CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Redengevende omschrijving Scherpenkampweg 29

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Nijmeegs Erfgoed Beschermd - Kinderdorp Neerbosch (02/2026)4.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeentelijke Monumentenlijst Register van beschermde monumenten krachtens de Nijmeegse Erfgoedverordening

Plaatselijke aanduiding monument

Scherpenkampweg 29 Aanwijzingsbesluit

n.t.b ID-code

nummer Redengevende omschrijving van het monument INLEIDING

Context: In het westen van Nijmegen, in het stadsdeel Lindenholt en de wijk Neerbosch-West, ligt Kinderdorp Neerbosch. Kinderdorp Neerbosch is oorspronkelijk ontstaan als weesinrichting. In 1867 startte Johannes van ’t Lindenhout de bouw van een weeshuis. Weeskinderen uit heel het land werden opgevangen en kregen hier huisvesting en onderwijs. Tussen hun 18e en 21e levensjaar verlieten de weeskinderen het weeshuis. De weesinrichting groeide onder de naam Van ’t Lindenhoutstichting en ving in 1893 bijna duizend kinderen op. Tot ongeveer 1903 groeide de weesinrichting uit tot een zelfvoorzienend dorp, waarbij bijna alle gebouwen onder leiding van de leermeesters, door de weeskinderen zelf gebouwd waren. Het dorp had eigen werkplaatsen zoals een klompenmakerij, kleermakerij, drukkerij, uitgeverij en bakkerij. Verder was het dorp voorzien van een eigen kapel, scholen, een boerderij, een ziekenhuis en een begraafplaats. Het Kinderdorp was hiermee de grootste weesinrichting van Nederland. Vanaf 1901 werden de kinderwetten aangenomen. Ook kwamen er nieuwe regels op het gebied van jeugdstrafrecht en werden in 1905 de Voogdijraden ingevoerd. In 1903 werd dominee Schrijver directeur van de weesinrichting. De instelling van de nieuwe Voogdijraden gaf de doorslag om voortaan ook voogdijkinderen op te vangen.

Tot ongeveer het jaar 1905 werd de weesinrichting gefinancierd door giften en bijdrages van protestantse filantropen uit heel het land. Door de nieuwe regels kreeg de weesinrichting ook steun op financieel gebied van de overheid. Tegelijkertijd daalde door de nieuwe wetten het aantal wezen dat in weeshuizen werd opgevangen. In 1930 stabiliseerde het aantal op ca. 500 weeskinderen. Op de eerste oorlogsdag van de Tweede Wereldoorlog werden de weeskinderen geëvacueerd naar Ewijk en Winssen. In 1944 werden vijfhonderd geallieerde soldaten in het Kinderdorp gekwartierd. De gebouwen leden weinig schade tijdens de oorlog, alleen ruiten en gas-en elektriciteitsleidingen waren niet meer heel en de boerderij uit 1869 brandde in 1944 uit. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de kijk op opvoedingsmethodes, waardoor in plaats van het opvoeden van kinderen in grote groepen het kind centraal kwam te staan. Hierdoor veranderde in 1963 de weesinrichting in een behandelcentrum voor kinderen, genaamd Kinderdorp Neerbosch. Het kind stond nu centraal en ook de protestants-christelijke levensvisie was niet meer van groot belang. Het personeelsbestand raakte nu meer gevarieerd: er waren nu psychologen, maatschappelijk werkers, orthopedagogen, cultureel leiders, onderwijskundigen en sportleiders in dienst. De kinderen kwamen meer uit de regio.

