CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage onderzoek amateurkunstverenigingen

Besluitronde (raadsvergadering) 10 mei 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: D10 d.d. 14 maart 2023 inzake Actieplan Cultuur Nijmegen 2023 en 20245.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Onderzoek onder amateurkunstverenigingen Hoe staan de verenigingen ervoor?

17 januari 2023 Opgesteld door: Ad Manders, team Onderzoek en Statistiek, gemeente Nijmegen

1

Inhoudsopgave Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding Hoofdstuk 1: Organisatiekracht Leden Bestuur en vrijwilligers Betaalde medewerkers Voorzieningen Financiën Missie en visie Zichtbaarheid Organisatievorm Aangesloten bij bond of koepelorganisatie Totaalbeeld organisatiekracht Hoofdstuk 2: Artistiek aanbod Regulier aanbod Artistieke begeleiding Innovatie van het aanbod Doelen Totaalbeeld artistiek aanbod Hoofdstuk 3: Maatschappelijke oriëntatie Samenwerking met externe partijen Inclusie doelgroepen Aanvullend aanbod Totaalbeeld Hoofdstuk 4: Knelpunten Bijlage 1: Vergelijking met landelijke meting 2021

2

2 3 6 8 8 10 10 11 12 14 15 15 15 15 16 16 16 17 17 18 19 19 20 21 21 22 24

Samenvatting De gemeente Nijmegen wil graag een beter beeld van de amateurkunstverenigingen, omdat deze een belangrijke rol spelen in het streven naar ‘kunst en cultuur voor en door iedereen’. Daarom is in de maanden september en oktober 2022 een onderzoek verricht. Aan amateurkunstverenigingen, die bij het team Cultuur van de gemeente bekend waren, is gevraagd of zij een vragenlijst wilden invullen. Daarnaast is er via social media een oproep voor de deelname aan het onderzoek gedaan. Uiteindelijk hebben 59 verenigingen de vragenlijst ingevuld, waaronder 21 muziekverenigingen, 19 koren en 8 toneelverenigingen. Hieronder zijn de uitkomsten van dit onderzoek samengevat. Uit het onderzoek komt naar voren dat een ruime meerderheid van de Nijmeegse amateurkunstverenigingen beschouwd kan worden als sterkere verenigingen als het gaat om de organisatiekracht, het artistieke aanbod en de mate van maatschappelijke oriëntatie. Een beperkt aantal amateurkunstverenigingen komt naar voren als kwetsbaar.

Organisatiekracht •

• •

•

•

•

Gemiddeld hebben de 59 amateurkunstverenigingen 40 leden; 13 verenigingen hebben meer dan 50 leden. Bij 17 verenigingen is het ledental in de voorgaande vier jaar gestegen en bij 15 gedaald. De meeste verenigingen (40) verwachten dat het aantal leden de komende vier jaar ongeveer gelijk zal blijven, 15 verenigingen verwachten een groei en 2 verenigingen een afname. Bij 18 verenigingen is het ledenbestand aan het vergrijzen en bij 5 aan het verjongen. De meeste verenigingen trekken leden uit een groter gebied (meerdere stadsdelen) en ruim de helft van de verenigingen heeft ook leden van buiten Nijmegen. Een ruime meerderheid van de verenigingen (46 van de 59) geeft aan voldoende vrijwilligers (inclusief bestuursleden) te hebben. Wel geven 33 verenigingen aan dat het de afgelopen vier jaar moeilijker geworden is om bestuursleden te vinden. En 12 verenigingen geven aan dat het in die periode moeilijker geworden is om vacatures voor artistiek begeleiders op te vullen. Voor repetities, lessen, cursussen, oefenen en ‘gewoon doen’ (zonder les) maakt ongeveer de helft van de verenigingen gebruik van een wijkaccommodatie (buurthuis, wijkcentrum of voorzieningenhart). Verder maken 10 verenigingen gebruik van schoolgebouwen. Andere soorten locaties worden minder gebruikt.

Voor het tonen van werk aan publiek wordt het vaakst gebruik gemaakt van theater-/concertgebouwen, gevolgd door kerken, de openbare ruimte, verzorgingshuizen/zorgcentra en wijkaccommodaties. 25 van de 59 verenigingen geven aan dat de financiële positie van de vereniging gezond is en 25 verenigingen bestempelen deze als redelijk gezond; 5 verenigingen geven aan dat de financiële positie minder gezond (5) of zorgwekkend (2) is. Redenen voor de ongezonde financiële positie zijn de coronapandemie en minder of geen subsidie meer. Bij veel verenigingen (49) is ‘contributie/bijdrage leden of deelnemers’ een van de twee belangrijke inkomstenbronnen. Ook ‘subsidie van de gemeente’ (bij 26 verenigingen) en ‘omzet uit optredens, voorstellingen, exposities’ (bij 19 verenigingen) behoren daar vaker toe.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

3

•

• •

De meeste verenigingen zijn redelijk of goed op de hoogte van de gemeentelijke subsidieregeling voor amateurkunst; 8 verenigingen waren er bij het invullen van de vragenlijst niet van op de hoogte. Een meerderheid (38 verenigingen) heeft er in de voorgaande vier jaar gebruik van gemaakt. Een meerderheid van de verenigingen (43 van de 59) beschikt over een duidelijke missie en visie voor de langere termijn. 39 van de 59 verenigingen komen uit het onderzoek naar voren als sterkere verenigingen als het gaat om de organisatiekracht (gekeken is naar de antwoorden op vragen over de ledenontwikkeling, het hebben van voldoende vrijwilligers, de financiële positie, het hebben van een visie en missie en de ledenwerving); 5 verenigingen, die alle vijf minder dan 50 leden hebben, komen naar voren als kwetsbaar op dit vlak.

