Regels met Bijlagen
Tekst van het document
appartementen- afwijken van de vastgestelde parkeernorm, onder voorwaarde dat de (toekomstige) gebruikers (=bewoners en ondernemers) niet worden gefaciliteerd in de openbare ruimte.
Binnen het betaald parkeergebied kan dit door het betreffende gebied uit het vergunninggebied te
lichten. Bewoners komen hierdoor niet in aanmerking voor een parkeervergunning. In niet gereguleerd parkeergebied is het niet mogelijk om autovrije complexen te realiseren, omdat de kans groot is dat hierdoor parkeerproblemen in de omgeving ontstaan. Er moet worden voldaan aan de parkeernorm.
De initiatiefnemer van een autovrij complex dient zich bewust te zijn dat (geheel of gedeeltelijk) wordt
gebouwd voor een doelgroep zonder auto. Bij aanvraag van de omgevingsvergunning dient derhalve de marktpotentie, aanvullende mobiliteitsvoorzieningen (waaronder in ieder geval extra
fietsvoorzieningen) en wijze waarop hierover met de toekomstige doelgroep wordt gecommuniceerd door de ontwikkelaar worden aangetoond. Dit om misverstanden achteraf te voorkomen. Per niet
gerealiseerde parkeerplaats moeten minimaal 2 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit boven op de al verplichte berging volgens het Bouwbesluit.
De ontwikkelingen dient, om overloop te voorkomen, op voldoende loopafstand van de grens van het gereguleerd parkeergebied te liggen. Hiermee wordt overlast in de omgeving voorkomen. Als grens
geldt een minimale loopafstand zoals opgenomen in tabel 10 - gemeten van de voordeur tot aan de dichtstbij gelegen openbare parkeerplaats zonder vorm van parkeerregulering.
Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor het bezoekersdeel van de parkeernorm van woningen en niet-woonfuncties (zie CROW-publicatie 381 voor aandeel bezoek).
Voor autovrije complexen gelden de afkoopbedragen per niet-gerealiseerde parkeerplaats, zoals beschreven in artikel 5. Het College van B&W kan hier gemotiveerd van afwijken.
28/48
Meerdere functies De parkeernormen worden gebruikt om de parkeerbehoefte te berekenen. Hiervoor wordt de omvang van de functie vermenigvuldigd met de parkeernorm. Uitgangspunt hierbij is toetsing aan de
hoofdfunctie. Eventuele ondergeschikte functies, zoals een kantoor of opslagruimte worden niet afzonderlijk getoetst.
Als meerdere zelfstandige functies binnen een ontwikkeling worden gerealiseerd, dan wordt de
parkeerbehoefte van de gehele ontwikkeling bepaald door de berekende parkeerbehoefte van de verschillende zelfstandige functies bij elkaar op te tellen.
Ook binnen een pand kan sprake zijn van meerdere hoofdfuncties, zoals: •
detailhandel die qua oppervlakte en qua functie ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een niet-detailhandelsbedrijf of -voorziening;
•
ondergeschikte of ondersteunende horeca, waarbij duidelijk herkenbaar is dat de
hoofdactiviteit de kernactiviteit is die op het perceel plaatsvindt en het verstrekken van eten en
drinken alleen plaatsvindt als beperkt en ondergeschikt onderdeel van en voortvloeiende uit de hoofdactiviteit (bijvoorbeeld een proeverij bij een bierbrouwerij)
In deze gevallen wordt de parkeerbehoefte van beide functies apart berekend.
In gevallen waar de ondergeschikte functie aantoonbaar geen directe relatie met de hoofdfunctie heeft
(zoals een grote opslag ten behoeve van andere vestigingen in de regio) en deze functie meer dan 50% van het totaal aantal BVO inneemt, dient voor dit deel de parkeernorm van de hoofdfunctie exclusief het bezoekersdeel te worden gehanteerd.
Uitzonderingen De parkeereis is niet van toepassing bij kleine (her)ontwikkelingen (geen woonfunctie) waarbij het
verschil tussen de parkeerbehoefte van de oude functie (voor de ruimtelijke ontwikkeling) en de nieuwe functie (na de ruimtelijke ontwikkeling) voor de totale ontwikkeling kleiner is dan 1 parkeerplaats. Indien een uitbreiding in de binnenstad (zie kaart 1) niet meer bedraagt dan 100 m²
brutovloeroppervlakte, dan wel 10% van de totale brutovloeroppervlakte (als deze meer dan 100 m² is), behoeven er geen extra parkeervoorzieningen te worden aangelegd.
Openbare oplaadpunten De elektrische auto is in opkomst. Om elektrisch rijden verder te stimuleren zijn oplaadplaatsen nodig. Deze oplaadplaatsen nemen (deels) openbare parkeerruimte in beslag. Nijmegen kiest er vooralsnog niet voor om in de parkeernorm een verplicht aandeel op te nemen voor elektrisch vervoer.
Nijmegen hanteert als uitgangspunt dat wanneer bij ontwikkeling te verwachten is dat er een parkeerbehoefte van elektrische voertuigen is, de initiatiefnemer tijdens de planvorming
parkeercapaciteit kan reserveren voor elektrisch laden. CROW-publicatie 381 fungeert hierbij als richtlijn.
De voor elektrisch laden bestemde parkeerplaatsen maken hierbij 1-op-1 onderdeel uit van het conform de parkeereis te realiseren aantal parkeerplaatsen.
29/48
Volgens de Europese richtlijn EPBD III, moet er minimaal één oplaadplaats per totale
parkeergelegenheid worden aangelegd. Ook moet er leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor 1 op de 5 parkeervakken. Bij voorkeur worden deze geclusterd rondom het te realiseren oplaadpunt en niet verspreiden over de parkeervoorziening.
Afwijken naar boven Veelal is in de bovenstaande afwijkingsmogelijkheden sprake van het naar beneden afwijken van de parkeereis (minder parkeerplaatsen realiseren dan vereist volgens de parkeernormen). Het is echter ook mogelijk dat de wens bestaat om meer parkeerplaatsen te realiseren dan volgens de
parkeernormen toegestaan zijn. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om kleine nieuwbouwprojecten
waarbij de parkeergarage onder het gebouw iets meer parkeerplaatsen heeft dan volgens de norm is toegestaan (optimalisatie).
Het gaan niet om verhogen van de parkeernormen binnen een plan – dit is immers strijdig met de gemeentelijk doelen zoals verwoord in het Ambitiedocument Mobiliteit en de Nota Parkeren in Nijmegen 2020-2030.