De stichting deelde de kinderen in kleinere groepen in om hen meer persoonlijke aandacht te geven. Om deze nieuwe inzichten van het behandelcentrum goed te faciliteren werd veel

blad 1 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 1

grootschalige gebouwen in de jaren zestig gesloopt en vervangen door kleinschaliger bebouwing. Door de economische crisis in de laten jaren zeventig en tachtig stopte de modernisering van de bebouwing echter. Hierdoor kwamen er ook minder plekken beschikbaar voor kinderen en kreeg het behandelcentrum minder subsidie binnen. Aan het eind van de jaren tachtig kreeg de Kinderbescherming nieuwe ideeën over het oplossen van de problemen van kinderen. Voorheen ving de stichting kinderen op in een geïsoleerde leefomgeving, maar vanaf eind jaren tachtig werden de problemen bij voorkeur thuis opgelost, waardoor minder kinderen werden overgeplaatst naar het Behandelcentrum. Doordat in 1989 de Wet op de Jeugdhulpverlening werd aangenomen, werden tussen 1992 en 1999 veel jeugdinstanties samengevoegd. Uiteindelijk werden er achttien Gelderse jeugdinstanties samengevoegd onder de naam Entrea Lindenhout. Dit leidde tot veel problemen, daarnaast wilde de organisatie zich graag dichter bij de stad vestigen. In 1996 vestigde het hoofdkantoor zich in Arnhem, hierdoor sloot uiteindelijk de zorginstelling in Neerbosch. Kinderdorp Neerbosch lag oorspronkelijk in een agrarisch gebied maar raakte vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer door bedrijvigheid, infrastructuur en een woonwijk omringd, maar op het terrein zelf is dit nauwelijks merkbaar.

Hier heerst nog sterk de sfeer van een groen, dorpsachtig instellingsterrein.

Scherpenkampweg 29 In het zuidwestelijke gedeelte van het Kinderdorp staan langs de noordwestrand van een klein bosperceel, het zogenaamde Roekenbos, vijf paviljoens die regelmatig verspreid zijn geplaatst volgens een systematisch stelsel. Het paviljoen aan de Scherpenkampweg 29 is in 1969 gebouwd als groepshuis naar ontwerp van J. J. Tuynenburg Muys (1916-1994) in opdracht van de toenmalige directeur Johannes Visser. Johannes Visser had de ambitie om het Kinderdorp een toongevende plaats binnen de kinderbescherming te geven en paste daarom het beleid aan. Hij zorgde ervoor dat er een reorganisatie kwam en eiste dat deze moest voldoen aan de hedendaagse opvoedingsmethodes. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de jeugdzorg is er, in opdracht van de voormalige directeur Van Lindonk, in 1952 al een onderzoek door het Bouwcentrum uitgevoerd naar de huisvesting. Het Bouwcentrum schetste in het onderzoeksrapport een optimale situatie van kleine paviljoens die verspreid over het terrein zouden worden gebouwd op gepaste onderlinge afstanden. Destijds werd deze reorganisatie door het Bouwcentrum als onmogelijk gezien, omdat dit zou leiden tot een grote vernieuwing van het terrein. Johannes Visser zette het plan echter door, wat leidde tot (gedeeltelijke) realisatie. Op financieel gebied leverde de Van ‘t Lindenhoutstichting een kleine bijdrage voor het masterplan.

Het Ministerie van Justitie gaf bouwsubsidie waardoor het project kon worden uitgevoerd. Door middel van een aanbesteding bepaalde het Ministerie van Justitie dat aannemersbedrijf N.V. Tiemstra het project uitvoerde. Door de bouwsubsidie werd de Rijksgebouwendienst betrokken in het proces en die raadde het architectenbureau J.J. Tuynenburg Muys aan. Vervolgens kreeg Ir. J.J. Tuynenburg Muys in 1963 de opdracht om een masterplan op te stellen voor het Kinderdorp Neerbosch. Het masterplan hield bijna een gehele reorganisatie van het Kinderdorp in, waarbij de oude massale gebouwen plaatsmaakten voor verspreid gelegen paviljoens. Het plan bestond uit twee verschillende

