CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage stadspanel enquete - Obstakels op looproutes

Besluitronde (raadsvergadering) 1 februari 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brief Evaluatie voortgang toegankelijkheid openbare ruimte 2019-20217.188 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Peiling obstakels op looproutes in de wijken en het stadscentrum van Nijmegen

07-03-2022 Opgesteld door: Danique Haas, bureau Onderzoek en Statistiek, gemeente Nijmegen

1

Inhoud Samenvatting ......................................................................................................................................................................... 3 1.

Inleiding.......................................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding voor het onderzoek .................................................................................................................................... 5 1.2 Onderzoeksopzet ......................................................................................................................................................... 5 1.3 Opzet rapportage ......................................................................................................................................................... 5

2.

Uitkomsten woonomgeving .......................................................................................................................................... 6 2.1 Loopgedrag woonomgeving ........................................................................................................................................ 6 2.2 Obstakels woonomgeving ........................................................................................................................................... 7 2.3 Bankje in de woonomgeving...................................................................................................................................... 10

3.

Uitkomsten stadscentrum ........................................................................................................................................... 11 3.1 Loopgedrag stadscentrum ......................................................................................................................................... 11 3.2 Obstakels stadscentrum ............................................................................................................................................ 12 3.3 Bankje in het stadscentrum ....................................................................................................................................... 14

4.

Deelnemers .................................................................................................................................................................. 15 4.1 Achtergrondkenmerken ............................................................................................................................................. 15 4.2 Beperkingen en belemmeringen ............................................................................................................................... 16

5.

Uitkomsten naar achtergrondkenmerken .................................................................................................................. 18 5.1 Woonomgeving .......................................................................................................................................................... 18 5.2 Stadscentrum ............................................................................................................................................................. 21

Bijlagen................................................................................................................................................................................. 24

2

Samenvatting In 2016 stelde de gemeente Nijmegen het Handboek Nijmegen Toegankelijk op met als specifiek doel het bevorderen van een toegankelijke openbare ruimte om ervoor te zorgen dat iedereen in Nijmegen zo veel mogelijk overal zelfstandig kan wonen en komen. In het kader van het toegankelijkheidsbeleid is een peiling onder het Stadspanel verricht over obstakels op voetpaden. Voor deze peiling zijn in oktober 2021 ongeveer 3.300 leden van het Nijmeegse Stadspanel uitgenodigd. Uiteindelijk hebben ruim 1.650 Stadspanelleden de vragenlijst ingevuld (50%). De deelnemers tonen een goede representativiteit als het gaat om de verdeling over de wijken en stadsdelen. Qua persoonskenmerken zijn de deelnemers over het algemeen wat ouder en hoger opgeleid dan de Nijmeegse bevolking. We hebben de Stadspanelleden gevraagd naar obstakels waar zij hinder van hebben, waar deze zich bevinden en wat voor gevolgen dit heeft. Er is hierbij onderscheid gemaakt tussen het lopen in de eigen woonomgeving en het lopen in het stadscentrum van Nijmegen. De uitkomsten van de peiling laten zien dat bijna drie kwart van de Stadspanelleden hinder van obstakels op voetpaden ervaart. Mensen met een lichamelijke beperking hebben hier het meest last van, maar ook een meerderheid van de mensen zonder beperking geeft aan hinder van obstakels op looproutes te ervaren.

Deze hinder ervaart men meer in de woonomgeving dan in het stadscentrum, waar bredere voetgangerszones liggen. De mate waarin men hinder ervaart en ook waarvan verschilt per stadsdeel.

Woonomgeving Uit de resultaten blijkt dat deelnemers vaak in hun woonomgeving wandelen of ergens naar toe lopen. Ongeveer 40% doet dit dagelijkst en 43% doet dit meerdere keren per week. De voornaamste doelen zijn hierbij een bezoek aan winkels, om voldoende te bewegen, voor het plezier en voor een bezoek aan een park of gebiedjes met meer groen. Ongeveer één op de drie deelnemers geeft aan vaker in de woonomgeving te willen wandelen. Zij geven aan dat geen tijd of te druk met andere zaken hen het meest belemmert, gevolgd door gemakzucht en het ontbreken van mooie wandelroutes. Ook worden slecht onderhouden voetpaden en obstakels op voetpaden vaker genoemd (beide 18%). Een groot deel van deelnemers (73%) geeft aan dat zij regelmatig of vaak hinder ervaren van objecten en obstakels in de woonomgeving. De grootste hinder wordt ervaren van scheefliggende stoeptegels en straatstenen (43%). Ook verkeerd geparkeerde auto’s, bestelbusjes (23%) en buiten rekken geplaatste fietsen (19%) zorgen voor hinder. In de verschillende stadsdelen kwamen specifieke locaties (pleinen en straten) naar voren als plekken waar zij hinder ervaren van obstakels (zie paragraaf 2.2). Als gevolg van deze obstakels gaven deelnemers aan dat zij een stuk op straat of op het fietspad moeten lopen. Dit zorgt voor gevaarlijke situaties.

Ook noemden zij bij losliggende en scheefliggende stoeptegels het risico op struikelen of vallen, met name bij ouderen of mensen met een beperking. Daarnaast zorgen deze obstakels voor ergernissen en irritaties. Een van de aandachtspunten in Nijmegen voor een toegankelijke woonomgeving is het voldoende aanwezig zijn van bankjes om even uit te rusten. Ruim één op de vijf geeft aan dat zij vaak of soms een bankje missen om uit rusten. Dit wordt hoger naarmate de deelnemers ouder zijn.

3

Deze uitkomsten van de woonomgeving werden vervolgens ook afgezet tegen de achtergrondkenmerken van de Stadspanelleden, zoals de leeftijd, het wel of niet hebben van een beperking en het stadsdeel waar zij wonen. Ongeveer 20% gaf aan een of meerdere beperkingen te hebben (moeilijk ter been, slechtziend, tijdelijke blessure of ziekte etc.). Bij de Stadspanelleden met een beperking is het aandeel dat regelmatig of vaak hinder ervaart van obstakels hoger dan bij de Stadspanelleden zonder een beperking. Maar in beide gevallen gaat het om een aanzienlijk percentage: respectievelijk 87% en 70%. De hinder wordt ook groter naarmate deelnemers ouder worden en vaker last krijgen van gebreken. Er is bovendien een uitsplitsing gemaakt tussen de verschillende stadsdelen waar de deelnemers wonen. Hierin komen behoorlijke verschillen naar voren: in de stadsdelen Nijmegen-Noord (64%) wordt het minst vaak hinder ervaren van obstakels en in de stadsdelen Nijmegen-Oost (81%) en Nijmegen-Centrum (85%) het vaakst. Deze verschillen zien we eveneens terug in de soorten obstakels. In Oost en Centrum ervaart men met name hinder van buiten rekken geplaatste fietsen en verkeerde geparkeerde auto’s en bestelbusjes, terwijl men in Dukenburg en Lindenholt met name hinder ervaart van scheefliggende stoeptegels en straatstenen.