Stap b: inspanningsverplichting van de aanvrager Uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden ingevuld. Dit betekent dat het parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden of dat erin, op of onder het bouwproject een parkeervoorziening moet worden gerealiseerd. Voor nieuwbouwlocaties is dit vaak geen probleem maar voor
ontwikkelingen in de binnenstad is dit vaak niet mogelijk: er is geen ruimte beschikbaar of de kosten van een gebouwde parkeervoorziening zijn exorbitant hoog, zodat er parkeerruimte elders moet
worden gevonden. Voor locaties in de binnenstad hoeven er voor bezoekers geen parkeerplaatsen te worden aangelegd. Deze bezoekers kunnen gebruik maken van de openbare parkeergarages. Bij een woningbouwontwikkeling met veel toekomstige openbare ruimte is het ook mogelijk om de
parkeerbehoefte op te lossen binnen het plangebied. Dit is wel afhankelijk van het programma. Aanvrager(s) van een omgevingsvergunning moet kunnen aantonen dat zij zich redelijkerwijs
voldoende hebben ingezet om de volgens de geldende norm benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen
te kunnen realiseren. Voldoende inspanning leveren betekent dat de aanvrager moet kunnen aantonen (bij de bouwaanvraag moet dit gemotiveerd worden toegelicht) dat het aanleggen van parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het bestemmingsplan dit verbiedt / onmogelijk maakt.
Soms komt de te grote parkeerbehoefte voort uit het programmatisch overvragen van de locatie (bijvoorbeeld veel kleine woningen in een gebouw). De aanvrager moet ook aantonen dat de
ontwikkeling met een beperkter programma (en daarmee dus minder parkeren) financieel onmogelijk is. Ook dan kan gezocht worden naar alternatieven.
Stap c: alternatieven Wanneer de indiener van de bouwaanvraag geen parkeergelegenheid op eigen terrein kan realiseren,
moet eerst gezocht worden naar alternatieven. Parkeerruimte kan gevonden worden in buurtstallingen, garages of privéstallingen in de directe nabijheid. Als voorwaarde geldt hierbij, dat de
parkeervoorziening niet in gebruik mag zijn voor een andere ontwikkeling. De loopafstand tot het object speelt hierbij een rol. In de binnenstad met schaarse ruimte worden langere loopafstanden geaccepteerd dan in het schil/overloop gebied en de rest bebouwde kom.
30/48
Als maat voor een situatie van de parkeerplaatsen ten opzichte van de functies kan de acceptabele
loopafstand tussen parkeerplaatsen met bestemmingsadres dienen. De acceptatie van de loopafstand hangt af van de parkeerduur en van het motief van het bezoek aan het bestemmingsadres. Deze
loopafstand moet niet worden verward met de straal voor invoering van betaald parkeren. Voor de
verschillende hoofdfuncties (zoals beschreven in artikel 5) wordt rekening gehouden met de volgende maximale loopafstanden:
Binnenstad / centrum
Schil/overloopgebied & Rest bebouwde kom
Wonen (§ 2.3.1)
400 meter
100 meter
Werken (§ 2.3.2)
750 meter
500 meter
Winkelen en boodschappen (§ 2.3.3)
600 meter
400 meter
Horeca (§ 2.3.4)
600 meter
250 meter
Sport, cultuur en ontspanning (§ 2.3.5)
600 meter
400 meter
Gezondheidszorg (§ 2.3.6)
150 meter
100 meter
Onderwijs(§ 2.3.7)
400 meter
100 meter
Overig
600 meter
400 meter
Tabel 10 Loopafstanden per functie
Deze afstanden gelden voor de kortste looproute over de openbare weg van ingang van het pand tot aan de parkeerplaats of ingang van de parkeervoorzieningen. Dit geldt zowel bij realisatie van
parkeergelegenheid op eigen terrein als bij gebruik van een collectieve voorziening in de omgeving, Deze loopafstanden worden ook gehanteerd voor parkeeronderzoeken.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen met een deels autoluwe inrichtingen waarbij bewoners in collectieve voorzieningen aan de rand van de betreffende wijk parkeren, wordt per plan bekeken of de gehanteerde loopafstand acceptabel is.
Stap d: parkeren in de openbare ruimte Wanneer is aangetoond dat er geen alternatieve parkeermogelijkheden zijn, zoals verwoord onder bij
stap c, is parkeren in de openbare ruimte mogelijk (parkeerterrein, op straat). Dit kan echter alleen als er nog voldoende ruimte op een parkeerterrein of op de openbare weg aanwezig is. Zie bijlage 1 voor de wijze waarop dit moet worden onderbouwd.
Als grens van de beschikbare parkeercapaciteit wordt een bezettingspercentage van 85% gehanteerd. Of wel: 85% van de beschikbare parkeercapaciteit mag bezet zijn. De overige 15% is nodig voor het opvangen van “zoekverkeer” (verkeer dat zoekt naar een parkeerplaats) en groei van het autobezit.
Voor Kiss&Ride bij scholen geldt de 85%-grens niet. Het gaat hierbij namelijk om zeer kortstondige
pieken, dat er tijdelijk wel 100% bezetting mogelijk is. De initiatiefnemer moet aantonen, door middel van een parkeeronderzoek, dat in de onder stap c genoemde loopafstanden rondom zijn
planontwikkeling voldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aanwezig is. Dit moet met de 31/48
omgevingsaanvraag worden meegeleverd. De inspanningsverplichting voor het onderzoek ligt bij de
ontwikkelaar. De afkoopregeling van het niet kunnen realiseren van parkeren op eigen terrein is hier nog steeds van toepassing.
In de binnenstad is de parkeerdruk vrijwel altijd boven de 85%. In de binnenstad is het daarom niet mogelijk om extra parkeerdruk in de openbare ruimte af te wikkelen.
Stap e: afwijking parkeereis Het College kan in bijzondere gevallen op individuele gronden en het in het geval van een bijzonder
gemeentelijk belang , besluiten om af te wijken van de vigerende parkeerregels/normen (zie artikel 7). Het is mogelijk dat een planontwikkeling gerealiseerd wordt, zonder dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Tevens kan door het College besloten worden af te zien van een bijdrage in het bereikbaarheidsfonds.
In gebieden waar parkeerregulering geldt, kunnen bewoners dan geen parkeervergunning en een bezoekersvergunning aanvragen. Zij kunnen dan, indien zij dat willen, een abonnement in een parkeergarage afsluiten.
Artikel 5. Dubbelgebruik BELEIDSREGEL 6: Bij het bepalen van de autoparkeereis wordt gebruik gemaakt van de
aanwezigheidspercentages zoals opgenomen in tabel 2. Een initiatiefnemer moet de maatgevende parkeerbehoefte middels een parkeerbalans onderbouwen.
Indien binnen de ontwikkeling verschillende functies worden gerealiseerd (bijvoorbeeld wonen en
werken of wonen en horeca) moet bij het bepalen van de parkeereis rekening worden gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen door deze functies. De oplossing moet wel duurzaam zijn. Dat
betekent bijvoorbeeld dat bij toepassing van parkeren op afstand de parkeervoorziening zich op een acceptabele loopafstand van de functie bevindt. In tabel 10 zijn de acceptabele loopafstanden per
functie weergegeven. Als een woning wordt verkocht c.q. de huur wordt opgezegd, dan geldt dat ook voor de bij de woning behorende parkeerplaats. Toepassing van dubbelgebruik kan nooit leiden tot een totale parkeerbehoefte die lager is dat de parkeerbehoefte van de functie met de hoogste
parkeerbehoefte. Bewoners en hun bezoek zijn in deze geen verschillende functies; hier is geen dubbelgebruik mogelijk zonder aanvullende functies.
Het berekenen van de mate van dubbelgebruik geschiedt op basis van parkeernormen en
aanwezigheidspercentages op maatgevende momenten. Indien er geen aantoonbaar betere aanwezigheidspercentages uit de praktijk voor handen zijn, worden onderstaande aanwezigheidspercentages gebruikt.