blad 2 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 2

delen, elk met eigen karakteristieke kenmerken (zie fig. 1). Het eerste deel omvatte de groepswoningen, die in kleine volumes werden uitgevoerd en gesitueerd in een orthogonaal stelsel dat 45 graden gedraaid was ten opzichte van de hoofstructuur van het terrein (die was gebaseerd op de oorspronkelijke agrarische ontginningsverkaveling) en de omliggende bebouwing. De gebouwen staan ruim twintig meter van elkaar, waarbij ieder paviljoen een eigen groene privéruimte heeft, die ontstaat door het orthogonale stelsel van paden en hagen, waarvan de ‘vierkante’ vakken, die steeds één in een hoek geplaatst paviljoen bevatten, steeds iets zijn verschoven zodat de vakken min of meer zeshoekige worden, waarbij het geheel een honingraatstructuur vormt. Langs de paden mochten alleen lage hagen worden geplaatst, maar geen schuttingen of andere afscheidingen, zodat het uitzicht over het gehele Kinderdorp behouden bleef en het beeld van de omgeving groen zou zijn. Het tweede deel van het plan omvatte de nieuwbouw voor een centrale keuken, ketelhuis, wasserij, administratiegebouw, houten groepshuis en een ziekenhuis. Deze nieuwbouw sloot beter aan op de bestaande bebouwing van de weesinrichting en bevatte gemeenschappelijke functies. Het masterplan werd niet volledig uitgevoerd door financiële beperkingen.

Van het totaalplan werden uiteindelijk tien paviljoens, het administratiegebouw, ketelhuis, keuken en wasserij gerealiseerd. De tien paviljoens en het administratiegebouw bevinden zich thans nog op het terrein van het Kinderdorp. De tien gerealiseerde paviljoens zijn in twee bouwfases uitgevoerd. De eerste fase startte in 1968 en omvatte vijf groepshuizen aan de noordwestzijde van het terrein. De tweede fase begon in 1969 en omvatte vijf groepshuizen aan de zuidoostzijde van het terrein. Het concept is gebaseerd op het functioneren van de leefgroep als gezin binnen één paviljoen. In het ontwerp van de groepshuizen is gezocht naar een oplossing die elk kind een gelijkwaardige privéruimte biedt. De van oorsprong identieke paviljoens hebben een hoofdvorm van een tienhoekige centraalbouw over twee bouwlagen. Door die hoofdvorm hebben de gebouwen (net als de overkoepelende structuur van paviljoens) geen sterk hiërarchische ordening en zijn alle zijden, met op de verdieping de kamers voor de verschillende bewoners, even belangrijk. Gemeenschappelijke ruimtes bevinden zich op de begane grond en op de verdieping hoofzakelijk in het centrum. Er is op de verdieping plaats voor voldoende kamers zodat ieder kind (in principe zestien per paviljoen) een eigen kamer heeft. Daarnaast is er op de verdieping ook plaats voor twee grotere kamers voor groepsleiders.

Het gebruik van het centraalbouw-concept voor groepshuizen was nieuw, en mogelijk geïnspireerd door het dienstbodenhuis De Koepel in sanatorium De Zonnestraal van architect J. Duiker. De nadruk in het ontwerp van Tuynenburg Muys ligt op de open haard, die centraal op de begane grond van de paviljoens is geplaatst. In de praktijk bleek deze keuze echter minder goed te functioneren. De open haard was moeilijk te gebruiken met kinderen, aangezien zij vaak met het vuur speelden, wat gevaarlijk was. Bovendien veroorzaakte het gebruik van de open haard veel rommel. In 1979 plaatste Bouwbedrijf en timmerfabriek Leenders bv. centrale verwarmingen in de groepshuizen, waardoor de open haarden ook niet meer gebruikt werden. Om deze reden werden in de loop van de jaren de open haarden uit de paviljoens verwijderd. In hetzelfde jaar verbouwde Bouwbedrijf en Timmerfabriek Leenders bv. het interieur van het groepshuis. Van de 16 kinderslaapkamers werden er tien vergroot door vijf tussenwanden te verwijderen, waardoor er vijf grotere slaapkamers ontstonden. Als gevolg van een brand in 1981 is de verdieping grotendeels herbouwd door Bouwmaatschappij Leenders. In het exterieur zijn nieuwe gevelkozijnen geplaatst, naar oorspronkelijke toestand. Het interieur werd vanuit praktische overwegingen afwijkend van het oorspronkelijke ontwerp herbouwd.

