelen afgebeeld. Bij de maatregelen is aangegeven aan welke functie van de 4V’s deze een bijdrage levert. Het staat de
Stap 5a: Nieuwbouw
Bepaal het aantal en de keuze van de doelsoorten, de maatregelen die invulling geven aan de 4V’s en de betreffende oppervlakte.
initiatiefnemer vrij om maatregelen te kiezen. In bijlage G en H zijn deze maatregelen verbeeld. Er kunnen door de
Het aantal doelsoorten dat dient te worden gekozen is
initiatiefnemer ook andere maatregelen voorgesteld worden.
afhankelijk van de grootte van het initiatief:
Het kan interessant zijn om voor meer doelsoorten te kiezen
•
kavelgrootte tot 500 m2: minimaal 1 doelsoort
dan de opgave voorschrijft. Meer doelsoorten betekent dat
•
kavelgrootte 500 tot 2000 m2: minimaal 2 doelsoorten
uit een breder pakket aan maatregelen gekozen kan worden.
•
kavelgrootte 2000 tot 4000 m2: minimaal 3 doelsoorten
Zolang de voorgestelde maatregelen gezamenlijk maar
•
kavelgrootte 4000 m2 en groter: minimaal 4 doelsoorten
voldoen aan alle V’s van de doelsoorten. Ter illustratie het voorbeeld van de huismus op de volgende pagina. Voor alle doelsoorten is een dergelijk overzicht te vinden in bijlage I. De maatregelen zijn verder uitgewerkt in bijlage H. Sommige
Stap 5b: Bestaande bouw
Bepaal de keuze van de doelsoort(en), de maatregelen die invulling geven aan de (4)V’s en de betreffende oppervlakte.
maatregelen zijn geschikt voor meerdere soorten en/of meerdere functies; soms met een kleine aanpassing daarin.
Ingrijpende renovatie, met een oppervlak van de ingreep tot
Deze overlap is toegestaan, immers de doelsoorten dienen
500 m2
al de diverse lagen te vertegenwoordigen. Het combineren
minimaal 1 doelsoort, hierbij hoeft niet aan alle 4V’s te worden
van maatregelen zorgt voor diversiteit en kan samenhang en
voldaan.
meerwaarde opleveren. Denk aan een combinatie van een groen dak aansluitend op een groene gevel en een (gevel-)tuin
Ingrijpende renovatie, met een oppervlak van de ingreep van
die vervolgens weer aansluit op groen in de omgeving. Ook òp
500 m2 en meer
het dak kunnen diverse typen groendaken met elkaar en met
minimaal 1 doelsoort, hierbij dient wѐl aan alle 4V’s te worden
andere maatregelen gecombineerd worden (met bijvoorbeeld
voldaan.
dood hout en verblijven voor insecten). Overig
Er geldt voor de groenmaatregelen bij nieuwbouw een
Voor dak- en/of spouwmuurisolatie en overige initiatieven
soortennorm van 30% van de kavelgrootte. Dat betekent dat
worden geen verplichtingen opgelegd in de buitenruimte.
het oppervlak van de gekozen groenmaatregelen gezamenlijk
Het is echter wel zeer wenselijk om ook hier natuurinclusieve
30% van het kaveloppervlak bedraagt. Hier kunnen de gevels
maatregelen te treffen. Zie hiervoor de informatie in de bijlagen.
14 14
Stap 6
Stap 6: Rapportage De rapportage is een samenvatting en onderbouwing van de genomen stappen. Tevens wordt daarin vermeld hoe de instandhouding en het beheer zijn geregeld. Hiervoor is een vast format gemaakt welke bij de indiening van de aanvraag dient te worden aangeleverd. Zie hiervoor bijlage B.
Leefgebied Huismussen leven graag in de buurt van mensen. Hun nestplaats is meestal in of aan een gebouw en voedsel komt bewust of onbewust van mensen. Huismussen eten zaden, granen, insecten, bloemknoppen, brood, bessen, pinda's en vetbollen. In broedtijd eten ze voornamelijk insecten.
Huismus Passer domesticus
Het leefgebied moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jonge huismussen), slaapplekken, voldoende beschutting, plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is het leefgebied niet meer geschikt.
V's VAN DE HUISMUS V1
Voedsel
Natuurinclusieve maatregelen
Het voedsel van volwassen huismussen bestaat voornamelijk uit zaden van grassen en kruiden, en wordt aangevuld met insecten en larven, bessen en bloemknoppen. Voedsel wordt gezocht op plaatsen zonder of met korte begroeiing, zoals wegbermen, erven en tuinen. V2
Voortplanting
V1
Een huismus leeft graag samen met andere huismussen in een groep. Broeden doen ze in een dakgoot of beschaduwde nestkast. V3
Veiligheid Essentieel is dat er bij deze voedselbronnen en verblijfplaatsen voldoende beschutting is in de vorm van doornige, (groenblijvende) struiken, groene gevels en hagen.
V4
Groen dak met grassen, kruiden, en struiken
Verbinding
V3
V1
V3
V4
Cluster van struiken
Bomenrijen
V1
V1
V3
V4
Zoomvegetatie V1
Huismussen leven in een klein gebied. Zorg dat in de directe omgeving van de nestverblijven continu voldoende beschutting aanwezig is en dat er altijd voldoende geschikt voedsel, zand en water binnen 50 tot 100 meter beschikbaar zijn. Hoe dichterbij hoe beter.