Het geeft het percentage gebruikte parkeerplaatsen weer bij een bepaalde functie op een bepaald
moment; het zogenaamde ‘aanwezigheidspercentage’. De tabel moet als volgt worden gelezen. Als er bij de functie ‘woningen bewoners’ normatief 100 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd, zijn er op een werkdag overdag 50 in gebruik; op een werkdag avond 90 et cetera.
Werkdag ochtend
Werkda g
middag
Werkda
g avond
nacht
Koopavon d
Zaterda g
middag
Zaterda
g avond
Zondag
middag
32/48
woningen
50%
50%
90%
100%
80%
60%
80%
70%
woningen
10%
20%
80%
0%
70%
60%
80%
70%
kantoor/bedrijve
100%
100%
5%
0%
5%
0%
0%
0%
commerciële
100%
100%
5%
0%
75%
0%
0%
0%
detailhandel
30%
60%
10%
0%
75%
100%
0%
0% (***)
grootschalige
30%
60%
70%
0%
80%
100%
0%
0% (***)
supermarkt
30%
60%
40%
0%
80%
100%
40%
0% (***)
sportfuncties
50%
50%
100%
0%
100%
100%
100%
75%
sportfunctie
25%
25%
50%
0%
50%
100%
25%
100%
bioscoop/theate
5%
25%
90%
0%
90%
40%
100%
40%
sociaal medisch
100%
75%
10%
0%
10%
10%
10%
10%
verpleeghuis
100%
100%
50%
25%
50%
100%
100%
100%
ziekenhuis
60%
100%
60%
5%
60%
60%
60%
60%
ziekenhuismede
75%
100%
40%
25%
40%
40%
40%
40%
dagonderwijs
100%
100%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
avondonderwijs
0%
0%
100%
0%
100%
0%
0%
0%
bewoners
bezoekers
n
dienstverlening
detailhandel
binnen
buiten
r/podium
patiënten/bezoe kers
werkers
Tabel 11. Aanwezigheidspercentage per functie en deel van de week (***) indien koopzondag 100%
Bovenstaande percentages worden toegepast wanneer minimaal twee functies gebruik kunnen maken
van dezelfde openbare parkeervoorziening. Hierbij gaat het om de mate waarin een parkeervoorziening afwisselend door bewoners of hun bezoekers of werknemers of de bezoekers van kantoren, bedrijven, winkels en andere commerciële voorzieningen kunnen worden gebruikt. Deze uitwisselbaarheid van
33/48
parkeerplaatsen zorgt ervoor dat de openbare ruimte efficiënt wordt benut. Voor functies die niet
vermeld staan in bovenstaande tabel dient een zo goed mogelijke inschatting te worden gemaakt van
de aanwezigheid op basis van een vergelijkbare functie (horeca bijvoorbeeld op basis van bioscoop), of worden uitgegaan van (door de initiatiefnemer aan te leveren) ervaringscijfers van een vergelijkbaar project elders in het land.
Artikel 6. Bijzondere gevallen Er kunnen redenen zijn om toch af te zien van de plicht tot het realiseren van parkeervoorzieningen.
Het gaat hierbij dus om ontwikkelingen met een bijzonder gemeentelijk belang. Het College heeft dan de mogelijkheid om af te wijken. Het gaat hierbij om de volgende situaties:
Problemen op eigen terrein De parkeernormen moeten niet leiden tot “problemen” op eigen terrein. Er is een trend waarbij het
aantal woningen, binnen het bouwvolume dat het bestemmingsplan mogelijk maakt, gemaximaliseerd
wordt (kleine studio’s of wooneenheden). De eis om het parkeren op eigen terrein op te lossen, leidt er dan vaak toe dat de volledige beschikbare grond rondom het gebouw ingezet wordt voor parkeren. Deze intensivering leidt tot ruimtelijk ongewenste situaties en aantasting van de woonkwaliteit, bijvoorbeeld verstoring van rust in achtertuinen en opoffering van groen voor verharding.
Bij de beoordeling van een plan dient niet alleen voldaan te worden aan de parkeernorm, maar dient
ook een afweging in ruimtelijke aanvaardbaarheid gemaakt te worden. Dit kan leiden tot een plan met een aanvaardbare parkeeroplossing in de openbare ruimte, of een verkleining van het
bouwprogramma. Binnen de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Nijmegen wordt de afweging van de ruimtelijke aanvaardbaarheid onderbouwd. Daarnaast is het ook niet wenselijk dat het
programma overvraagd wordt en dat het parkeren juist niet wordt opgelost op eigen terrein. Het
programma voor de locatie is dan dermate groot dat er geen ruimte meer overblijft voor parkeren op eigen terrein. Dit is niet ruimtelijk aanvaardbaar.
Wonen boven winkels: Wonen boven winkels, kantoren, horeca, detailhandel en commerciële functies: dit geldt alleen voor de binnenstad (zie kaart 1). Als er geen verandering in het aantal m2 bruto vloeroppervlak (m2 bvo) is, dan hoeft niet te worden voldaan aan de parkeernormen en er is geen bijdrage nodig aan het
bereikbaarheidsfonds. Als er wel een uitbreiding van het aantal m2 bvo’s is, dan gelden hiervoor de
parkeernormen. Aan het aandeel bezoekers (0,3 parkeerplaatsen) hoeft niet te worden voldaan. Deze kan worden opgelost in de bestaande parkeergarages.
Kleine woningen in de binnenstad (< 50 m2 GO): De parkeernorm in de binnenstad (zie kaart 1) kan worden losgelaten voor kleine woningen (<50 m² GO): in de binnenstad is het mogelijk om in plaats van het realiseren van parkeerplaatsen op ‘eigen terrein’ fietsstallingsvoorzieningen te realiseren. Dit geldt voor appartementen/woningen onder de
50m² GO. Per niet gerealiseerde parkeerplaats moeten dan minimaal 2 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit boven op de al verplichte berging volgens het Bouwbesluit. Bewoners van die
specifieke woningen hebben geen recht op een parkeervergunning. Wel kunnen ze een abonnement
nemen in één van de garages. Kan de fietsvoorziening niet op eigen terrein worden gerealiseerd, dan mag er een alternatief binnen maximaal 30 meter loopafstand vanaf de hoofdingang worden
34/48
gerealiseerd. Dit alternatief moet inpandig, zeer gemakkelijk toegankelijk, bruikbaar en sociaal veilig zijn. Voldaan moet worden aan de minimale maten van het Bouwbesluit.
Tijdelijk Anders Gebruiken (TAG): Bij tijdelijk anders gebruiken wordt er tijdelijk toegestaan dat een andere functie in een pand of op
braakliggende percelen (bv. van landbouwgrond naar speeltuin) wordt gevestigd. Omdat het hier vaak gaat om initiatieven die met beperkte middelen bedrijvigheid willen opstarten moet goed gekeken
worden naar de te hanteren parkeernorm. Maatwerk is hier belangrijk en goed mogelijk. Als de nieuwe parkeereis meer dan 10 plaatsen afwijkt van de oude parkeereis, dan wordt door de gemeente
beoordeelt of het mogelijk is om het initiatief door te laten gaan. De aanvrager hiervoor een onderzoek verrichten naar een oplossing/alternatief. Bij een verschil van minder dan 10 parkeerplaatsen kan worden afgeweken van de regels.
