CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Regionaal programma jongeren naar school of werk 2026-2029

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: D32 d.d. 27 januari 2026 over Regionaal programma jongeren naar school of werk 2026-20298.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Jongeren Naar School of Werk – vsv programma 2026-2029 “Een duurzaam perspectief op ontwikkeling”

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Context

4

1.3

Leeswijzer

5

2

Waar staan we nu?

6

2.1

Uitkomsten regioanalyse

6

2.2

Inzichten uit netwerkbijeenkomst ‘in gesprek met jongeren’

9

3

Wat willen we?

11

3.1

Missie en ambitie

11

3.2

Leidende principes

11

3.3

Streefcijfers

12

3.4

Afbakening

13

4

Wat gaan we doen?

14

Maatregel 1: Samenwerken op oriëntatie en doorstroom

15

1.1 Oriëntatie

16

1.2 Doorstroom

17

Ontwikkelthema’s

18

Maatregel 2: Versterken van begeleiding in het onderwijs

19

2.1 Algemeen ondersteuningsaanbod

20

2.2 Extra ondersteuningsaanbod

20

2.3 Intensief ondersteuningsaanbod

21

Ontwikkelthema’s

22

Maatregel 3: Ondersteuning in de stap naar werk

22

3.1 Voorbereiding op werk

24

3.2 De stap naar werk

24

3.3 Blijven ontwikkelen op werk

26

Ontwikkelthema’s

26

5

Hoe gaan we dat doen?

28

5.1

Organisatie

28

[Typ hier]

5.2

Financiering en inzet

30

5.3

Monitoring en evaluatie

30

[Typ hier]

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

In de regio Rijk van Nijmegen zetten alle betrokken partners zich al jaren actief in om voortijdig schoolverlaten (vsv) terug te dringen en jongeren een duurzaam perspectief op onderwijs en werk te bieden. Dankzij de nauwe en langdurige samenwerking tussen onderwijsinstellingen, zorgpartners en gemeenten zijn belangrijke stappen gezet op het gebied van snellere doorstroom, effectievere benadering en duurzaam contact met jongeren. Ook zien we dat er structurele uitdagingen blijven bestaan, vooral op de overstapmomenten van jongeren binnen het onderwijs of van onderwijs naar arbeidsmarkt. De analyse van de huidige stand van zaken van de problematiek rondom voortijdig schoolverlaten laat zien dat de ondersteuningsvragen van jongeren complexer worden en vaker meerdere domeinen raken. Dit benadrukt het belang van de voortzetting en herijking van de integrale aanpak waarin samenwerking, maatwerk en toekomstgericht handelen centraal staan. Met het programma JNSOW 2026–2029 geven we invulling aan de gezamenlijke ambitie om jongeren in de regio Rijk van Nijmegen optimaal te begeleiden in hun route naar duurzaam werk. Of dat nu is vanaf school met een diploma, na uitval zonder diploma, vanuit een uitkering naar een nieuwe baan met meer toekomstperspectief.

We bouwen voort op de succesvolle elementen uit het vorige programma en scherpen onze aanpak aan op basis van actuele inzichten en regionale behoeften. Het programma richt zich op het voorkomen van uitval, de versterking van onderwijsloopbanen en de ondersteuning van jongeren in hun stap naar werk. Daarbij hanteren we drie samenhangende programmalijnen: •

Samenwerken op oriëntatie en doorstroom;

•

Begeleiding in het onderwijs;

•

Ondersteuning in de stap naar werk.

Binnen deze lijnen werken we aan concrete opdrachten, projecten en ontwikkelthema’s, met als doel om jongeren duurzaam perspectief te bieden – op school, in werk en in hun persoonlijke ontwikkeling.

1.2 Context Vanaf 1 januari 2026 wordt de wetswijziging “van School naar Duurzaam Werk” van kracht. Dit leidt op hoofdlijnen tot 4 veranderingen: 1) Pro, vso en mbo hebben een wettelijke taak om doorlopende loopbaanbegeleiding (nazorg) te bieden aan jongeren die uitstromen naar werk. Voor mbo tot een jaar na diplomering en voor pro en vso tot twee jaar na diplomering.

[Typ hier]

2) Gemeenten kunnen betrokken worden bij de doorlopende loopbaanbegeleiding. 3) De doelgroep van het doorstroompunt wordt uitgebreid van 23 naar 27 jaar. 4) Partijen werken verplicht samen in een regionaal programma. Naast de wetswijziging "van School naar Duurzaam Werk” speelt er nog een andere belangrijke ontwikkeling die ook vanaf 1 januari 2026 ingaat. De wet ‘Hervorming Arbeidsmarktinfrastructuur’, met de regionale werkcentra, heeft als doel werkenden, werkzoekenden en werkgevers toegang te bieden tot passende, herkenbare en laagdrempelige dienstverlening op het gebied van werk en scholing. Jongeren die onder de wet Van school naar duurzaam werk vallen, behoren ook tot de doelgroep van de regionale werkcentra.

De begeleiding van jongeren van school naar werk is een gedeelde verantwoordelijkheid van verschillende netwerkpartners. Iedere partner – of het nu gaat om onderwijsinstellingen, gemeenten, WerkBedrijf of werkgevers – heeft een eigen wettelijke of maatschappelijke taak. Het is essentieel dat deze rollen helder zijn en dat partners onderling goed weten wie waarvoor verantwoordelijk is en met wie er samenwerking gezocht dient te worden. Dit geldt niet alleen voor de professionals, maar ook voor de jongeren zelf: zij moeten weten bij wie ze terecht kunnen in elke fase van hun traject. In bijlage 1 vindt u een globale beschrijving van de wettelijke taak en het aanbod van de netwerkpartners. Tot slot zijn we ons ervan bewust dat er een duidelijke afbakening in dit programma zit. De focus ligt op het voorkomen van uitval in het onderwijs en op het ondersteunen van een doorstart richting onderwijs of werk. We zien echter een stevige link met het regioprogramma jeugd en bijbehorende lokale uitvoeringsagenda's als het gaat om de aansluiting met het domein zorg. Voor de aansluiting met het domein werk is er een stevige link met het Regionaal Beraad en de ontwikkeling van de regionale werkcentra. 1.3 Leeswijzer In dit programma lees je hoe we in de regio Rijk van Nijmegen de komende jaren willen investeren in de toekomst van jongeren.

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie op basis van de regioanalyse. In hoofdstuk 3 staan de missie, ambities en leidende principes van het programma. Hoofdstuk 4 vormt de kern van het document en bevat de drie programmalijnen, inclusief opdrachten, projecten en ontwikkelthema’s. Het rapport sluit in hoofdstuk 5 af met de organisatorische en financiële kaders voor de uitvoering, monitoring en evaluatie.

[Typ hier]

2 Waar staan we nu? 2.1

Uitkomsten regioanalyse

Om inzicht te krijgen in de huidige problematiek en aandachtspunten voor het nieuwe regionaal programma voerden we een regioanalyse uit. Deze analyse bestond uit dataanalyse (t.o.v. benchmarkgemeenten1), kwalitatieve interviews met begeleiders van jongeren, aanbodanalyse en een evaluatie van het programma jongeren naar school of werk 2020-2024. De aanpak van voortijdig schoolverlaten (vsv) en de verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is een belangrijke opgave binnen onze regio. De regioanalyse laat zien dat de uitdagingen complex zijn en dat er sprake is van een toename in de diversiteit en intensiteit van ondersteuningsvragen bij jongeren. Hoewel er veel inzet is vanuit onderwijs, zorg en gemeenten, blijkt dat structurele knelpunten blijven bestaan. Hieronder schetsen we het algemene beeld uit de regioanalyse. Per maatregel (in hoofdstuk 4) geven we ook inhoudelijk weer wat de conclusies uit de regioanalyse zijn. De cijfers Ontwikkeling percentage vsv’ers Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per schooljaar wisselt van jaar op jaar. Vanaf schooljaar 2019-2020 is een lichte stijging te zien van het aantal vsv’ers op zowel landelijk als regionaal niveau. Dit is grotendeels toe te schrijven aan de gevolgen van de COVIDpandemie2. In schooljaar 2023/2024 waren er in de regio Rijk van Nijmegen 544 nieuwe vsv’ers.