V4
Groene daktuin
V3
V4
Bloemrijk grasland
V4
V1
V3
Vogelvriendelijke beglazing
V2
V4
V4
Solitaire bomen V1
V3
V4
Natuurlijke poel of vijver
V1
Verblijfplaatsen en nestkasten
Geveltuin
Groene gevel
V1
V3
V4
V4
V1
V3
V4
Cluster van bomen
(Pocket)park
V1
V1
V3
V4
V3
V4
Vaste plantenvakken en plantenbakken
V1
Groene tuinafscheiding
Groene tuin
V1
V4
Hagen V1
V3
V4
Natuurinclusief Bouwen | Doelsoorten en maatregelen | Gemeente Nijmegen
15
Figuur 5
5
16
3
Wijze van toetsing Bij de toetsing wordt het ingevulde format uit bijlage B gebruikt. Er wordt gekeken of de gekozen maatregelen voldoen aan de eisen die de gekozen soorten stellen aan hun verblijfplaatsen en leefgebied. Als hulpmiddel worden daarbij de zogenaamde 4V’s gehanteerd. Samenhang en diversiteit zijn daarbij van belang. Het doel van de maatregelen is dat het bijdraagt aan een geschikt leefgebied voor de betreffende soorten en aan het versterken van de stedelijke biodiversiteit. Voor dat laatste is het van belang dat zoveel mogelijk lagen zoals afgebeeld in figuur 4 in de stad aanwezig zijn en met elkaar verbonden worden. De eisen die de doelsoorten stellen aan hun leefgebied staan kort weergegeven in bijlage I. Wanneer het opvolgen van de Toolbox Nijmegen onbedoelde en ongewenste gevolgen heeft, kan van de toepassing ervan worden afgeweken.
17
18
Bijlagen BIJLAGE A
Definities •
•
Nieuwbouw
Bestaande bouw, dak- en/of spouwmuurisolatie
Bij dak- en/of spouwmuurisolatie worden de isolatielagen
Onder nieuwbouw wordt verstaan het bouwen van een
vernieuwd of vervangen. Het feit of een ingreep
bouwkundige constructie die een toegankelijke, overdekte,
vergunningsvrij is staat los van de werking van de Toolbox
geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, die
Nijmegen.
direct en duurzaam met de aarde is verbonden. •
Bestaande bouw, overige initiatieven
Het Bouwbesluit 2012 maakt onderscheid tussen nieuwbouw
Hieronder vallen ingrepen aan bouwwerken die niet passen
en verbouw. Onder verbouw wordt verstaan het ‘geheel
binnen de overige categorieën. Bijvoorbeeld het plaatsen van
of gedeeltelijk vernieuwen (bijv. sloop en herbouw), of
een dakkapel. Het feit of een ingreep vergunningsvrij is staat
veranderen (bijv. interne verbouwing) of het vergroten van
los van de werking van de Toolbox Nijmegen.
een bouwwerk. (bijv. aan- of uitbouw, dakkapel of optoppen bestaand gebouw)’. In het kader van de Toolbox Nijmegen valt
•
herbouw, aan- en/ of uitbouwen en bijgebouwen onder de
De hoogte van een bouwwerk wordt bepaald vanaf het peil tot
categorie nieuwbouw omdat het hier bouwvolume betreft op
aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk,
begane grond. Het overige valt afhankelijk van de grootte van
met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals
de ingreep onder ingrijpende renovatie. Interne verbouwing
schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers,
blijft bij de Toolbox Nijmegen buiten beschouwing. Het feit of
(brand)trappen, zonnepanelen, andere technische ruimten
een ingreep vergunningsvrij is, staat los van de werking van de
en/of technische constructies, hekwerken, luifels, balkons en
Toolbox Nijmegen.
antennes.
Hoogbouw
Bij hoogbouw geldt de volgende indeling: •
Bestaande bouw
X1: tot 25 meter - laagbouw en middelhoogbouw
Onder bestaande bouw vallen bouwwerken die al in gebruik
X2: 25 en hoger – hoogbouw
zijn of zijn geweest. • •
Bestaande bouw, ingrijpende renovatie
Kavelgrootte
De grootte van de kavel of kavels waarop de nieuwbouw
Een renovatie is een ingrijpende renovatie wanneer meer
plaatsvindt of de bestaande bebouwing zich bevind. Een kavel
dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil verandert.
wordt gedefinieerd als een aaneengesloten stuk grond van
Bovendien moet de verandering op de integrale gebouwschil
één eigenaar of gebruiker, omgeven door grond van andere
zijn uitgevoerd. De gebouwschil is de grens tussen de
eigenaren of gebruikers. Voor de bepaling van de opgave
binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De
aan verblijfplaatsen wordt de kavelgrootte vermenigvuldigd
gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de
met de factor van het bebouwingspercentage. Bijvoorbeeld
ramen, de kozijnen, de deuren en het dak.
wanneer een kavel van 1000 m2 voor 40% bebouwd wordt
Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn bij het vervangen van
(hoofd- aan- en bijgebouwen), geldt de opgave voor 1000 x
een dak of het optoppen van een bestaand gebouw.
40% is 400 m2.
19
•
Maaiveld
•
Grensvlak tussen de ondergrond en de lucht.
Omrekenfactor
Wanneer er toch voor wordt gekozen om neststenen of kasten toe te passen ipv aanpassing in het ontwerp dan geldt daarbij
•
Omvang initiatief
voor nieuwbouw de volgende omrekenfactor, 1 strekkende
De omvang van het initiatief is bepalend voor de grootte
meter staat gelijk aan:
van de vereiste inspanning. Bij nieuwbouw gebeurt dit op
x2 = aantal nestvoorzieningen gierzwaluw en huismus
basis van de kavelgrootte in m2, de factor hoogbouw en het
x2 = aantal zomerverblijfvoorzieningen vleermuis
percentage aan bebouwing op de kavel. Bij bestaande bouw zijn de factor hoogbouw en het oppervlak van de ingreep
Voor de vleermuis kan ook binnen 1 bouwlaag op meerdere
bepalend. Dat oppervlak kan zowel in het horizontale (bijv. bij
hoogtes gerekend worden met de strekkende meters. Daarbij
ingrijpende renovatie en dakisolatie) of verticale vlak (bijv. bij
dient rekening te worden gehouden met de grootte van het
spouwmuurisolatie) zijn.
type verblijfplaats. Zie onderstaande figuur 6.