Een bestaand pand kent al een parkeernorm en parkeerbehoefte, dus daar wordt eerst naar gekeken. Het maatschappelijk en gemeentelijk belang staat bij ‘tijdelijk ander gebruik’ voorop, daardoor kan worden afgeweken van de parkeernormen. Dit kan alleen gedurende de periode dat tijdelijk anders gebruiken is toegestaan. Wordt de functie uiteindelijk permanent, dan moet een wijziging van het
bestemmingsplan worden aangevraagd en zal het initiatief alsnog moeten voldoen aan de reguliere parkeernorm.
Op basis van ervaringscijfers kan ook naar de parkeereis gekeken worden. Initiatiefnemers kunnen
deze ervaringscijfers aanbieden en dit kan door de gemeente worden meegewogen in de bepaling van de uiteindelijke norm.
Tijdelijke bouwwerken: Voor tijdelijke bouwwerken geldt voor de eerste 2 jaar een vrijstelling op het parkeerartikel. Het gaat
hier om bouwwerken waarbij de functie van het gebouw ondersteunend is aan de hoofdfunctie van het bestaande gebouw. Denk bijvoorbeeld aan noodlokalen of een opslagunit. Overigens geldt de
vrijstelling alleen voor het tijdelijke gebouw. Parkeerplaatsen die tijdelijk komen te vervallen moeten direct gecompenseerd worden. In de aanvraag van de vergunning moet de tijdelijkheid worden
aangegeven. Bij dergelijke ontwikkeling wordt een praktijkbenadering van parkeren gevraagd. Een tijdelijke ontwikkeling mag namelijk niet onevenredige overlast in de omgeving veroorzaken. De gemeente beoordeelt of dit acceptabel is.
Lichte horeca in de binnenstad: Er is sinds 2013 een nieuwe beleidslijn voor het toestaan van lichte horeca in de randgebieden van het stadscentrum. Bij lichte horeca gaat het om lunchrooms, ijssalon, broodjeszaken etc. waar geen
alcohol wordt geschonken. Deze horeca vestigt zich veelal in panden waarin voorheen detailhandel gevestigd was. Er rust al een parkeereis op het pand. Voor omvorming van detailhandel naar lichte horeca en vice versa wordt een vrijstelling van de parkeereis gegeven. Zie kaart 1 voor gebiedsafbakening van de binnenstad.
Ondersteunende horeca: Naast lichte horeca treffen we ook ondersteunende horeca bij detailhandel aan. Dit houdt in dat aan een bestaande functie een kleine voorziening voor horeca wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld een
35/48
koffiecorner in een kledingzaak. Een parkeernorm is hiervoor niet nodig, omdat er op de hoofdfunctie zelf al een parkeernorm zit. Men komt niet alleen voor de horeca naar het desbetreffende pand.
Woning splitsing Het splitsen van een zelfstandige woonruimte in meerdere zelfstandige woningen mag geen
onevenredig grote negatieve invloed hebben op het verkeer en de parkeerdruk in de omgeving van de betreffende woning.
Onder een zelfstandige woonruimte wordt verstaan een woonruimte, met een eigen toegang, die door één huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van één of
meer wezenlijke voorzieningen (zoals toiletruimte, badruimte en keuken) buiten die woonruimte, dan wel een standplaats voor een woonwagen. Is er geen sprake van een zelfstandige woonruimte, dan
wordt er gesproken over kamerverhuur. Hiervoor geldt de Huisvestingsverordening 2020 en het -in voorbereiding zijnde- facetbestemmingsplan kamerverhuur of een opvolger van de Huisvestingsverordening 2020 en het facetbestemmingsplan kamerverhuur.
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een project binnen gereguleerd parkeergebied, uitgezonderd de vergunninggebieden Centrum + B (klink hier voor de digitale kaart), waarbij een bestaande zelfstandige woning wordt gesplitst in meerdere zelfstandige woonruimten, gelden onderstaande regels: 1.
Ook na een woningsplitsing dient er voldoende parkeerplaatsen te zijn. Extra parkeerplaatsen dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd, conform het beleid opgenomen in deze
beleidsregels (zie kaart 1 en parkeernormen in artikel 2). Indien en voor zover er niet voldaan kan worden aan de parkeernormen, verleend/vergund het college een ontheffing/afwijking 2.
met inachtneming van het volgende.
Als wordt aangetoond dat de realisatie van parkeergelegenheid op eigen terrein niet mogelijk
is, dan is parkeren in de openbare ruimte mogelijk. Dit kan echter alleen als er nog voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is. Als grens van de beschikbare parkeercapaciteit wordt een
bezettingspercentage van 85% gehanteerd. In de binnenstad is de parkeerdruk vrijwel altijd
boven de 85%. In de binnenstad hanteren we daarom een bezettingsgraad van 95%. Het is dan 3.
ook niet mogelijk om extra parkeerdruk in de openbare ruimte af te wikkelen.
Als er niet voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is (parkeerdruk na uitgifte maximaal aantal vergunningen na splitsing >85%), dan komen de nieuwe adressen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Als er wel voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is, dan wordt per adres, zoals ontstaan na splitsing van de zelfstandige woning wordt, maximaal één
bewonersvergunning verstrekt. Indien het oude adres niet vervalt, kan aan de bewoner van dat adres ook maximaal één parkeervergunning worden verleend. Per pand en/of adressengroep zoals is ontstaan als gevolg van de woningsplitsing worden maximaal 5 bewonersvergunningen verstrekt.
Er hoeft geen bijdrage in het bereikbaarheidsfonds betaald te worden. Er wordt middels deze regeling geen ontheffing/afwijking van de parkeerregels verleend/vergund voor zover de parkeerbehoefte toeneemt als gevolg van een toename van het bruto-vloeroppervlak.
Artikel 7. Niet naburige parkeerplaatsen Onder bepaalde voorwaarden is het, voor niet-woonfuncties, mogelijk om akkoord te gaan met het
voorzien in de parkeerbehoefte op aangekochte parkeerplaatsen, die op loopafstand van de locatie van het project liggen (artikel 6). Het huren van parkeergelegenheid beschouwen we niet als een duurzame
36/48
parkeeroplossing. Voordat overgegaan wordt tot deze uitzondering moet allereerst gekeken worden of er redenen zijn om niet af te wijken van de regels: Bijvoorbeeld in de volgende situaties: •
de te kopen parkeerplaats is (via een omgevingsvergunning) gekoppeld aan een ander bestaand gebouw/gebruik.
•
Het gebruik van de aan te kopen parkeerplaats levert strijdig gebruik volgens het bestemmingsplan op.
•
de te kopen parkeerplaats ligt niet binnen een loopafstand zoals geschetst in tabel 10 van het perceel waarop het project plaatsvindt (bijv. het perceel waarop een gebouw gebouwd gaat worden).
