CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Redengevende omschrijving Scherpenkampweg 49

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Nijmeegs Erfgoed Beschermd - Kinderdorp Neerbosch (02/2026)4.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeentelijke Monumentenlijst Register van beschermde monumenten krachtens de Nijmeegse Erfgoedverordening

Plaatselijke aanduiding monument

Scherpenkampweg 49 Aanwijzingsbesluit

n.t.b ID-code

nummer Redengevende omschrijving van het monument INLEIDING

Context: In het westen van Nijmegen, in het stadsdeel Lindenholt en de wijk Neerbosch-West, ligt Kinderdorp Neerbosch. Kinderdorp Neerbosch is oorspronkelijk ontstaan als weesinrichting. In 1867 startte Johannes van ’t Lindenhout de bouw van een weeshuis. Weeskinderen uit heel het land werden opgevangen en kregen hier huisvesting en onderwijs. Tussen hun 18e en 21e levensjaar verlieten de weeskinderen het weeshuis. De weesinrichting groeide onder de naam Van ’t Lindenhoutstichting en ving in 1893 bijna duizend kinderen op. Tot ongeveer 1903 groeide de weesinrichting uit tot een zelfvoorzienend dorp, waarbij bijna alle gebouwen onder leiding van de leermeesters, door de weeskinderen zelf gebouwd waren. Het dorp had eigen werkplaatsen zoals een klompenmakerij, kleermakerij, drukkerij, uitgeverij en bakkerij. Verder was het dorp voorzien van een eigen kapel, scholen, een boerderij, een ziekenhuis en een begraafplaats. Het Kinderdorp was hiermee de grootste weesinrichting van Nederland. Vanaf 1901 werden de kinderwetten aangenomen. Ook kwamen er nieuwe regels op het gebied van jeugdstrafrecht en werden in 1905 de Voogdijraden ingevoerd. In 1903 werd dominee Schrijver directeur van de weesinrichting. De instelling van de nieuwe Voogdijraden gaf de doorslag om voortaan ook voogdijkinderen op te vangen.

Tot ongeveer het jaar 1905 werd de weesinrichting gefinancierd door giften en bijdrages van protestantse filantropen uit heel het land. Door de nieuwe regels kreeg de weesinrichting ook steun op financieel gebied van de overheid. Tegelijkertijd daalde door de nieuwe wetten het aantal wezen dat in weeshuizen werd opgevangen. In 1930 stabiliseerde het aantal op ca. 500 weeskinderen. Op de eerste oorlogsdag van de Tweede Wereldoorlog werden de weeskinderen geëvacueerd naar Ewijk en Winssen. In 1944 werden vijfhonderd geallieerde soldaten in het Kinderdorp gekwartierd. De gebouwen leden weinig schade tijdens de oorlog, alleen ruiten en gas-en elektriciteitsleidingen waren niet meer heel en de boerderij uit 1869 brandde in 1944 uit. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de kijk op opvoedingsmethodes, waardoor in plaats van het opvoeden van kinderen in grote groepen het kind centraal kwam te staan. Hierdoor veranderde in 1963 de weesinrichting in een behandelcentrum voor kinderen, genaamd Kinderdorp Neerbosch. Het kind stond nu centraal en ook de protestants-christelijke levensvisie was niet meer van groot belang. Het personeelsbestand raakte nu meer gevarieerd: er waren nu psychologen, maatschappelijk werkers, orthopedagogen, cultureel leiders, onderwijskundigen en sportleiders in dienst. De kinderen kwamen meer uit de regio.

De stichting deelde de kinderen in kleinere groepen in om hen meer persoonlijke aandacht te geven. Om deze nieuwe inzichten van het behandelcentrum goed te faciliteren werd veel