Stadscentrum Ook in het stadscentrum van Nijmegen wordt gewandeld: ruim een kwart van de deelnemers (27%) wandelt een keer per week of vaker in het stadscentrum, bijna een kwart (24%) enkele keren per maand en 13% een keer per maand. De meest genoemde doelen hierbij zijn het bezoek aan winkels en het bezoek aan andere voorzieningen zoals horeca, bioscoop en culturele voorzieningen. Stadspanelleden die in het stadscentrum wandelen of ergens naartoe lopen ervaren minder hinder van objecten en obstakels dan dat zij in de woonomgeving ervaren. Ruim de helft (54%) geeft aan dat zij regelmatig of vaak hinder ervaren van obstakels en objecten in de stad. Daarbij noemt men het meest buiten rekken geplaatste fietsen (27%) en verkeerd geparkeerde auto’s en bestelbusjes (18%). Hierna volgen scheefliggende stoeptegels, straatstenen (16%), die in de woonomgeving verreweg voor de meeste ervaren hinder zorgen. De gevolgen van deze obstakels zijn vergelijkbaar met die in de woonomgeving: om moeten lopen en het ontstaan van gevaarlijke situaties hierdoor, het risico op vallen en struikelen door scheefliggende stoeptegels en ergernis en irritatie. De locaties Molenstraat, Burchtstraat, Ziekerstraat, Plein 1944 en de Lange Hezelstraat werden het vaakst genoemd. Het percentage dat soms of vaak een bankje mist in het stadscentrum is vergelijkbaar met de woonomgeving (21%).

Ook hier neemt het missen van een bankje om te rusten toe naarmate men ouder wordt. Ook voor de uitkomsten over het stadscentrum is een uitsplitsing gedaan naar de achtergrondkenmerken van de deelnemers. Ook in het stadscentrum ervaren Stadspanelleden met een beperking vaker hinder van obstakels (70%). Toch is er ook bij de groep zonder beperking regelmatig of vaak sprake van hinder van obstakels in het stadscentrum van Nijmegen (51%).

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding voor het onderzoek Sinds 2016 is in ons land het VN-verdrag uit 2006 voor de rechten van mensen met een functiebeperking van kracht. Algemene toegankelijkheid voor ouderen en mensen met een beperking is daarmee een expliciete opgave voor de gemeente. Het is de bedoeling dat er in Nederland langzaamaan geen belemmeringen meer zijn wat betreft de toegankelijkheid. In ditzelfde jaar ontwikkelde de gemeente Nijmegen het Handboek Nijmegen Toegankelijk om het beleid en de normen voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte vast te stellen. Dit handboek heeft als specifiek doel het bevorderen van een toegankelijke openbare ruimte om ervoor te zorgen dat iedereen in Nijmegen zo veel mogelijk overal zelfstandig kan wonen en komen. De kern van het beleid in dit handboek is het bouwen aan toegankelijkheid voor voetgangers in de openbare ruimte. In de openbare ruimte staan allerlei losse objecten, zoals paaltjes, lantaarnpalen, reclameborden, bankjes, (verkeerd) geparkeerde fietsen, bushokjes, parkeerautomaten etc. Veel van deze objecten staan op het voetpad, waardoor voetpaden al snel krap of te vol kunnen worden. Daarmee kunnen deze obstakels leiden tot problemen in de doorgang, met name voor mensen met een beperking. Er kunnen mogelijk zelfs ongevallen ontstaan door obstakels. Mogelijke ongevallen door hinder van obstakels kunnen tot hoge kosten leiden.

Ook voor mensen zonder beperking kunnen deze obstakels vervelend zijn. Men kan dan besluiten minder vaak te gaan wandelen, omdat de obstakels voor irritatie zorgen en het loopplezier verminderen. Dit alles willen we graag voorkomen. In dit onderzoek onder de leden van het Stadspanel kijken we daarom hoe groot de problemen zijn die worden veroorzaakt door obstakels op voetpaden. We vragen naar de obstakels waar de Stadspanelleden hinder van hebben, waar deze zich bevinden en wat voor gevolgen dit heeft. Hierbij maken we specifiek onderscheid tussen het lopen (in de buurt van) de wijk en het lopen in het stadscentrum van Nijmegen.

1.2 Onderzoeksopzet Voor dit onderzoek hebben we de ongeveer 3.300 leden van het Nijmeegse Stadspanel uitgenodigd om de vragenlijst over obstakels op looproutes in te vullen. Een week voor aanvang van de enquête hebben zij een vooraankondiging gehad met de vraag om de komende week eens extra op te letten als zij ergens naartoe lopen of gaan wandelen. Dit om de voetgangers meer bewust te maken van de obstakels die zich op het voetpad bevinden. Ruim 1.650 Stadspanelleden hebben de vragenlijst ingevuld (50%), waarmee we spreken van een goede respons. De deelnemers aan het panel tonen daarnaast ook een goede representativiteit als het gaat om de verdelingen over de wijken en stadsdelen. Qua persoonskenmerken zien we met name dat de deelnemers over het algemeen wat ouder en hoger opgeleid zijn dan de Nijmeegse bevolking. De uitnodiging voor de digitale vragenlijst is eind oktober verstuurd en deze kon tot half november worden ingevuld.

1.3 Opzet rapportage In de vragenlijst hebben we onderscheid gemaakt tussen het wandelen in de woonomgeving en in het stadscentrum van Nijmegen. In het eerste hoofdstuk beschrijven we de resultaten voor het lopen in de woonomgeving in Nijmegen. Vervolgens beschrijven we de resultaten van de panelleden die wel eens in het stadscentrum lopen. Hierna volgt achtergrondinformatie over de deelgenomen respondenten. Tot slot geven we zicht op verschillen naar achtergrondkenmerken (leeftijd, beperking of aandoening, stadsdelen en overige belemmeringen). Hier is ook onderscheid gemaakt tussen het wandelen in de woonomgeving en het wandelen in het stadscentrum van Nijmegen.

5

2. Uitkomsten woonomgeving De vragenlijst startte met vragen over loopgedrag en ervaringen met obstakels wanneer de respondenten ergens naartoe lopen of een rondje wandelen in (de buurt van) hun wijk. We hebben gekozen om het te formuleren als “in (de buurt van) uw wijk” zodat ook de aangrenzende wijk(en) meegenomen kunnen worden. Daarnaast zijn niet alle inwoners bekend met de specifieke wijkgrenzen. In het vervolg spreken we over de woonomgeving. Deelnemers die in het stadscentrum wonen, zijn in onderstaande resultaten ook meegenomen.