Als geen sprake is van bovenstaande situaties, dan kan in afwijking van de regel dat er op eigen terrein wordt geparkeerd, een vergunning worden verleend mits de hieronder genoemde eindsituatie maar wordt bereikt.
Koop en erfdienstbaarheid De eindsituatie moet als volgt zijn: 1.
De aanvrager van de omgevingsvergunning moet zakelijk gerechtigde zijn van zowel de gronden
2.
De gemeente moet een afschrift hebben gekregen van de akte van levering met betrekking tot
3.
4.
waarop het project wordt gerealiseerd als de gronden waarop de parkeerplaats(en) is/zijn gelegen. genoemde gronden.
Genoemde gronden moeten in eigendom zijn overgedragen (verkocht en geleverd) aan degene die de omgevingsvergunning heeft aangevraagd c.q. daarop is een exclusief beperkt zakelijk recht gevestigd t.b.v. het parkeren;
In overleg met en na goedkeuring door de gemeente Nijmegen moet een perceel zijn aangewezen, welk perceel in eigendom is van de gemeente Nijmegen, ten behoeve waarvan door de eigenaar van zowel het perceel waarop het project wordt gerealiseerd als het perceel waarop de
parkeerplaats(en) is/zijn gelegen, een erfdienstbaarheid wordt verleend. Het perceel waarop het
project wordt gerealiseerd wordt samen met het perceel waarop de parkeerplaatsen zijn gelegen, aangemerkt als dienend erf. Het perceel van de gemeente Nijmegen wordt aangemerkt als het 5.
heersend erf.
Er wordt door de eigenaar van zowel het perceel waarop het project wordt gerealiseerd als het perceel waarop de parkeerplaats(en) is/zijn gelegen, ten behoeve van het in overleg met de gemeente Nijmegen aangewezen gemeentelijk perceel, een erfdienstbaarheid verleend,
inhoudende om op, boven of onder de aangewezen erven het gebruik voor parkeren te dulden dan wel zich te onthouden van gedragingen welke dit parkeren te niet doet; ten behoeve van de 6.
gebruikers van het project waarop de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft.
Wanneer het verlenen van een erfdienstbaarheid niet mogelijk is, maar het beoogde effect van de verplichting door middel van het aangaan van een kwalitatieve verplichting of vestiging van een
kettingbeding met boetebeding door de eigenaar van zowel het perceel waarop het project wordt gerealiseerd, als het perceel waarop de parkeerplaats(en) is/zijn gelegen, ten behoeve van het in
overleg met de gemeente Nijmegen aangewezen gemeentelijk perceel wordt getroffen inhoudende de verplichting voor de eigenaar van het dienend erf om de parkeerplaatsen enkel en alleen te
laten gebruiken door de gebruikers van het project waarop de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft.
Op deze manier wordt bereikt dat het perceel waarop het project wordt gerealiseerd en de gronden
waarop de parkeerplaatsen zijn gelegen de facto enkel nog als één gezamenlijk geheel aan een derde kunnen worden overgedragen. Tevens wordt bereikt dat de eigenaar van de gronden waarop de
37/48
parkeerplaatsen zijn gelegen de parkeerplaatsen niet laat gebruiken (bijv. door verhuur) door anderen dan gebruikers van bijv. het gebouw ten behoeve waarvan de parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Het zal in de praktijk natuurlijk voorkomen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning een
voorlopig koopcontract afsluit waarin een ontbindende voorwaarde is opgenomen voor het geval de
gevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd. In dat geval zal er ook gewacht moeten worden met de definitieve vestiging van een erfdienstbaarheid.
In dat geval kan van de regel dat op eigen terrein wordt geparkeerd worden afgeweken, als aan de volgende punten wordt voldaan: 1. 2. 3.
Er moet een voorlopige koopovereenkomst met betrekking tot de parkeerplaats(en) zijn
afgesloten en de gemeente moet hier een afschrift van hebben gekregen.
Een notaris moet een concept akte m.b.t. de vereiste erfdienstbaarheid hebben opgesteld en de
gemeente moet hier een afschrift van hebben gekregen.
De verkoop en de levering van de gronden + de definitieve vestiging van de erfdienstbaarheid
moeten gegarandeerd worden door deze als voorwaarde te koppelen aan de verleende omgevingsvergunning.
Artikel 8. Bereikbaarheidsfonds auto De aanvrager van de omgevingsvergunning moet ten alle tijden proberen om de parkeerplaatsen aan te leggen of anderszins maatregelen hebben genomen om de bereikbaarheid te garanderen (aantoonbaar fietsplan of OV-plan). Dit staat onder andere in hoofdstuk 1 en wordt ook in artikel 5 nader uitgelegd. Als bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet (volledig) voldaan kan worden aan de
parkeereis, dan dient voor het restant van de parkeeropgave een financiële bijdrage te worden geleverd per niet gerealiseerde parkeerplaats. Dit is alleen mogelijk bij niet-woonfuncties, met uitzondering van autovrije complexen zoals beschreven onder “autovrije complexen” in artikel 4.
De gemeente hanteert verschillende compensatiebedragen per parkeerplaats. In onderstaande tabel
zijn de afkoopbedragen per parkeerplaats opgenomen. De beoordeling of gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden van de afkoopregeling ligt altijd bij de gemeente. De zones komen overeen met de gebieden als opgenomen in kaart 1. Zone:
Bijdrage:
Binnenstad /
€ 20.000,-
1e en 2de Schil
€ 15.000,-
Rest bebouwde kom:
€ 5.000,-
Buitengebied:
€ 2.400,-
centrum:
Tabel 12. Compensatiebedragen per parkeerplaats
De instelling, voeding en gebruik van het bereikbaarheidsfonds wordt geregeld via de ‘Verordening
Bereikbaarheidsfonds gemeente Nijmegen’. De besteding van het fonds is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders.
38/48
Artikel 9. Onderbouwing fietsparkeernormen BELEIDSREGEL 7: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de zone-indeling zoals weergegeven in kaart 1.
Met het stellen van fietsparkeernormen wil de gemeente Nijmegen het fietsgebruik faciliteren en
stimuleren. Het voorzien in kwalitatief hoogwaardige fietsparkeervoorzieningen draagt hieraan bij. De reden om de fiets te nemen in plaats van de auto is namelijk mede afhankelijk van de kwaliteit,
bruikbaarheid en functionaliteit van de fietsparkeervoorzieningen bij de plaats van bestemming.
Daarnaast wil de gemeente Nijmegen voorkomen dat de kwaliteit van de openbare ruimte afneemt door het niet kunnen stallen van de fiets. Daarom eisen we dat de fietsenstallingsvoorziening op eigen
terrein wordt opgelost. Uitgezonderd bestaande situaties, waarbij geen uitbreiding of functiewijziging wordt toegepast.
Middels het facetbestemmingsplan parkeren en de opgenomen parkeerregels in nieuwe
bestemmingsplan worden deze regels van toepassing verklaard op het hele grondgebied van Nijmegen. Omwille van de eenduidigheid is bij het opstellen van de fietsparkeernormen zoveel mogelijk
aansluiting gezocht bij de systematiek rond de parkeernormen voor de auto. Voor het bepalen van de
hoogte van de fietsparkeernormen zijn de Fietsparkeerkencijfers van het CROW (maart 2020, versie 4) als basis gebruikt. Op basis van fietsgebruikcijfers van het Kenniscentrum Fietsberaad gaan we voor Nijmegen uit van gemiddeld fietsgebruik.