blad 1 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 1

grootschalige gebouwen in de jaren zestig gesloopt en vervangen door kleinschaliger bebouwing. Door de economische crisis in de laten jaren zeventig en tachtig stopte de modernisering van de bebouwing echter. Hierdoor kwamen er ook minder plekken beschikbaar voor kinderen en kreeg het behandelcentrum minder subsidie binnen. Aan het eind van de jaren tachtig kreeg de Kinderbescherming nieuwe ideeën over het oplossen van de problemen van kinderen. Voorheen ving de stichting kinderen op in een geïsoleerde leefomgeving, maar vanaf eind jaren tachtig werden de problemen bij voorkeur thuis opgelost, waardoor minder kinderen werden overgeplaatst naar het Behandelcentrum. Doordat in 1989 de Wet op de Jeugdhulpverlening werd aangenomen, werden tussen 1992 en 1999 veel jeugdinstanties samengevoegd. Uiteindelijk werden er achttien Gelderse jeugdinstanties samengevoegd onder de naam Entrea Lindenhout. Dit leidde tot veel problemen, daarnaast wilde de organisatie zich graag dichter bij de stad vestigen. In 1996 vestigde het hoofdkantoor zich in Arnhem, hierdoor sloot uiteindelijk de zorginstelling in Neerbosch. Kinderdorp Neerbosch lag oorspronkelijk in een agrarisch gebied maar raakte vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer door bedrijvigheid, infrastructuur en een woonwijk omringd, maar op het terrein zelf is dit nauwelijks merkbaar.

Hier heerst nog sterk de sfeer van een groen, dorpsachtig instellingsterrein.

Scherpenkampweg 49 In het zuidwestelijke gedeelte van het Kinderdorp staan vijf van oorsprong identieke paviljoens die regelmatig verspreid zijn geplaatst volgens een systematisch stelsel. Vier van de vijf staan langs de noordwestrand van een klein bosperceel, het zogenaamde Roekenbos, en de vijfde staat ‘net om de hoek’ tegen de noordoostrand van het bosje. Die laatste is het onderhavige paviljoen Scherpenkampweg 49. De paviljoens zijn in 1969 gebouwd als groepshuizen naar ontwerp van J. J. Tuynenburg Muys (1916-1994) in opdracht van de toenmalige directeur Johannes Visser. Johannes Visser had de ambitie om het Kinderdorp een toongevende plaats binnen de kinderbescherming te geven en paste daarom het beleid aan. Hij zorgde ervoor dat er een reorganisatie kwam en eiste dat deze moest voldoen aan de hedendaagse opvoedingsmethodes. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de jeugdzorg is er, in opdracht van de voormalige directeur Van Lindonk, in 1952 al een onderzoek door het Bouwcentrum uitgevoerd naar de huisvesting. Het Bouwcentrum schetste in het onderzoeksrapport een optimale situatie van kleine paviljoens die verspreid over het terrein zouden worden gebouwd op gepaste onderlinge afstanden. Destijds werd deze reorganisatie door het Bouwcentrum als onmogelijk gezien, omdat dit zou leiden tot een grote vernieuwing van het terrein.

Johannes Visser zette het plan echter door, wat leidde tot (gedeeltelijke) realisatie. Op financieel gebied leverde de Van ‘t Lindenhoutstichting een kleine bijdrage voor het masterplan. Het Ministerie van Justitie gaf bouwsubsidie waardoor het project kon worden uitgevoerd. Door middel van een aanbesteding bepaalde het Ministerie van Justitie dat aannemersbedrijf N.V. Tiemstra het project uitvoerde. Door de bouwsubsidie werd de Rijksgebouwendienst betrokken in het proces en die raadde het architectenbureau J.J. Tuynenburg Muys aan. Vervolgens kreeg Ir. J.J. Tuynenburg Muys in 1963 de opdracht om een masterplan op te stellen voor het Kinderdorp Neerbosch.

blad 2 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 2

Het masterplan hield bijna een gehele reorganisatie van het Kinderdorp in, waarbij de oude massale gebouwen plaatsmaakten voor verspreid gelegen paviljoens. Het plan bestond uit twee verschillende delen, elk met eigen karakteristieke kenmerken (zie fig. 1). Het eerste deel omvatte de groepswoningen, die in kleine volumes werden uitgevoerd en gesitueerd in een orthogonaal stelsel dat 45 graden gedraaid was ten opzichte van de hoofstructuur van het terrein (die was gebaseerd op de oorspronkelijke agrarische ontginningsverkaveling) en de omliggende bebouwing. De gebouwen staan ruim twintig meter van elkaar, waarbij ieder paviljoen een eigen groene privéruimte heeft, die ontstaat door het orthogonale stelsel van paden en hagen, waarvan de ‘vierkante’ vakken, die steeds één in een hoek geplaatst paviljoen bevatten, steeds iets zijn verschoven zodat de vakken min of meer zeshoekige worden, waarbij het geheel een honingraatstructuur vormt. Langs de paden mochten alleen lage hagen worden geplaatst, maar geen schuttingen of andere afscheidingen, zodat het uitzicht over het gehele Kinderdorp behouden bleef en het beeld van de omgeving groen zou zijn. Het tweede deel van het plan omvatte de nieuwbouw voor een centrale keuken, ketelhuis, wasserij, administratiegebouw, houten groepshuis en een ziekenhuis.