2.1 Loopgedrag woonomgeving Allereerst hebben we de deelnemers gevraagd hoe vaak zij ergens naartoe lopen of wandelen in hun woonomgeving. Hieruit blijkt dat een groot deel van de Nijmegenaren vaak wandelt of ergens naartoe loopt: 43% doet dat meerdere keren per week en 40% zelfs dagelijks. Nog eens 7% doet dit één keer per week. Ongeveer 1% van de respondenten zegt nooit te wandelen in de buurt van hun woonomgeving.

Figuur 1. Hoe vaak loopt u ergens naartoe of wandelt u een rondje in (de buurt van) uw wijk?

Vervolgens werd aan de deelnemers gevraagd met welk doel zij meestal in hun woonomgeving lopen. Hierbij konden maximaal drie antwoorden worden gegeven. De percentages zijn hierdoor opgeteld hoger dan 100%. Bijna twee op de drie deelnemers (65%) loopt in de woonomgeving met als doel een bezoek aan de winkels. Ongeveer de helft (48%) doet dit om voldoende te bewegen en nog eens 41% voor het plezier. Bezoek aan een park of gebiedjes met meer groen wordt ook door 38% van de deelnemers genoemd. De overige doelen komen minder vaak voor.

Figuur 2. Met welk doel loopt u meestal in (de buurt van) uw wijk?

6

Sommige deelnemers lopen minder dan zij eigenlijk zouden willen. Dit kan worden veroorzaakt door omstandigheden van de persoon zelf, maar ook externe factoren zoals bijvoorbeeld kenmerken van de woonomgeving kunnen hier een rol in spelen. Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de deelnemers (51%) niet vaker wil wandelen dan zij nu doen. Ongeveer 34% wil vaker lopen of een rondje wandelen in de woonomgeving en 15% weet niet of ze vaker willen lopen of wandelen. Vervolgens werd aan de deelnemers die vaker willen lopen gevraagd waardoor zij worden belemmerd om dat te doen (zie Figuur 3). Er waren meerdere antwoorden mogelijk, waardoor het totaal meer dan 100% is. Het vaakst werd tijdgebrek genoemd (50%). Gemakzucht werd door 20% van de deelnemers die vaker zouden willen lopen genoemd. Ook factoren gerelateerd aan de wandelomgeving of voetpaden werden genoemd: geen mooie wandelroutes (20%), slecht onderhouden voetpaden, obstakels op voetpaden (18%) en te krappe voetpaden (13%). Ongeveer 13% van de deelnemers die worden belemmerd om vaker te wandelen geeft aan dat dit door gezondheid, lichamelijke beperkingen komt. Ook veiligheid (12%) en afstand tussen plekken / voorzieningen (11%) werden genoemd.

Figuur 3. Belemmering om vaker in (de buurt van) uw wijk ergens naartoe te lopen of een rondje te wandelen?

Bij ‘anders’ werden de volgende belemmeringen genoemd: • het weer • gebrek aan of helemaal geen voetpaden • luiheid • drukte door ander verkeer Het gebrek aan of helemaal geen voetpaden kwam met name voor bij Stadspanelleden uit Nijmegen-Noord. Zij gaven aan dat er soms helemaal geen voetpaden waren of dat ze genoodzaakt waren op het (drukke fietspad te lopen). Hieronder een aantal antwoorden van panelleden: “Op sommige plaatsen missen er voetpaden, waardoor je op het fietspad moet lopen. Hier is ruimtegebrek waardoor het niet echt veilig is en het is ook niet mooi lopen.” “Geen of slechte voetpaden, bij ons langs de griftdijk is geen stoep alleen een fietspad.”

2.2 Obstakels woonomgeving Aan de deelnemers die wel eens in hun omgeving wandelen werd gevraagd of er obstakels zijn waar zij regelmatig of vaak hinder van hebben (zie Figuur 4) . Ruim een kwart (27%) gaf aan geen last te hebben van objecten / obstakels. Het vaakst werden scheefliggende stoeptegels, straatstenen (43%) genoemd. Ook van verkeerd geparkeerde auto’s, bestelbusjes (23%) of buiten rekken geplaatste fietsen (19%) wordt regelmatig of vaak hinder ervaren. De overige in de vragenlijst opgenomen obstakels worden minder vaak genoemd. 7

Figuur 4. Zijn er tijdens het lopen in (de buurt van) uw wijk objecten / obstakels waar u regelmatig of vaak hinder van heeft?

Ook is vaker de antwoordcategorie ‘anders’ aangevinkt (26%). Hierbij werden veel obstakels genoemd die al in de antwoordcategorieën terug kwamen, zoals problemen met stoeptegels, struiken en bomen en (verkeerd) geparkeerde fietsen en auto’s. Nieuwe ‘obstakels’ die vaak worden genoemd zijn: hondenpoep, afval op straat en het ontbreken van voetpaden. Deelnemers konden daarnaast ook nog zelf drie specifieke obstakels noteren waar zij in hun omgeving hinder van ervaren. Ook hier werden veel dezelfde obstakels genoemd, zoals scheefliggende en losliggende stoeptegels, straatstenen en verkeerd geparkeerde fietsen en auto’s. Ook hinder van terrassen en hondenpoep op straat wordt bij de open antwoorden vaker genoemd (zie figuur 5).

Figuur 5. Belangrijkste obstakels in de woonomgeving (open antwoorden)

8

Vervolgens werd aan de panelleden gevraagd of zij zo precies mogelijk konden aangeven in welke straat of bij welke voorziening deze obstakels liggen. Door middel van tekstanalyse is er per stadsdeel gekeken welke locaties of voorzieningen vaak werden genoemd (zie Tabel 1). Hoe groter het woord, des te vaker dit is genoemd door de panelleden. Tabel 1. Locatie van obstakels naar stadsdeel

