Reactie op toetsadvies commissie MER d.d. 26 juli 2023
Tekst van het document
Memo
Locatie Centrale Gelderland Hollandiaweg 11 6541 BL Nijmegen Tel. 088 769 3400
Postbus 38, 6500 AA Nijmegen datum aan kopie aan contact referentie bijgewerkt op betreft:
: : : : : : :
26 juli 2023 Gemeente Nijmegen Pim Verstappen U-2023-009 Reactie op toetsingsadvies van de commissie voor de m.e.r. op MER herontwikkeling Centrale Gelderland
In deze memo wordt een reactie gegeven op het toetsingsadvies dat de Commissie voor de m.e.r. op 6 juni 2023 heeft gegeven op het MER voor de Herontwikkeling Centrale Gelderland (ENGIE) te Nijmegen. Het toetsingsadvies is bij de commissie voor de m.e.r. bekend onder projectnummer 3418. De in deze memo opgenomen reactie ziet op de aanbevelingen en de adviezen zoals door de commissie in hoofdstuk 2 van het toetsingsadvies zijn opgenomen. De hoofdstuknummering van het toetsingsadvies is gebruikt bij het geven van de reactie. In de paragrafen 2.2, 2.3, 2.6, 2.7, 2.8 over respectievelijk “Doelbereik en de effecten”, “Bereikbaarheid en mobiliteit”, “Water”, “Duurzaamheid en circulariteit” en “Monitoring”, geeft de commissie haar visie en adviezen op het vervolgproces die we als ENGIE onderschrijven. Dit behoeft geen nadere toelichting of aanpassing van het MER. In reactie op de visie en advies van de commissie voor de m.e.r. in de paragrafen 2.1, 2.4 en 2.5 over respectievelijk “Alternatieven en varianten”, “Geluid” en “Natuur” volgt de onderstaande reactie. 2.1 Alternatieven en varianten In de alinea “Kanttekeningen lage-impact variant en aanbevelingen” van deze paragraaf wordt door de commissie voor de m.e.r.
een kanttekening geplaatst bij de beschrijving en beoordeling van de mogelijkheden voor de lageimpactvariant: “Voor de energiecentrale is een aantal brandstofvarianten beschreven en vergeleken. Gesteld wordt dat alleen gasvormige brandstoffen in aanmerking komen, én dat waterstof op dit moment nog niet ingezet kan worden. Ook wordt gesteld dat verbranding van waterstof naar verwachting leidt tot een toename van stikstofemissies ten opzichte van aardgas, maar dit is niet onderbouwd.” In reactie op deze kanttekening stelt ENGIE dat de onderbouwing van deze stelling in het MER is terug te vinden in onder meer in de BREF-LCP van de Europese Unie. Daarin is opgenomen dat bij de verbranding van waterstof hogere NOx emissies optreden dan bij aardgas. Dit is onder meer terug te vinden in paragraaf 7.1.2.2 van de BREF-LCP, waar m.b.t. gasvormige brandstoffen is opgenomen: “As the hydrogen content of the fuel increases, NOx emissions increase”. De navolgende door de commissie voor de m.e.r in deze paragraaf opgenomen aanbeveling wordt door ENGIE onderschreven. Dit behoeft geen nadere toelichting of aanpassing van het MER. “De Commissie beveelt aan om ontwikkelingen in de best beschikbare technieken en alternatieve brandstoffen nadrukkelijk te volgen, zodat hier bij nadere besluitvorming over de energiecentrale rekening mee kan worden gehouden.