2m
= 50x50cm = 2x8=16m1 zomerverblijf (50x50); staat gelijk aan 32 kasten of
4m
= 2x4=8m1 kraamverblijf (100x100); staat gelijk aan 8 kasten of
= 2x4=8m1 winterverblijf (200x100); staat gelijk aan 4 kasten
8m = 8x4=32m1 zomerverblijf (50x50) 1m
of
= 8x2=16m1 kraamverblijf (100x100) 1m
of
= 8x2=16m1 winterverblijf (200x100) minimale omvang verblijfplaatsen (b x h): zomerverblijf: 15-50 x 30-50 cm kraamverblijf: 70-100 x 70-100 cm, 3 of meer lagen/compartimenten - (massa)winterverblijf: 200-300 x 100-200 cm, 3 of meer lagen/compartimenten
Figuur 6
20
Vanwege de beperkte mogelijkheden zal bij bestaande bouw eerder naar gevelkasten (i.p.v. inbouwvoorzieningen) moeten worden uitgeweken en is de omrekenfactor voor huismus, gierzwaluw en zomerverblijf vleermuis lager dan bij nieuwbouw: te weten: per strekkende meter één kast. •
Peil
De plaats van waar de hoogte wordt gemeten, wordt als volgt bepaald: •
voor bouwwerken boven het maaiveld, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een (al dan niet openbare) weg grenst: de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
•
voor bouwwerken boven het maaiveld, waarvan de hoofdtoegang niet onmiddellijk aan de hiervoor bedoelde weg grenst: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang;
•
voor bouwwerken onder het maaiveld: het peil van het bijbehorende bovengrondse hoofdgebouw;
•
in de andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
21
BIJLAGE B
Format rapportage invoer
achtergrondinformatie
projectnaam initiatiefnemer locatie (straat en huisnummer of kadastraal nummer) datum betrokken ecoloog
Stap 1 – Locatieaanduiding
deelgebied (zie kaart)
Stap 2 – Type ontwikkeling
type ontwikkeling
Stap 3 – Omvang initiatief
omvang ingreep hoogte % bebouwing
stap 4 – Minimum verblijfsvoorzieningen gebouwbewonende soorten
huismus 1,0 gierzwaluw 1,0 vleermuis-zomer-/paarverblijf 0,5 vleermuis-kraamverblijf 0,0 vleermuis-winterverblijf 0,0 Bepaal de vierkante en strekkende meters aan verblijfsvoorzieningen per soort en de wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven. Er zijn verschillende manieren waarop ruimte kan worden ingericht voor de soorten. Dat kan door (1) aanpassingen in het ontwerp van het betreffende gebouw (denk aan dak en gevel) of door (1) ingebouwde nestvoorzieningen. De eerste manier heeft sterk de voorkeur omdat dat het meest overeenkomt met de vertrouwde leefwijze van de soorten en het kosten bespaart. Er kan voor gekozen worden om beide methodes tegelijk toe te passen, zolang het totaal maar overeenkomt met de minimum eis (zie hierboven). Stap 4 – Selectie verblijfsvoorzieningen gebouwbewonende soorten [INTEGREREN IN DE ARCHITECTUUR/ONTWERP]
huismus gierzwaluw vleermuis-zomer-/paarverblijf vleermuis-kraamverblijf vleermuis-winterverblijf invoer (m1)
Stap 4 – Selectie verblijfsvoorzieningen gebouwbewonende soorten [GEBRUIK VAN NESTKASTEN]
huismus gierzwaluw vleermuis-zomer-/paarverblijf vleermuis-kraamverblijf vleermuis-winterverblijf
stap 5 – Natuurinclusieve maatregelen doelsoorten
minimum aantal doelsoorten
1
soortennorm (m2) 0 Bepaal het aantal aan, en de keuze van de doelsoorten, de maatregelen die invulling geven aan de 4V’s en de betreffende oppervlakte. Uitiendelijk dienen de gekozen groenmaatregelen gezamenlijk aan de gegeven soortennorm te voldoen (zie hierboven) Stap 5 – Selectie doelsoorten
huismus gewone dwergvleermuis
1
22
invoer (m1) Stap 4 – Selectie verblijfsvoorzieningen gebouwbewonende soorten [GEBRUIK VAN NESTKASTEN]
huismus gierzwaluw vleermuis-zomer-/paarverblijf vleermuis-kraamverblijf vleermuis-winterverblijf
stap 5 – Natuurinclusieve maatregelen doelsoorten
minimum aantal doelsoorten
1
soortennorm (m2) 0 Bepaal het aantal aan, en de keuze van de doelsoorten, de maatregelen die invulling geven aan de 4V’s en de betreffende oppervlakte. Uitiendelijk dienen de gekozen groenmaatregelen gezamenlijk aan de gegeven soortennorm te voldoen (zie hierboven) Stap 5 – Selectie doelsoorten
Stap 5 – Selectie bijzondere doelsoorten (optioneel)
huismus gewone dwergvleermuis dagvlinder/wilde bij bodemdier kleine watersalamander bunzing eekhoorn zwarte roodstaart
1
laatvlieger n.v.t. n.v.t.
Stap 5 – Selectie natuurinclusieve maatregelen doelsoorten
omvang maatregel gevelgroen in m1 (2+ meter hoogte) gevelgroen in m1 (3+ meter hoogte) gevelgroen in m1 (4+ meter hoogte) gevelgroen in m1 (5+ meter hoogte) geveltuin in m1 sedumdak in m2 daktuin in m2 grondgebonden maatregelen in m2
Ecologische onderbouwing
Beheer
tenminste bij betrokkenheid van ecoloog
omschrijving hoe het beheer en de duurzame instandhouding van de maatregel zijn geborgd
Ruimte voor toelichting Aanleveren als bijlage:
plattegrond van locatie ontwerptekening met locatieaanduiding van maatregelen (plattegrond, zijaanzichten)
Stap 6 – Klik op verstuur
23
BIJLAGE C
Afwijkingen
Het realiseren van de natuurinclusieve maatregelen moet op
wordt voldaan aan de richtlijnen van het gemeentelijke
eigen terrein plaatsvinden. In geval van een 100% bebouwing
HIOR (Handboek Inrichting Openbare Ruimte). De
van de kavel kan er gekozen worden voor maatregelen aan
beheerkosten van de eerste 3 jaar na aanleg zijn voor
de gevel of op het dak. In uitzonderlijke situaties kan het
rekening van de initiatiefnemer. Deze handelswijze is
voorkomen dat dit niet mogelijk is. Bij ontwikkelingen waar
maatwerk en kan alleen in nauw overleg.
ook de openbare ruimte mee wordt ontwikkeld, is het onder
3.