Nijmegen-Centrum

Nijmegen-Oost

Nijmegen-Oud-West

Nijmegen-Nieuw-West

Nijmegen-Midden

Nijmegen-Zuid

Dukenburg

Lindenholt

Nijmegen-Noord

Tot slot werd gevraagd wat de gevolgen zijn van de obstakels die zij hebben aangegeven. Veel van de panelleden geven aan dat zij (tijdelijk) op straat of op het fietspad moeten lopen door de hinder van obstakels. Dit zorgt voor gevaarlijke situaties. Bij losliggende of scheefliggende stoeptegels geven zij vaak aan dat (de kans op) struikelen of 9

vallen een gevolg is. In hun antwoorden nemen zij ook mee dat dit met name voor ouderen of mensen met een beperking voor gevaar kan zorgen. Daarnaast geven panelleden aan dat zij door deze obstakels minder vaak en minder prettig wandelen. Ook leidt het tot ergernissen en irritaties. “Er zijn plekken waar ik met de kinderwagen niet gemakkelijk langs kan waardoor ik de straat op moet. Voor mij niet zo’n probleem maar ik kan me voorstellen dat dit voor mensen met een rollator of scootmobiel een groter probleem kan zijn.” “Gevaarlijke situaties. Ik moet met mijn kinderwagen of buggy over een fietspad lopen waar ik bijna omver gereden wordt door e bikes.” “Gevaarlijke situaties doordat mensen op de straat gaan lopen en het verkeer houdt daar geen rekening mee.” “Losliggende stoeptegels en verzakte stoepen zijn gevaarlijk zeker voor ouderen en mensen met bijv. een visuele beperking. Stoepen die plots ophouden zorgen voor gevaarlijke verkeersituaties”. “Voor mij valt het mee, ik kan er omheen, maar ouderen met rollators of scootmobiel niet.

Zij moeten dan de weg op als dat al mogelijk is.” “ik kan er nog langs, heb geen rollator of wandelstok, maar kan me voorstellen dat ouderen die aan de arm bij iemand lopen dit hinderlijk is.” “Erger me eraan, moet uitwijken en op straat lopen loop dan met minder plezier en onveilig.” “Minder prettig wandelen.” “Dat ik minder wandel dan ik zou willen”.

2.3 Bankje in de woonomgeving Een van de aandachtspunten in Nijmegen voor een toegankelijke woonomgeving is of er voldoende bankjes aanwezig zijn om even uit te rusten. Aan de deelnemers werd daarom gevraagd of zij tijdens het lopen in hun woonomgeving een bankje missen om even uit te rusten. 62% geeft aan dit niet te missen en 14% heel af en toe. 15% mist dit soms en 6% vaak.

Figuur 6. Mist u tijdens het lopen in (de buurt van) uw wijk wel eens een bankje om even uit te rusten?

10

3. Uitkomsten stadscentrum De vragenlijst ging vervolgens verder met vragen over loopgedrag en ervaringen met obstakels wanneer de Stadspanelleden in het stadscentrum ergens naartoe lopen of een rondje wandelen. Ruim 9% (n = 154) van hen gaf aan dat zij in het stadscentrum wonen. Aan deze personen zijn deze vragen al gesteld bij het vraagblok over loopgedrag en obstakels in de woonomgeving. Bij de onderstaande uitkomsten gaat het om de antwoorden van de respondenten die vanuit andere wijken naar het stadscentrum komen.

3.1 Loopgedrag stadscentrum Aan de deelnemers die niet in het stadscentrum wonen werd gevraagd hoe vaak zij ergens naar toe lopen of wandelen in het stadscentrum. Van alle deelnemers doet 2% dat dagelijks, 11% meerdere keren per week en 14% 1 keer per week. Ongeveer een kwart doet dit enkele keren per maand (24%) en 13% 1 keer per maand. De overige deelnemers lopen niet maandelijks in het stadscentrum (21%) en 7% geeft aan dit nooit te doen.

Figuur 7. Hoe vaak loopt u ergens naartoe of wandelt u een rondje in het stadscentrum van Nijmegen?

We vroegen met welk doel zij in het stadscentrum van Nijmegen lopen. De groep die nooit in het stadscentrum wandelt werd hierin niet meegenomen (n = 108). In het stadscentrum is het voornaamste doel van een wandeling het bezoek aan winkels (91%) of het bezoek aan voorzieningen (61%). Voor het plezier wordt door 30% genoemd en 12% heeft beweging als doel. Bij de categorie ‘anders’ wordt een bezoek aan de markt vaak genoemd.

Figuur 8. Met welk doel loopt u meestal in het stadscentrum van Nijmegen?

Vervolgens werd aan de deelnemers (ook die nooit in het stadscentrum wandelen) gevraagd of zij vaker in het stadscentrum ergens naartoe willen lopen of een rondje willen wandelen. Ongeveer 17% geeft aan dit vaker te willen doen, 58% niet en 15% weet het niet.

11

Aan de personen die vaker willen wandelen in het stadscentrum is gevraagd wat hen belemmerd. Het vaakst werd geen tijd (52%) als reden genoemd, gevolgd door geen mooie wandelroutes (18%), gemakzucht (16%) en te druk op voetpaden (15%). Ook veiligheid, grote afstand tussen plekken / voorzieningen en eigen gezondheid werd door 12% genoemd. Obstakels op voetpaden (11%) en te krappe en slecht onderhouden voetpaden (7%) werden minder vaak genoemd als belemmering. Bij de categorie ‘anders’ (20%) kwamen de volgende belemmeringen naar voren: • (on)bereikbaarheid van de stad met openbaar vervoer • parkeerkosten • parkeerplekken • te weinig openbare toiletten • te druk / overlast ander verkeer • de coronamaatregelen

Figuur 9. Belemmering om vaker in het stadscentrum van Nijmegen ergens naartoe te lopen of een rondje te wandelen?

3.2 Obstakels stadscentrum Aan de deelnemers die wel eens in het stadscentrum wandelen werd ook gevraagd of zij hinder ervaren van bepaalde obstakels in de stad. Bijna de helft (46%) geeft aan geen last te hebben van objecten / obstakels (zie figuur 10). Dit is veel meer dan de 27% in de woonomgeving (zie vorige hoofdstuk). Een van de panelleden zegt daarover ook het volgende: “Kan geen directe hinderpalen noemen. Ik denk dat ik gewend ben aan het laveren door het centrum tussen de mensen en obstakels door. Hoort erbij”.

Van de obstakels wordt het vaakst de buiten de rekken geplaatste fietsen (27%) genoemd, gevolgd door verkeerd geparkeerde auto’s, bestelbusjes (18%) en scheefliggende stoeptegels, straatstenen (16%). Banken, bushokjes, laadpalen, nutskasten, parkeerautomaten en straatnaamborden etc. worden door de deelnemers bijna nooit genoemd als obstakel waar zij hinder van hebben. Bij de categorie ‘anders’ werd het vaakst de hinder van fietsers in het stadscentrum genoemd. Ook de drukte van mensen en de gladde bestrating werden genoemd. “Fietsers in voetgangersgebied.” “In het centrum fietsers die gewoon dwars door voetgangersgebied scheuren met name op de markt route Molenstraat en Broerstraat.” 12

Figuur 10. Zijn er tijdens het lopen in het stadscentrum objecten / obstakels waar u regelmatig of vaak hinder van heeft?