Artistiek aanbod • • •

•

•

•

•

•

Bij 52 van de 59 verenigingen wordt wekelijks of maandelijks gerepeteerd. 29 verenigingen bieden minstens 1 keer per jaar masterclasses, cursussen of workshops aan. Alle verenigingen geven aan dat ze hun werk tonen door middel van optredens, voorstellingen of presentaties. De meeste verenigingen doen dat 1 of een paar keer per jaar. De meeste verenigingen (52 van de 59) werken met een of meer artistiek begeleiders (dirigent, regisseur, choreograaf, docent). In de meeste gevallen hebben deze begeleiders een gerichte artistieke opleiding. Bij 37 verenigingen zijn ze hoog opgeleid (hbo-opleiding tot professioneel dirigent, regisseur, enzovoorts). 35 verenigingen geven aan voortdurend actief te zijn met het vernieuwen van de activiteiten en 43 verenigingen geven aan dat de leden gemotiveerd zijn om iets nieuws uit te proberen. Voor de meeste verenigingen zijn gezelligheid/ ontmoeting (54) en de artistieke ontwikkeling van de leden (52) belangrijke doelen; 40 verenigingen vinden artistieke (top)prestaties een belangrijk doel. Een ruime meerderheid van 44 verenigingen vindt het bijdragen aan (evenementen van) de lokale gemeenschap een belangrijk doel. En eveneens een ruime meerderheid van 47 verenigingen vindt het in stand houden van kunst- en ambachtsvormen een belangrijk doel.

45 van de 59 verenigingen komen uit het onderzoek naar voren als sterkere verenigingen als het gaat om het artistiek aanbod (gekeken is naar de antwoorden op vragen over de artistieke begeleiding, het vernieuwen van activiteiten, artistieke ontwikkeling en prestaties als doelstellingen van de vereniging en het tonen van het werk aan publiek); 5 verenigingen, die alle vijf minder dan 50 leden hebben, komen naar voren als kwetsbaar op dit vlak.

Maatschappelijke oriëntatie •

•

Een ruime meerderheid van de verenigingen (48 van de 59) heeft in de voorgaande vier jaar samengewerkt met andere partijen; 29 verenigingen deden dat met minstens drie partijen. 26 van de 59 verenigingen zetten zich extra in om een of meer van de volgende doelgroepen te bereiken: mensen met een beperking, mensen met een laag inkomen, vluchtelingen en mensen met een migratieachtergrond. Daarbij gaat het

4

• •

•

•

het meest om extra inzet voor het bereiken van mensen met een laag inkomen (als publiek en als lid/deelnemer/vrijwilliger) en mensen met een beperking (vooral als publiek). 22 van de 59 verenigingen hebben leden met een beperking. Binnen 13 van die 22 verenigingen is er speciale aandacht voor die leden. Bij 11 verenigingen betalen bepaalde doelgroepen minder contributie of lesgeld. Het gaat met name om mensen met een inkomen rond het sociaal minimum, die het volledige contributiebedrag niet kunnen betalen. 18 verenigingen zijn actief met het organiseren van andere activiteiten voor de leden bovenop het reguliere aanbod (bijvoorbeeld kampen, bingoavonden, Nieuwjaarsactiviteit, ouder-kind-activiteit, evenementen e.d.). 39 van de 59 verenigingen komen uit het onderzoek naar voren als meer maatschappelijk georiënteerd (gekeken is naar de antwoorden op vragen over de samenwerking met andere partijen, de extra inzet voor doelgroepen en het extra aanbod voor de leden bovenop het reguliere aanbod); 20 verenigingen komen naar voren als minder maatschappelijk georiënteerd.

Knelpunten • •

De meeste verenigingen geven aan knelpunten te ervaren. De knelpunten hebben relatief vaak te maken met: o Leden: geringe ledengroei (14 keer genoemd), vergrijzing ledenbestand (12), weinig mannen (7). o Financiën: afname subsidie of geen subsidie meer (11 keer genoemd), hoge kosten voor artistieke begeleiding (10), hoge kosten voor huur en/of onderhoud ruimte (9), dalende inkomsten uit optredens/voorstellingen (9), afhaken van of gebrek aan sponsoren (8). o Locaties: beschikbaarheid of kwaliteit van repetitie-/lesruimte is onvoldoende (9), hoge huurkosten van podia (7). o Bestuur: een tekort aan of het moeilijk kunnen vinden van bestuursleden (9).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

5

Inleiding ‘Kunst en cultuur voor en door iedereen’ is een van de drie thema's uit de Nijmeegse cultuurvisie. Daarom is door de gemeente een onderzoek verricht onder de Nijmeegse amateurkunstverenigingen. Hoe gaat het met deze verenigingen, onder meer op het vlak van leden, vrijwilligers, financiën en activiteiten? De vragenlijst voor het onderzoek komt deels overeen met de vragenlijst voor de landelijke verenigingsmonitor van het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst. Daarnaast zijn er vragen opgenomen, die zijn aangedragen door het team Cultuur, onder meer over de Nijmeegse subsidieregeling voor amateurkunstverenigingen. Het onderzoek geeft een beeld van de organisatiekracht, het artistieke aanbod en de maatschappelijke oriëntatie van de verenigingen. Ook is gevraagd naar de belangrijkste knelpunten waar de verenigingen mee te maken hebben. Voor het onderzoek zijn 105 amateurkunstverenigingen, die bij het team Cultuur van de gemeente bekend waren, per email benaderd. Daarvan hebben er 54 aan het onderzoek meegewerkt (51%). De respons bij de meting in 2021 voor de landelijke monitor leverde een lagere respons op (38%). Daarnaast is er een oproep voor deelname aan het onderzoek via social media gedaan (in combinatie met een bericht over de gemeentelijke subsidieregeling amateurkunst).