Deze nieuwbouw sloot beter aan op de bestaande bebouwing van de weesinrichting en bevatte gemeenschappelijke functies. Het masterplan werd niet volledig uitgevoerd door financiële beperkingen. Van het totaalplan werden uiteindelijk tien paviljoens, het administratiegebouw, ketelhuis, keuken en wasserij gerealiseerd. De tien paviljoens en het administratiegebouw bevinden zich thans nog op het terrein van het Kinderdorp. De tien gerealiseerde paviljoens zijn in twee bouwfases uitgevoerd. De eerste fase startte in 1968 en omvatte vijf groepshuizen aan de noordwestzijde van het terrein. De tweede fase begon in 1969 en omvatte vijf groepshuizen aan de zuidoostzijde van het terrein, waaronder ook het onderhavige. Dit paviljoen is niet gebouwd op de locatie waar het van oorsprong was gedacht in het structuurplan uit 1963. (zie fig.1) In dat plan had het op de plek moeten komen van het noordoostelijke gedeelte van het Roekenbos dat had moeten worden gekapt, maar dat werd gespaard. Het paviljoen werd naar het noordoosten verschoven tot net buiten het bosje. De gewijzigde plek is mogelijk het gevolg van een planwijziging bedoeld om het bosperceel te behouden.

Waar de andere acht gerealiseerde paviljoens volgens het oorspronkelijke structuurplan uit 1963 zijn opgenomen in een orthogonale padenstructuur, die 45 graden is gedraaid ten opzichte van de omliggende bebouwing en de oude hoofstructuur van Kinderdorp, geldt dat niet voor de paviljoens met huisnummers 49 en 51 (direct ten westen). In het betreffende gedeelte van het complex waren ten noordoosten van de oude toegangslaan vier paviljoens gepland die wel in de regelmatige verdelingsstructuur van alle geplande paviljoens pasten, maar die in afwijking tot de rest niet in een 45 graden gedraaide structuur van landschapsinrichting waren opgenomen. (zie fig.1) Het is niet duidelijk waarom dit onderscheid zo was ontworpen. Het concept van de paviljoens is gebaseerd op het functioneren van de leefgroep als gezin binnen één paviljoen. In het ontwerp van de groepshuizen is gezocht naar een oplossing die elk kind een gelijkwaardige privéruimte biedt. De van oorsprong identieke paviljoens hebben een hoofdvorm van een tienhoekige centraalbouw over twee bouwlagen. Door die hoofdvorm hebben de gebouwen (net als de overkoepelende structuur van paviljoens) geen sterk hiërarchische ordening en zijn alle zijden, met op de verdieping de kamers voor de verschillende bewoners, even belangrijk.

Gemeenschappelijke ruimtes bevinden zich op de begane grond en op de verdieping hoofzakelijk in het centrum. Er is op de verdieping plaats voor voldoende kamers zodat ieder kind (in principe zestien per paviljoen) een eigen kamer heeft. Daarnaast is er op de verdieping ook plaats voor twee grotere kamers voor groepsleiders.