Vervolgens werd gevraagd wat voor hen de belangrijkste obstakels zijn als ze aan het lopen zijn in het stadscentrum van Nijmegen. Ook hier werd het vaakst de hinder van (verkeerd geplaatste) fietsen genoemd. Ook verkeerd geparkeerde auto’s en scooters, terrassen en scheefliggende stoeptegels worden als obstakel ervaren tijdens het lopen in het stadscentrum. De genoemde obstakels zijn vergelijkbaar met de obstakels hierboven genoemd in de gesloten vraag. Een kleine groep panelleden geeft daarnaast aan dat zij hinder ervaren van rondrijdende fietsers en scooters in het stadscentrum.

Figuur 11. Belangrijkste obstakels in het stadscentrum van Nijmegen (open antwoorden)

Vervolgens werd ook voor het stadscentrum gevraagd of zij zo precies mogelijk konden aangeven in welke straat of bij welke voorziening deze obstakels liggen. De Molenstraat, Burchtstraat, Ziekerstraat, Plein 1944 en de Lange Hezelstraat worden het vaakst genoemd, maar ook veel deelnemers geven aan overal / in de gehele stad hinder te ervaren van obstakels (zie Figuur 12). 13

Figuur 12. Locatie van obstakels tijdens het wandelen in het stadscentrum

Tot slot werd gevraagd wat de gevolgen zijn van de obstakels die zij hebben aangegeven. Deze gevolgen zijn vergelijkbaar met de antwoorden genoemd in de woonomgeving, zoals bijvoorbeeld het om moeten lopen, het risico op struikelen en vallen, gevaarlijke situaties en irritatie en ergernis. Ook geven zij aan de ze hierdoor minder vaak in het stadscentrum wandelen. “Je door de stad verplaatsen duurt langer en is vermoeiender. Ook betekent dit dat ik soms uitwijk naar de straat waar auto’s rijden i.p.v. op de stoep te blijven .” “Onveilige situaties, daardoor meer moeten opletten en minder kunnen genieten.” “Ergernis. Ik vraag mij af hoe dit moet zijn voor mensen met een beperking, wandelwagens etc. die zijn niet zo mobiel als ikzelf.” “Steeds uit moeten wijken waardoor ik geen zin meer heb om op die plek te wandelen.”

3.3 Bankje in het stadscentrum Aan de deelnemers werd ook gevraagd of zij tijdens het lopen in het stadscentrum een bankje missen om even uit te rusten. 49% geeft aan dit niet te missen en 14% heel af en toe. 14% mist dit soms en 5% vaak.

Figuur 13. Mist u tijdens het lopen in het stadscentrum wel eens een bankje om even uit te rusten? 14

4. Deelnemers In dit hoofdstuk wordt een beeld gegeven van de achtergrond van de deelnemers aan deze peiling. Hierbij worden enkele standaard achtergrondkenmerken van ons Stadspanel besproken (geslacht, leeftijd en opleidingsniveau). Daarnaast zijn er vragen gesteld over mogelijke beperkingen of aandoeningen die van invloed kunnen zijn op het al dan niet buiten kunnen lopen. Er is ook gevraagd of de deelnemers wel eens lopen met een kinderwagen, boodschappentas of samen lopen met iemand anders met een beperking. Ook dit kan van invloed zijn op het lopen en ervaren van hinder van obstakels. Bij het analyseren van de uitkomsten hebben we gekeken of uitsplitsingen naar deze achtergrondkenmerken opvallende verschillen laten zien. Bijvoorbeeld: in hoeverre ervaren deelnemers met een beperking of aandoening vaker hinder van obstakels op looproutes? In het volgende hoofdstuk zijn die verschillen beschreven.

4.1 Achtergrondkenmerken Aan het onderzoek hebben 1.659 panelleden deelgenomen (50% respons). Een goede respons. In onderstaande tabel wordt de samenstelling van de deelnemers weergegeven. We weten niet van alle panelleden de achtergrondkenmerken. Sinds enige jaren kunnen panelleden een account aanmaken voor het Stadspanel. Daarbij vragen we om een aantal achtergrondkenmerken, maar men is niet verplicht die in te vullen. Niet alle panelleden hebben een account aangemaakt. Als men dat wel gedaan heeft, kan men via de Stadspanelwebsite wijzigingen in de achtergrondkenmerken doorvoeren en lezen over de resultaten van eerdere peilingen. We weten van alle deelnemers tot welke leeftijdscategorie ze behoren, omdat we dat in de peiling nog eens gevraagd hebben. Dat hebben we gedaan, omdat leeftijd gezien het onderwerp van de peiling een belangrijke achtergrondvariabele is. Voor opleiding kunnen we de verdeling bij de deelnemers globaal vergelijken met die van de Nijmegenaren van 15 tot 75 jaar (bron: CBS Statline). Van de 15- tot 75-jarige Nijmegenaren is 45% hoog opgeleid, 34% middelbaar opgeleid en 21% laag opgeleid. Daarmee vergeleken is het aandeel laag en middelbaar opgeleiden onder de deelnemers relatief laag. Verder zien we dat tot de deelnemers relatief veel mannen behoren. Voor de leeftijd kunnen we preciezer vergelijken.

De volwassen populatie van Nijmegen bestaat voor 29% uit inwoners van 18-29 jaar, 37% inwoners van 30-54 jaar, 14% 55-64 jaar, 12% 65-74 jaar en 8% is 75 jaar en ouder. De leeftijdsverdeling van de deelnemers aan deze peiling is dus niet representatief naar de Nijmeegse bevolking. Tabel 2. Samenstelling deelnemers aan de peiling Geslacht

%

Man

43%

Vrouw

30%

Wil ik niet zeggen / onbekend

27%

Leeftijd 18-29 jaar

4%

30-54 jaar

36%

55-64 jaar

27%

64-74 jaar

25%

75 jaar en ouder

8%

15

Opleidingsniveau Laag

3%

Midden

14%

Hoog

56%

Wil ik niet zeggen / onbekend

27%

Om een goed beeld te krijgen in welke gedeelten van Nijmegen bewoners hinder van obstakel ervaren, hebben we de volledige postcode gevraagd. Ongeveer 5% (N = 105) heeft hier geen antwoord opgegeven. De overige deelnemers hebben we op basis van hun postcode kunnen indelen naar hun woonwijk en -stadsdeel. De verdeling over stadsdelen is vergelijkbaar met de verdeling van alle inwoners over Nijmegen. Ook in de wijken is er geen sprake van grote verschillen met de populatie in Nijmegen (zie bijlage). Tabel 3. Samenstelling deelnemers aan de peiling, naar stadsdeel Stadsdeel