Ook is er een link naar de vragenlijst op de gemeentelijke website geplaatst en is aan de Nijmeegse Federatie van Muziekverenigingen en de Lindenberg gevraagd om de link naar de vragenlijst uit te zetten. Deze acties hebben in totaal 5 extra ingevulde vragenlijsten opgeleverd. In totaal hebben dus 59 amateurkunstverenigingen aan het onderzoek deelgenomen. De meeste verenigingen, die aan het onderzoek hebben deelgenomen, vallen onder de kunstvormen instrumentale muziek (orkest, band, ensemble, etc.) en zang/vocale muziek (koor, vocaal ensemble, etc.), gevolgd door theater/toneel. Een aantal verenigingen houdt zich bezig met meer dan 1 kunstvorm. Als we rekening houden met die combinaties van kunstvormen tellen we 21 muziekverenigingen, 19 koren, 8 toneelverenigingen, 3 musicalverenigingen, 2 dansverenigingen, 2 fotografie-/filmverenigingen, 2 verenigingen op het vlak van creatief schrijven en 2 verenigingen die zowel muziek als theater/toneel en/of dans beoefenen.

6

zang/vocale muziek (koor, vocaal ensemble, etc.)

26

instrumentale muziek (orkest, band, ensemble, etc.)

22

theater/toneel

13

dans

4

fotografie/film

2

creatief schrijven

2 0

5

10

15

20

25

30

Figuur 1: Kunstvormen waar de verenigingen die aan het onderzoek hebben deelgenomen actief in zijn (meer antwoorden mogelijk)

Diverse verenigingen binnen de zang/vocale muziek houden zich met meer dan 1 genre bezig. De meest genoemde genres zijn: • klassieke muziek (16); • lichte muziek (9); • religieuze muziek (7); • musical (5); • wereldmuziek (5). Bij de verenigingen binnen de instrumentale muziek gaat het onder meer om: • harmonieorkesten (5); • symfonie-/strijkorkesten (4); • jazz groepen/big bands (3); • slagwerkgroepen (3).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

7

Hoofdstuk 1: Organisatiekracht Leden 55 van de 59 verenigingen, die aan het onderzoek hebben deelgenomen, hebben vaste leden. Gemiddeld hebben die 55 verenigingen 38 vaste leden. 18 van de verenigingen hebben projectleden, waarvan 4 uitsluitend projectleden en geen vaste leden. Gevraagd is naar het gemiddeld aantal projectleden/-deelnemers per project. Voor de 18 verenigingen met projectleden/-deelnemers gaat het gemiddeld om 15 personen. Kijken we naar het totaal aan vaste en projectleden, dan hebben de 59 verenigingen gemiddeld 40 leden. 13 van de 59 verenigingen hebben 50 of meer leden. 30

25

20

15

28

10

18

5 6

5 2

0 minder dan 25 leden

25 tot 50 leden

50 tot 75 leden 75 tot 100 leden

Figuur 2: Aantal leden (vaste leden plus projectleden)

8

100 leden of meer

Het aantal verenigingen met meer leden dan vier jaar geleden (17) is iets groter dan het aantal verenigingen met minder leden dan vier jaar geleden (15). Bij 23 verenigingen is het aantal leden ongeveer gelijk gebleven.

4

2

veel meer 15

meer

15

ongeveer gelijk gebleven minder weet niet 23

Figuur 3: Aantal leden in vergelijking met 4 jaar geleden

De meeste verenigingen (40) verwachten dat het aantal leden de komende vier jaar ongeveer gelijk zal blijven, 15 verenigingen verwachten een groei en 2 verenigingen een afname. Er zijn enkele vragen gesteld voor de samenstelling van het ledenbestand: • Een meerderheid van de verenigingen (45) heeft geen leden van jonger dan 18 jaar. Bij 11 verenigingen is minder dan 10% jonger dan 18 jaar, bij 1 vereniging 25 tot 50% en bij 2 verenigingen 75 tot 100%. •

Bij 32 verenigingen behoren er tot de leden geen studenten en bij 13 verenigingen is maximaal 10% van de leden student. Bij 6 verenigingen is tussen de 10 en 25% van de leden student, bij 3 verenigingen 25 tot 50% en bij 4 verenigingen 75 tot 100% (1 x weet niet).

•

Een meerderheid van de verenigingen (40) heeft leden van 65 jaar of ouder. Bij 16 verenigingen is minstens de helft van de leden 65 jaar of ouder; 13 van die 16 verenigingen zijn koren of muziekverenigingen.

•

Het aantal verenigingen dat aangeeft dat het ledenbestand vergrijst (18) is groter dan het aantal verenigingen dat een verjonging ziet (5). Vergrijzing komt het meest voor bij koren.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

9

•

Gevraagd is uit welke stadsdelen de meeste leden komen. Veel verenigingen blijken leden uit een groter gebied te trekken; gemiddeld hebben de verenigingen drie stadsdelen genoemd. En ruim de helft van de verenigingen (32) heeft ook leden die buiten Nijmegen wonen. Nijmegen-Oost is het vaakst genoemd, maar dat is ook een groot stadsdeel waar veel Nijmegenaren wonen (19% van alle Nijmegenaren).