blad 3 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 3

Het gebruik van het centraalbouw-concept voor groepshuizen was destijds nieuw, en mogelijk geïnspireerd door het dienstbodenhuis De Koepel in sanatorium De Zonnestraal van architect J. Duiker. De nadruk in het ontwerp van Tuynenburg Muys ligt op de open haard, die centraal op de begane grond van de paviljoens is geplaatst. In de praktijk bleek deze keuze echter minder goed te functioneren. De open haard was moeilijk te gebruiken met kinderen, aangezien zij vaak met het vuur speelden, wat gevaarlijk was. Bovendien veroorzaakte het gebruik van de open haard veel rommel. In 1979 plaatste Bouwbedrijf en timmerfabriek Leenders bv. centrale verwarmingen in de groepshuizen, waardoor de open haarden ook niet meer gebruikt werden. Om deze reden werden in de loop van de jaren de open haarden uit de paviljoens verwijderd. In hetzelfde jaar verbouwde Bouwbedrijf en Timmerfabriek Leenders bv. het interieur van het groepshuis. Van de 16 slaapkamers werden er tien vergroot door vijf tussenwanden te verwijderen, waardoor er vijf grotere slaapkamers ontstonden. In 2006 is het paviljoen nogmaals verbouwd. De puien in zijde 6 en 7 op de begane grond zijn verwijderd en op locatie van deze zijden is er een trapeziumvormige aanbouw gerealiseerd. Ook zijn alle houten puien op de begane grond aangepast.

De onderste gedeeltes van de kozijnen, die oorspronkelijk bestonden uit steeds één blind sandwichpaneel, zijn vervangen door twee multiplexplaten. Verder is de stootband achterwege gelaten. Op de verdieping zijn ook alle puien aangepast: de vaste ramen zijn vervangen door een draaikiepraam en een vast raam, waardoor een tweedelige indeling is ontstaan. Ook het onderste gedeelte, dat oorspronkelijk bestond uit één blind sandwichpaneel, is vervangen door twee multiplexplaten. Aan weerszijden, tegen de hoeken van de gevel, bevonden zich Franse balkonnetjes met een eenvoudige ijzeren spijlenbalustrade en vlakke houten deuren. Deze deuren hadden een gesloten onderzijde en een verticale glasstrook tot op dezelfde hoogte als de naastgelegen ramen. De vlakke houten deuren zijn vervangen door houten kozijnen, waarbij het onderste gedeelte is ingevuld met een multiplexplaat en het bovenste met een vast raam in afwijkende hoogte. In het interieur is de tussenwand tussen de voormalige spreekkamer en keuken verplaatst, waardoor er een grotere keuken ontstaat. Ook is de voormalige huiswerkruimte bij de voormalige berging getrokken door wederom een tussenwand te verwijderen. Op de verdieping zijn alle kamers vergroot door de binnenwanden meer naar het centrale middelpunt van de ruimtes te schuiven, tot halverwege de lichtkoepels in het dak.

Daarnaast zijn de andere vier kinderslaapkamers ook vergroot door twee tussenwanden te verwijderen, waardoor er drie grotere slaapkamers ontstonden. Voor het jaar 2000 veranderde het exterieur van het paviljoen van zwart, grijs, wit naar primaire kleuren. Later zijn de primaire kleuren aangepast naar enkel de kleur donker rood in combinatie met de nuances licht en donker grijs. Architect Johannes J. Tuynenburg Muys (1916 – 1994) begon in 1938 aan de studie Bouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft. Doordat zijn studie werd onderbroken door de Tweede Wereldoorlog studeerde hij pas in 1951 af. In 1951 ging J.J. Tuynenburg Muys bij het architectenbureau Stuivinga te Zeist werken. Het architectenbureau Stuivinga was opgericht door de broers Jan en Theo Stuivinga en richtte zich in de eerste jaren voornamelijk op woonhuizen en kerken. Vanaf de jaren twintig ontwierpen ze meer ziekenhuizen. De projecten waren verspreid over Nederland en door de tijd heen werkte het bureau met andere architecten samen. Het architectenbureau Tuynenburg Muys kwam tot stand bij overname in 1960 van het bureau Stuivinga. Tuynenburg Muys bleef gefocust op het uitbreiden en verbouwen van ziekenhuizen.

In 1972 richtte de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architekten BNA de Stichting Architectenonderzoek Gebouwen Gezondheidszorg (STAGG) op, met als doel om het leefmilieu van gezondheidszorggebouwen te verbeteren en het proces tot de

blad 4 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 4

totstandkoming van de gebouwen efficiënter te maken. In 1972 sloot Tuynenburg Muys zich direct aan bij deze stichting. Het architectenbureau J.J. Tuynenburg Muys werd in 1975 opgeheven. OMSCHRIJVING VAN HET MONUMENT