In geval het treffen van fysieke maatregelen echt
voorwaarden mogelijk om het plangebied geheel te zien als
niet mogelijk is, kan om een financiële compensatie
tijdelijk eigen terrein.
worden gevraagd. De hoogte van de compensatie
Het afwijken van de stelregel dat de maatregelen op
kan worden gebaseerd op kostenkengetallen van de
eigen terrein moeten worden gerealiseerd, dient door de
ontbrekende maatregelen of de raming daarvan door
initiatiefnemer onderbouwd te worden. De initiatiefnemer
de initiatiefnemer. Het uitwerken en instellen van een
moet dan aantonen dat hij zich redelijkerwijs voldoende
compensatiefonds kan als een nadere uitwerking van de
heeft ingezet om de volgens de geldende norm benodigde
Toolbox Nijmegen plaatsvinden. Mogelijk kan aansluiting
natuurinclusieve maatregelen te kunnen realiseren.
worden gevonden bij een compensatiefonds voor gekapte bomen, om zo bij te dragen aan vergroening van de
De wijze waarop alsnog invulling wordt gegeven aan de
stad. De bedoeling van het compensatiefonds is om te
Toolbox Nijmegen verloopt volgens het onderstaande
investeren in het zogenaamde groenblauwe weefsel in de
beslisboom. Deze handelswijze dient in de onderbouwing van
nabijheid van het initiatief. Een goede dooradering van
de afwijking meegenomen te worden.
het groenblauwe weefstel zorgt voor kleine ecologische
Wanneer de initiatiefnemer geen maatregelen op eigen terrein
stapstenen die soorten helpen om zich te verspreiden en
kan realiseren, dient er gezocht te worden naar alternatieven.
geïsoleerde populaties te verbinden.
1.
2.
Dat kan door bijvoorbeeld door samenwerking
Hoe groter het initiatief, hoe meer inspanning van de
met aangrenzende partijen. Bijvoorbeeld met een
initiatiefnemer wordt verlangd om te voldoen aan de gestelde
aangrenzende ontwikkelaar, VVE of corporatie. Afspraken
normen. Terwijl bij kleine ingrepen met minimale impact op
hierover dienen schriftelijk vastgelegd te worden en bij de
de leefomgeving hier coulanter mee kan worden omgegaan.
rapportage toegevoegd te worden.
Vanwege de diversiteit van de ruimtelijke initiatieven wordt dit
Wanneer ook dat niet mogelijk is kan in uitzonderlijke
gezien als maatwerk.
gevallen de openbare ruimte bij het plan worden betrokken. Dit gebeurt dan op kosten van de
Tot slot: wanneer het opvolgen van de Toolbox Nijmegen
initiatiefnemer. Het betrekken van de openbare ruimte
onbedoelde en ongewenste gevolgen heeft, kan van de
kan alleen, wanneer dit meerwaarde heeft voor de
toepassing ervan worden afgeweken. Hiervoor nemen we een
doelsoorten, er draagvlak voor is bij aanwonenden en
hardheidsclausule op.
Maatregelen op eigen terrein
Beslisboom bij afwijkingen
Maatregelen in samenwerking
Maatregelen in de openbare ruimte
Financiële compensatie
24
BIJLAGE D
Gehanteerde uitgangspunten
Gehanteerde uitgangspunten bij opstellen van Toolbox Nijmegen •
Ecologische onderbouwing;
•
Link met groenstructuur (afkomstig uit biodiversiteitsagenda);
•
Vooralsnog in systematiek geen koppeling met doelen klimaatadaptatie, wel mogelijkheid openhouden;
•
Aansluiting met landelijke maatlat klimaatadaptief bouwen (1. waardevolle habitat en basiskwaliteit natuur realiseren, 2. groene oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen en structuren hebben de voorkeur boven technische oplossingen: groen, 3. percentage groen op buurtniveau realiseren);
•
Het doel moet bij de initiatiefnemer door het hele proces heen helder en uitlegbaar zijn (en te ‘vermarkten’);
•
De toolbox moet vanaf de eerste implementatie eenvoudig te gebruiken zijn door de initiatiefnemer en de toetser;
•
De toolbox is zoveel mogelijk gekoppeld aan een vergunbare handeling, middels een verplichting (planologisch aanknopingspunt). Vandaar de koppeling met het oprichten of aanpassen van een bouwwerk (voorwaardelijke verplichting);
•
De toolbox moet een lerend, levend systeem zijn.