Nijmegen-Centrum

23

Nijmegen-Oost

34

Nijmegen-Oud-West

22

Nijmegen-Nieuw-West

15

Nijmegen-Midden

26

Nijmegen-Zuid

23

Dukenburg

18

Lindenholt

17

Nijmegen-Noord

20

van buiten de stad

32 0

5

10

15

20

25

30

35

40

Figuur 4: Uit welke stadsdelen komen de meeste leden?

Een ruime meerderheid van de verenigingen is actief met het werven van leden (49 verenigingen, waaronder 4 verenigingen die hier zeer actief mee bezig zijn).

Bestuur en vrijwilligers Een ruime meerderheid van de verenigingen (46 van de 59) geeft aan voldoende vrijwilligers (inclusief bestuursleden) te hebben. Wel geven 33 verenigingen aan dat het de afgelopen vier jaar moeilijker geworden is om bestuursleden te vinden.

Betaalde medewerkers Veel verenigingen (52 van de 59) werken met minstens 1 artistiek begeleider, zoals een dirigent, regisseur, choreograaf of docent: • 50 verenigingen werken met een artistiek begeleider die daarvoor betaald wordt; 12 daarvan werken daarnaast met een onbetaalde artistiek begeleider. • 2 verenigingen werken alleen met een onbetaalde artistiek begeleider. 12 verenigingen geven aan dat het de afgelopen vier jaar moeilijker geworden is om vacatures voor artistiek begeleiders op te vullen; een groter aantal van 25 verenigingen geeft aan dat dat niet het geval is (de rest heeft ‘weet niet’ aangevinkt).

10

Voorzieningen Voor repetities, lessen, cursussen, oefenen en ‘gewoon doen’ (zonder les) maakt ongeveer de helft van de verenigingen gebruik van een wijkaccommodatie (buurthuis, wijkcentrum of voorzieningenhart). Door 2 or 3 verenigingen genoemde wijkaccommodaties zijn Ark van Oost, ’t Hert, Daalsehof, ‘t Oude Weeshuis, De Schalmei en De Broederij; 1 keer genoemde wijkaccommodaties zijn Villa Nova, Titus Brandsma, De Biezantijn, De Schakel, Hatert, De Brack, Roomsch Leven en wijkcentrum OZO in Wijchen. Verder maken 10 verenigingen gebruik van schoolgebouwen. Andere soorten locaties worden minder gebruikt. buurthuis, wijkcentrum, voorzieningenhart

30

schoolgebouw

10

kerkgebouw, synagoge of moskee

5

verenigingsgebouw

3

café, horeca

3

theater- of concertgebouw

3

buiten, in de openbare ruimte

2

verzorgingshuis, zorgcentrum

2

anders

6 0

5

10

15

20

25

30

35

Figuur 5: Locaties die verenigingen gebruiken voor lessen, repetities/oefenen, cursussen/workshops of ‘gewoon doen’ (zonder les)

Voor het tonen van werk aan publiek wordt het vaakst gebruik gemaakt van theater-/ concertgebouwen, gevolgd door kerken, de openbare ruimte, verzorgingshuizen/zorgcentra en wijkaccommodaties (Daalsehof, Ark van Oost, De Schalmei, ’t Hert, De Schakel, Hatert en De Klif). theater- of concertgebouw

35

kerkgebouw, synagoge of moskee

24

buiten, in de openbare ruimte

21

verzorgingshuis, zorgcentrum

16

buurthuis, wijkcentrum, voorzieningenhart

12

schoolgebouw

9

café, horeca

8

verenigingsgebouw

5

anders

8 0

5

10

15

20

25

30

35

40

Figuur 6: Locaties die verenigingen gebruiken voor optredens, concerten, voorstellingen, presentaties, tentoonstellingen

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

11

24 van de 59 verenigingen maken gebruik van online platforms of online tools, vooral voor repetities/oefenen (17) en het tonen van werk (9).

Financiën Een ruime meerderheid van de 59 verenigingen geeft aan dat de financiële positie van de vereniging redelijk gezond (25), gezond (23) of zeer gezond (2) is. Bij een beperkt aantal verenigingen is die minder gezond (5) of zorgwekkend (2). Redenen voor de ongezonde financiële positie zijn de coronapandemie en een afname of het stoppen van subsidie.

2

2

3

5

zeer gezond gezond 22

redelijk minder gezond zorgwekkend geen antwoord

25

Figuur 7: Hoe is de financiële positie van de vereniging?

Bij 3 van de 7 verenigingen, die aangeven dat de financiële positie minder gezond of zorgwekkend is, is subsidie van de gemeente een van de twee belangrijkste inkomstenbronnen.

12

In de figuur hieronder staat een overzicht van alle inkomstenbronnen. Gemiddeld hebben de verenigingen bijna vier inkomstenbronnen. De meest aangevinkte zijn ‘contributie/bijdrage leden of deelnemers’, ‘omzet uit optredens, voorstellingen, exposities’ en ‘subsidie van de gemeente’, gevolgd door ‘donateurs/vrienden’ en ‘sponsoring’.

contributie/bijdrage leden of deelnemers

56

omzet uit optredens, voorstellingen, exposities

45

subsidie van de gemeente

37

donateurs/vrienden

28

sponsoring

22

fondsen

11

acties (zoals lotenverkoop)

11

crowdfunding

2

opbrengsten uit verhuur (van instrumenten, ruimte, etc.)