Hieronder wordt het pand enkel beschreven op basis van bezichtiging vanaf de openbare weg, omdat het pand niet kon worden bezocht. Het paviljoen staat op een ruim kadastraal perceel waarop ook het paviljoen met huisnummer 51 en het noordoostelijke gedeelte van het Roekenbos zijn gelegen. Het paviljoen heeft een rechthoekige eigen tuin/privéruimte die aan de zuidwestzijde grenst aan het Roekenbos. De paden die de tienhoekige paviljoens ontsluiten zijn verhard met betonklinkers en worden begeleid door vrij hoge hagen. Het pad aan de westelijke zijde van het paviljoen, dat aansluit op de voormalige toegangslaan, is recent verlegd en verbreed. De privéruimte bij het paviljoen is omsloten door grotendeels hoge hagen en opgaande bomen. De entree van het paviljoen bevindt zich aan de noordzijde. De privéruimte bij dit paviljoen is aan de noordzijde, vanaf de entree tot aan de hoge hagen langs de omkadering, verhard. Deze verharding loopt over in de voetpaden. Aan de zuidzijde sloot van oorsprong een terras van betonklinkers direct aan op het paviljoen, maar hier is later een aanbouw gerealiseerd. Het paviljoen bevindt zich verder in een groene omgeving met een gazon en veel opgaande bomen en struiken. In de noordelijke hoek van het perceel is recent een houten schuurtje geplaatst. Het paviljoen heeft een regelmatig tienhoekig grondvlak en twee bouwlagen.

De tweede bouwlaag is iets groter en achttien graden gedraaid ten opzichte van het onderste bouwvolume. Het dak loopt, met groot overstek, vanuit de hoeken flauw hellend omhoog naar het middelpunt toe, waarbij het middelste gedeelte (dat boven de centrale tienhoekige kern van het gebouw ligt) iets omhoog is getild ten opzichte van de rest. Op het dak ligt bitumineuze dakbedekking. Verder bevinden zich vijf lichtkoepels op het dak die de rondgaande gang rond de kern op de verdieping van daglicht voorzien. Centraal in het dakvlak was van oorsprong de afvoer van de voormalige openhaard aanwezig, maar deze is verwijderd. Gevels: De gevels van de begane grond bestaan grotendeels uit recent aangepaste puien met houten kozijnen, waarvan het onderste gedeelte is ingevuld met een later geplaatste tweedelige multiplexplaat en het bovenste gedeelte met een vast raam. Iedere zijde op de begane grond is tweedelig opgedeeld door in elke zijde twee van de bovengenoemde invullingen te plaatsen. Uitzonderingen op de gevelinvullingen worden hieronder beschreven. De entree betreft een extra toegevoegde zijde en is precies op een knik van de tienhoek gesitueerd, waardoor aan weerszijden van de entree de zijdes korter zijn dan de overige zijdes van de tienhoek. De entree bestaat uit een houten vlakke deur in houten kozijn met aan weerszijden een zijlicht opgedeeld in een boven- en onderlicht.

De zijdes van de begane grond worden in onderstaande beschrijving met de klok mee genummerd, te beginnen bij de entree, die nummer 1 krijgt. De begane grondgevels van zijden 2, 3, 4, 5, 10 en 11 zijn volledig aan het zicht onttrokken vanaf openbaar toegankelijk terrein. Zijde 2, links van de entree bij de toiletten, is in het oorspronkelijke ontwerp opgetrokken in hardgrauw metselwerk in wildverband. Zijde 3 is de gevel van de berging en is van oorsprong volledig opgetrokken in hardgrauw metselwerk in staand klezorenverband met in de tweede kwart een deur naar de berging.