blad 3 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 3

De kamers werden ruimer, doordat de inbouwkasten in de kamers werden geïntegreerd. In plaats van dertien kamers (elf kinderkamers en twee kamers voor groepsleiders) bleven er uiteindelijk twaalf over. Daarnaast zijn de wanden tussen de gang en de kamers vervangen door gele bakstenen muren. Voor het jaar 2000 veranderde het exterieur van het paviljoen van zwart, grijs, wit naar primaire kleuren. Tussen 2016 en 2020 zijn de primaire kleuren aangepast naar secundaire kleuren. Architect Johannes J. Tuynenburg Muys (1916 – 1994) begon in 1938 aan de studie Bouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft. Doordat zijn studie werd onderbroken door de Tweede Wereldoorlog studeerde hij pas in 1951 af. In 1951 ging J.J. Tuynenburg Muys bij het architectenbureau Stuivinga te Zeist werken. Het architectenbureau Stuivinga was opgericht door de broers Jan en Theo Stuivinga en richtte zich in de eerste jaren voornamelijk op woonhuizen en kerken. Vanaf de jaren twintig ontwierpen ze meer ziekenhuizen. De projecten waren verspreid over Nederland en door de tijd heen werkte het bureau met andere architecten samen. Het architectenbureau Tuynenburg Muys kwam tot stand bij overname in 1960 van het bureau Stuivinga. Tuynenburg Muys bleef gefocust op het uitbreiden en verbouwen van ziekenhuizen.

In 1972 richtte de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architekten BNA de Stichting Architectenonderzoek Gebouwen Gezondheidszorg (STAGG) op, met als doel om het leefmilieu van gezondheidszorggebouwen te verbeteren en het proces tot de totstandkoming van de gebouwen efficiënter te maken. In 1972 sloot Tuynenburg Muys zich direct aan bij deze stichting. Het architectenbureau J.J. Tuynenburg Muys werd in 1975 opgeheven. OMSCHRIJVING VAN HET MONUMENT

Hieronder wordt het pand enkel beschreven op basis van bezichtiging vanaf de openbare weg, omdat het pand niet kon worden bezocht. Het kadastrale kavel is rechthoekig van vorm en grenst met de korte noordoostzijde aan het perceel van het naastgelegen paviljoen van dezelfde generatie (Scherpenkampweg 31), met de zuidwestzijde aan het perceel van een vierkant paviljoen van een jongere generatie, en met de lange zuidoostzijde aan het Roekenbos. Ten noorden ligt een groene parkachtige zone die centraal in het Kinderdorp is gelegen. Het stedenbouwkundige plan waarin de paviljoens vanaf de bouw zijn opgenomen is gebaseerd op een orthogonale padenstructuur, die 45 graden gedraaid is ten opzichte van de omliggende bebouwing en de oude hoofstructuur van Kinderdorp, en wordt in een honingraatvorm op het kavel geprojecteerd. De orthogonale padenstructuur bestaat uit verharde voetpaden van betonklinkers tussen hoge hagen. In elke honingraatvorm bevindt zich aan de noordoostelijke zijde een paviljoen. De privéruimte van dit paviljoen heeft aan de noordwestzijde een honingraatvormige plattegrondvorm, waarbinnen wel een extra haag is geplaatst die het kadastrale kavel volgt binnen deze indeling. Aan de zuidoostzijde wordt de grens van het kadastrale kavel gevolgd langs het roekenbos. Langs de omliggende voetpaden is de privéruimte grotendeels omsloten door hoge hagen.