De benchmarkgemeenten zijn: Arnhem, Friesland-Noord, Zuid-Limburg, Haaglanden, Noord-Groningen, OostGroningen en Twente. Vanwege verouderde data en unieke positie van Rijk van Nijmegen t.o.v. andere regio’s gebruiken we de data als richting en richten we ons meer op de kwalitatieve data 2 https://longreads.cbs.nl/jeugdmonitor-2023/voortijdig-schoolverlaters/ 1

[Typ hier]

Herkomst vsv’ers De verschillen tussen de niveaus laten een duidelijk patroon zien. Op mbo-niveau 3 en 4 is het uitvalpercentage relatief laag (6%), maar omdat deze niveaus verreweg de meeste studenten tellen, leveren ze in absolute zin toch de grootste groep vsv’ers. Op mbo-niveau 1 is dat omgekeerd: de groep studenten is klein (ongeveer 12% van het totaal), maar het uitvalpercentage juist hoog (38%), waardoor het risico op voortijdig schoolverlaten binnen deze groep veel groter is.

Percentage vsv’ers per mbo-niveau (2023)

De herkomst van de vsv’ers laat zien dat de scholen in de regio Rijk van Nijmegen een regionale functie hebben. 40% van alle studenten woont buiten de regio. Van de jongeren die in regio Rijk van Nijmegen wonen, volgt 25% onderwijs buiten de regio. Het is daarom van belang dat er bovenregionale afstemming en samenwerking is rondom de aanpak van voortijdig schoolverlaten.

[Typ hier]

NEET- doelgroep De NEET- doelgroep bestaat uit jongeren van 15 tot 27 jaar zonder opleiding en zonder werk. Dit kunnen ook jongeren zijn met een startkwalificatie. Hiermee is de NEET doelgroep breder dan de vsv- doelgroep. In 2023 waren er in totaal 5.560 NEET- jongeren. Dit is 8,6% van alle jongeren in de deze leeftijdsgroep. Een derde van deze jongeren ontvangt een uitkering en is in beeld bij de gemeente. Dit is gelijk aan het landelijk gemiddelde en de benchmarkregio’s. Twee derde van deze doelgroep heeft geen uitkering. De NEET jongeren zonder uitkering kunnen in beeld zijn bij diverse (andere) instanties. Denk aan Doorstroompunt, sociaal wijkteams, UWV, of hebben dagbesteding of krijgen een Wajong of WIA uitkering.

Doelgroep in beeld Op basis van de regioanalyse kunnen we concluderen dat er niet één vsv’er bestaat. Er is meestal niet één reden waarom jongeren uitvallen. Het kan een combinatie zijn van verschillende factoren: •

Belemmeringen vanwege psychosociale problematiek

•

Verkeerde studiekeuze

[Typ hier]

•

Niet-passend onderwijssysteem

•

Problemen in de thuissituatie, beperkte betrokkenheid of ondersteuning vanuit ouders of verzorgers

•

Niet kunnen meekomen door een taalachterstand

•

Gedrag, zoals verzuim of motivatie, dat niet tijdig is aangepakt en zich herhaalt

•

Groter belang bij werken en geld verdienen.

Trends en ontwikkelingen Op basis van de gevoerde gesprekken voor de regioanalyse haalden we een aantal trends en ontwikkelingen op die van belang zijn voor het programma: •

De complexiteit van de problematiek van jongeren groeit: er speelt veel mentale problematiek wat het volgen van onderwijs bemoeilijkt.

•

Het onderwijssysteem ontwikkelt niet mee met deze groeiende complexiteit.

•

De groep nieuwkomers, en daarmee jongeren met een taalachterstand, wordt groter.

•

Steeds meer jongeren willen doorstromen van pro/vso onderwijs naar regulier mbo.

•

Jongeren oriënteren zich minder op een vervolgopleiding.

•

De wachttijd van externe hulpverlening is lang, waardoor school stagneert.

De eerder genoemde factoren zijn niet nieuw. De afgelopen programmaperiode is een deel van de interventies en projecten hier ook op gericht geweest. Toch zien we door de huidige trends en ontwikkelingen dat deze factoren nog steeds aandacht behoeven. Conclusie De analyse maakt duidelijk dat er geen uniforme oplossing bestaat: elke jongere heeft een eigen verhaal, achtergrond en ondersteuningsbehoefte. Tegelijkertijd zijn er duidelijke trends zichtbaar die vragen om gezamenlijke actie. Denk aan de toename van uitval bij groepen in een kwetsbare positie, de noodzaak van betere loopbaanoriëntatie, en het belang van maatwerk en samenwerking tussen domeinen.

2.2

Inzichten uit netwerkbijeenkomst ‘in gesprek met jongeren’

Op 15 mei hielden we met de professionals rondom het programma Jongeren naar School of Werk een netwerkbijeenkomst. Deze editie stond in het teken van het gesprek met jongeren. Het gaf ons een aantal inzichten die we mee willen nemen in de opzet en uitvoering van het nieuwe programma: •

Zorg voor écht contact met de jongere: dit kost tijd en moeite. Luister naar wat een jongere zelf wil (en denk niet te veel wat moet vanuit je kader als professional).

[Typ hier]

•

Kijk naar het brede plaatje rondom de jongere (o.a. de big 5).

•

Zoek de grenzen op in wat je voor een jongere kan doen en gebruik maatwerk. Laat je hierin niet alleen leiden door wet- en regelgeving, maar doe wat nodig is of zoek hierbij partners die dit kunnen doen.

•

Realiseer je dat de oplossingen vanuit het systeem voor jongeren buiten het systeem misschien niet passend zijn en als drempels voelen. Werp niet te veel drempels op als een jongere na een tijdje wel terug wil naar school of werk (bijv. een motivatiebrief voor een opleiding).

•

School is niet de enige setting waar een jongere zich kan ontwikkelen.

•

Ook de jongere zelf moet bereid zijn om stappen te zetten. Hiervoor is vertrouwen en een band nodig.

[Typ hier]

3 Wat willen we? 3.1

Missie en ambitie

We willen voor elke jongere een goed toekomstperspectief. We gaan met alle jongeren die hierbij hulp nodig lijken te hebben in gesprek en de jongeren die dat willen, bieden we naar behoefte hulp aan. We richten ons hier specifiek op voortijdig schoolverlaters tot 27 jaar en jongeren in een kwetsbare positie en jongeren die regelmatig verzuimen tot 27 jaar (zowel op vo als mbo).

Missie In de regio Rijk van Nijmegen werken we samen aan de opdracht om het aantal voortijdig schoolverlaters te verminderen. We zorgen ervoor dat zoveel mogelijk jongeren op school zitten, aan het werk zijn of een combinatie daarvan. We voorkomen voortijdig schoolverlaten door alle jongeren (van 12 tot 27 jaar) die zonder startkwalificatie dreigen uit te vallen of het onderwijs (hebben) verlaten zo vroeg mogelijk in beeld te krijgen. We bieden jongeren een toekomstperspectief dat hen (terug)leidt naar een passende (vervolg)opleiding, arbeidsplaats of een combinatie daarvan.

Ambities 1. Preventief: We voorkomen uitval in het onderwijs en zorgen ervoor dat zoveel mogelijk jongeren de arbeidsmarkt betreden met een startkwalificatie. Het behalen van een startkwalificatie staat in onze regio voorop. Dit is een gezamenlijke ambitie en iedere organisatie zet zich in om zoveel mogelijk jongeren de kans te bieden deze startkwalificatie te behalen. 2.

Curatief: We begeleiden jongeren die voortijdig zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in de overgang naar (duurzaam) werk, terug naar school of een combinatie daarvan. We richten ons op een passend en duurzaam toekomstperspectief voor alle jongeren. Wanneer het behalen van een startkwalificatie nu (nog) niet haalbaar is, onderzoeken we samen de mogelijkheden voor duurzaam werk of een combinatie van leren en werken. Jongeren die duurzaam aan het werk gaan, stimuleren we om zich verder te ontwikkeling en te ontplooiing op de werkvloer.

3.2

Leidende principes

We stellen met elkaar een aantal leidende principes vast die ons richting geven in de uitvoering van het programma.