blad 5 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 5

In het oorspronkelijke ontwerp bevindt zich in de linkerhelft van zijde 5 een tweedelige schuifdeur ingevuld met twee glaspanelen met daartussen eenzelfde type stootband. Zijde 6 en 7 op de begane grond zijn volledig aangepast door op locatie van deze zijden een trapeziumvormige aanbouw te plaatsen. De borstwering van de linkerhelft van zijde 9 is opgetrokken in hardgrauw metselwerk in wildverband. Boven de borstwering bevindt zich een later geplaatst vast raam met recente keramische raamdorpelstenen. In het oorspronkelijk ontwerp is ook de rechterkwart van zijde 10, bij de keuken rechts van de entree, opgetrokken in hardgrauw metselwerk in wildverband. Boven de metselwerk borstwering in zijde 10 is van oorsprong een kleppend raam aanwezig en in de derde kwart van zijde 10, ter plaatse van de keuken, een vlakke houten deur. Het linkerdeel van zijde 11, naast de entree is volgens het oorspronkelijk ontwerp uitgevoerd in hardgrauw metselwerk in staand klezorenverband. In de hele gevel is een strook bovenlicht in houten kozijn aanwezig. Zijden 2, 3, 4, 5, 10 en 11 zijn aan het zicht onttrokken. In zijde 2 is het bovenlicht van oorsprong driedelig opgebouwd, in het midden bevond zich een ventilatierooster. In zijde 3 is in het oorspronkelijke ontwerp een vierdeling aanwezig, waarbij in het tweede deel ook een ventilatierooster aanwezig is.

In het oorspronkelijke ontwerp hebben beide bovenlichten van zijde 4 een klepraam aan de linkerzijde en heeft de linkerhelft van het bovenlicht van zijde 6 een klepraam aan de rechterzijde. De bovenlichten van zijden 8 en 9 zijn volledig aangepast en in iedere helft voorzien van een klepraam aan de rechterzijde. In het oorspronkelijke ontwerp zijn ook de rechterhelften van het bovenlicht van zijde 10 en 11 voorzien van een klepraam aan de rechterzijde. Het bovenlicht van de linkerzijde van zijde 11 heeft van oorsprong een houten ventilatierooster. Iets voor de beschreven gevels staat voor het midden van elke zijde onder het overstek van de verdraaide tienhoekige plattegrond op de verdieping een ronde betonnen kolom die de overstekende verdiepingsvloer ondersteunt. Het verdiepingsoverstek is in het oorspronkelijke ontwerp aan de onderzijde afgewerkt met witgeschilderde schrootjes. Door de beperkte zichtbaarheid is echter niet vast te stellen of deze afwerking nog aanwezig is. De betonnen verdiepingsvloer is aan de buitenzijde afgewerkt met houten plaatmateriaal. Op de verdieping zijn alle zijdes gelijk ingedeeld. Iedere zijde bestaat uit een recente pui met twee dubbele houten kozijnen waarvan het onderste gedeelte is ingevuld met twee recente multiplexplaten en het bovenste gedeelte met een recent vast- en draairaam.

Aan weerszijden, tegen de hoeken van de gevel, bevinden zich Franse balkonnetjes met een eenvoudige ijzeren spijlenbalustrade en recente houten kozijnen, waarbij het onderste gedeelte is ingevuld met een multiplexplaat en het bovenste met een vast raam in afwijkende hoogte van oorspronkelijk ontwerp. Aan de noordoostzijde is recent een brandtrap geplaatst. De later geplaatste brandtrap sluit aan op een deuropening in de hoek waarbij het Frans Balkon is verwijderd. Het dakoverstek is aan de onderzijde afgewerkt met hechthout, dat ook tegen de dakrand is geplaatst, met daarboven een slanke aluminium daktrim. Tussen het dak en het verhoogde dak boven de centrale kern bevinden zich lage horizontale stalen kozijnen met vast raam voorzien van aluminium ventilatieroosters. Het paviljoen heeft vijf hemelwaterafvoeren, die oorspronkelijk in kunststof waren uitgevoerd. Deze werden aan de zijkant van de goot aangesloten, weggedetailleerd in de dakranden en geïntegreerd in de kozijnen op de verdieping. De hemelwaterafvoeren zijn aangepast. De huidige hemelwaterafvoeren lopen vanaf vijf hoeken van de begane grond strak langs het overstek naar de eerste verdieping en