25
BIJLAGE E Gerelateerde doelstellingen en de baten van groen Doelstellingen en baten
Natuurinclusieve maatregelen
Biodiversiteit
Water infiltreren
Water bufferen
Verkoeling
Groen dak met grassen, kruiden en struiken
x
x
x
Groene daktuin
x
x
x
Bruine daken
x
Schaduw geven
Gezondheid
x
x
Sedumdaken Groene gevel
x
x
Geveltuin
x
x x
Groene tuin
x
Groene tuinafscheiding
x
Hagen
x
Natuurllijke poel of vijver
x
x
x x
x
x
x x
x
Solitaire bomen
x
x
x
Cluster van bomen
x
x
x
x
x
x
Moestuin
x
x
x
x
Bomenrijen
x
x
x
x
x
x
(Pocket)park
x
x
x
x
x
x
Tiny Forest
x
x
x
x
x
x
Takkenril
x x
x
x
x
Cluster van struiken
x
Vaste plantenvakken en plantenbakken
x
Muurplanten en restauratie van oude muren
x
Bloemrijk grasland
x
x
Zoomvegetatie
x
x
Overhoekjes
x
x
x
Ecologische wadi
x
x
x
Sloten
x
Rustzone fauna langs waterrand
x
Natuurvriendelijke oever
x
Verblijfplaatsen en nestkasten
x
Vogelvriendelijke beglazing
x
Geen lichtuitstraling vanuit gebouwen
x
Natuurvriendelijke straatverlichting
x
Faunapassage
x
Wormenhotel
x
Composthoop
x
Dood hout
x
Stenenstapel
x
Insectenstenen, bijenburchten en insectenhotels
x
Grondbewerking particuliere tuinen
x
x
x
x
26
DE WAARDE VAN GROEN HUIZENWAARDE
GEZONDHEID
# Gemiddeld hebben huizen omgeven door
groene en blauwe elementen een 6-12 % hogere WOZ-waarde, oplopend tot maximaal 30%. € Dit betekent dat een gemiddeld huis van 2,6 ton €15.600 - €31.200 aan groene meerwaarde heeft, met een maximum van €78.000.
LUCHTZUIVERING
# Een groene leefomgeving leidt tot 25% minder depressies, 15% minder migraineaanvallen, 23% minder astmapatiënten en 15% minder mensen die lijden aan obesitas. € 10% meer groen kan een gemiddelde gemeente €717.547 aan zorgkosten en kosten gerelateerd aan ziekteverzuim besparen.
VERKOELING
# Jaarlijks overlijden 12.000 mensen vroegtijdig door ongezonde lucht. Een boom met een diameter van 50 cm vangt jaarlijks 500 gram fijnstof af, wat gelijk staat aan 7500 autokilometers. € Een bomenrij van 10 bomen vangt hiermee jaarlijks 5 kilogram fijnstof af. Dit levert €1885 aan fijnstofafvang op doordat gezondheidskosten worden bespaard.
WATERBERGING
# Bomen zorgen voor verkoeling. Eén boom heeft
op een zonnige dag een koelvermogen van 2030 kW. Eén boom staat hiermee dan ook gelijk aan 10 airco’s. € 10% meer bomen in de wijk kan €40 - €75 aan jaarlijkse energiekosten besparen per woning.
BIODIVERSITEIT
# Groen en blauw in de wijk vergroten de
waterbergingscapaciteit en dragen bij aan een klimaat-adaptieve gemeente. Een groen dak kan tot 80% van de neerslag vasthouden en een boom kan tot wel 2877 liter water per jaar vasthouden. € Door het vergroten van de waterbergingscapaciteit kan er per jaar €2.983.209 bespaard worden door vermeden schade van wateroverlast.
# Een groen dak, aangevuld met kruiden en
bloemen, of een tuin zorgen ervoor dat er meer voedsel beschikbaar is voor vlinders, bijen en bedreigde stedelijke soorten zoals de gierzwaluw en de dwergvleermuis. Zwaluwen en vleermuizen kunnen wel tienduizenden insecten (waaronder muggen) per dag vangen en hebben dus ook een functionele bijdrage voor inwoners van stedelijk gebied. € Werkbijen leven ongeveer zestig dagen. In die periode produceren ze ongeveer een lepel honing. Als wij hetzelfde werk zouden doen tegen het minimumloon, zou een pot honing €162.000 kosten.
OVER DE CIJFERS De hier weergegeven getallen zijn een versimpeling van de werkelijkheid en zijn tot stand gekomen door diverse wetenschappelijke studies te combineren. Voor concrete projecten zoals een nieuwe woonwijk, een natuurgebied of een gehele gemeente kunnen wij een Urban Green Quickscan uitvoeren, om tot een accuratere inschatting te komen.
OVER DE NATUURVERDUBBELAARS Naast de bekende kosten en het ruimtebeslag van groen en natuur, zorgt een groene omgeving ook voor belangrijke fysieke en economische baten. Hiermee is groen een cruciaal puzzelstukje in de stedelijke opgaven van de toekomst: de klimaatadaptieve stad, de gezonde stad, de leefbare stad en de biodiverse stad.
VAN GETALLEN NAAR INZICHT Waarschijnlijk kent u de TEEB Stad tool als instrument om de economische waarde van groen en blauw in de stad te berekenen. Wij helpen u deze tool te gebruiken, vullen hem aan waar nodig en begeleiden u bij het interpreteren van de resultaten. Naast het rekenwerk denken we ook graag mee over wat de consequenties zijn van de uitkomsten, wat praktische vervolgstappen kunnen zijn voor zowel de gemeente als overige stakeholders en wat u kunt leren van ‘best practices’ op andere plekken.
De Natuurverdubbelaars helpt als innovatief projectbureau op het gebied van natuurlijk kapitaal de (economische) waarde van groen en natuur in kaart te brengen en denkt mee over hoe de natuurwaarden te verhogen op een manier die ecologie en economie met elkaar verbindt. Zo hebben we vele opdrachtgevers meegenomen in het denken vanuit het belang en de kansen die een groenere (leef)omgeving biedt.
27
CO2
CO2 -AFVANG
# Een park van één hectare, bestaande uit
loofbos, gras en riet, vangt 2,2 ton koolstof per jaar af. € Een park van 45 hectare levert daarmee al €4.892,58 aan CO2-baten per jaar op.
WATERREGULATIE # Wanneer 10% van het tuinoppervlak in een
gemeente wordt omgezet van versteend naar een levende (groene) tuin, stroomt er jaarlijks 85.000.000 liter minder regenwater in het riool. € Dit houdt per jaar een besparing van €39.100 aan riolerings- en zuiveringskosten in.
SOCIALE COHESIE # Gezamenlijke activiteiten brengen burgers
dichter bij elkaar in een wijk. Een moestuin die door de wijk beheerd wordt kan al een positieve impuls aan de sociale cohesie in een buurt geven. Bij een toename van 1% groen in een buurt, stijgt de sociale cohesie met 0,6%. € Bij een toename van 10% meer groen in een gemeente, kan er jaarlijks €308.310 bespaard worden door vermeden verhuiskosten.