[Typ hier]

Samenwerking •

We zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor alle jongeren in een kwetsbare positie en (potentiële) voortijdig schoolverlaters.

•

We zorgen met elkaar voor een sterke en doorlopende ondersteunings- en zorgstructuur. We versterken elkaars aanpak en vullen elkaar aan. We werken over de eigen grenzen heen in het belang van de jongere.

•

We ontwikkelen oplossingen in gezamenlijk perspectief. Daar zit de kracht van dit programma. Investeringen hebben een toegevoegde waarde op de bestaande afspraken.

•

Er is experimenteerruimte voor vernieuwing in de werkwijze. Bestuurders geven vanuit het programma rugdekking om af te wijken van regels, geldstromen te ontschotten en verbindingen te maken tussen organisaties.

•

Regionale vsv-middelen worden niet besteed aan reguliere taken.

Inhoud •

De jongere staat centraal: het vertrekpunt zijn de wensen en ambities van de jongere zelf. Het uitgangspunt is een goed toekomstperspectief. Iedere jongere heeft recht op passend onderwijs en op een volwaardige plek in de maatschappij.

•

Doorlopende leerlijnen vormen de basis van onze aanpak.

•

Opleiden, begeleiden, hulp en zorg liggen dicht bij elkaar en organiseren we rondom de jongere.

•

We spannen ons in om te meten en monitoren wat de effecten zijn van onze inzet. Elk project stelt vooraf vast op welke manier de monitoring en evaluatie van het betreffende project plaatsvindt. Hierdoor hebben we op vaste evaluatiemomenten zicht op de maatschappelijke effecten van het project specifiek en het programma in zijn geheel.

•

Jongeren worden betrokken bij de totstandkoming van een project en de evaluatie daarvan.

3.3

Streefcijfers

Elke Doorstroompuntregio draagt bij aan de landelijke ambitie om het aantal nieuwe vsv’ers terug te brengen naar maximaal 23.000 nieuwe vsv’ers in schooljaar 2028-2029. Het ministerie van OCW vraagt elke Doorstroompunt regio om haalbare streefcijfers op te nemen in het regionale vsv-programma. In de regio Rijk van Nijmegen vinden we de

[Typ hier]

doorvertaling van het door het ministerie vastgestelde streefcijfer voor onze regio erg ambitieus. Op dit moment kunnen we nog onvoldoende inschatten of dat een realistisch streefcijfer is voor onze regio. We kiezen ervoor om het streefcijfer dat bepaald is door het ministerie over te nemen in het regionaal programma, en daarnaast het eerste jaar van het programma te gebruiken om de vsv’ers van schooljaar 2025-2026 nader te analyseren om een realistische prognose te maken. We zetten in op een daling van het aantal vsv’ers. Maar realiseren ons ook dat de jaarcijfers grillig zijn en afhankelijk van externe factoren. Daarnaast wordt de definitie van een voortijdig schoolverlater met invoering van de nieuwe wet aangepast en verruimd. Ook stellen we met elkaar vast dat het behalen van een startkwalificatie niet voor elke jongere (nu) passend is. Dit heeft mogelijk als gevolg dat de vsv-cijfers hoger uitvallen. We begeleiden deze jongeren wel naar een duurzame plek in de maatschappij en zetten ons in om ontwikkeling van deze jongeren te blijven stimuleren. Beoogd aantal vsv’ers Maximaal 359 nieuwe schoolverlaters in kalenderjaar 2029, gemeten over studiejaar 2028/2029. Beoogd aantal jongeren zonder werk of opleiding Maximaal 5560 NEET-jongeren in kalenderjaar 2029. 3.4 Afbakening We kunnen het huidige systeem ordenen in een trechter met daarin drie lagen:

•

De basisdienstverlening is gericht op iedereen. Dit zit veelal in de wettelijke taak van partners ingebed (zie bijlage 1).

[Typ hier]

•

Voor jongeren die voldoen aan één of meer kenmerken van de in dit programma beschreven doelgroep is de basis niet altijd voldoende. Zij hebben meer ondersteuning nodig. Dit zit soms in de wettelijke taak, maar er zijn gevallen waarin er meer nodig is om een jongere op een passende manier te ondersteunen. Dit is dan ook de groep waar we ons met dit programma extra op richten.

•

Tot slot is er ondersteuning voor een enkeling. Dit is veelal maatwerk en beschikbaar voor een beperkte groep jongeren.

De verschillende niveaus zijn aan elkaar verbonden en de grenzen tussen de niveaus is niet zwart wit. Er bestaan grijze gebieden. Als programma leggen we de focus op de maatregelen voor sommigen3 jongeren. We richten ons dan ook op de overgang tussen de wettelijke taken en de samenwerking die daarvoor nodig is. We zijn met elkaar van mening dat het goed functioneren van de basisdienstverlening een voorwaarde is voor het goed werken van het filter. Daarom is het van belang dat we binnen het programma van elkaar en de casussen leren om ervoor te zorgen dat we de dienstverlening aan alle jongeren optimaal hebben geregeld. En zetten we met elkaar dat stapje extra om de jongeren in kwetsbare positie die dat nodig hebben extra ondersteuning te bieden. Vanuit het onderwijs, het doorstroompunt of de arbeidsmarkt.

4 Wat gaan we doen? Het nieuwe programma bevat drie samenhangende maatregelen: 1.

Samenwerken op oriëntatie en doorstroom

2.

Versterken van begeleiding in het onderwijs

3.

Ondersteuning in de stap naar werk

De maatregelen zijn: -

Gericht op het bevorderen van het aantal jongeren tussen 12 en 27 jaar die een startkwalificatie behalen en op de verbetering van de overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

-

Aanvullend op de reguliere taken van de verschillende betrokken partijen.

3 Bij de uitwerking van de maatregelen in hoofdstuk 4 worden de doelgroepen nader

toegelicht.

[Typ hier]

-

Elke maatregel is opgedeeld in onderdelen. Per maatregelen noemen we ook een aantal ontwikkelthema’s waar we in de samenwerking met alle betrokken partijen mee aan de slag gaan.

Maatregel 1: Samenwerken op oriëntatie en doorstroom Een soepele overstap van het alle voortgezet onderwijs naar het mbo is essentieel voor het succes van jongeren in hun schoolloopbaan. De onderwijsinstellingen zelf en gezamenlijk verantwoordelijk voor het versterken van de samenwerking rondom oriëntatie en doorstroom. In de afgelopen jaren is een werkwijze ontwikkeld die we in de komende programmaperiode behouden en waar nodig versterken. Uitkomsten uit de regioanalyse Uit de regioanalyse blijkt dat jongeren zich minder goed oriënteren op een vervolgopleiding. Zij kiezen een opleiding omdat een vriend die ook kiest, of omdat een ouder dit heeft aangeraden. Het komt voor dat jongeren niet eens een website bekijken of naar een open dag gaan. Daardoor lopen jongeren meer kans een opleiding te kiezen die niet goed bij hen past, waardoor ze soms moeten overstappen naar iets anders of het onderwijs voortijdig verlaten. Ook komt het voor dat jongeren een onderwijsniveau kiezen dat niet bij ze past. Sommige jongeren starten op mbo niveau 1 vanwege de drempelloze toegang. Zij kunnen zonder vmbo-diploma toch beginnen aan een beroepsopleiding. Er is een hoog uitvalpercentage op mbo niveau 1. 38% van het totaal aantal studenten dat begint aan een mbo niveau 1 opleiding stopt hiermee voordat ze het diploma hebben gehaald.

Ook komt in de analyse naar voren dat overstapmomenten binnen het schoolsysteem een risico voor

[Typ hier]

uitval vormen. Jongeren die de overstap van vo en vso naar mbo en van mbo niveau 1 naar niveau 2 maken hebben een verhoogde kans op uitval. De meest geziene struikelblokken zijn: -

Ontbreken van de benodigde vaardigheden (bijvoorbeeld taalvaardigheid) voor vervolgonderwijs,

-

Gevraagde discipline en zelfstandigheid in het betreffende onderwijs sluit niet aan.