De entree van het paviljoen bevindt zich aan de noordzijde. De privéruimte bij dit paviljoen is aan de noordzijde, vanaf de entree tot aan de hoge hagen langs de omkadering, verhard met betonklinkers. Deze verharding loopt over in de voetpaden. Aan de zuidzijde is aansluitend op het paviljoen een terras van betonklinkers aangelegd. Het paviljoen bevindt zich verder in een groene omgeving met een gazon een enkele opgaande bomen en struiken. In de oostelijke zijde van het perceel is recent een bijgebouw geplaatst in de vorm van een houten schuurtje.

blad 4 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 4

Het paviljoen heeft een regelmatig tienhoekig grondvlak en twee bouwlagen. De tweede bouwlaag is iets groter en achttien graden gedraaid ten opzichte van het onderste bouwvolume. Het dak loopt, met groot overstek, vanuit de hoeken flauw hellend omhoog naar het middelpunt toe, waarbij het middelste gedeelte (dat boven de centrale tienhoekige kern van het gebouw ligt) iets omhoog is getild ten opzichte van de rest. Op het dak ligt bitumineuze dakbedekking. Verder bevinden zich vier lichtkoepels op het dak die de rondgaande gang rond de kern op de verdieping van daglicht voorzien. Oorspronkelijk waren er vijf lichtkoepels op het dak aanwezig, maar de lichtkoepel aan de zuidzijde is verwijderd. Centraal in het dakvlak is de afvoer van de voormalige openhaard aanwezig. Gevels: De kleuren zijn volledig gewijzigd. De gevels van de begane grond bestaan grotendeels uit puien met houten kozijnen, waarvan het onderste gedeelte is ingevuld met een blind sandwichpaneel en het bovenste gedeelte met een vast raam. Het middendeel fungeert als stootband. Iedere zijde op de begane grond is tweedelig opgedeeld door in elke zijde twee van de bovengenoemde invullingen te plaatsen. Uitzonderingen op de gevelinvullingen worden hieronder beschreven.

De entree betreft een extra toegevoegde zijde en is precies op een knik van de tienhoek gesitueerd, waardoor aan weerszijden van de entree de zijdes korter zijn dan de overige zijdes van de tienhoek. De entree bestaat uit een houten vlakke deur in houten kozijn met aan weerszijden een zijlicht opgedeeld in een boven- en onderlicht. De onderlichten zijn dichtgezet met een blind paneel. De zijdes van de begane grond worden in onderstaande beschrijving met de klok mee genummerd, te beginnen bij de entree, die nummer 1 krijgt. Zijde 2, links van de entree bij de toiletten, is dichtgezet met een blind paneel. Oorspronkelijk was deze zijde opgetrokken in hardgrauw metselwerk in wildverband, onduidelijk is of het metselwerk zich nog achter de later geplaatste paneel bevindt. De begane grondgevels van zijden 3 tot en met 5 zijn aan het zicht onttrokken vanaf openbaar toegankelijk terrein. Zijde 3 bevindt zich ter plaatse van de voormalige berging en was van oorsprong volledig opgetrokken in hardgrauw metselwerk in staand klezorenverband met in de tweede kwart een deur naar de berging. In het oorspronkelijke ontwerp bevindt zich in de linkerhelft van zijde 5 een tweedelige schuifdeur ingevuld met twee glaspanelen met daartussen eenzelfde type stootband. In de rechterhelft van zijde 7 bevindt zich hetzelfde type schuifdeur.

De borstwering van de linkerhelft van zijde 9 en de rechterkwart van zijde 10, bij de keuken rechts van de entree, is opgetrokken in hardgrauw metselwerk in staand klezorenverband. Het metselwerk is recent wit geschilderd. Boven de metselwerk borstwering in zijde 10 is een kleppend raam aanwezig. Verder is de derde kwart van zijde 10, ter plaatse van de keuken, een vlakke houten deur aanwezig. Door de beperkte zichtbaarheid is het niet duidelijk of het linkerdeel van zijde 11, naast de entree, is voorzien van wit geschilderd hardgrauw metselwerk in staand klezorenverband of ook dicht is gezet met een blindpaneel. In de hele gevel is een strook bovenlichten in houten kozijnen aanwezig. In zijde 2 is het bovenlicht driedelig opgebouwd, in het midden bevond zich oorspronkelijk een ventilatierooster. Dit rooster is recent vervangen door een klepraam. Zijden 3 tot en met 5 zijn aan het zicht onttrokken. In het oorspronkelijke ontwerp is in zijde 3 een vierdeling aanwezig, waarbij in de tweede kwart ook een ventilatierooster aanwezig was. Verder bevindt zich van oorsprong in beide bovenlichten van zijde 4 een klepraam aan de linkerzijde. De linkerhelft van het bovenlicht van zijde 6 heeft twee vaste ramen, voorheen was er aan de rechterzijde een klepraam aanwezig. Het bovenlicht van zijde 8 is niet zichtbaar door de begroeiing.