2

subsidie van de provincie of het rijk

2

anders

7 0

10

20

30

40

50

60

Figuur 8: Inkomstenbronnen

Behalve naar alle inkomstenbronnen is ook gevraagd naar de twee belangrijkste inkomstenbronnen. Bij veel verenigingen (49) is ‘contributie/bijdrage leden of deelnemers’ een van de twee belangrijkste inkomstenbronnen (zie figuur op volgende pagina). Ook ‘subsidie van de gemeente’ en ‘omzet uit optredens, voorstellingen, exposities’ zijn relatief vaak aangevinkt (door 26 respectievelijk 19 verenigingen).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

13

contributie/bijdrage leden of deelnemers

49

subsidie van de gemeente

26

omzet uit optredens, voorstellingen, exposities

19

sponsoring

4

donateurs/vrienden

3

fondsen

3

acties (zoals lotenverkoop)

1

anders

5 0

10

20

30

40

50

60

Figuur 9: De twee belangrijkste inkomstenbronnen

Gevraagd is of men weet dat er een gemeentelijke Subsidieregeling Amateurkunst Nijmegen bestaat. Daarbij is toegelicht dat het doel van deze gemeentelijke subsidie is om zoveel mogelijk mensen in staat te stellen om actief een vorm van amateurkunst in verenigingsverband te beoefenen en dat met de subsidie de jaarlijkse kosten van de amateurkunstvereniging deels gedekt kunnen worden. 32 verenigingen zijn ‘goed’ op de hoogte van deze regeling, 12 ‘redelijk’ en 7 ‘een beetje’; 8 verenigingen zijn er niet van op de hoogte. Dat verenigingen de regeling kennen, heeft vooral te maken met dat men er 1 of meerdere keren gebruik van heeft gemaakt. Dit geldt voor 41 van de 59 verenigingen. Verder kennen 7 verenigingen de regeling via de gemeentelijke website en hebben 6 verenigingen er via anderen van gehoord. 38 van de 59 verenigingen hebben in de afgelopen vier jaar gebruik gemaakt hebben van de regeling; 24 daarvan hebben dan meer dan 1 keer gedaan. Redenen om er geen gebruik van te maken zijn dat de vereniging niet voldoet aan de voorwaarden (5 verenigingen) of dat de vereniging er te weinig vanaf weet (3 verenigingen). 3 verenigingen geven aan dat de aanvraagprocedure voor de subsidie (via de website) niet eenvoudig is.

Missie en visie Een meerderheid van de verenigingen (43 van de 59) beschikt over een duidelijke missie en visie voor de langere termijn. Bij verenigingen met minder dan 25 leden komt het relatief vaak voor dat ze hier niet over beschikken (10 van de 28 verenigingen met minder dan 25 leden). Bij verenigingen met minstens 50 leden komt het bijna niet voor dat ze geen langere termijn missie en visie hebben.

14

Zichtbaarheid De meeste verenigingen (54 van de 59) geven via sociale media bekendheid aan hun activiteiten. En 39 verenigingen doen dat ook via gedrukte media.

Organisatievorm Van de amateurkunstverenigingen, die aan het onderzoek hebben deelgenomen, zijn er 42 een vereniging en 12 een stichting; 5 deelnemers aan het onderzoek geven aan noch een vereniging noch een stichting te zijn, maar een informele organisatie of een collectief. 32 deelnemers aan het onderzoek bestaan al meer dan twintig jaar: 18 tussen de 21 en 50 jaar en 14 langer dan 50 jaar; 21 deelnemers bestaan tussen de 5 en 20 jaar en 6 minder dan 5 jaar.

Aangesloten bij bond of koepelorganisatie 26 van de 59 verenigingen zijn aangesloten bij een bond of koepelorganisatie. Het meest genoemd zijn KNMO (Koninklijke Nederlandse Muziek Organisatie) (7 keer), NFM (Nijmeegse Federatie van Muziekverenigingen) (5 keer) en CODC (Cultuur op de Campus) (5 keer). Door 2 of 3 verenigingen genoemd zijn FASO (Federatie van Amateur Symfonie- en Strijkorkesten), KBZON (Koninklijke Bond van Zang- en Oratoriumverenigingen in Nederland), VTN (Vereniging Toonkunst Nederland) en BALK (Bond voor Amateurmuziektheater en Lichte Koormuziek). De meest aangevinkte redenen om aangesloten te zijn bij een bond of koepelorganisatie zijn informatie en communicatie (19), afdracht van Buma-premie (17) en deelname aan activiteiten van deze organisatie (15). Ook meer aangevinkt zijn organisatorische ondersteuning (10), afnemen van diensten, zoals collectieve verzekering (9), financiële ondersteuning (7) en de huur van bladmuziek (7).

Totaalbeeld organisatiekracht Om een totaalbeeld van de organisatiekracht van de verenigingen te kunnen geven, is gekeken naar de antwoorden op vijf vragen hierover. Verenigingen waar meer van de volgende zaken spelen, lijken sterkere verenigingen als het gaat om de organisatiekracht. • in voorgaande vier jaar is het aantal leden gelijk gebleven of gestegen; • de vereniging heeft voldoende vrijwilligers; • de financiële positie van de vereniging is redelijk gezond of gezond; • de vereniging heeft een duidelijke visie en missie voor de langere termijn; • de vereniging is actief bezig met de werving van leden. Voor 39 verenigingen gelden minstens vier van de vijf hierboven genoemde zaken. Verenigingen waar meer van de volgende zaken spelen, lijken meer kwetsbaar als het gaat om de organisatiekracht: • in de voorgaande vier jaar is het aantal leden gedaald; • de vereniging heeft onvoldoende vrijwilligers; • de financiële positie van de vereniging is niet gezond; • de vereniging heeft geen duidelijke visie en missie voor langere termijn; • de vereniging is niet actief bezig met het werven van leden. Voor 5 verenigingen , die allemaal minder dan 50 leden hebben, gelden minstens drie van de vijf hierboven genoemde zaken.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