In de overgang tussen vo en vso naar mbo zijn jongeren na uitstroom vaak uit beeld van de oude school maar nog onvoldoende in beeld van de nieuwe school. Niet altijd komt de juiste informatie, bijvoorbeeld over de ondersteuningsbehoefte, goed door bij de vervolgopleiding. Hierdoor komt het voor dat niet de juiste ondersteuning wordt geboden vanaf de start. Doel van maatregel Het doel is de kans op een succesvolle overstap van jongeren in een kwetsbare positie naar en binnen het mbo te vergroten. We bevorderen een goede samenwerking tussen de partijen. Inhoud maatregel We bieden een sluitende aanpak aan jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte. We continueren voor een deel de aanpak uit de vorige beleidsperiode. Hiermee zorgen we voor continuïteit in financiering en handhaven we gedeeltelijk de bestaande dienstverlening.

1.1 Oriëntatie We richten ons in het programma op het verbeteren van het oriëntatie- en studiekeuzeproces en de ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie hierbij met de volgende acties: •

Versterken van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) voor leerlingen die zich aan het oriënteren zijn op een vervolgopleiding en in een kwetsbare positie zitten. Zo bereiden we jongeren met een kwetsbare achtergrond beter voor op hun overstap naar het mbo. Het onderwijs zet zelf in op het versterken van de LOBstructuur en -inhoud. Hierbij is samenwerking tussen vo en vso/pro en mbo essentieel, zodat leerlingen tijdig en realistisch zicht krijgen op hun mogelijkheden. Het programma richt zich vooral op (het faciliteren van) de samenwerking tussen de verschillende instellingen.

[Typ hier]

o

Project: samenwerking vo, vso en pro met mbo: verbeteren oriëntatie en studiekeuze

1.2 Doorstroom Een goede en zachte landing in het mbo vraagt om intensieve begeleiding en samenwerking tussen onderwijsinstellingen en ondersteunende partners. Verschillende partijen zijn verantwoordelijk voor een soepele overgang. We zetten in op intensieve begeleiding en samenwerking om jongeren in een kwetsbare positie met een risico op uitval goed te laten landen in vervolgonderwijs. We verkleinen van de kans op uitval doorstroom door de volgende acties: •

Intensiveren van de begeleiding bij de overstap van jongeren in een kwetsbare positie. Niet alle jongeren zijn voldoende voorbereid op het mbo, ondanks bestaande LOBinspanningen. Daarom zetten we in op aanvullende programma’s die de voorbereiding verbeteren. Dit is toegankelijk voor leerlingen uit het vso/pro en het vo. Uit voorgaande jaren blijkt dat intensieve begeleiding en een warme overdracht van het vo en vso/pro naar mbo ervoor zorgt dat jongeren met extra ondersteuningsbehoeften goed landen in het mbo. Met deze aanpak gaan we door. o

Interventie: Next Level

o

Interventie: Overstapcoaches – intensieve begeleiding en samenwerking vo, vso, pro en mbo.

•

Verbeteren van de digitale overdracht van informatie Een goede digitale overdracht van leerlinginformatie is essentieel voor een soepele doorstroom naar vervolgonderwijs. We onderzoeken of het huidige instrument (Intergrip) nog passend is en of het wenselijk is om over te stappen naar een ander instrument (zoals Paspoort voor Succes). Omdat hier alle onderwijspartners in de regio voor nodig zijn, onderzoeken we dit vanuit het programma en jagen we dit indien nodig aan. o

Project: Digitale overdracht – onderzoek en indien nodig implementatie instrument.

•

Ondersteunen van jongeren die (nog) geen passende mbo-keuze hebben. Sommige jongeren hebben meer tijd nodig om tot een passende opleidingskeuze te komen. Een tijdelijk oriëntatieprogramma kan uitkomst bieden. Jongeren stromen dan wel in bij vervolgonderwijs, maar krijgen de kans om in een eerste periode zich verder te

[Typ hier]

oriënteren. Dit geldt voor nieuwe instromers in het mbo en jongeren die uitvallen en willen switchen, gericht op een succesvolle doorstroom naar een vervolgopleiding. o

Project: Oversteek 2.0: Oriëntatie- en begeleidingsprogramma ROC Nijmegen – ‘Wie ben ik?’, ‘Wat kan ik?’, ‘Wat wil ik?’

•

Versterken ISK-onderwijs voor soepele doorstroom naar vervolgonderwijs. Voor sommige ISK-leerlingen is twee jaar onvoldoende om het vereiste taalniveau te behalen voor een succesvolle doorstroom naar vervolgonderwijs. Dit heeft te maken met verschillende factoren in het leven van deze jongere. Dit vraagt om extra inzet vanuit het ISK-onderwijs om deze jongeren klaar te stomen voor de doorstroom naar regulier onderwijs. o

•

Project: Versterken ISK

Vergroten van de taalvaardigheid bij doorstroom binnen het mbo. Een belangrijke oorzaak van uitval bij doorstroom van niveau 1 naar 2 is onvoldoende taalvaardigheid. We zetten komende jaren verder in op het versterken van de taalvaardigheid van nieuwkomers4 op niveau 1 en faciliteren extra taalondersteuning bij niveau 2 opleidingen om zo uitval te voorkomen. o

Interventie: TA(A)lent Entree – versterking taalvaardigheid nieuwkomers mbo-niveau 1.

Ontwikkelthema’s Binnen dit thema zien we de volgende ontwikkelopgaven: •

Monitoren en ondersteunen van doorstroom risicogroepen. De afgelopen programmaperiode hebben we gezien dat bepaalde doelgroepen, zoals nieuwkomers, LWT-leerlingen, vso/pro-leerlingen, entreestudenten en thuiszitters, een verhoogd risico hebben op uitval bij doorstroom naar een vervolgopleiding. Door de schoolloopbaan van deze jongeren in beeld te brengen willen we erachter komen op welke manier we bij welke doelgroep de meeste impact maken. We reserveren maatwerkbudget om op individueel of groepsniveau verschil te maken en zo uitval te voorkomen. Dit zetten we in voor de doelgroep waar dat het meest nodig is. o

Project: Kansrijk doorstromen

4 Naast TA(A)lent zijn er binnen het mbo binnen de opleidingen verschillende interventies om

de basisvaardigheden van studenten te verbeteren.

[Typ hier]

o

Opvolgend: Maatwerkbudget voor specifieke doelgroepen (in afstemming met Leerrecht en het Doorstroompunt).

•

Oriëntatie die aansluit bij de belevingswereld van jongeren. Jongeren oriënteren zich niet altijd optimaal op vervolgonderwijs. We zetten in op het verbeteren van het oriëntatieaanbod, met meer aansluiting bij hun leefwereld en actieve betrokkenheid van jongeren en het werkveld.

Maatregel 2: Versterken van begeleiding in het onderwijs Vanuit het onderwijs en het programma JNSOW zetten we ons in om jongeren die dreigen uit te vallen vanwege zorgproblematiek zo goed mogelijk te ondersteunen. We organiseren de aansluiting tussen vo, mbo en (jeugd)zorg zoveel mogelijk op de school. Zorg is snel en dichtbij beschikbaar. We onderscheiden drie niveaus van ondersteuning: algemeen, extra en intensief. In de ondersteuning is samenwerking tussen de verschillende partijen van belang. Daar richten we ons vanuit het programma op. Uitkomsten uit regioanalyse In de regioanalyse komt naar voren (o.b.v. gesprekken met professionals in het onderwijs) dat de complexiteit van de problematiek bij jongeren de afgelopen jaren lijkt toegenomen. Onder andere psychische problematiek komt steeds vaker voor. Dit vergroot het belang van goede begeleiding in het onderwijs. Vanuit het vo komt het signaal dat de begeleiding soms te weinig is ingericht op jongeren met complexere problematiek. Dat zorgt er in sommige gevallen voor dat de begeleiding uitdagingen, zoals motivatieproblemen en verzuim, te laat signaleren en aanpakken. Zonder de aanpak van problematiek laten jongeren vaak hetzelfde gedrag zien bij overgang naar een andere onderwijsinstelling. De toename van de complexiteit maakt het steeds uitdagender voor docenten en mentoren om de juiste begeleiding te bieden.