Daarop aansluitend beveelt zij aan om bij besluitvorming over het bestemmingsplan aan te geven wat nieuwe inzichten daarin kunnen betekenen voor de te maken afwegingen over de vestiging van andere bedrijven en voorzieningen in het gebied. Daarmee wordt duidelijk hoe wordt omgegaan met de ‘milieuruimte’ die hierdoor vrijkomt.”
engie.nl ENGIE Energie Nederland N.V., Grote Voort 291, 8041 BL Zwolle Handelsregister Zwolle 05043978 - BTW-nr. NL008357523B01 IBAN NL08 INGB 0676 0910 40 - BIC INGBNL2A
referentie: U-2023-009
pagina:
2 van 4
2.4 Geluid In deze paragraaf merkt de commissie voor de m.e.r. op, dat er wordt verwezen naar niet openbare geluidsrapporten en dat het daardoor onduidelijk en oncontroleerbaar blijft welke geluidsruimte al wordt ingenomen door de energiecentrale, de windturbine het verkeer en de scheepvaart en welke ruimte overblijft voor nieuwe ontwikkelingen. Gezien de onzekerheden in de beoogde ontwikkeling beveelt de commissie voor de m.e.r. aan in de planregels en het monitoringplan voorwaarden op te nemen met als doel de geluidsbelasting bij woningen niet te laten toenemen. Voor het bepalen van de geluidbelasting is in het MER gebruik gemaakt van zowel openbare als niet openbare geluidsrapporten. In Bijlage 5.1 “Geluidsonderzoek” van het MER is in tabel 3.2 opgenomen welke openbare geluidsrapporten in het geluidsonderzoek zijn gebruikt. De overige genoemde rapporten die worden aangehaald zijn gebruikt om op basis van expert judgement tot een geluidsniveau voor die benoemde situaties te komen. Hierbij gaat het dan vooral om expert judgement aannames die zijn gedaan om de geluidsvermogens voor de beoogde energiecentrale te reduceren. Ten aanzien van de door de commissie voor de m.e.r.
gemaakte opmerking over de onzekerheden kunnen we als ENGIE onderschrijven en we verzoeken de gemeente in het bestemmingsplan invulling te geven aan deze aanbeveling door ten aanzien van geluid, regels en een monitoringsverplichting daarin op te nemen. 2.5 Natuur In het toetsingsadvies over het hoofdstuk natuur is door de commissie voor de m.e.r. het onderstaande tekstkader opgenomen waarvan de commissie voor de m.e.r. adviseert dit nader te duiden. “De Commissie adviseert om, voordat wordt besloten over het bestemmingsplan, in een aanvulling op het MER: • een eenduidige beoordeling van en toelichting op de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland te geven; • inzicht te geven in mogelijke mitigerende maatregelen om de gevolgen van stikstofdepositie voor kwetsbare natuur te beperken. Dit geldt zowel voor de realisatiefase als voor de exploitatiefase.” Errata In de tekst van het MER deel 1 is op blz. 17 en 57 in toelichting op het milieuaspect Natuur bij het herschrijven van het MER de tekst niet correct aan de nieuwe beoordeling aangepast waarbij de opgenomen dat het effect van de voorkeursvariant een beperkte toename van stikstof depositie op enkel leefgebieden binnen Natura 2000 en NNN beoogde ontwikkeling zou hebben niet is aangepast.
Dit is niet correct en het woord “beperkt” dient hier dan ook te worden doorgehaald waardoor de tekst dan wordt. Natuur “…… Bij de voorkeursvariant is er sprake van een beperkte toename van de stikstofdepositie op enkele leefgebieden binnen Natura 2000 en enkele natuurbeheertypen van NNN ten opzichte van de referentiesituatie. Dit leidt voor deze criteria tot de beoordeling “zeer negatief effect (--)”. Daarbij moet worden opgemerkt dat ten opzichte van de vergunde situatie (situatie 2015) er bij de voorkeursvariant een aanzienlijke afname van de stikstofdepositie is op een groot aantal Natura 2000-gebieden. ……” Door de bovenstaande aanpassing komt de tekst weer overeen met de beoordeling zoals die in de tekst en de tabellen is opgenomen. Eenduidige beoordeling De commissie voor de m.e.r. merkt op dat de beschouwing van de depositie in het MER niet geheel duidelijk is. Om deze onduidelijkheid weg te nemen wordt hiervoor de onderstaande verduidelijking gegeven.