DE NATUURVERDUBBELAARS Valschermkade 16 1059 CD, Amsterdam info@natuurverdubbelaars.nl 020 – 26 19 419
De Natuurverdubbelaars
28
BIJLAGE F
Richtlijnen voor verblijfplaatsen Richtlijnen Verblijven Huismus Passer domesticus Een huismus leeft graag samen met andere huismussen in een kolonie. Broeden doen ze in een beschaduwde dakgoot, onder de dakpannen of in een nestkast. Realiseer de voorzieningen aan de noord- of oostzijde van het gebouw tussen 3 en 10 meter hoogte. Voor een gezonde populatie moeten er 30 tot 50 broedplaatsen aanwezig zijn. Zorg ook voor voldoende dekkingsmogelijkheden binnen 5 a 10 meter van nestplaatsen.
Huismusverblijven integreren in de architectuur
Aantallen en afstand
Het heeft de voorkeur om de verblijven voor huismussen te integreren in de architectuur van het gebouw. Zorg dat de binnenmaat van de broedkast minimaal 12,5cm x 12,5cm x 12,5cm (lxbxh) is, maar het mag ook groter. De opening heeft een diameter van zo'n 34mm. Dakranden, gootbetimmering en gevelplaten zijn allemaal geschikte plekken om de huismusverblijven in te integreren. Maak compartimenten met een onderlinge afstand van minimaal een halve meter en zorg voor toegang tot de kast. Hiervoor zijn ook losse entreestenen te koop om te zorgen dat andere dieren het gat niet groter kunnen maken.
Oriëntatie
Let op: De huismus ziet liever niet zijn buurman, dus zorg dat de ingangen minimaal 50cm uit elkaar liggen en dat openingen bij voorkeur in verschillende richtingen geplaatst zijn.
Afmetingen (binnenmaten)
Afmeting invliegopening
Je kunt ook het vogelschroot onder de dakpannen verplaatsen, zodat de eerste twee panlatten dienen als broedlocatie voor huismussen. Pas dit op minimaal 5 meter lengte van het dak toe. De hoogte tussen het dakbeschot en de dakpan (bij de bolling) moet minimaal 7,5 centimeter zijn. Deze maatregel is alleen zinvol bij dakpannen waar het dakbeschot toegankelijk is gemaakt bij de eerste rij dakpannen, bijvoorbeeld bij holle pannen. Om beschadiging van dampfolie te voorkomen, kun je houten platen aanbrengen boven de gootplank.
Broedplaatsen in de dakrand of gevelbetimmering
Huismus in de dakgoot
Nestkasten Huismussen gebruiken ook nestkasten om in te broeden, maar deze oplossing heeft niet de voorkeur. Liever wordt er geschikte broed- en leefruimte onder de dakpannen gerealiseerd.
Huismuskasten in de gevel
1
29
Richtlijnen Verblijven Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus Dwergvleermuizen maken gebruik van verschillende verblijven door het jaar heen. Ze overwinteren in de spouw, in kelders of achter de gevelbetimmering van gebouwen en brengen de zomer door in zomerverblijven. Vleermuizen kiezen graag een verblijf met de beste klimaatomstandigheden (zoals een stabiele luchtvochtigheid en temperatuur, vorstvrij en tochtvrij). Realiseer dus meerdere plekken op verschillende windrichtingen, met voorkeur voor het zuiden en westen, met meerdere lagen, en verbindt ze wanneer mogelijk aan elkaar om verschillende binnenklimaten te krijgen waaruit de vleermuizen kunnen kiezen. Zorg dat er geen licht op de verblijfplaatsen schijnt.
Vleermuisverblijven integreren in de architectuur Afstand
3
Oriëntatie
Afmetingen
Realiseer vleermuisverblijven tussen de 3 meter (ondergrens) en de 50 meter (bovengrens) hoogte. Plaats ze niet binnen 1 meter boven of naast ramen, en zorg voor een vrije aanvliegroute. Het is verder belangrijk dat de verblijfplaats grenst aan het bestaande of nieuw groen, zodat de plek (interessant) gevonden wordt. Vleermuizen paren vaak op dezelfde plekken als de zomerverblijven. Vleermuizen maken wel gebruik van aparte kraamverblijven. Kraamverblijven zijn veelal groter dan de andere verblijven. Vleermuisverblijven zijn op veel verschillende plekken mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld in dakranden, achter gevelbetimmering, in een loze spouw bij technische ruimten en balkons, of de loze ruimte in een schoorsteen. De ruimte moet minimaal 100 cm breed x 50 cm hoog zijn. Zomer- en paarverblijven zijn minimaal 20x50cm (lxh). De invliegopening heeft bij voorkeur een opening van tussen de 15 en 20 mm en moet een aanvliegplank of ruw oppervlak hebben van minimaal 30 cm hoogte waarop de vleermuis gemakkelijk kan landen. Dit kan ook een ruwe buitengevel zijn. De makkelijkste en meest effectieve methode is om de tussenspouw toegankelijk te maken voor vleermuizen door een opening in de gevel. Bij een gladde muur in de spouw dient een ruwe laag te worden toegevoegd voor grip. Zo wordt de ruimte geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
(Binnenmaten)
Vleermuisverblijven in de dakrand
Invliegopening voor vleermuizen naar de spouw
Vleermuiskasten in de gevel Vleermuizen gebruiken ook kasten om in te verblijven, maar deze oplossing heeft niet de voorkeur. Er zijn verschillende leveranciers van vleermuiskasten die in te bouwen zijn in de gevel. Je kunt zorgen dat enkel de invliegopening zichtbaar is of de vleermuiskast zichtbaar houden in de gevel.