Daarbij helpt het niet mee dat er wachtlijsten zijn voor hulp binnen de jeugdzorg. Vertraging in de hulpverlening zorgt voor vertraging in de oplossing van de problematiek en in het ergste geval levert dit ook vertraging op in de schoolloopbaan van de jongere. Uit de analyse blijkt dat samenwerking tussen het onderwijs en zorg van groot belang is. Passende hulp binnen het schoolsysteem heeft hierbij de voorkeur. Zodra een jongere zich langdurig buiten het schoolsysteem bevindt, blijkt het lastig om terug te keren. Doel van maatregel Deze maatregel richt zich op het stimuleren van aanwezigheid en voorkomen van schooluitval door betere begeleiding en ondersteuning binnen het onderwijs. Hiermee vergroten we de kans dat jongeren met complexe zorgen hun opleiding kunnen afmaken en

[Typ hier]

een startkwalificatie halen. De maatregel bevordert een inclusieve leeromgeving, vergroot pedagogisch vakmanschap en voorkomt verzuim preventief en in een eerder stadium. Inhoud maatregel Op basis van de regioanalyse en de gevoerde gesprekken zien we binnen deze maatregel drie niveaus: 2.1 Algemeen ondersteuningsaanbod Op elke school is er sprake van een basisondersteuning. Deze ondersteuning is gericht op het kunnen blijven volgen van onderwijs, al dan niet met een startkwalificatie als resultaat. Hoewel dit tot de zorgplicht van het onderwijs behoort, zien wij binnen het programma kansen om deze basis te versterken door de volgende acties: •

Aanjagen van persoonlijke en positieve benadering binnen de school: focus op schoolaanwezigheid. De afgelopen programmaperiode hebben we ons ingezet voor de beweging van verzuim naar schoolaanwezigheid. De focus ligt hierbij op het kijken naar welke leerlingen aanwezig zijn, in plaats van dat er gekeken wordt naar welke leerlingen afwezig zijn. Door deze schoolbrede aanpak wordt er gekeken naar alle leerlingen, en niet alleen de leerlingen om wie zorgen zijn. De kern hiervan is zo vroeg mogelijk signaleren, zodat langdurig verzuim kan worden voorkomen. Vanuit het programma ondersteunen we scholen bij de ontwikkeling van deze aanpak die gericht is op de bevordering van aanwezigheid. o

Project: Aanpak schoolaanwezigheid

2.2 Extra ondersteuningsaanbod Voor sommige jongeren is de basisondersteuning niet voldoende. Zij hebben extra ondersteuning nodig om schooluitval te voorkomen. Soms is dit ondersteuning vanuit de reguliere taak, maar soms is ook net dat extra stapje nodig. We zetten in op de volgende acties: •

Verbreden van de pedagogische basis en verhogen van persoonlijke begeleiding in de klas. Door toenemende complexiteit van problematiek wordt meer gevraagd van docenten in de klas. Aan de andere kant zijn persoonlijke aandacht en een vast aanspreekpunt cruciaal om uitval te voorkomen. Extra (pedagogische) hulp in de klas kan docenten ontlasten en preventief werken, door hulpvragen van leerlingen eerder te signaleren en op te pakken. We zetten daarom in op het versterken van de pedagogische basis door nabijheid en ondersteuning in de klas bieden. We stellen

[Typ hier]

een budget beschikbaar waarvoor het onderwijs aanvraag kan doen voor het versterken van de pedagogische basis. o •

Project: Ontwikkelbudget onderwijs voor gerichte doelgroepen

Vroeg actie inzetten op en voorkomen van verzuim. Ziekmelden is het nieuwe spijbelen. We willen verzuim vroegtijdig signaleren en aanpakken, ook bij jongeren van 18 jaar en ouder. We doen meer dan de wettelijke taak en werken aan een nauwe samenwerking tussen het mbo en het Doorstroompunt om te voorkomen dat verzuim overgaat in uitval. We ontwikkelen en delen werkwijzen voor de vroegtijdige signalering van verzuim en effectieve gespreksvoering met jongeren zonder startkwalificatie. o

Interventie: Aanpak verzuim 18+

2.3 Intensief ondersteuningsaanbod Voor een kleine groep jongeren is intensieve ondersteuning nodig. Hoewel de intensieve zorg aan jongeren buiten het onderwijs niet in scope van dit programma valt, willen we waar mogelijk voorkomen dat jongeren het nodig hebben. Daarom zetten we in op de volgende acties: •

Versterken aansluiting jeugdhulp en vo en vso-scholen De afgelopen programmaperiode hebben we ingezet op de ontwikkeling van een nieuwe werkwijze voor de samenwerking tussen de lokale teams en het voortgezet onderwijs. Hier bouwen we op voort en gaan door met deze ontwikkeling. We ondersteunen scholen en partners bij het versterken van de samenwerking in en rondom het ondersteuningsteam, met aandacht voor rolverdeling en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Hierbij is aandacht voor de colour locale en de mogelijkheid om hier lokaal over de beslissen. Tijdens de programmaperiode wordt er verkend in hoeverre geleerde lessen ook toe te passen zijn voor het mbo. o

•

Project: VO-team

Preventieve aanpak psychische problematiek in de school De toename van mentale problematiek onder jongeren legt druk op de GGZ. We willen preventiever werken en sneller kunnen handelen in de school. De inzet van de GGZ-ondersteuner kan drempelverlagend werken voor jongeren om de stap naar een behandeltraject binnen de GGZ te zetten. Óf het kan de functie hebben van een kortdurende, meer preventieve interventie om verwijzing naar GGZ te voorkomen. Daarnaast hebben de ondersteuners een rol in het verder versterken van de hele begeleidingsketen, door advies te geven aan de begeleiders over hoe om te gaan

[Typ hier]

met (zware) psychische problematiek. Dit zorgt voor ontwikkeling van professionals. o

Interventie: GGZ-ondersteuner in de school

Ontwikkelthema’s Binnen deze maatregel zien we de volgende ontwikkelopgaven waar we vanuit het programma aandacht aan geven: •

Stimuleren van beweging naar een bredere en holistische kijk op de ontwikkeling van jongeren. Hierin staan zowel cognitieve als persoonlijke vaardigheden centraal. Dit doen we door bijeenkomsten te organiseren waarin onderwijsprofessionals en partners kennis en inspiratie opdoen over thema’s als holistische ontwikkeling, pedagogisch klimaat en samenwerking.

•

De verschillende vormen van begeleiding voor thuiszitters. We onderzoeken welke begeleiding er is voor jongeren die terugkeren naar het onderwijs. Hierin wordt opgetrokken met het Samenwerkingsverband v(s)o en het Doorstroompunt en verbinden we met de ontwikkelagenda inclusief onderwijs.

•

Goede samenwerking tussen professionals blijvend stimuleren en behouden. Goede samenwerking tussen onderwijs, zorg en andere partners is essentieel. We stimuleren vertrouwen in elkaars expertise en voorkomen dubbel werk en zorgen dat het prettig is om met elkaar samen te werken. Dit is een belangrijk focuspunt, omdat we ons bewust zijn van de situatie op de arbeidsmarkt en vertrek van kundige professionals impact heeft op het programma.

•

Leren van casussen die intensieve ondersteuning nodig hebben. We analyseren casussen om te ontdekken hoe we jongeren in een eerder stadium kunnen ondersteunen. We vertalen deze lessen naar het algemene en extra ondersteuningsaanbod, zodat minder jongeren intensieve zorg nodig hebben. We verzamelen en bespreken praktijkvoorbeelden met partners om te komen tot verbeteringen in de basisondersteuning.