15

Hoofdstuk 2: Artistiek aanbod Regulier aanbod Bij het onderzoek onderscheiden we de volgende artistieke activiteiten: • lessen; • masterclasses, cursussen, workshops; • repetities/oefenen; • gewoon doen: gezamenlijk de kunstzinnige en creatieve activiteit uitvoeren, zonder les; • voorstellingen, optredens of exposities. De onderstaande figuur laat zien dat bij een ruime meerderheid van de 59 verenigingen wekelijks (45) of maandelijks (9) wordt gerepeteerd. Daarnaast bieden 19 verenigingen wekelijks (16) of maandelijks (3) lessen aan. Een kleinere groep verenigingen geeft aan dat er wekelijks (6) of maandelijks (10) “gewoon doen” geboden wordt: gezamenlijk de kunstzinnige en creatieve activiteit uitvoeren, zonder les. Voor zover verenigingen masterclasses, cursussen of workshops aanbieden, gebeurt dat vooral 1 of een paar keer per jaar (27) of nog minder vaak.

repetities/oefenen

45

lessen

16

gewoon doen (zonder les)

6

3

10

masterclasses, cursussen, 02 workshops

9

9

19

wekelijks

maandelijks

2

22

21

9

voorstellingen, optredens, 12 exposities -1

28

3

27

54 9

19

29

1 of paar keer per jaar

212

20 39

49

< 1 keer per jaar

59

nooit

Figuur 10: Artistieke activiteiten die de vereniging aanbiedt

Alle verenigingen geven aan dat ze hun werk tonen door middel van optredens, voorstellingen, presentaties of tentoonstellingen. De meeste verenigingen doen dat 1 of een paar keer per jaar.

Artistieke begeleiding De meeste verenigingen (52 van de 59) werken met een of meer artistiek begeleiders, zoals een dirigent, regisseur, choreograaf of docent. In de meeste gevallen hebben deze begeleiders een gerichte artistieke opleiding. 37 verenigingen hebben een artistiek begeleider met een hbo-opleiding tot professioneel dirigent, regisseur, acteur, kunstenaar, musicus, choreograaf, docent, enzovoorts.

16

Verengingen met minder dan 25 leden werken minder vaak met een artistieke begeleider met een hbo-opleiding (13 van de 28). Een kleinere groep verenigingen werkt met een artistiek begeleider met een een- of meerjarige opleiding voor amateurdirigent, amateurregisseur, amateuracteur, amateurmusicus, amateurchoreograaf, amateurdocent, enzovoorts (8 verenigingen) of met een artistiek begeleider die alleen gerichte cursussen heeft gevolgd (5 verenigingen).

Innovatie van het aanbod 35 van de 59 verenigingen zijn het eens met de stelling “we zijn voortdurend actief met het vernieuwen van onze activiteiten”, 3 verenigingen zijn het hier niet mee eens. De rest reageert neutraal (noch mee eens, noch mee oneens). 43 van de 59 verenigingen zijn het eens met de stelling “leden zijn gemotiveerd om iets nieuws uit te proberen”; 1 vereniging is het hier niet mee eens. De rest reageert neutraal.

Doelen Er zijn vijf doelen van de vereniging voorgelegd met de vraag hoe belangrijk de vereniging deze doelen vindt. Het gaat om de volgende doelen: • gezelligheid, ontmoeting; • artistieke ontwikkeling van leden; • artistieke (top)prestaties; • bijdragen aan (evenementen van) de lokale gemeenschap; • in stand houden van kunst- en ambachtsvormen. Voor de meeste verenigingen zijn gezelligheid/ ontmoeting (54) en de artistieke ontwikkeling van de leden (52) belangrijke doelen; 40 verenigingen vinden artistieke (top)prestaties een belangrijk doel (voor 6 verenigingen is dit geen belangrijk doel). gezelligheid, ontmoeting

32

artistieke ontwikkeling van leden

22

22

artistieke (top)prestaties

30

9

in stand houden van kunst- en ambachtsvormen

31 33

9 -1

7 0 13

14

bijdragen aan (evenementen van) de lokale gemeenschap

5 0

35 9

19

29

39

heel belangrijk

belangrijk

neutraal

niet belangrijk

helemaal niet belangrijk

weet niet

6 6

4

10

3

49

59

Figuur 11: Hoe belangrijk zijn de volgende doelen voor de vereniging

Een ruime meerderheid van 44 verenigingen vindt het bijdragen aan (evenementen van) de lokale gemeenschap een belangrijk doel (voor 5 verenigingen is dit geen belangrijk doel).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

17

En eveneens een ruime meerderheid van 47 verenigingen vindt het in stand houden van kunst- en ambachtsvormen een belangrijk doel (voor 5 verenigingen is dit geen belangrijk doel).

Totaalbeeld artistiek aanbod Om een totaalbeeld van het artistiek aanbod van de verenigingen te kunnen geven, is gekeken naar de antwoorden op vijf vragen hierover. Verenigingen waar meer van de volgende zaken spelen, lijken sterkere verenigingen als het gaat om het artistiek aanbod. • de vereniging heeft een of meer artistiek begeleiders; • de vereniging is voortdurend actief met het vernieuwen van activiteiten; • artistieke ontwikkeling van de leden is een belangrijk doel van de vereniging; • artistieke (top)prestaties is een belangrijk doel van de vereniging; • de vereniging toont haar werk minsten 1 keer per jaar (via optredens, voorstellingen, tentoonstellingen e.d.). Voor 45 verenigingen gelden minstens vier van de vijf hierboven genoemde zaken. Verenigingen waar meer van de volgende zaken spelen, lijken meer kwetsbaar als het gaat om het artistiek aanbod: • de vereniging heeft geen artistiek begeleider; • de vereniging is niet voortdurend actief met het vernieuwen van activiteiten; • artistieke ontwikkeling van de leden is geen belangrijk doel van de vereniging; • artistieke (top)prestaties is geen belangrijk doel van de vereniging; • de vereniging toont haar werk minder dan 1 keer per jaar (via optredens, voorstellingen, tentoonstellingen e.d.). Voor 5 verenigingen, die allemaal minder dan 50 leden hebben, gelden drie van de vijf hierboven genoemde zaken.