%

N

% populatie Nijmegen

Dukenburg

12%

181

12%

Lindenholt

8%

125

8%

Nijmegen-Centrum

6%

100

7%

Nijmegen-Midden

13%

197

11%

Nijmegen-Nieuw-West

10%

154

10%

Nijmegen-Noord

12%

181

12%

Nijmegen-Oost

19%

293

19%

Nijmegen-Oud-West

8%

131

8%

Nijmegen-Zuid

12%

192

13%

Onbekend

6%

105

-

4.2 Beperkingen en belemmeringen Beperkingen, aandoeningen en mogelijke andere belemmeringen Er werd ook gevraagd of de deelnemers een of meerdere beperkingen / aandoeningen hebben die van invloed (kunnen) zijn op het buiten lopen. Hieruit blijkt dat 80% geen beperking of aandoening heeft die van invloed kan zijn op het buiten lopen. Bij de overige deelnemers komen de volgende beperkingen of aandoeningen voor (zie Figuur 143). Bij de categorie ‘anders’ worden andere lichamelijke beperkingen, zoals hartproblemen, heupklachten, COPD, kortademigheid of astma, reuma en een zwakke blaas genoemd.

Figuur 14. Heeft u een of meerdere beperkingen / aandoeningen, die van invloed (kunnen) zijn op het buiten lopen?

16

Naast vragen over beperkingen werd een aantal achtergrondvragen gesteld over het lopen met bijvoorbeeld kinderwagen, boodschappentas of met iemand anders met een beperking of aandoening. Dit met de gedachte dat dit ook van invloed kan zijn op het wel of niet hinder ervaren van obstakels op looproutes. De volgende antwoorden kwamen naar voren:  12% loopt wel eens met een kinderwagen  18% wel eens met een boodschappentas op wielen of rolkoffer  16% loopt wel eens samen met iemand anders met een beperking of aandoening. Kijkend naar de leeftijdscategorie neemt het aantal beperkingen zoals te verwachten toe naarmate iemand ouder wordt. Zo geeft 6% van de 30-minners, 11% van de 30-54 jarigen, 17% van de 55-64 jarigen, 30% van de 65-74 jarigen en 45% van de 75-plussers één of meer van bovengenoemde beperkingen of aandoeningen te hebben.

Figuur 15. Geen / wel beperking of aandoening naar leeftijdscategorie

In tabel 4 is de uitsplitsing van de specifieke aandoeningen naar leeftijdscategorieën zichtbaar. Bij de oudere leeftijdsgroepen komt met name het moeilijk ter been zijn, hulpmiddel met wielen en het niet kunnen houden van het evenwicht vaker voor. Tabel 4. Beperkingen en aandoeningen, naar leeftijdscategorie. jonger dan 30 jaar

30-54 jaar

55-64 jaar

65-74 jaar

75 jaar en ouder

Geen beperking of aandoening

94%

89%

83%

70%

55%

moeilijk ter been (geen hulpmiddel)

1%

1%

6%

12%

14%

hulpmiddel met wielen

0%

1%

1%

2%

10%

slechtziend

1%

1%

1%

0%

2%

slechthorend/doof

0%

0%

1%

2%

6%

tijdelijke blessure of ziekte

1%

1%

4%

5%

4%

blijvende aandoening of ziekte

0%

2%

4%

6%

8%

niet goed oriënteren

0%

0%

0%

0%

2%

evenwicht niet goed houden

0%

2%

3%

6%

14%

anders

1%

5%

4%

7%

10%

17

5. Uitkomsten naar achtergrondkenmerken In dit hoofdstuk zijn de verschillende achtergrondkenmerken van de deelnemers aan dit onderzoek afgezet tegen de vragen over obstakels op looproutes. De resultaten zijn afgezet tegen het hebben van een beperking, leeftijdscategorie en waar mogelijk is er ook een uitsplitsing naar het stadsdeel en / of de wijk gedaan waarin de deelnemers wonen.

5.1 Woonomgeving In de uitsplitsing naar achtergrondkenmerken maken we onderscheid tussen de woonomgeving en het stadscentrum. Onderstaande resultaten betreffen de woonomgeving van de deelnemers.

Beperking of aandoening Ongeveer 80% (N = 1.332) geeft aan geen enkele aandoening of beperking te hebben. Voor de overige categorieën gaat het om een kleine groep respondenten (zie Tabel 4, vorige pagina) waar we apart geen uitspraken over mogen doen. We kijken daarom naar het verschil in uitkomsten tussen deelnemers met of zonder een beperking. Aan de deelnemers die aangaven graag vaker een rondje in de woonomgeving te willen wandelen (N = 566), werd gevraagd wat hen belemmerd om dit te doen. Hierbij zijn er verschillen tussen deelnemers met of zonder een beperking. Deelnemers met een beperking of aandoening geven aan vaker belemmerd te worden door gezondheid, slecht onderhouden voetpaden en obstakels op voetpaden. Deelnemers zonder beperking geven vaker aan dat tijd hen belemmerd. Tabel 5. Belemmering om vaker te lopen naar beperking, in de woonomgeving reden

Beperking (N = 138)

Geen beperking N= 428)

Geen tijd, te druk met andere zaken

25%

59%

Gemakzucht, kies dan toch voor fiets auto of bus

16%

21%

Voel me niet altijd veilig op straat

14%

11%

gezondheid, lichamelijke beperkingen

47%

2%

Geen mooie wandelroutes

14%

22%

Slecht onderhouden voetpaden

33%

13%

Te krappe voetpaden

19%

11%

Obstakels op voetpaden

33%

13%

Grote afstand tussen voorzieningen

11%

11%

Deelnemers aan het onderzoek konden ruim 20 obstakels kiezen. Hieruit blijkt dat deelnemers met een beperking of aandoening vaker hinder van obstakels ervaren dan deelnemers zonder beperking:  13% van de deelnemers met een beperking zegt geen hinder te ervaren van obstakels  30% van de deelnemers zonder beperking zegt geen hinder te ervaren van obstakels Stadspanelleden met een beperking geven met name vaker aan last te hebben van scheefliggende stoeptegels, straatstenen (57% tegenover 40%), het ontbreken van op- en afritten bij trottoirs (13% tegenover 7%) en verhoogde stoepranden (14% tegenover 6%). Voor veel andere categorieën van obstakels is het aantal niet hoog genoeg om uitspraken over verschillen te doen.