Maatregel 3: Ondersteuning in de stap naar werk De ambitie van dit programma is dat we voorkomen dat jongeren zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten en dat we de jongeren voor wie het behalen van een startkwalificatie (nog) niet haalbaar is ondersteunen in een duurzame stap naar werk of een combinatie van werken en leren. Met de projecten en interventies uit maatregel 1 en 2 zetten we ons in om te voorkomen dat jongeren uitvallen. Met de projecten en interventies uit maatregel 3 richten we ons vooral op de jongeren voor wie het behalen van een startkwalificatie (nog) niet

[Typ hier]

haalbaar is. Onder deze doelgroep scharen we ook de jongeren die al langere tijd zonder startkwalificatie en in een deel van de gevallen zonder (duurzaam, voldoende betaald) werk zit. Uitkomsten uit regioanalyse In de regioanalyse komt naar voren dat een goede voorbereiding op de stap naar de arbeidsmarkt cruciaal is. Jongeren moeten beschikken over de juiste vaardigheden en de juiste verwachtingen van deze stap hebben. Dit start al binnen het onderwijs. Voor de pro/vso doelgroep is de overstap naar arbeid vaak groot. Dit vanwege de jonge leeftijd waarop ze gaan werken en de uitdagingen die ze hebben op persoonlijk vlak. Voor deze doelgroep vormt het aflopen van het jaarcontract na één jaar werken een risicomoment. Uit de analyse blijkt dat het vaak lastig is om een goede match te maken tussen jongeren en werkgevers. Ook komt naar voren dat de pro/vso doelgroep minder snel in beeld zijn bij werkgevers. Dit zorgt ervoor dat er intensievere begeleiding nodig is om tot een passende baan te komen. Verder lijkt er op de werkvloer voldoende passende ondersteuning. Factoren die bijdragen aan een positieve stap naar werk zijn onder andere de warme overdracht en de nazorg van het bekende gezicht vanuit de school. Vanaf 2022 is de aanpak jeugdwerkgelegenheid onderdeel van het vsv-programma.

De afgelopen jaren hebben we geïnvesteerd in de samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en werkgevers. Dit om jongeren die (voortijdig) school verlaten te helpen in hun stap naar de arbeidsmarkt. Dit sluit aan bij de nieuwe wettelijke taak die het onderwijs krijgt in de nazorg. Doel van maatregel Met de inzet uit maatregel 3 zetten we in op een duurzame en kansrijke overgang van jongeren naar de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor jongeren zonder startkwalificatie. Door vroegtijdige voorbereiding, intensieve samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en werkgevers, en gerichte ondersteuning bij de stap naar én ontwikkeling op werk, vergroten we de kansengelijkheid en arbeidsparticipatie van jongeren in een kwetsbare positie. Dit draagt bij aan een verlaging van het risico op langdurige werkloosheid, de verhoging van sociale mobiliteit en een inclusievere arbeidsmarkt waarin jongeren duurzaam kunnen groeien en bijdragen aan de maatschappij. Inhoud maatregel Op basis van de regioanalyse en de gevoerde gesprekken zien we binnen deze maatregel drie niveaus:

[Typ hier]

3.1 Voorbereiding op werk Om een goede overstap te kunnen maken, is het van belang om op tijd te starten met de ontwikkeling van de juiste (werknemers) vaardigheden. Deze taak ligt primair bij ouders/verzorgers en het onderwijs voor schoolgaande jongeren. Voor de groep oude vsv'ers hebben ouders/verzorgers, het Doorstroompunt en het WerkBedrijf hier een belangrijke taak in. Vanuit het programma zetten we in op de volgende acties: •

Gezamenlijk organiseren en verbeteren van beroepenoriëntatie. Sommige jongeren hebben geen passend beeld van hoe het werk eruitziet. Goede voorbereiding op en verwachtingsmanagement van de stap naar de arbeidsmarkt is hierbij van belang. Dit zit zowel in de keuze van een opleiding als in het vervolg. Daarom zetten we voor de doelgroep die zich aan het oriënteren is op werkgevers en de stap naar werk, in op verbetering en structureel aanbod van beroepenoriëntatie zodat jongeren een beter beeld krijgen van het werk dat ze later mogelijk gaan doen. Daarnaast is betere matching tussen werkgever en werknemer een aandachtspunt. o

•

Project: (Gezamenlijke) LOB-events

Vergroten van kansengelijkheid rondom stages en beroepen. Een stage helpt in de voorbereiding op werk en de oriëntatie op een juiste beroepskeuze. Veel jongeren hebben moeite om een stage of werkplek te vinden. Niet alle werkgevers zijn bekend met de mogelijkheden van deze jongeren. We zetten daarom in op betere kansengelijkheid rondom stages. Dit vergroot de kans op een goede overstap richting werk. o

Project: Stagemakelaar

3.2 De stap naar werk In de stap naar werk is voor een deel van de jongeren begeleiding nodig. De begeleiding wordt geboden door het onderwijs od het Doorstroompunt. Het is voor jongeren met en zonder startkwalificatie. Hierbij is samenwerking tussen partners in de overdracht van groot belang. Daar richten we ons programma dan ook op in komende jaren: •

Passende kennis, ondersteuning en samenwerking in overgang van school naar werk. Voor sommige jongeren (o.a. de vso/pro, mbo niveau 1 en mbo niveau 2 doelgroep en leerlingen Passend Onderwijs) is de overstap naar arbeid groot. Daarom zetten we in op het organiseren van passende ondersteuning en samenwerking tussen de betrokken partijen in de overgang van school naar werk. Bij voorkeur werken deze partijen samen op één fysieke plek. Onderdeel hiervan is ook proactieve communicatie over mogelijkheden (o.a. praktijkleren) voor jongeren

[Typ hier]

in de overstap naar werk. Op deze plek is ook de kennis en expertise verzameld over de wet- en regelgeving van arbeidsondersteuning. o •

Interventie: Organiseren van samenwerking in loopbaanteam

Faciliteren en stimuleren van passende werkplekken en (ontwikkel)trajecten. Een passende werkplek voor jongeren is van belang in een duurzame stap naar werk. Het is de taak van het WerkBedrijf om jongeren en werkgevers hierin te ondersteunen. Regionaal is er veel aandacht voor de verschillende mogelijkheden en vormen van onderwijs en praktijkervaring, zoals praktijkleren, LWT of stages. Er is hierbij aandacht voor verschillende groepen, zoals nieuwkomers en jongeren met LWT-achtergrond en jongeren onder de 18 jaar met een ontwikkeltraject. We onderzoeken binnen deze maatregel in hoeverre we de belemmering van het ontbreken van een financiële vergoeding voor een ontwikkeltraject kunnen wegnemen voor jongeren onder de 18 jaar. Daarnaast zoeken we vanuit het programma de koppeling met het Regionaal Beraad om de doelgroep van het programma jongeren naar school of werk onder de aandacht te blijven houden. o

•

Project: Onderzoek belemmeringen ontwikkeltrajecten

Aansluiting arbeidsmatige dagbesteding Voor de doelgroep pro/vso zien we dat zij voor een deel van de leerlingen zijn aangewezen op een stageplaats waar ook plekken worden gerealiseerd in het kader van dagbesteding. De organisatie die de stageplek biedt ontvangt een vergoeding op grond van de WMO voor het bieden van een plek in het kader van de dagbesteding. De kosten van een stageplek pro/vso vallen echter niet binnen de reguliere onderwijsbekostiging, terwijl de begeleiding die een stageplek vraagt niet wezenlijk verschilt van de begeleiding bij dagbesteding. Daarnaast is er behoefte aan dagbestedingsplekken voor jongeren onder de 18 die nog niet klaar zijn voor werk, maar wel kunnen werken aan werknemersvaardigheden en zelfredzaamheid. Zij kunnen nog niet in aanmerking komen voor arbeidsmatige dagbesteding WMO, zoals die wordt uitgevoerd door WerkBedrijf. o

Project: Onderzoek mogelijkheden structurele bekostiging stageplaatsen pro/vso

o

Project: Onderzoek mogelijkheden (arbeidsmatige) dagbesteding voor jongeren onder de 18 jaar

[Typ hier]

3.3 Blijven ontwikkelen op werk Ook voor jongeren die al werken (met of zonder startkwalificatie) zijn er nog veel kansen om zich te blijven ontwikkelen. Zo zorgen we ervoor dat jongeren door kunnen groeien op hun bestaande werkplek, meer ervaring opdoen en zo een betere concurrentiepositie hebben op de arbeidsmarkt wanneer de tijden veranderen. Zo kunnen ze duurzaam aan het werk blijven. We zetten in op de volgende acties: • Blijven ontwikkelen op werk Ook als jongeren aan het werk zijn, is ontwikkeling van belang om een werkplek duurzaam te maken. We onderzoeken samen met vsv’ers met een baan en hun werkgevers wat zij nodig hebben om zich blijvend te ontwikkelen. Het Doorstroompunt heeft inzicht in deze doelgroep, maar er is op dit moment geen capaciteit in het team van doorstroomcoaches om met de jongeren aan hun ontwikkeling te werken. In het aanbod voor deze jongeren leggen we de koppeling met het LLO-collectief vanuit het Regionaal Beraad. De lessen die we leren rondom vsv’ers op de werkvloer kunnen we dan breder trekken voor de doelgroep. Het ontwikkelbudget kan bijvoorbeeld dienen voor een aanpak rondom ontwikkeling op werk. o

Project: Doorontwikkeling vsv’ers met werk

Ontwikkelthema’s Binnen deze maatregel zien we de volgende ontwikkelopgaven: •

Samenwerking tussen partners in de stap naar werk. Dit gaat over het genereren van bekendheid van de verschillende producten en expertises. Maar ook een betere matching tussen de jongeren en werkgevers.