Er zijn geen verenigingen voor welke vier of vijf van de bovengenoemde zaken gelden.

18

Hoofdstuk 3: Maatschappelijke oriëntatie Samenwerking met externe partijen Een ruime meerderheid van de verenigingen (48 van de 59) heeft in de voorgaande vier jaar samengewerkt met andere partijen; 29 verenigingen deden dat met minstens drie partijen. In de vragenlijst is aangegeven wat met samenwerken wordt bedoeld: de vereniging/stichting en een of meerdere partijen zetten zich gezamenlijk in met gelijkwaardige inbreng om een bepaald doel te bereiken. Het enkel huren van een zaal om werk te tonen valt hier bijvoorbeeld niet onder. Het meest genoemd als samenwerkingspartner worden verenigingen binnen de eigen kunstvorm, gevolgd door verenigingen van een andere kunstvorm en professionele kunstenaars. In de figuur hieronder staat een overzicht van alle samenwerkingspartners. andere culturele verenigingen/stichtingen binnen eigen discipline

30

culturele verenigingen/stichtingen van andere discipline

21

professionele kunstenaar(s)/musici/ dansers/acteurs/schrijvers

21

koepels of bonden voor betreffende kunstdiscipline

17

buurt-/wijkorganisaties

16

zorg-, welzijns-, jeugd- en ouderenorganisaties

12

gemeente

12

kerken, synagogen, moskeeën

10

scholen

10

bedrijven, middenstand

4

anders

1

werkt niet samen met andere partijen

11 0

5

10

15

20

25

30

35

Figuur 12: Partijen waarmee de verenigingen de afgelopen 4 jaar hebben samengewerkt

Grotere verenigingen hebben meer samenwerkingspartners dan kleinere verenigingen.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

19

Inclusie doelgroepen 26 van de 59 verenigingen zetten zich extra in om een of meer van de volgende doelgroepen te bereiken: mensen met een beperking, mensen met een laag inkomen, vluchtelingen en mensen met een migratieachtergrond. Onder een beperking verstaan we een beperking in het bewegen (bijv. rolstoelgebonden), een verstandelijke beperking, een zintuiglijke beperking (blind, slechtziend, doof en slechthorend), een chronische aandoening (o.a. COPD, diabetes, epilepsie, hersenaandoening, (ex-)hartpatiënten) of gedragsproblemen (o.a. ADHD, autisme spectrum stoornis). 12 verenigingen zetten zich in voor het bereiken van minstens twee van die doelgroepen. De onderstaande figuur laat zien dat het het meest gaat om extra inzet voor het bereiken van mensen met een laag inkomen (als publiek en als lid/deelnemer/vrijwilliger) en mensen met een beperking (vooral als publiek). mensen met een laag inkomen als publiek

10

mensen met een laag inkomen als lid/deelnemer/vrijwilliger

8

mensen met een beperking als publiek

11

mensen met een beperking als lid/deelnemer/vrijwilliger

3

mensen met een migratieachtergrond als publiek

4

mensen met een migratieachtergrond als lid/deelnemer/vrijwilliger

5

vluchtelingen als publiek

4

vluchtelingen als lid/deelnemer/vrijwilliger

2 0

2

4

6

8

10

12

Figuur 13: Doelgroepen waarvoor de verenigingen zich extra inzetten

22 van de 59 verenigingen hebben leden met een beperking. Bij 7 van die verenigingen heeft minder dan 10% een beperking, bij 9 verenigingen 10 tot 25% en bij 6 verenigingen minstens 25%. Binnen 13 van de 22 verenigingen met leden met een beperking is er speciale aandacht voor die leden. Het gaat om onder meer om begeleiding, vervoer en om op verschillende manieren rekening houden met hun beperkingen. Bij 11 verenigingen betalen bepaalde doelgroepen minder contributie of lesgeld. Het gaat met name om mensen met een inkomen rond het sociaal minimum, die het volledige contributiebedrag niet kunnen betalen. Ook genoemd zijn jeugdleden en studenten. En er zijn enkele verenigingen bij wie de leden zelf kunnen kiezen welk contributiebedrag zij betalen.

20

Aanvullend aanbod Gevraagd is hoe actief de vereniging is met het organiseren van andere activiteiten voor de leden bovenop het reguliere aanbod (bijvoorbeeld kampen, bingoavonden, Nieuwjaarsactiviteit, ouder-kind-activiteit, evenementen e.d.); 6 verenigingen geven aan dat ze daar ‘zeer actief’ in zijn en 22 ‘actief’.