Voor de binnenstad zoals aangegeven in kaart 1 passen we geen fietsparkeernormen toe. Behalve
wanneer het gaat om wonen, scholen, ziekenhuizen, supermarkten, kantoren en functies met een grote bezoekersaantrekkende werking (in tabellen aangegeven met ‘grote aantallen’). Hiervoor zijn drie redenen: •
Allereerst kent de binnenstad al hoogwaardige fietsenstallingen. En wordt op basis van de nota
‘Meer ruimte voor voetganger, fietser en consument in de binnenstad’ gewerkt aan het verbeteren van de fietsbereikbaarheid. • •
Hiernaast willen we graag de fietsenstallingen concentreren.
De binnenstad heeft tenslotte maar beperkte ruimte voor het toevoegen van fietsenstallingen in de openbare ruimte. Conform het binnenstadsbeleid ‘Binnenstad van de toekomst’ willen we ruimte bieden aan de transformatie van de binnenstad.
Het college van B&W heeft de discretionaire bevoegdheid om af te wijken van de regels omtrent fietsparkeernormering.
Gebiedsindeling De gebiedsindeling voor de toepassing van de fietsparkeernormen is conform de gebiedsindeling voor
de normering voor de auto. Hierbij gaat het om de gebieden centrum (=Binnenstad + Centrum in kaart 1), schil/overloopgebied (schil 1e en 2e ring in kaart 1), rest bebouwde kom en buitengebied. Niet alle functies gaan uit van deze gebiedsindeling. Indien dit niet van toepassing is staat dit duidelijk in onderstaande tabellen aangegeven.
Artikel 10. Fietsparkeernormen
39/48
BELEIDSREGEL 8: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de fietsparkeernormen zoals opgenomen artikel 11.
Het Bouwbesluit (artikel 4.31) verplicht bij nieuwbouwwoningen een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen op te bergen. Voor niet-woonfuncties is geen verplichting opgenomen. In de
gemeentelijke Huisvestingsverordening en de Beleidsregels Kamerverhuur zijn aanvullend eisen opgenomen ten aanzien van het beschikken over een inpandige fietsparkeervoorziening als
voorwaarde van het omzetten van woonruimte in niet-zelfstandige woonruimte of bewoning door drie of meer personen.
Kantoor (personeel)
Locatie
Norm
Eenheid
Centrum
2.0
100 m2 BVO
Schil
2,0
Bebouwde
1,5
Buitengebied
0,9
NS-station
1,1
Alle gebieden
6,0
Balie
Minimaal 6
Aantal
Norm
Eenheid
Opmerking
<250
4,3
10 leerlingen
250-500
5,0
>500
6,2
Kom
Kantoor met balie (bezoekers)
Opmerking
Tabel 13. Fietsparkeernorm Kantoren
leerlingen Basisschoolleerlingen
Basisschool medewerkers
Middelbare school leerlingen
Alle gebieden
0,4
10 leerlingen
10
100 m2 BVO
Grote aantallen
40/48
Middelbare school medewerkers
Centrum
0,6
Schil
0,5
Bebouwde
0,4
Kom
100 m2 BVO
ROC-leerlingen
12
100 m2 BVO
ROC-medewerkers
0,9
100 m2 BVO
Locatie
Norm
Eenheid
Binnen de
2,5
100 m2 BVO
2,7
100 m2 BVO
0,25
100 m2 BVO
0,25
100 m2 BVO
Op ov-locaties lager
Tabel 14. Fietsparkeernorm Scholen
Winkelcentrum
bebouwde
Opmerking
kom Supermarkt
Binnen de
bebouwde kom
Bouwmarkt
Binnen de
bebouwde kom
Tuincentrum
Vaak voldoende ruimte voor
fietsparkeer-
plekken en evt. uitbreidingen Tabel 15. Fietsparkeernorm Winkelen en boodschappen
Fastfoodrestaurant
Locatie
Norm
Eenheid
Opmerking
Centrum en
10
100 m2 BVO
Terras meetellen
Rest
3.5
schil
bebouwde kom
41/48
Buitengebied Restaurant (eenvoudig)
2.5 7,0
100 m2 BVO
Bijvoorbeeld
pannenkoekenhuis Terras meetellen
Restaurant (luxe)
2,0
100 m2 BVO
Café
7,0
100m2 BVO
Norm
Eenheid
Opmerking
Apotheek (bezoekers)
7
Locatie
Kleine aantallen
Apotheek (medewerkers)
4
Locatie
Kleine aantallen
Begraafplaats / crematorium
5
Gelijktijdige
Kleine aantallen
Gezondheidscentrum,
1,3
100 m2
0,4
100 m2
30
100
Tabel 16. Fietsparkeernorm Horeca
Locatie
inclusief huisarts, fysio,
plechtigheid
tandarts e.d. (bezoek)
Gezondheidscentrum,
inclusief huisarts, fysio, tandarts e.d. (pers.) Kerk / moskee
zitplaatsen
Protestanten meer dan
katholieken, moslims het minst
Ziekenhuis (bezoekers)
0,4
100 m2 BVO
Grote aantallen
Ziekenhuis (personeel)
0,6
100 m2 BVO
Grote aantallen
Tabel 17. Fietsparkeernorm Gezondheidszorg en maatschappelijke voorzieningen
Locatie Bibliotheek Bioscoop
Centrum
Norm
Eenheid
3,0
100 m2 BVO
7,8
100 m2 BVO
Opmerking
Grote aantallen
42/48
Schil
4,3
Rest
1,4
bebouwde Kom Fitness en dansstudio
Centrum
6,0
Schil
3,7
Rest
2,0
bebouwde
100 m2 BVO
Kom Museum
0,9
100 m2 BVO
Sporthal*
2,5
100 m2 BVO
Sportveld
50
Ha netto
Sportzaal
4,0
100 m2 BVO
Stadion
9,0
100
Grote aantallen
Stedelijke evenement
32
100 bezoekers
Grote aantallen
Centrum
24
100
Grote aantallen
Schil
21
Rest
18
Theater
bebouwde
terrein
zitplaatsen
zitplaatsen
Kom Zwembad (openlucht)
28
100 m2 bassin
Grote aantallen
Zwembad (overdekt)
20
100 m2 bassin
Grote aantallen
Tabel 18. Fietsparkeernorm Sport, cultuur en ontspanning * een sporthal is een locatie waar toernooien en (opeenvolgende) wedstrijden plaatsvinden, bij een sportzaal is dat niet het geval en gaat het bijvoorbeeld om een gymzaal zonder tribunes.
Busstation
Locatie
Norm
Eenheid
Centrum
42
Halterende
Opmerking
buslijn
43/48
Carpoolplaats
Schil
42
Halterende
Rand
0,8
Auto-
bebouwde kom
buslijn
parkeerplaats
Tabel 19. Fietsparkeernorm Overstappen
Artikel 11. Toepassingskader Parkeernormen Fiets BELEIDSREGEL 9: De fietsparkeereis voor niet-woonfuncties wordt bepaald door de parkeervraag van de oude functie af te trekken van de parkeervraag van de nieuwe functie (salderen).