Vleermuiskasten in de gevel
30
3
Richtlijnen Verblijven Gierzwaluw Apus apus Gierzwaluwen zijn van april tot augustus in Nederland en trekken voor de koude maanden naar warmere landen. Ze brengen het grootste deel van hun leven in de lucht door, slapen gebeurd zelfs vliegend. Alleen tijdens de broedtijd zitten ze op hun nesten. Ze broeden graag in de holtes van gebouwen en onder daken waarbij ze onze gebouwde omgeving als een rotslandschap zien. De verschillende kieren en openingen in onze gebouwen zijn voor hen plekken om te nestelen. Aantallen en afstand
Gierzwaluwverblijven integreren in de architectuur Gierzwaluwen zijn koloniebroeders. Realiseer daarom meerdere clusters van nestplaatsen per gebouw in de noordoostelijke windrichting. Deze worden bij voorkeur ingebouwd. De gierzwaluw broedt graag hoog; nesten kunnen tot 40 meter hoog worden ingemetseld en op minimaal 50cm van elkaar verwijderd. Blinde, monotone zijkanten van gebouwen zijn het meest geschikt, bij voorkeur onder een overstek op plekken die niet opvallen op de gevel. Er moet een aanvliegroute van minimaal 3 meter (maar liever 6m+) onder en 1 a 2 meter voor de broedplaats vrijgehouden worden van obstakels zoals bomen, gebouwen en schoorstenen. Bij het uitvliegen maakt een gierzwaluw namelijk eerst een val van een aantal meters voor hij opvliegt.
Oriëntatie
Afmetingen (binnenmaat)
Gierzwaluwgalerij Unitura
Afmeting invliegopening en afstand vanaf de bodem
Gierzwaluwverblijven in dakrand
Het kan jaren duren voordat een gierzwaluw een verblijfplaats bezet. Tot het zover is vormt de plek een welkome broedplaats voor andere soorten. Als er eenmaal één verblijf door een gierzwaluw bezet raakt, zullen er snel meer volgen. Gierzwaluwen zijn erg trouw en keren generaties lang terug naar hetzelfde nest.
Nestkasten Gierzwaluwen gebruiken ook nestkasten om in te broeden, maar deze oplossing heeft niet de voorkeur. Liever wordt er geschikte broed- en leefruimte onder de dakrand en overstek gerealiseerd.
31
Nestkast in de gevel
2
Matrix doelsoorten en natuurinclusieve maatregelen
Verbinding
x
x
x
x
x
x
Veiligheid
x
Veiligheid
x
Voedsel
Voedsel
Voortplanting
Bunzing
Verbinding
Voortplanting
Wezel
Verbinding
Veiligheid
Voortplanting
x
Voedsel
Veiligheid
x
Zanglijster
Verbinding
Voortplanting
Scholekster
Voedsel
Verbinding
Veiligheid
Voortplanting
Voedsel
Verbinding
Veiligheid
Voedsel
Doelsoorten en habitatvoorwaarden:
Natuurinclusieve maatregelen
Gewone dwergvleermuis
Huismus
Voortplanting
BIJLAGE G
Maatregelen op en aan gebouwen Groen dak met grassen, kruiden en struiken
x
x
x
x
x
Groene daktuin
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bruine daken Geveltuin
x
Groene gevel
x
x
x
x
x
Sedumdaken
x
Geen lichtuitstraling vanuit gebouwen x
Vogelvriendelijke beglazing
x
x
Natuurinclusieve maatregelen met bomen Solitaire bomen
x
x
x
x
Cluster van bomen
x
x
x
x
x
x
Bomenrijen
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
Tiny Forest (Pocket)park
x x
x
x
x
x
x
x
Struiken en bloemrijke maatregelen Cluster van struiken
x
x
x
Overhoekjes Bloemrijk grasland
x
Zoomvegetatie
x
x
x x
Vaste plantenvakken en plantenbakken
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
Muurplanten en restauratie van oude muren
Maatregelen voor water en oevers Natuurlijke poel of vijver
x
x
x
x
Sloten
x
x
Natuurvriendelijke oever
x
x
x x
x x
Rustzone fauna langs waterrand x
Ecologische wadi
x
x
x
x
x
Maatregelen voor tuinen Groene tuin
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Grondbewerking van particuliere tuinen Groene tuinafscheiding Hagen
x
Takkenril
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Moestuin
Verblijfplaatsen en veiligheid voor dieren Wormenhotel Insectenstenen, bijenburchten en insectenhotels x
Composthoop
x
x
x
Dood hout x
Stenenstapel Verblijfplaatsen en nestkasten
x
x
x
x
Natuurvriendelijke straatverlichting
x
Fauanapassage
x
x
32
x
x
x
Verbinding
Veiligheid
Voortplanting
Bijen en vlinders
Voedsel
Verbinding
Veiligheid
Voortplanting
Bodemdieren
Voedsel
Verbinding
Veiligheid
Voortplanting
Voedsel
Kleine watersalamander
Verbinding
Veiligheid
Voedsel
Verbinding
Veiligheid
Voortplanting
Voedsel
Voortplanting
Zwarte roodstaart
Egel
Verbinding
Natuurinclusieve maatregelen
Veiligheid
Voedsel
Doelsoorten en habitatvoorwaarden:
Voortplanting
Eekhoorn
Maatregelen op en aan gebouwen Groen dak met grassen, kruiden en struiken
x
x
x
x
Groene daktuin
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bruine daken
x
x
Geveltuin
x
x
x
Groene gevel
x
x
x x
Sedumdaken Geen lichtuitstraling vanuit gebouwen x
Vogelvriendelijke beglazing
Natuurinclusieve maatregelen met bomen Solitaire bomen x
Cluster van bomen
x
x
x
x x
Bomenrijen x
Tiny Forest (Pocket)park
x
x
x
x
x
x
x
Struiken en bloemrijke maatregelen Cluster van struiken x
Overhoekjes
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
Vaste plantenvakken en plantenbakken
x
x
Muurplanten en restauratie van oude muren
x
x
Bloemrijk grasland x
Zoomvegetatie
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Maatregelen voor water en oevers x