18

Ook is gekeken naar het verschil in het missen van een bankje om te rusten tussen deelnemers met of zonder een beperking (zie Figuur 15). Ongeveer 16% van de deelnemers met een beperking mist vaak een bankje om te rusten in de woonomgeving, tegenover 3% van de deelnemers zonder beperking. Het percentage dat nooit een bankje mist is bij de deelnemers zonder beperking bijna twee keer zo groot: 32% deelnemers met beperking en 69% deelnemers zonder beperking.

Figuur 16. Mist u tijdens het lopen in uw woonomgeving wel eens een bankje om even uit te kunnen rusten naar beperking.

Leeftijd Ook voor leeftijd is er een uitsplitsing gemaakt naar de belemmering om meer in de woonomgeving te wandelen. De jongste leeftijdscategorie is buiten beschouwing gelaten door het lage aantal. De categorie 75 jaar en ouder is samengenomen met de categorie 65-74. De grootste verschillen zijn terug te zien in onderstaande tabel. Gezondheid, slecht onderhouden voetpaden en obstakels op voetpaden worden vaker genoemd naarmate de deelnemers ouder zijn. Tabel 6. Belemmering om vaker te lopen naar leeftijdscategorie 30-54 jaar (n = 225)

55-64 jaar (n = 146)

65 jaar en ouder (n = 160)

Geen tijd, te druk met andere zaken

63%

51%

29%

gezondheid, lichamelijke beperkingen

6%

13%

24%

Geen mooie wandelroutes

28%

20%

9%

Slecht onderhouden voetpaden

10%

20%

26%

Obstakels op voetpaden

11%

16%

30%

Met name bij de oudere leeftijdsgroepen (65-74 jaar en 75 jaar en ouder) wordt aangegeven dat zij wel eens (vaak, soms of heel af en toe) een bankje missen: ongeveer 45%. Van de 75-plussers mist 9% dit vaak en 19% soms. Bij de leeftijdsgroep daaronder is het respectievelijk 8% en 19%. Bij de jongere leeftijdsgroepen wordt dit minder vaak aangegeven.

Stadsdeel Er is waar mogelijk (vanwege de aantallen) ook een uitsplitsing gemaakt naar stadsdelen. Iedere deelnemer heeft voor zijn woonomgeving aan kunnen geven welke obstakels het meest voor hinder zorgen. Deelnemers in de stadsdelen Noord (36%), Nieuw-West (32%) en Zuid en Midden (31%) geven aan het vaakst aan geen hinder te ervaren van obstakels. In het Centrum en in Nijmegen-Oost ervaren deelnemers het vaakst hinder van obstakels.

19

Figuur 17. Deelnemers dat geen hinder ervaart van obstakels in de woonomgeving naar stadsdeel

Ook voor de stadsdelen hebben we waar mogelijk een uitsplitsing gemaakt naar het ervaren van hinder van obstakels (tabel 7). Er is gekeken naar de meest genoemde categorieën. Hierin zie je dat er sprake is van verschillen tussen stadsdelen. Buiten rekken geplaatste fietsen worden met name in Centrum en Oost als hinder ervaren. In Lindenholt en Dukenburg worden scheefliggende stoeptegels, straatstenen vaker genoemd dan in andere stadsdelen. Stadspanelleden uit Nijmegen-Noord ervaren op deze vier obstakels relatief weinig hinder. Tabel 7. Ervaren hinder van obstakels in de woonomgeving naar stadsdeel. huisvuilcontaine buiten rekken rs aan straat geplaatste fietsen

verkeerd geparkeerde auto's, bestelbusjes

scheefliggende stoeptegels, straatstenen

Dukenburg

10%

5%

18%

65%

Lindenholt

15%

7%

30%

59%

N-Centrum

10%

51%

29%

31%

N-Midden

14%

15%

23%

43%

N-Nieuw-West

16%

12%

26%

45%

N-Noord

17%

4%

15%

20%

N-Oost

15%

41%

29%

43%

N-Oud-West

18%

24%

21%

42%

N-Zuid

15%

11%

19%

47%

Bij de overige obstakels wordt door Stadspanelleden wonend in het centrum relatief vaker hinder van terrassen (30%) en afvalcontainers op vaste plekken (12%) genoemd dan in andere stadsdelen. De vraag of panelleden een bankje missen om te rusten is ook uitgesplitst naar stadsdelen. Hieruit blijkt dat ze in de stadsdelen Dukenburg en Lindenholt vaker behoefte hebben aan een bankje om te rusten: respectievelijk 28% en 29% mist vaak of soms een bankje om uit te rusten. Dit hangt mogelijk samen met de bevolkingssamenstelling van deze stadsdelen. In Dukenburg wonen relatief veel 65-plussers en in Lindenholt relatief veel 60-74 jarigen. In NijmegenNieuw-West, Nijmegen-Midden en Nijmegen-Centrum lijkt de behoefte aan een bankje om te rusten minder groot.

20

Figuur 18. Mist u tijdens het lopen in uw woonomgeving wel eens een bankje om even uit te kunnen rusten naar stadsdeel

Overige belemmeringen Naast vragen over beperkingen is er ook een aantal achtergrondvragen gesteld over het lopen met een kinderwagen, boodschappen tas of iemand anders met een beperking of aandoening. Dit met de gedachte dat dit ook van invloed kan zijn op het al dan niet ervaren van hinder van obstakels op looproutes. In onderstaande tabel zie je dat de panelleden met een van deze drie ‘belemmeringen’ over het algemeen vaker aangeven hinder te ervaren van obstakels, dan mensen zonder deze belemmering. Tabel 8. Lopen met een kinderwagen, boodschappentas of iemand anders met een beperking naar geen hinder van obstakels in de woonomgeving Wandelen met kinderwagen

Ervaart geen hinder van obstakels

Ja

16%

Nee

28%

Wandelen met een boodschappentas Ja

17%

Nee

29%

Wandelen met iemand anders met een beperking Ja

14%

Nee

29%

5.2 Stadscentrum Bij de onderstaande uitkomsten gaat het om de antwoorden van de respondenten die vanuit andere wijken naar het stadscentrum komen (N = 1.407).