blad 6 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 6

vervolgens naar de rand van het dak. Mogelijk zijn de delen van de hemelwaterafvoeren op de begane grond nog de oorspronkelijke. De kleuren van het schilderwerk op de gevels zijn niet meer oorspronkelijk. Constructie: De paviljoens hebben een betonnen fundering en vloer. De verdiepingsvloer steunt op de twintig betonnen kolommen die op de begane grond expliciet in het zicht zijn verwerkt. Tien van deze betonnen kolommen zijn zichtbaar in het exterieur van het paviljoen, ieder op gelijke afstand van het middelpunt in een tienhoek geplaatst. De andere tien kolommen zijn op een kleinere gelijke afstand van het middelpunt in dezelfde tienhoekige vorm geplaatst. Op de eerste verdieping is rond de centrale kern een tienzijdig rondgaande muur gemaakt van metselwerk, precies boven de binnenste tien kolommen op de begane grond. In de buitenring op de verdieping zijn stalen UNP-staanders toegepast op de hoeken, bovenop de kleine uitkraging ten opzichte van de betonkolommen van het exterieur op de begane grond. Ook het dak bestaat uit een staalconstructie, de HE-liggers zijn van de hoeken naar het middelste gedeelte geplaatst waaronder zich de metselwerkconstructie bevindt. De ophoging van het middelste gedeelte, wordt ook geconstrueerd door de hoekpunten met stalen HE-liggers te verbinden met het middelpunt.

WAARDERING

Het object bevat de volgende waarden (refererend aan de Beleidsregels selectiecriteria voor aanwijzing van gemeentelijk beschermde monumenten en gemeentelijke stadsbeelden gemeente Nijmegen, 1812-2024): Stedenbouwkundige waarden: Het pand is onderdeel van het stedenbouwkundige en historisch-functionele ensemble van Kinderdorp Neerbosch. Net als bijna alle andere gebouwen in het Kinderdorp maakt dit pand onderdeel uit van een stedenbouwkundig plan, dat in de loop der tijd steeds werd aangepast. Het paviljoen bezit hoge stedenbouwkundige waarden als onderdeel van het masterplan dat bijna een gehele reorganisatie van het Kinderdorp betrof, waarbij de oude massale gebouwen plaats maakten voor verspreid liggende paviljoens die dienden als groepshuizen. Dit paviljoen is weliswaar anders geplaatst dan van oorsprong bedoeld in het structuurplan uit 1963, maar is niettemin duidelijk onderdeel van de grotere structuur met van oorsprong identieke paviljoens in een landschappelijke setting met tuinen, hagen en paden. De gewijzigde plek is mogelijk het gevolg van een planwijziging bedoeld om het bosperceel te behouden. De structuur waarin de paviljoens van oorsprong zijn opgenomen is typisch voor het structuralisme, waarin veel werd geëxperimenteerd met van nieuwe stelsels zonder evidente hiërarchie.

De opzet met privéruimtes die gekoppeld zijn aan de paviljoens met tuinen, hagen en paden is nog herkenbaar aanwezig. Ondanks dat niet het gehele masterplan is uitgevoerd, is het stedenbouwkundige plan nog zeer leesbaar aanwezig. Het paviljoen vormt met de andere paviljoens op het terrein (tien in dezelfde tienhoekige vorm, en ook een aantal in latere vierkante vorm), het groen en de padenstructuur een ensemble. Het stedenbouwkundige plan vormt een typisch voorbeeld van vroege post-65 architectuur in Nederland.

blad 7 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 7

Architectuurhistorische waarden: Het pand heeft hoge architectuurhistorische waarde als zijnde één exemplaar van tien paviljoens die specifiek voor Kinderdorp Neerbosch zijn ontworpen en als serie uniek zijn. De paviljoens zijn specifiek ontworpen als groepshuizen voor het jeugdbehandelcentrum, behorende bij de nieuwe fase van het Kinderdorp uit de 1960er jaren. Het groepshuis is een bijzonder voorbeeld van een groeps-woon en behandelpaviljoen in destijds zeer vernieuwende architectuur, die typisch is voor de destijds opgeld doende wil tot schaalverkleining, bouwen in de menselijke maat, samenleven en ontmoeten (rond de haard), en het wegnemen van nadruk op hiërarchie. De paviljoens zijn tot in detail ontworpen in een zeer eigentijdse trant: zonder decoratie maar met structurele en bouwkundige elementen die een expliciete rol in het architectuurbeeld krijgen, zoals de centrale haard (verwijderd) maar in structuurvorm herkenbaar, de ‘verdraaide’ tienhoekige vorm en de kolommen. Deze vormgeving kent hoge esthetische kwaliteiten en is sterk verwant aan de destijds opkomende architectuurstroming van het structuralisme, die ook sterk doorwerkt in het totaal concept van het stedenbouwkundige plan/terreininrichtingsplan. Het ontwerp van het paviljoen laat duidelijk zien dat de ontwikkeling van de jeugdzorg een grote invloed had op de architectuur van het reorganisatieplan.