referentie: U-2023-009
pagina:
3 van 4
De stikstofdepositie is het gevolg van de NOx en NH3 emissies die vanuit het plangebied vrijkomen. De hoogte, temperatuur en snelheid waarmee die emissies vrijkomen zijn maatgevend voor waar de NOx en NH3 emissies als reactief stikstof als depositie in de omgeving terecht komt. De emissie van NH3 slaat dichtbij neer terwijl NOx verder weg neerslaat. In het onderstaande overzicht zijn de totalen aan NOx en NH3 emissies van de verschillende situaties en varianten in de beoogde ontwikkeling weergegeven. Ook is deze NOx en NH3 emissie vertaald naar de emissie van vrij reactief stikstof, om daarmee een vergelijking te kunnen maken tussen de stikstof emissies die de verschillende situaties en beoogde ontwikkeling vrijkomen.
component NOx NH3
eenheid [kg/jaar] [kg/jaar]
situatie 2015
referentie situatie
1.673.700 192
12.500 191
voorkeur variant 221.000 23.600
Deze emissie vertalen zich naar reactief stikstof component
eenheid
situatie 2015
referentie situatie
voorkeur variant
beoogde ontwikkeling met energiecentrale bij locatie A locatie B zonder met zonder met DeNOx DeNOx DeNOx DeNOx 321.000 221.000 321.000 221.000 619 23.600 619 23.600 beoogde ontwikkeling met energiecentrale bij locatie A locatie B zonder met zonder met DeNOx DeNOx DeNOx DeNOx
Reactief N [kg/jaar] 509.500 4.000 86.700 98.200 86.700 (in NOx en NH3) Reactief N = massa NOx * (mol massa N/ mol massa NOx) + massa NH3 * (mol massa N/ mol massa NH3) Reactief N = massa NOx * (14/46) + massa NH3 * (14/17)
98.200
86.700
Beschouwing in het MER De beschouwing in het MER ziet op het gehele plangebied van Waal Energie bestaande uit het terrein van de containerterminal en het terrein van Centrale Gelderland. In het MER worden de effecten van stikstof depositie in de beoogde ontwikkeling vergeleken met de stikstof depositie in de referentie situatie (lees de situatie waarin in het plangebied van Waal Energie de containerterminal, het zonnepark en de windturbines operationeel zijn). De beoogde ontwikkeling van het plangebied Waal Energie zal de stikstof depositie dan ten opzichte van de referentie situatie toenemen. Wanneer de stikstof depositie uit de beoogde ontwikkeling van het plangebied Waal Energie wordt vergeleken met de situatie 2015 dan zal op enkele hexagonen dichtbij een toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben. Op een nog veel groter deel van de berekende hexagonen is een afname van stikstof depositie berekend. Door dat een toename ten opzichte van de referentie situatie is te verwachten is een passende beoordeling uitgevoerd. Passende beoordeling: De activiteiten van de containerterminal blijven in de beoogde ontwikkeling gelijk aan de huidige situatie en daarom zijn die activiteiten niet meegenomen in de passen de beoordeling. De passende beoordeling ziet dan ook alleen op de beoogde activiteiten in plangebied Waal Energie dat ziet het terrein van Centrale Gelderland.
Met intern salderen mag de emissie van bestaande rechten worden gebruikt om de benodigde rechten te verminderen. In de passende beoordeling is de beschouwing opgenomen waarbij deze mogelijkheid is toegepast. In hoofdstuk 3 van de passende beoordeling is daarin opgenomen dat in de passen de beoordeling de situatie van 2015 met operationele kolen en biomassa gestookte energiecentrale als referentie is gebruikt om me te salderen. Op basis van de wettelijke mogelijkheid tot intern salderen is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling dan slechts op enkele niet overbelaste stikstof gevoelige hexagonen een toename aan stikstof depositie is te verwachten. Deze beperkte toename ziet op Natura 2000 gebieden dichtbij. Op de Natura 2000 gebieden verder weg heeft dit een grote afname van stikstof depositie tot gevolg.