Zijde 9 heeft twee vaste ramen in de linkerhelft van het bovenlicht. Van oorsprong was er een klepraam aan de rechterzijde in de linkerhelft van het bovenlicht aanwezig. De rechterhelft

blad 5 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 5

van het bovenlicht van zijde 10 is van een klepraam aangepast naar een vast raam met ventilatierooster. De rechterhelft van het bovenlicht van zijde 11 is voorzien van een klepraam aan de rechterzijde. Het bovenlicht van de linkerzijde van zijde 11 heeft een houten ventilatierooster. Iets voor de beschreven gevels staat voor het midden van elke zijde onder het overstek van de verdraaide tienhoekige plattegrond op de verdieping een ronde betonnen kolom die de overstekende verdiepingsvloer ondersteunt. Het verdiepingsoverstek is aan de onderzijde afgewerkt met witgeschilderde schrootjes en de betonnen verdiepingsvloer is aan de buitenzijde afgewerkt met houten plaatmateriaal. Op de verdieping zijn alle zijdes gelijk ingedeeld. Iedere zijde bestaat uit een pui met twee dubbele houten kozijnen waarvan het onderste gedeelte is ingevuld met een blindsandwichpaneel en het bovenste gedeelte met een vast raam. Deels zijn de ramen voorzien van een aluminium ventilatierooster. Ook hier fungeert het middendeel als stootband. Aan weerszijden zijn er, tegen de hoeken der zijden, Franse balkonnetjes aanwezig met eenvoudige ijzeren spijlenbalustrade en vlakke houten deur met gesloten onderzijde en verticale glasstrook tot op dezelfde hoogte als de naastgelegen ramen. Op vijf van de tien hoeken zijn de vlakke houten deuren aangepast naar vaste ramen.

De later geplaatste brandtrap aan de noordzijde sluit aan op een recente houten deur. Oorspronkelijk was hier een pui aanwezig, door het plaatsen van de deur als toegang naar de brandtrap is de indeling aangepast. Het dakoverstek is aan de onderzijde afgewerkt met hechthout, dat ook tegen de dakrand is geplaatst, met daarboven een slanke aluminium daktrim. Tussen het dak en het verhoogde dak boven de centrale kern bevinden zich lage horizontale stalen kozijnen met vast raam voorzien van aluminium ventilatieroosters. Het paviljoen heeft vijf hemelwaterafvoeren, die oorspronkelijk in kunststof waren uitgevoerd. Deze werden aan de zijkant van de goot aangesloten, weggedetailleerd in de dakranden en geïntegreerd in de kozijnen op de verdieping. De hemelwaterafvoeren zijn aangepast. De huidige zinken hemelwaterafvoeren lopen vanaf vijf hoeken van de begane grond strak langs het overstek naar de eerste verdieping en vervolgens naar de rand van het dak. Constructie: De paviljoens hebben een betonnen fundering en vloer. De verdiepingsvloer steunt op de twintig betonnen kolommen die op de begane grond expliciet in het zicht zijn verwerkt. Tien van deze betonnen kolommen zijn zichtbaar in het exterieur van het paviljoen, ieder op gelijke afstand van het middelpunt in een tienhoek geplaatst.