Natuurlijke poel of vijver Sloten Natuurvriendelijke oever
x
x
x
Rustzone fauna langs waterrand
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ecologische wadi
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Maatregelen voor tuinen x
Groene tuin
x
x
x
x
x
x
x
Grondbewerking van particuliere tuinen Groene tuinafscheiding
x
x
Hagen
x
x
x
x
Takkenril
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
Moestuin
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Verblijfplaatsen en veiligheid voor dieren Wormenhotel
x
Insectenstenen, bijenburchten en insectenhotels x
Composthoop
x
Dood hout
x
Stenenstapel
x
x
x
x
x x
x
Verblijfplaatsen en nestkasten Natuurvriendelijke straatverlichting x
Fauanapassage
33
x
x
x
x
34
BIJLAGE H
Mogelijke natuurinclusieve maatregelen Doelsoorten Huismus
Natuurinclusieve maatregelen
Scholekster
Zwarte roodstaart
Zanglijster
Gewone dwergvleermuis
Wezel
Bunzing
Egel
Eekhoorn
Kleine watersalamander
Bodemdieren
Bijen en vlinders
Groen dak met grassen, kruiden en struiken
x
x
x
Groene daktuin
x
x
x
x
x
x
Bruine daken
x
Sedumdaken Groene gevel
x
x
Geveltuin
x
x
x
Groene tuin
x
x
Groene tuinafscheiding
x
Hagen
x
Natuurllijke poel of vijver
x
Solitaire bomen Cluster van bomen
x x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
Moestuin Bomenrijen
x
(Pocket)park
x
x x
x
x x
Takkenril
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Cluster van struiken
x
Vaste plantenvakken en plantenbakken
x
x
Bloemrijk grasland
x
x
x
x
x
x
x
x
Zoomvegetatie
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Overhoekjes
x x
x
x
x x
Ecologische wadi
x
x
x
Sloten
x
x
x
Rustzone fauna langs waterrand
x
x
x
Natuurvriendelijke oever
x
x
x
Tiny Forest
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Muurplanten en restauratie van oude muren
x
Verblijfplaatsen en nestkasten
x
Vogelvriendelijke beglazing
x
x x
x
x x
Geen lichtuitstraling vanuit gebouwen
x
Natuurvriendelijke straatverlichting
x
Faunapassage
x
x
x
x
x
x
x x
Wormenhotel
x
Composthoop
x
x
x x
Dood hout
x
Stenenstapel
x
x
x
x x
Insectenstenen, bijenburchten en insectenhotels
x
Grondbewerking particuliere tuinen
x
35
Maatregelen op en aan gebouwen Groen dak met grassen,
Geveltuin
kruiden en struiken Een groen dak met (bij voorkeur inheemse) grassen, kruiden, dwergheesters en struiken. De bodemlaag is minimaal 15 cm dik.
Een strook begroeide (openbare) ruimte die gelegen is voor een gebouw en onderhouden wordt door de bewoner of eigenaar van het pand, begroeid met meerjarige (bij voorkeur) inheemse planten en/of houtige gewassen.
Groene daktuin Een groen dak met (bij voorkeur inheemse) grassen, kruiden, dwergheesters, struiken en bomen. Een groene daktuin is vergelijkbaar met een biodiverse tuin en brengt de meeste voordelen met zich mee voor de natuur. De bodemlaag is minimaal 50 cm dik en waar bomen staan minimaal 80cm.
Groene gevel Een grondgebonden groene gevel met klimop, bruidsluier, wingerd, vuurdoorn, clematis, kamperfoelie en/of leifruit. Bij voorkeur een mix van twee of meer plantsoorten. Gevel van minimaal 2.5m breed en 3m hoog, en plantgaten van minimaal 30 cm x 50 cm.
Bruine daken Een bruin dak bestaat uit een laag aarde van de planlocatie met o.a. dood hout waar lokale, ruige vegetatie op kan gaan groeien.
Sedumdaken Een groen dak met sedumplanten. De bodemlaag is minimaal 5 cm dik.
De grond is niet vervuild en komt uit de omgeving.
Geen lichtuitstraling vanuit gebouwen
Vogelvriendelijke beglazing
De uitstraling van verlichting vanuit het gebouw is
De beglazing van de gebouwen is niet reflecterend of is
beperkt en heeft geen invloed op de omgeving en op
voorzien van speciaal glas, zodat vogels de ramen
verblijfplaatsen van dieren.
kunnen zien en er niet tegenaan vliegen.
Gebouwen stralen geen licht uit op bomen en struiken.
Alle ramen die een vrije aanvliegroute van 3m+ hebben, worden voorzien van deze beglazing.
Water infiltreren
Verkoeling
Water bufferen
Gezondheid
Schaduw geven| Doelsoorten en maatregelen | Natuurinclusief Bouwen Gemeente Nijmegen
36
1
Natuurinclusieve maatregelen met bomen
Solitaire bomen Aanplanten of behouden van solitaire en (bij voorkeur inheemse) bomen, zoals zomereik, wintereik, linde, berk, wilg, zwarte els, beuk, haagbeuk en veldiep. De bomen moeten vrij kunnen uitgroeien zowel onder- als bovengronds.
Cluster van bomen Clusters van 3 of meer (bij voorkeur) inheemse bomen. De bomen moeten vrij kunnen uitgroeien zowel onder- als bovengronds.
Bomenrijen Plant of behoud lijnstructuren van bomen. Zorg voor verbindingen met het omliggende gebied naar foerageergebieden. Zorg voor donkerte langs de bomenlijnen, minimaliseer onderbrekingen en voorkom barrières van bijvoorbeeld drukke wegen.
Tiny Forest Een Tiny Forest is een voedselbos met een sterke koppeling met educatie en/of voedsel. Oppervlak van minimaal 250 m2.
(Pocket)park Een (mini)park als ‘groene oase’ of ‘stadstuin’ met inheemse bomen en gelaagdheid van (bij voorkeur) inheemse struiken, kruiden en grassen. Oppervlak van zo'n 100 m2 voor een pocketpark tot meerdere hectares voor een park.