referentie: U-2023-009
pagina:
4 van 4
Mitigerende maatregelen exploitatiefase Voor de beoogde ontwikkeling is de beoogde energiecentrale de bron die in belangrijke mate bijdraagt aan de stikstof depositie. Om in de beoogde ontwikkeling de effecten van de stikstof depositie te beperken is gezocht naar een energiecentrale waarbij de emissie van het totaal reactief stikstof (de N in NOx en NH3) het laagste is. De beoogde energiecentrale die als voorkeursvariant is opgenomen (een energiecentrale met DeNOx installatie) is dan ook een energiecentrale die als best beschikbare techniek geclassificeerd kan worden, waarmee de NOx en NH3 emissies lager zijn dan de ondergrens van de emissienormen. De beoogde energiecentrale vanaf de bouw direct geschikt om ook waterstof te kunnen stoken. De beoogde energiecentrale wordt zoals in het MER vermeld aangesloten op het transportnet waterstof en daarmee heeft ENGIE zelf geen invloed op de gasvormige brandstof (nu aardgas in toekomst naar 100% CO2 vrij gas) dat via dit transportnet waterstof beschikbaar wordt geleverd. Voor de overige activiteiten die op het terrein zijn voorzien is bij het zetten van de uitgangspunten al direct ingezet op lagere dan gangbare emissie normen en daarmee zijn op dit moment geen lagere realistische emissies en de daaraan gekoppelde stikstof depositie te bereiken. Realisatiefase De emissies tijdens de bouw- en aanlegfase zullen van tijdelijke aard zijn.
De realisatie van het plangebied zal niet in een keer plaatsvinden. De emissies die vrijkomen in de bouwfase zullen ten opzichte van de referentie situatie beperkt toenemen. De emissies van deze tijdelijke worstcase berekening voor de bouwfase hebben een depositie tot gevolg die ten opzichte van de referentiesituatie tijdelijk een beperkte toename heeft op enkele hexagonen in nabij gelegen Natura 2000 gebieden. Als deze effecten van de tijdelijke bouwfase worden beschouwd in relatie tot de effecten van de situatie in 2015 (operationele kolen en biomassa gestookte energiecentrale) of de exploitatiefase van de beoogde ontwikkeling dan is er geen toename aan stikstof depositie te verwachten. Omdat de berekening zijn uitgevoerd voor de worstcase situatie kunnen de emissies en de daarop betrokken depositie minder worden wanneer op het moment van bouwen emissieloze en/of elektrisch aangedreven bouwmachines commercieel beschikbaar zijn en kunnen worden ingezet. De mogelijkheid tot inzet daarvan hangt sterk af van de beschikbaarheid in de markt. Voor het verkrijgen van de Wnb vergunning wordt door het bevoegd gezag ook de bouwfase betrokken. Voor het verkrijgen van een Wnb vergunning mogen ook de stikstof emissies worden gesaldeerd met de stikstof emissies en de stikstof depositie daarvan die zijn opgenomen een vigerende Wnb vergunning (intern salderen).
Indien de beschouwing vanuit het perspectief intern salderen wordt beschouwd dan zullen de stikstof emissies van de bouwfase ruimschoots vallen binnen de stikstof depositie van zowel de vergunde als de exploitatiefase van de beoogde ontwikkeling. Mitigerende maatregelen realisatiefase Om de toename aan stikstof depositie als gevolg van de stikstof emissies in de bouwfase te beperken worden daar waar mogelijk en commercieel beschikbaar emissieloze en/of elektrisch aangedreven bouwmachines ingezet. Of de inzet van emissieloze en/of elektrisch aangedreven bouwmachines mogelijk is hang sterk af van de beschikbaarheid van de ontwikkelingen van deze machines in de markt en de mogelijkheid tot laden en/of tanken. Voor het in beeld brengen van de effecten in de bouwfase is dan ook uitgegaan van een realistische worstcase situatie op basis van fossiel aangedreven machines.