De andere tien kolommen zijn op een kleinere gelijke afstand van het middelpunt in dezelfde tienhoekige vorm geplaatst. Op de eerste verdieping is rond de centrale kern een tienzijdig rondgaande muur gemaakt van metselwerk, precies boven de binnenste tien kolommen op de begane grond. In de buitenring op de verdieping zijn stalen UNP-staanders toegepast op de hoeken, bovenop de kleine uitkraging ten opzichte van de betonkolommen van het exterieur op de begane grond. Ook het dak bestaat uit een staalconstructie, de HE-liggers zijn van de hoeken naar het middelste gedeelte geplaatst waaronder zich de metselwerkconstructie bevindt. De ophoging van het middelste gedeelte, wordt ook geconstrueerd door de hoekpunten met stalen HE-liggers te verbinden met het middelpunt.

blad 6 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 6

WAARDERING

Het object bevat de volgende waarden (refererend aan de Beleidsregels selectiecriteria voor aanwijzing van gemeentelijk beschermde monumenten en gemeentelijke stadsbeelden gemeente Nijmegen, 1812-2024): Stedenbouwkundige waarden: Het pand is onderdeel van het stedenbouwkundige en historisch-functionele ensemble van Kinderdorp Neerbosch. Net als bijna alle andere gebouwen in het Kinderdorp maakt dit pand onderdeel uit van een stedenbouwkundig plan, dat in de loop der tijd steeds werd aangepast. Het paviljoen bezit hoge stedenbouwkundige waarden als onderdeel van het masterplan dat bijna een gehele reorganisatie van het Kinderdorp betrof, waarbij de oude massale gebouwen plaats maakten voor verspreid liggende paviljoens die dienden als groepshuizen. Het masterplan was voor een groot deel gebaseerd op een orthogonale structuur van paden en hagen waarin de groepshuizen waren opgenomen dat 45 graden gedraaid was ten opzichte van de veel oudere orthogonale hoofdstructuur van het instellingsterrein (die was gebaseerd op de middeleeuwse agrarische ontginningsverkaveling). De nieuwe gedraaide structuur werd door verspringing van de vakken vervormd tot een honingraat-achtig geheel. Een dergelijke strak gestructureerde, diagonaal verdraaide ordening is typisch voor het structuralisme, waarin veel werd geëxperimenteerd met van nieuwe stelsels zonder evidente hiërarchie.

De structuur met honingraatvormige privéruimtes die gekoppeld zijn aan de paviljoens met tuinen, hagen en paden zijn nog zeer herkenbaar aanwezig. Ondanks dat niet het gehele masterplan is uitgevoerd, is het stedenbouwkundige plan nog zeer leesbaar aanwezig. Het paviljoen vormt met de andere paviljoens op het terrein (tien in dezelfde tienhoekige vorm, en ook een aantal in latere vierkante vorm), het groen en de padenstructuur een ensemble. Het stedenbouwkundige plan vormt een typisch voorbeeld van vroege post-65 architectuur in Nederland. Architectuurhistorische waarden: Het pand heeft hoge architectuurhistorische waarde als zijnde één exemplaar van tien paviljoens die specifiek voor Kinderdorp Neerbosch zijn ontworpen en als serie uniek zijn. De paviljoens zijn specifiek ontworpen als groepshuizen voor het jeugdbehandelcentrum, behorende bij de nieuwe fase van het Kinderdorp uit de 1960er jaren. Het groepshuis is een bijzonder voorbeeld van een groeps-woon en behandelpaviljoen in destijds zeer vernieuwende architectuur, die typisch is voor de destijds opgeld doende wil tot schaalverkleining, bouwen in de menselijke maat, samenleven en ontmoeten (rond de haard), en het wegnemen van nadruk op hiërarchie.

De paviljoens zijn tot in detail ontworpen in een zeer eigentijdse trant: zonder decoratie maar met structurele en bouwkundige elementen die een expliciete rol in het architectuurbeeld krijgen, zoals de centrale haard (verwijderd) maar in structuurvorm herkenbaar) de ‘verdraaide’ tienhoekige vorm en de kolommen. Deze vormgeving kent hoge esthetische kwaliteiten en is sterk verwant aan de destijds opkomende architectuurstroming van het structuralisme, die ook sterk doorwerkt in het totaal concept van het stedenbouwkundige plan/terreininrichtingsplan. Het ontwerp van het paviljoen laat duidelijk zien dat de ontwikkeling van de jeugdzorg een grote invloed had op de architectuur van het reorganisatieplan. Er werden veel eisen gesteld aan het masterplan, waarvoor de architect door middel van zijn eigen visie en inspiratiebronnen oplossingen bedacht in eigentijdse vormentaal en materiaalgebruik. Het pand heeft hoge architectuurhistorische waarde voor de gemeente Nijmegen als zeldzaam en bijzonder voorbeeld van het Structuralisme en vanwege de bijzondere centraalbouw-typologie.