Er werden veel eisen gesteld aan het masterplan, waarvoor de architect door middel van zijn eigen visie en inspiratiebronnen oplossingen bedacht in eigentijds vormentaal en materiaalgebruik. Het pand heeft hoge architectuurhistorische waarde voor de gemeente Nijmegen als zeldzaam en bijzonder voorbeeld van het Structuralisme en vanwege de bijzondere centraalbouw-typologie. Het pand heeft ook architectuurhistorische waarde vanwege de in hoofdzaak betonnen constructie van vloeren en ronde kolommen en stalen opbouw dakconstructie, met gevelpuien uit hout en glas en enkele bakstenen gemetselde muurdelen. De opbouw rond van een oorsprong centrale haard met ter plaatse opgetilde verdiepingsvloer en centraal dakdeel is ook bijzonder. Behalve qua structuur en vormgeving is ook de constructie typisch voor de vroege post-65 architectuur. Het pand heeft ook waarde als onderdeel van het oeuvre van architect J.J. Tuynenburg Muys, die vanaf 1963 een belangrijke rol vervulde als hoofdarchitect van het Kinderdorp. Hoewel er wijzigingen zijn aangebracht, zoals het plaatsen van een aanbouw tegen begane grond en het aanpassen van de puien in de gevel, is de oorspronkelijke vorm nog steeds zeer herkenbaar aanwezig. Cultuurhistorische waarden: Het pand heeft hoge cultuurhistorische waarde als essentieel onderdeel van het Kinderdorp met zijn bijzondere maatschappelijke waarde.

Het Kinderdorp als geheel geeft uitdrukking aan de ontwikkeling van de jeugdzorg vanaf 1863, waarin de verandering in opvoedmethodes zich weerspiegelen, waarbij de tienhoekige paviljoens een belangrijke rol vervullen. Deze laten zien dat er in de 1960er jaren een verandering in opvoedmethode plaatsvond doordat kinderen niet meer werden opgevangen in grote groepen, maar het kind meer centraal kwam te staan in kleinere groepen die meer naar gezinnen neigden dan naar weeshuizen. In deze ontwikkeling speelde Kinderdorp Neerbosch met deze groepshuizen een voortrekkersrol in Nederland. Conclusie: Het paviljoengebouw voldoet aan de criteria voor bescherming als gemeentelijk monument, conform de Erfgoedverordening Nijmegen.

blad 8 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 8

Bronnen: Thijssen, A. A. W. (2020). De tienhoekige paviljoens. [Masterscriptie, Universiteit Utrecht]. UU Theses Repository. Thijssen, A. A. W. (2020). Kinderdorp Neerbosch. Gemeente Nijmegen. [einde omschrijving]

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- ---Kadastrale tenaamstelling Kadastrale aanduiding Gemeente: Sectie: Nummer(s):

Gegevens 9 januari 2020

Neerbosch K 3645

foto’s op vervolgblad

blad 9 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 9

Figuur 1: Structuurplan (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473952, structuurplan, 27 mei 1963). Het zuidwesten is boven in deze plattegrond. Het paviljoen Scherpenkampweg 49 is gebouwd op de plek van het L-vormige gebouw helemaal linksonder in deze plattegrond, in plaats van op de locatie iets daarboven.

Figu ur 2: Technische doorsnede (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473942, technische doorsnedes, 2 augustus 1968).

blad 10 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 10

Figuur 3: Definitieve plattegrond begane grond (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473956, definitieve plattegronden, 2 september 1968).

blad 11 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 11

Figuur 4: Definitieve plattegrond verdieping (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473956, definitieve plattegronden, 2 september 1968).

blad 12 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 12

Vogelvluchtfoto van paviljoen en tuin/privéruimte vanuit het noorden.

Zuidwestgevel.

blad 13 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 13

Linkerzijde van zuidwestgevel.

Noordwestgevel.

blad 14 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 14

Kadastrale kaart. De groene omlijning geeft het pand Scherpenkampweg 49 aan.

blad 15 van 15

Adres.doc

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=9084dd0b-efdf-4c19-955d-e542f27f1c63