•

Instroom Beschut Werk vergroten. Jarenlang is het instrument Beschut Werk nauwelijks ingezet in deze regio. Dit was een beleidsmatige keuze. Inmiddels is dat beleidsuitgangspunt losgelaten, maar zien we dat het aantal plaatsingen op Beschut Werk traag op gang komt. Wij zijn ervan overtuigd dat dit instrument juist voor jongeren in een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt geschikt kan zijn. Hiervoor is toeleiding vanuit onderwijs van belang. Dit vraagt om een intensieve samenwerking tussen en commitment van het pro/vso en het WerkBedrijf.

•

Samenwerking met Regionaal Beraad en Regionaal Werkcentrum. Zij fungeren als het centrale punt van kennis en expertise voor werk in de regio Rijk van Nijmegen. We zoeken de samenwerking voor de doelgroep jongeren tot 27 jaar.

[Typ hier]

[Typ hier]

5 Hoe gaan we dat doen? Een ambitieus programma vraagt om duidelijke afspraken over de uitvoering. In dit hoofdstuk beschrijven we de organisatie, financiering en monitoring. 5.1

Organisatie

Alle onderwijsinstellingen en gemeenten hebben hun eigen individuele verantwoordelijkheid als het gaat om de uitvoering van de Leerplichtwet. Gemeenten hebben daarnaast ook de verantwoordelijkheid om de Participatiewet uit te voeren. Door uitvoering te geven aan dit regionale programma trekken onderwijsinstellingen en gemeenten samen met andere partners op om aanvullend op de wettelijke taken de samen aan de ambities van dit programma te werken. Het regionaal programma wordt gecoördineerd door de contactgemeente Nijmegen en contactschool ROC Nijmegen. Dit zijn, namens de regio Rijk van Nijmegen, de aanspreekpunten voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De contactgemeente levert de programmacoördinator voor het programma. We continueren de structuur met een stuurgroep en programmagroep. Stuurgroep JNSOW De stuurgroep JNSOW is bestuurlijk eindverantwoordelijk voor het regionaal programma. Dit houdt in dat zij: •

De ontwikkelingen van de vsv-aanpak bespreken

•

De effecten van de maatregelen monitoren

•

Besluiten nemen over de bijsturing van maatregelen

•

Opdrachten formuleren aan de programmagroep

De deelnemers van de stuurgroep zijn: •

Twee vertegenwoordigers vanuit schoolbesturen voortgezet (speciaal) onderwijs

•

Twee vertegenwoordigers vanuit bestuur mbo (ROC Nijmegen en Yuverta)

•

Vertegenwoordiging vanuit Werkbedrijf Rijk van Nijmegen

•

Vertegenwoordiging vanuit de arbeidsmarkt

•

Portefeuillehouder Onderwijs vanuit gemeente Nijmegen

•

Portefeuillehouder onderwijs/zorg/arbeidsmarkt vanuit regiogemeente(n)

[Typ hier]

•

Directeur/bestuurder Samenwerkingsverband v(s)o

Ambtelijk zijn aanwezig: •

Programmacoördinator JNSOW

•

Programmamanager VSV bij ROC

De stuurgroep komt gemiddeld vier keer per jaar bijeen. Afhankelijk van de agenda kunnen andere partijen worden uitgenodigd dan hierboven zijn genoemd. Programmagroep JNSOW De programmagroep JNSOW is belegd met de uitvoering van het regionaal programma. Dit houdt in dat zij: •

Uitvoeren en monitoren van de drie maatregelen uit het programma. Indien nodig (inhoudelijk en financieel) bijsturen binnen de doelstellingen van de maatregelen.

•

Kennis en informatie uitwisselen op inhoudelijke thema’s en de ontwikkelthema’s uit het programma.

•

Monitoren van de (landelijke) ontwikkelingen rondom vsv en overgang naar werk

•

Voorbereiden van de bestuurlijke overleggen

•

Uitvoeren van de opdrachten uit de stuurgroep

De deelnemers van de programmagroep zijn vertegenwoordigers vanuit: •

Middelbaar beroepsonderwijs (mbo)

•

Voortgezet onderwijs (vo)

•

Voortgezet speciaal onderwijs (vso)

•

Praktijkonderwijs (pro)

•

Werkbedrijf Rijk van Nijmegen

•

Samenwerkingsverband v(s)o

•

Gemeenten Rijk van Nijmegen

De deelnemers van de programmagroep hebben de opdracht om de vertegenwoordiging van de achterban zelf te organiseren. Dit houdt in dat zij input ophalen voor de programmagroep en gemaakte keuzes terugkoppelen aan hun achterban. Hoe zij dit organiseren is aan de vertegenwoordigers zelf. De programmagroep komt 6 keer per jaar bijeen.

[Typ hier]

Specifiek voor de wethouders uit de lokale gemeenten is onder andere het PFO het platform waar de wethouders geïnformeerd worden over de voortgang van het programma en waar zij kunnen meedenken over de uitvoering. Daarnaast is het PFO ook de plek waar signalen en kansen vanuit de gemeenten gedeeld kunnen worden. Voor zover deze nog niet gedeeld zijn via de contactambtenaren in de programmagroep.

5.2

Financiering en inzet

Maatregel

VSV-bijdrage

Dekking

Dekking

Dekking

2025-2029

contactgemeente

contactschool

overig budget (reserves)

1. Oriëntatie

€2.020.000

€225.000

€1.670.000

€125.000

€2.620.000

€1.635.000

€440.000

€545.000

€ 1.740.000

€920.000

€680.000

€140.000

Organisatie

€440.000

€360.000

80.000

Jaarlijks

€ 1.702.000

€ 781.708

€ 719.372

€ 201.285*

Totaal

€ 6.809.461

€ 3.126.832

€ 2.877.488

€ 805.141

en doorstroom 2. Begeleiding in het onderwijs 3. Ondersteuning in de (over)stap naar werk

* De reserves van het vsv-programma 2021-2024 worden in 2026 uitgegeven, maar zetten we gespreid in over de vier jaar van het nieuwe programma.

5.3

Monitoring en evaluatie

Het monitoren en evalueren van het programma is cruciaal om de effectiviteit en impact te meten, verbeterpunten te identificeren en de strategieën aan te passen waar nodig. We maken afspraken over de maatregelen, projecten en interventies. Eind 2027 houden we een tussentijdse evaluatie om kritisch te kijken of we de juiste inzet leveren en de gewenste effecten bereiken.

[Typ hier]

Opmerkingen

Omdat we er in dit programma voor kiezen om een aantal interventies uit de vorige periode te behouden vragen we de trekkers om deze volgens de CIMO-logica te onderbouwen. De CIMO-logica is als volgt opgebouwd: •

Context: wat is de uitgangssituatie? Welke factoren spelen een rol? Wat weten we over het probleem?

•

Interventie: welke interventie kunnen we inzetten om de beoogde effecten te bereiken? Wat zegt de literatuur?

•

Mechanismen: welke mechanismen zorgen er (vermoedelijk) voor dat de interventie tot de beoogde effecten zal leiden?

•

Outcomes: Welke effecten willen we met de interventie bereiken? Waar zien we aan dat de interventie effect heeft?

Over de uitvoering van het regionaal programma en inzet van financiële middelen leggen we verantwoording af aan zowel het ministerie van OCW als aan de regio. De bereikte inhoudelijke resultaten verantwoorden we door: -

Per schooljaar éénmaal te rapporteren over de voortgang op en effecten van de maatregelen. Dit doen we via de jaarlijkse vsv-effectenrapportage.