BELEIDSREGEL 10: Bij een bouwontwikkeling of gebruikswijziging hoeft dus alleen te worden voorzien in de extra parkeerbehoefte. Het staat een initiatiefnemer of initiatiefnemer altijd vrij om méér fietsparkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren dan de parkeereis.
BELEIDSREGEL 11: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages zoals opgenomen in tabel 2. Bij dubbelgebruik kan de
fietsparkeereis naar beneden worden bijgesteld, mits de initiatiefnemer dit onderbouwt met een fietsparkeerbalans.
BELEIDSREGEL 12: Parkeervoorzieningen voor fietsen bij niet-woonfuncties komen altijd op eigen
terrein, al dan niet inpandig, tenzij wordt voldaan aan tenminste één van de afwijkingscriteria / vrijstellingen zoals beschreven in artikel 12.
BELEIDSREGEL 13: Bij appartementencomplexen wordt een gemeenschappelijke fietsenberging in
combinatie met een inpandige berging als gelijkwaardig aan een individuele fietsenberging conform het Bouwbesluit beschouwd als voldaan wordt aan hetgeen beschreven in artikel 13.
Bepalen van de fietsparkeereis De fietsparkeernorm wordt gebruikt om het aantal te realiseren fietsparkeerplaatsen te berekenen bij
nieuwe ontwikkelingen, de fietsparkeereis. Hiervoor wordt de omvang van de functie vermenigvuldigd met de fietsparkeernorm. De uitkomst hiervan wordt naar boven afgerond.
Bij nieuwbouwplannen wordt enkel naar de behoefte van de nieuwe functie gekeken op basis van het
programma en de ligging in stad. Bij verbouwplannen worden de nieuwe en oude fietsparkeerbehoefte gesaldeerd. De fietsparkeerbehoefte van de oude functie wordt hierbij afgetrokken van de fietsparkeerbehoefte van de nieuwe functie.
De normen opgenomen in de tabellen gelden voor functies waarvan het te verwachten fietsgebruik
groot is en daarmee een duidelijke impact heeft op de openbare ruimte. Het is mogelijk dat voor een bepaalde functie geen specifieke norm is vastgesteld. Voor deze functies gelden dan ook geen
44/48
fietsparkeernormen. Dit laat onverlet dat een aanvrager wel zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende fietsparkeerplaatsen.
Dubbelgebruik Net als bij de autoparkeernormen, mag rekening gehouden worden met dubbelgebruik van de
fietsparkeerplaatsen als binnen de ontwikkeling verschillende functies worden gerealiseerd onder de voorwaarde dat de fietsparkeerplaatsen redelijkerwijs door alle gebruikers van het plan gebruikt
kunnen worden (qua openbaarheid en ligging). De dubbelgebruikpercentages voor de auto kunnen ook gebruikt worden voor de fiets.
Oplossen op eigen terrein De fietsparkeerplaatsen dienen op openbaar toegankelijk eigen terrein gerealiseerd te worden, met uitzondering van fietsparkeerplaatsen voor personeel. Deze fietsparkeervoorziening hoeft niet openbaar toegankelijk te zijn.
De fietsparkeerplaatsen dienen te voldoen aan de kwaliteitseisen van Fietsparkeur en de vigerende
CROW-richtlijnen. Verder geldt dat de fietsenstalling logisch en overzichtelijk moet zijn ingedeeld, er binnen en vanuit de fietsenstalling naar de bijbehorende bestemming een logische, snelle en
eenvoudige routing is (bij voorkeur binnendoor) en de sociaal veiligheid is gewaarborgd door een goede indeling en verlichting (bij voorkeur daglichttoetreding).
Daarnaast dienen fietsparkeervoorzieningen zichtbaar en herkenbaar te liggen aan de aanvoerroute en zoveel mogelijk aan te sluiten bij het ‘natuurlijke’ gedrag van de fietser om de fiets zo dicht mogelijk bij de bestemming te kunnen stallen. Om los parkeren van fietsen op straat te voorkomen heeft een gelijkvloerse (centrale) fietsvoorziening de voorkeur boven een ongelijkvloerse fietsvoorziening.
Artikel 12. Vrijstelling van de fietsparkeereis In de binnenstad is voldoende fietsparkeergelegenheid voor het binnenstadsbezoek. Voor
ontwikkelingen met uitzondering van: wonen, scholen, ziekenhuizen en kantoren en functies met een grote bezoekersaantrekkende werking (in tabellen aangegeven met ‘grote aantallen’) passen we geen fietsparkeernorm toe.
Ontwikkelingen buiten de binnenstad krijgen, met uitzondering van: wonen, kamerverhuur, scholen en ziekenhuizen vrijstelling wanneer het een ontwikkeling betreft met een fietsparkeereis van maximaal 5 fietsparkeerplaatsen. Het gaat hierbij veelal om kleine ontwikkelingen (uitbreidingen van bestaande
situaties) met minimale impact op de openbare ruimte. Bijvoorbeeld uitbreiding van een supermarkt met 172 m² bvo.
Het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen kan worden teruggebracht als er sprake is van een locatie
waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de fietsparkeereis te voldoen. Van belang is dat bij afwijkingen van de fietsparkeereis de noodzaak en de verschillende effecten zorgvuldig worden afgewogen.
Fietsparkeerplaatsen niet op eigen terrein: Het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen kan op een andere locatie worden gerealiseerd indien
sprake is van een ontwikkellocatie waarbij de openbare ruimte wordt mee ontwikkeld en het ruimtelijk of financieel onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de fietsparkeereis te voldoen. De
45/48
fietsparkeervraag kan dan op acceptabele loopafstand van de ontwikkeling en in openbaar toegankelijk gebied alsnog worden gerealiseerd. Hierbij houden we rekening met de karakteristieken van de wijk.
Bij afwijking van het realiseren van fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein wordt als eis gesteld dat geen hinder voor voetgangers en voertuigen wordt gecreëerd en dat de fietsparkeervoorzieningen logisch worden ingericht voor de gebruiker.
Elektrische fiets, buitenmaatse fietsen en brommers/scooters: Het gebruik van de elektrische fiets, buitenmaatse fietsen (waaronder de bakfiets) en (elektrische) scooters neemt toe. We stellen echter geen normen voor het percentage fietsklemmen dat bij een ontwikkeling moet voldoend aan elektrisch fietsgebruik, gebruik van buitenmaatse fietsen en
scooters/brommers. Het is aan de ontwikkelende partij om een inschatting te maken van het aantal klemmen dat geschikt moet zijn voor elektrisch fietsgebruik, gebruik van bakfietsen en
brommers/scooters. Hiermee behouden we flexibiliteit en kunnen we inspelen op de meest recente wensen en eisen. Bij functies waarbij men voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van scooters,
brommers en andere vervoersmiddelen (afhalen en bezorgen) moet wel hiervoor een deel gereserveerd worden.