blad 7 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 7

Het pand heeft ook architectuurhistorische waarde vanwege de in hoofdzaak betonnen constructie van vloeren en ronde kolommen en stalen opbouw dakconstructie, met gevelpuien uit hout en glas en enkele bakstenen gemetselde muurdelen. De opbouw rond van een oorsprong centrale haard met ter plaatse opgetilde verdiepingsvloer en centraal dakdeel is ook bijzonder. Behalve qua structuur en vormgeving is ook de constructie typisch voor de vroege post-65 architectuur. Het pand heeft ook waarde als onderdeel van het oeuvre van architect J.J. Tuynenburg Muys, die vanaf 1963 een belangrijke rol vervulde als hoofdarchitect van het Kinderdorp. Hoewel er wijzigingen zijn aangebracht, zoals het vernieuwen van de puien op de verdieping, het aanpassen van de gevelindeling ter plaatse van de brandtrap en het aanpassen van vaste ramen op locaties van de Franse balkons, is de oorspronkelijke vorm nog steeds zeer herkenbaar aanwezig. Cultuurhistorische waarden: Het pand heeft hoge cultuurhistorische waarde als essentieel onderdeel van het Kinderdorp met zijn bijzondere maatschappelijke waarde. Het Kinderdorp als geheel geeft uitdrukking aan de ontwikkeling van de jeugdzorg vanaf 1863, waarin de verandering in opvoedmethodes zich weerspiegelen, waarbij de tienhoekige paviljoens een belangrijke rol vervullen.

Deze laten zien dat er in de 1960er jaren een verandering in opvoedmethode plaatsvond doordat kinderen niet meer werden opgevangen in grote groepen, maar het kind meer centraal kwam te staan in kleinere groepen die meer naar gezinnen neigden dan naar weeshuizen. In deze ontwikkeling speelde Kinderdorp Neerbosch met deze groepshuizen een voortrekkersrol in Nederland. Conclusie: Het paviljoengebouw voldoet aan de criteria voor bescherming als gemeentelijk monument, conform de Erfgoedverordening Nijmegen.

Bronnen: Thijssen, A. A. W. (2020). De tienhoekige paviljoens. [Masterscriptie, Universiteit Utrecht]. UU Theses Repository. Thijssen, A. A. W. (2020). Kinderdorp Neerbosch. Gemeente Nijmegen. [einde omschrijving]

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- ---Kadastrale tenaamstelling Kadastrale aanduiding Gemeente: Sectie: Nummer(s):

blad 8 van 15

Gegevens 3 februari 2023

Neerbosch K 4290

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 8

Figuur 1: Structuurplan (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473952, structuurplan, 27 mei 1963).

Figuur 2: Technische doorsnede (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473942, technische doorsnedes, 2 augustus 1968).

blad 9 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 9

Figuur 3: Definitieve plattegrond begane grond (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473956, definitieve plattegronden, 2 september 1968).

blad 10 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 10

Figuur 4: Definitieve plattegrond verdieping (Regionaal Archief Nijmegen, Digitaal Gebouwen Dossier, inventarisnummer D12.473956, definitieve plattegronden, 2 september 1968).

blad 11 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 11

Luchtfoto in vogelvluchtperspectief vanuit het oosten.

Noordgevel.

blad 12 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 12

Zuidgevel.

Westgevel.

blad 13 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 13

Later geplaatste brandtrap en deur.

blad 14 van 15

Adres.doc

Gemeentelijke Monumentenlijst

Vervolgvel 14

Kadastrale kaart. De groene omlijning geeft het pand Scherpenkampweg 29 aan.

blad 15 van 15

Adres.doc

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=24ec5a3a-25e4-4e5e-ba67-9f86d89ab4ed