-

Daarnaast verschijnen in maart de voorlopige vsv-cijfers. Deze worden geanalyseerd en besproken in de programmagroep en stuurgroep en met de regiogemeenten.

-

Per schooljaar rapporteren we over verzuimcijfers en vsv cijfers. Dit doen we via het jaarverslag van het Doorstroompunt. De rapportage wordt gedeeld in de stuurgroep en de regiogemeenten.

[Typ hier]

Bijlage 1 Wettelijke taken van een vo-school In het voortgezet onderwijs zijn scholen wettelijk verplicht om ondersteuning te bieden aan leerlingen op verschillende gebieden zodat zij onderwijs kunnen volgen. Scholen dragen zorg voor een passend onderwijsaanbod voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Bij een hulpvraag van een leerling wordt eerst de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte in kaart gebracht. In het ondersteuningsteam van de school wordt besproken hoe de begeleiding kan worden georganiseerd binnen de school. Extra begeleiding en hulpmiddelen worden vastgelegd in een ontwikkelingsperspectief (OPP). Een vo-school kan hulp en advies vragen aan het samenwerkingsverband. Alle vo-scholen binnen een samenwerkingsverband hebben een schoolondersteuningsprofiel (SOP) waarin staat beschreven hoe zij ondersteuning en begeleiding bieden aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. De professionals die betrokken zijn bij het bieden van extra ondersteuning zijn: - De mentor; voor iedere leerling is duidelijk dat de mentor het eerste aanspreekpunt is. - Het ondersteuningsteam; dit team kan bestaan uit een zorgcoördinator en/of orthopedagoog, een onderwijsondersteuningsspecialist, een schoolmaatschappelijk werker, een leerrechtambtenaar en een vertrouwenspersoon.

- Het samenwerkingsverband; alle vo, vso en pro-scholen binnen de regio Rijk van Nijmegen zijn aangesloten bij Samenwerkingsverband VO-VSO Nijmegen e.o. Vanuit het samenwerkingsverband wordt ondersteuning en advies gegeven. Ook zijn er binnen het samenwerkingsverband onderwijsvoorzieningen beschikbaar waar leerlingen gebruik van kunnen maken als er een andere setting nodig is dan de eigen school. Hieronder vallen het onderwijs voor pro, vso, onderwijs voor leerlingen met een lichamelijke beperking en/ of een chronische ziekte en onderwijs voor (hoog) begaafde leerlingen. - Externe partijen; er wordt samengewerkt met buurtteams, wijkteams, jongerenwerk, GGD, GGZ en politie. Wettelijke taken van het mbo Het mbo heeft wettelijk gezien een drievoudige kwalificatieplicht, namelijk het opleiden voor een vak, het opleiden voor een vervolgopleiding en het opleiden voor goed burgerschap. De mbo-opleidingen variëren in duur en niveau en kunnen leiden tot een diploma, certificaat of vakbekwaamheid. Bij problemen met de voortgang van een student wordt samen met de studieloopbaanbegeleider gekeken naar de oorzaak en naar mogelijke oplossingen. Voor extra begeleiding kan hulp worden ingeschakeld van andere professionals. Waar mogelijk worden ouders hierbij betrokken.

De professionals die betrokken zijn bij het bieden van extra ondersteuning zijn: - De studieloopbaanbegeleider; iedere student heeft een eigen studieloopbaanbegeleider als eerste aanspreekpunt die ook als docent is verbonden aan de opleiding. - De trajectbegeleider; ook deze begeleider is aan de opleiding verbonden. De

trajectbegeleider wordt ingezet voor studiebegeleiding, bij vragen over studie- en beroepskeuze en bij problemen van persoonlijke aard. - Het Expertisecentrum Studentbegeleiding; dit bestaat uit professionals voor schoolmaatschappelijk werk, passend onderwijs, loopbaanbegeleiding, trainingen, coaching, beroepskeuze, begeleid wonen, financiën en extra ondersteuning in taal en rekenen. - De vertrouwenspersoon; deze persoon werkt alleen samen met andere professionals als de student hier toestemming voor geeft. - Externe partijen; er wordt samengewerkt met buurtteams, wijkteams, jongerenwerk, GGD, GGZ en (leerwerk)bedrijven. Binnen de regio Rijk van Nijmegen zijn twee mbo-scholen: ROC Nijmegen en Yuverta mbo. Deze organisaties werken waar mogelijk samen en hebben daarnaast ieder hun eigen karakter. Waar ROC Nijmegen een grote organisatie is met meerdere locaties en veel opleidingen, is Yuverta mbo kleinschalig en richt zich op mens, dier, natuur zorg, tuin en landschap. Wettelijke taken van het Doorstroompunt Het Doorstroompunt heeft als wettelijke taak om als centraal aanspreekpunt te functioneren voor jongeren en (jong)volwassenen (zonder startkwalificatie) die extra ondersteuning nodig hebben bij het maken van een passende vervolgstap in hun ontwikkeling, werk of opleiding.

Het Doorstroompunt verbindt verschillende domeinen zoals onderwijs, jeugdzorg, werk en inkomen, en gemeenten, zodat er een integrale aanpak ontstaat voor jongeren die voortijdig (zonder startkwalificatie) school gaan verlaten of dreigen te verlaten. De doorstroomcoaches zoeken contact met deze jongeren en helpen bij het organiseren van maatwerktrajecten en zorgen ervoor dat niemand uit beeld raakt. Wettelijke taken van Werkbedrijf WerkBedrijf richt zich voor de deelnemende gemeenten (Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen, Wijchen) op de volgende taken: a.

Arbeidsbemiddeling WerkBedrijf voert de Participatiewet uit met betrekking tot de ondersteuning bij arbeidsinschakeling. WerkBedrijf voert de matching van ondernemers en kandidaten uit en zet zich in om de kloof tussen vraag en aanbod te overbruggen. WerkBedrijf ondersteunt kandidaten vanaf het moment van aanmelding tot aan een plaatsing. Indien nodig wordt ook na een plaatsing ondersteuning en begeleiding geboden.

Binnen deze taak worden de volgende drie taakgebieden onderscheiden: 1.

Voorkomen van instroom in de uitkering;

Indien mogelijk worden kandidaten naar een betaalde baan of opleiding bemiddeld, voordat zij een beroep moeten doen op een uitkering. Daarnaast draagt WerkBedrijf in het regionale netwerk, met de relevante partners, bij aan een inclusieve arbeidsmarkt. 2.

Beëindigen van afhankelijkheid van een uitkering;

[Typ hier]

Als het behoort tot de mogelijkheid van een kandidaat, wordt deze naar fulltime werk bemiddeld. Dit leidt, in de regel, tot uitstroom uit de uitkering. 3.

Minimaliseren van publieke afhankelijkheid.

WerkBedrijf begeleidt kandidaten met een arbeidsbeperking langjarig op hun werkplek. Centraal staat hierbij duurzaam en met plezier aan het werk zijn. Door te werken aan de loonwaarde en belastbaarheid, minimaliseert WerkBedrijf de afhankelijkheid van publieke middelen (bijvoorbeeld loonkostensubsidie). b.

Arrangementen in Op Weg Naar Werk (WMO) WerkBedrijf voert de regie over de arbeidsmatige dagbesteding. Dit houdt in dat WerkBedrijf de begeleiding inkoopt en de toeleiding en doorstroom organiseert en/of uitvoert.

c.

Sociale werkvoorziening WerkBedrijf biedt de medewerkers die onder de Wet sociale werkvoorziening vallen, passend werk aan. Bij voorkeur doet WerkBedrijf dit samen met ondernemers. De onderscheiden werkvormen zijn: begeleid werken, individuele detachering en (beschutte) groepsdetachering.

d.

Activering

Een deel van de bijstandsgerechtigden is nog niet toe aan stappen richting betaald werk. WerkBedrijf ondersteunt deze mensen, waar gewenst, met lokale (sociale) activering, bijvoorbeeld richting vrijwilligerswerk. Op die manier kunnen zij werken aan hun talenten en ontwikkeling. We verbinden de lokale niet-loonvormende keten beter met de loonvormende keten.

[Typ hier]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=e0811391-01f0-40fe-a600-adc313c05d5d