Artikel 13. Gemeenschappelijke inpandige fietsenberging bij een woongebouw Het Bouwbesluit stelt in artikel 4.31, lid 1, voor woningen een individuele fietsenberging verplicht van 5 m². In dit artikel wordt toegelicht hoe een gemeenschappelijke inpandige fietsenstalling -in
combinatie met een inpandige berging- zodanig kan worden ingericht dat dit door de gemeente Nijmegen als gelijkwaardig aan een individuele fietsenberging conform het Bouwbesluit wordt
beschouwd. Een aantal aspecten is hierbij van belang: het aantal fietsplekken per woning, de eisen aan de inpandige berging in de woning, de bereikbaarheid en het beheer van de gemeenschappelijke fietsenberging.
Aantal fietsplekken Het aantal fietsplekken per woning moet voldoen aan het onderstaande schema. Het is toegestaan om dubbele fietsenrekken toe te passen. Er dienen echter wel altijd twee plekken per woning in een laag rek beschikbaar te zijn
Gebruiksoppervlakte woning (m2)
Aantal plekken in
Benodigde interne
< 50
2
n.v.t.
>50 - 75
3
2,7
>75
4
2,7
fietsenrek
berging (m2)
Aangezien de toelichting van het Bouwbesluit stelt dat een fietsenberging ook bedoeld is voor het
opbergen van spullen, moet er bij woningen groter dan 50m2 een berging van 2,7 m² in de woning te worden gerealiseerd.
46/48
Makkelijke bereikbaarheid inpandige fietsenberging Fietsenbergingen worden bij nieuwbouw doorgaans inpandig gerealiseerd, waarbij men lange gangen
en meerdere deuren door moet om deze te bereiken. De slechte bereikbaarheid van deze bergingen is vaak reden voor bewoners om hun fietsen buiten (op straat) te parkeren. De bereikbaarheid van de inpandige stalling is daarom een voorwaarde voor het toestaan van de gemeenschappelijke fietsenberging.
De bereikbaarheid is een samenspel van een aantal factoren. Bij een bouwplan waarbij men aanspraak
wil maken op deze gelijkwaardigheid dient bij de aanvraag van een omgevingsvergunning daarom een onderbouwing te worden gevoegd ten aanzien van de bereikbaarheid. Onderstaande aspecten dienen hierbij in ieder geval aan de orde te komen: • • • •
de berging is bereikbaar via 1 deur,
er zitten elektronische sloten op de deuren naar de fietsenberging, de berging is gelegen op maaiveld niveau,
al het hoogteverschil wordt overbrugd door hellingbaan
Bij een gemeenschappelijke fietsenberging is een goed beheer van belang. De aanvrager moet aantonen dat: •
privaatrechtelijk is vastgelegd dat ieder appartement het aantal plekken krijgt toegewezen conform bovenstaande tabel,
•
er afspraken over gebruik en beheer in het huishoudelijke reglement worden opgenomen.
Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel Deze regeling treedt in werking onder gelijktijdige intrekking van “Beleidsregels parkeren, parkeernormen auto en fiets”, een dag na publicatie in het gemeenteblad. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels parkeren 2022.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van: 5 april 2022.
de gemeentesecretaris mr. drs. A.H. van Hout
de burgemeester drs. H.M.F. Bruls
Bijlagen Bijlage 1. Vereisten voor parkeeronderzoek
47/48
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning kan van de eis om de parkeereis op eigen terrein op te vangen worden afgeweken. De aanvrager dient hiervoor voldoende onderzoek te doen. De gemeente Nijmegen stelt de volgende eisen bij een parkeeronderzoek:
Om voor een afwijking in aanmerking te komen, dient de aanvrager een parkeeronderzoek uit te laten voeren naar de vraag of er binnen een redelijke loopafstand voldoende ruimte op de openbare weg aanwezig is om de parkeerbehoefte van het project op te vangen. De redelijke loopafstanden zijn genoemd in artikel 5. Hierbij moet de aanvrager het volgende in acht nemen: 1.
Het parkeeronderzoek moet door een verkeerskundig adviesbureau, met ervaring op het gebied
2.
Het onderzoeksgebied, het aantal tellingen en de momenten waarop er geteld zal worden, moet
3.
van parkeertellingen, worden uitgevoerd.
vooraf in overleg met de gemeente worden vastgesteld.
Ten aanzien van het aantal tellingen en de momenten waarop er geteld zal worden, gelden de volgende richtlijnen: •
De tellingen moeten plaats vinden binnen een periode van 14 dagen, waarbij er op minimaal 2 werkdagen in de ochtend, de middag, de avond en de nacht periode wordt geteld.
•
De tellingen moeten plaats vinden op representatieve momenten. Tellingen tijdens een
vakantieperiode (schoolvakantie) of op een feestdag worden in beginsel geacht niet te zijn
gedaan op een representatief moment. Bij de aanwezigheid van voorzieningen (dat zijn alle
andere functies dan “woonfuncties”) in het onderzoeksgebied geldt dat er ook op 1 koopavond en 1 zaterdagochtend of -middag moet worden geteld. Dit geldt ook als het project zelf een 4.
voorziening betreft.
Betreft het een aanvraag voor een project dat is gelegen buiten een gereguleerd parkeergebied
(dus buiten een gebied waarin bijvoorbeeld betaald parkeren is ingevoerd), dan mag de telling ook
alleen buiten het gereguleerde gebied plaatsvinden (de tellingen mogen dan alleen plaats vinden in 5.
een gebied waar geen betaald parkeren is ingevoerd).
Als uitgangspunt geldt dat de bezettingsgraad binnen het onderzoeksgebied is gesteld op 85% voor de bestaande functies. De overige 15% is gereserveerd voor zogenaamd zoekverkeer (dit
betekent dat er enkel restruimte op de openbare weg aanwezig is indien en voor zover er uit de
tellingen blijkt dat er feitelijk een lagere bezettingsgraad is dan 85%). Uitzondering hierop zijn het aantal Kiss & ride parkeerplaatsen. Zij mogen wel gebruik maken van deze 15% omdat Kiss & ride 6.
zich tot een tijdelijke bezetting beperkt.
Gebieden die binnen een redelijke loopafstand liggen, maar tegelijkertijd binnen de binnenstad (zie kaart 1) vallen, mogen niet worden meegenomen in het onderzoek omdat binnen de
binnenstad de bezettingsgraad op 95% is gesteld en de overige 5% aan zoekverkeer wordt 7.
toegerekend.
De uitkomsten van het parkeeronderzoek moeten in een onderzoeksrapport overgelegd worden aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders behoudt zich het recht in geval van gerede twijfel om extra onderzoek te vragen, en / of een
8.
eigenstandig onderzoek te verrichten.
Ten aanzien van het onderzoeksrapport geldt de volgende verplicht gestelde opmaak: • •
Inleiding: vraagstelling, probleemstelling en doelstelling
Situatie plangebied: omschrijving locatie, omschrijving project in relatie tot parkeereis, omschrijving parkeermogelijkheden op eigen terrein, omschrijving noodzakelijk aantal parkeerplaatsen in openbaar gebied
•
Werkwijze parkeeronderzoek: het onderzoeksgebied, data en tijdstippen van het tellen en het aantal tellingen
• •
Resultaten parkeeronderzoek: overzicht uitkomst tellingen en constateringen Conclusie en advies: conclusie en aanbevelingen.
48/48