Beperking of aandoening Van de personen die wel eens een wandeling maakt in het stadscentrum geeft 75% aan geen aandoening of beperking te hebben. Voor de overige aandoeningen en beperkingen gaat het om een kleine groep respondenten waar we apart geen uitspraken over mogen doen. We kijken daarom naar het verschil in uitkomsten tussen deelnemers met of zonder een beperking. 21

Van de mensen met een beperking geeft 23% aan dat zij vaker een rondje in het stadscentrum willen wandelen. Voor de mensen zonder beperking is dit 17%. Panelleden met een beperking of aandoening geven aan vaker belemmerd te worden door gezondheid, slecht onderhouden voetpaden, obstakels op voetpaden en de afstand tussen voorzieningen in het stadscentrum. Deelnemers zonder beperking geven vaker aan dat tijd hen belemmerd. Voor de overige categorieën was er geen sprake van verschil of de aantallen waren te klein. Tabel 9. Belemmering om vaker te lopen naar beperking, in het stadscentrum reden

Beperking (N = 67)

Geen beperking N= 210)

Geen tijd, te druk met andere zaken

25%

60%

gezondheid, lichamelijke beperkingen

48%

1%

Slecht onderhouden voetpaden

10%

6%

Obstakels op voetpaden

16%

10%

Grote afstand tussen voorzieningen

21%

13%

Deelnemers aan het onderzoek konden ruim 20 obstakels kiezen. Hieruit blijkt dat deelnemers met een beperking of aandoening vaker hinder van obstakels ervaren in het stadscentrum dan deelnemers zonder beperking:  30% van de deelnemers met een beperking zegt geen hinder te ervaren van obstakels  49% van de deelnemers zonder beperking zegt geen hinder te ervaren van obstakels Stadspanelleden met een beperking geven vaker aan last te hebben van scheefliggende stoeptegels, straatstenen (25% tegenover 14%), verhoogde stoepranden (11% tegenover 4%), buiten opgestelde koopwaar, reclame bij winkels (15% tegenover 7%) en buiten de rekken geplaatste fietsen (36% tegenover 25%). Voor veel andere categorieën van obstakels is het aantal niet hoog genoeg om uitspraken over verschillen te doen. Ook is gekeken naar het verschil in het missen van een bankje om te rusten tussen deelnemers met of zonder een beperking. Ongeveer 12% van de deelnemers met een beperking mist vaak een bankje om te rusten in de woonomgeving, tegenover 3% van de deelnemers zonder beperking. Het percentage dat nooit een bankje mist is bij de deelnemers zonder beperking ruim twee keer zo groot: 24% tegenover 55% bij deelnemers zonder beperking.

Figuur 19. Mist u tijdens het lopen in het stadscentrum wel eens een bankje om even uit te kunnen rusten naar beperking.

Leeftijd Ook voor leeftijd is waar mogelijk een uitsplitsing gemaakt naar de verschillende vragen in dit onderzoek. Voor bepaalde soorten obstakels was het door de kleine aantallen niet mogelijk om deze uitsplitsing te maken. Uit onderstaande tabel blijkt dat naar mate de Stadspanelleden ouder worden, zij ook meer hinder ervaren van obstakels tijdens hun wandeling in het stadscentrum. 53% van de 30-54 jarigen ervaart geen hinder van obstakels, tegenover 39% van de 65-plussers. Dit zie je ook terug in de verschillende categorieën.

22

Tabel 10. Ervaren hinder van obstakels in het stadscentrum naar leeftijd 30-54 jaar (n = 110)

55-64 jaar (n = 79)

65 jaar en ouder (n = 78)

Geen hinder van obstakels

53%

46%

39%

Buiten rekken geplaatste fietsen

26%

26%

30%

Buiten opgestelde koopwaar, reclame bij winkels

6%

9%

11%

Scheefliggende stoeptegels, straatstenen

12%

16%

20%

Terrassen, terrasschermen bij horecabedrijven

9%

14%

17%

Ook het missen van een bankje om te rusten in het stadscentrum wordt vaker genoemd door de oudere leeftijdscategorieën (zie Figuur 19). 40% van de 75-plussers mist vaak of soms bankje en 41% van de 65-74 jarigen. Voor de leeftijdsgroepen 55-64 jaar en 30-54 jaar gaat dit respectievelijk om 32% en 28%.

Figuur 20. Mist u tijdens het lopen in het stadscentrum wel eens een bankje om even uit te kunnen rusten naar leeftijdscategorie.

Overige belemmeringen Ook voor het stadscentrum is het ervaren van hinder van obstakels uitgesplitst naar het lopen met een kinderwagen, boodschappen tas of iemand anders met een beperking of aandoening. Hierbij zie je met name verschillen in ervaren hinder van obstakels bij mensen die wandelen met een boodschappen tas of met iemand anders met een beperking (zie tabel 11). Tabel 11. Lopen met een kinderwagen, boodschappentas of iemand anders met een beperking naar geen hinder van obstakels in het stadscentrum van Nijmegen Wandelen met kinderwagen

Ervaart geen hinder van obstakels

Ja

48%

Nee

46%

Wandelen met een boodschappentas Ja

39%

Nee

48%

Wandelen met iemand anders met een beperking Ja

30%

Nee

49%

23

Bijlagen Tabel 12. Deelnemers en representativiteit naar de Nijmeegse populatie Wijk

Aantal deelnemers

% (excl. Onbekend)

% Nijmeegse populatie

Aldenhof

29

1,9%

1,4%

Altrade

54

3,5%

3,5%

Benedenstad

43

2,8%

1,5%

Biezen

84

5,4%

5,0%

Bottendaal

37

2,4%

2,7%

Brakkenstein

51

3,3%

2,1%

De Kamp

53

3,4%

3,0%

Galgenveld

50

3,2%

3,8%

Goffert

29

1,9%

1,4%

Groenewoud

26

1,7%

1,9%

Grootstal

41

2,6%

3,0%

Hatert

57

3,7%

5,6%

Hatertse Hei

43

2,8%

2,3%

Haven- en industrieterrein

4

0,3%

0,3%

Hazenkamp

75

4,8%

2,9%

Hees

38

2,4%

1,7%

Heijendaal

15

1,0%

1,2%

Hengstdal

53

3,4%

3,9%

Heseveld

60

3,9%

3,4%

Hunnerberg

54

3,5%

2,3%

Kwakkenberg

15

1,0%

0,8%

Lankforst

23

1,5%

1,2%

Lent

92

5,9%

6,6%

Malvert

17

1,1%

1,3%

Meijhorst

27

1,7%

1,9%

Neerbosch-Oost

52

3,3%

4,3%

Nije Veld

44

2,8%

3,1%

Oosterhout

58

3,7%

3,5%

Ooyse Schependom

4

0,3%

0,2%

Ressen

31

2,0%

1,7%

St. Anna

34

2,2%

2.0%

Stadscentrum

57

3,7%

5,1%

't Acker

34

2,2%

3,0%

't Broek

38

2,4%

2,1%

Tolhuis

21

1,4%

1,8%

Weezenhof

33

2,1%

2,0%

Wolfskuil

47

3,0%

3,5%

Zwanenveld

31

2,0%

2,6%

24

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=5a907590-17de-4e36-9feb-b8cb4be51c92