Totaalbeeld Om een totaalbeeld van de maatschappelijke oriëntatie van de verenigingen te kunnen geven, is gekeken naar de antwoorden op drie vragen hierover. Verenigingen waar meer van de volgende zaken spelen, lijken meer maatschappelijk georiënteerd: • de vereniging werkt samen met een of meer partners; • de vereniging zet zich extra in om een of meer van de volgende doelgroepen te bereiken: mensen met een beperking, mensen met een laag inkomen, vluchtelingen en mensen met een migratieachtergrond; • de vereniging organiseert andere activiteiten voor de leden bovenop het reguliere aanbod. Voor 39 verenigingen gelden minstens twee van de drie hierboven genoemde zaken. Verenigingen waar de volgende zaken spelen, lijken minder maatschappelijk georiënteerd: • de vereniging werkt niet samen met partners; • de vereniging zet zich niet extra in om een of meer van de volgende doelgroepen te bereiken: mensen met een beperking, mensen met een laag inkomen, vluchtelingen en mensen met een migratieachtergrond; • de vereniging organiseert geen andere activiteiten voor de leden bovenop het reguliere aanbod. Voor 20 verenigingen gelden minstens twee van de hierboven genoemde zaken.

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

21

Hoofdstuk 4: Knelpunten Gevraagd is wat op dit moment de twee belangrijkste knelpunten van de vereniging zijn. 54 van de 59 verenigingen hebben knelpunten aangevinkt. Het meest aangevinkt zijn knelpunten m.b.t. leden, financiën en locaties, gevolgd door knelpunten m.b.t. vrijwilligers/bestuur en de artistieke begeleiding. leden

24

financiën

20

locatie(s)

18

vrijwilligers/bestuur

12

artistieke begeleiding

7

zichtbaarheid en publieksbereik (pr)

4

repertoire, instrumenten, materialen en/of apparatuur

4

wet- en regelgeving

1

samenwerking met andere partijen

1

anders

4

geen knelpunten/zorgen

5 0

5

10

15

20

25

30

Figuur 14: Wat zijn de twee belangrijkste knelpunten van de vereniging?

Na het aanvinken van een knelpunt m.b.t. een bepaald onderwerp kon men vervolgens meer precies aangeven waar het om gaat. Daarbij konden meer antwoorden aangevinkt worden. Bij knelpunten m.b.t. leden gaat het het meest om: • geringe aanwas van leden (14); • vergrijzing van het ledenbestand (12); • weinig mannen (7); • dalend ledental (6). Bij knelpunten m.b.t. financiën gaat het het meest om: • afname subsidie of geen subsidie meer (11); • hoge kosten artistieke begeleiding (10); • hoge kosten huur en/of onderhoud ruimte (9); • dalende inkomsten uit optredens/voorstellingen (9); • gebrek aan sponsoren, sponsoren haken af (8). Bij knelpunten m.b.t. locaties gaat het het meest om: • beschikbaarheid of kwaliteit van repetitie-/lesruimte onvoldoende (9) • hoge huurkosten van podia (7)

22

Bij knelpunten m.b.t. vrijwilligers/bestuur gaat het het vaakst om een tekort aan of het moeilijk kunnen vinden van bestuursleden (9). En bij knelpunten m.b.t. de artistieke begeleiding gaat het het vaakst om een tekort aan of het moeilijk kunnen vinden van geschikte artistieke begeleiders (6). Gekeken is of bepaalde combinaties van knelpunten vaker voorkomen. De meest voorkomende combinatie is knelpunten m.b.t. leden en financiën (bij 6 verengingen), gevolgd door knelpunten m.b.t. leden en vrijwilligers/bestuur (bij 5 verenigingen), knelpunten m.b.t. leden en locatie(s) (bij 4 verenigingen) en knelpunten m.b.t. leden en artistieke begeleiding (bij 4 verenigingen).

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

23

Bijlage 1: Vergelijking met landelijke meting 2021 Hieronder is een aantal uitkomsten van het Nijmeegse onderzoek afgezet tegen de landelijke uitkomsten uit 2022 (Verenigingsmonitor 2021 / Verenigingen voor kunstbeoefening in cijfers, Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst, Utrecht, september 2021). Net als in Nijmegen bestond een groot deel van de respondenten bij het landelijke onderzoek uit koren (43%) en muziekverenigingen (30%), gevolgd door toneelverenigingen (17%).

Nijmegen 2022 n=59 ORGANISATIEKRACHT gemiddeld aantal vaste leden aantal leden in voorgaande jaren gedaald aantal leden in voorgaande jaren gestegen vergrijzing ledenbestand verjonging ledenbestand voldoende vrijwilligers werving bestuursleden moeilijker geworden werving artistiek begeleider(s) moeilijker geworden maakt gebruik van wijkaccommodaties voor repetities, lessen, oefenen, e.d. maakt gebruik van wijkaccommodaties voor optredens, voorstellingen, e.d. financiële situatie 'redelijk' tot 'zeer' gezond heeft missie en visie voor langere termijn ARTISTIEK AANBOD voortdurend op zoek naar vernieuwing activiteiten werkt met artistiek begeleider(s) werkt met hoog opgeleide artistiek begeleider(s) MAATSCHAPPELIJKE ORIËNTATIE werkt samen met 1 of meer externe partijen werkt samen met minstens 3 externe partijen zet zich extra in voor mensen met een laag inkomen zet zich extra in voor mensen met een beperking zet zich extra in voor vluchtelingen heeft leden met een beperking organiseert extra activiteiten voor leden bovenop reguliere aanbod KNELPUNTEN ervaart knelpunt(en) m.b.t. leden ervaart knelpunt(en) m.b.t. financiën ervaart knelpunt(en) m.b.t. locaties ervaart knelpunt(en) m.b.t. vrijwilligers/bestuur

24

landelijk 2021 n=1.510

38 25% 29% 31% 8% 78% 56% 20%

36 32% 20% 49% 10% 86% 50% 24%

51%

37%

20% 85% 73%

30% 91% 63%

59% 88% 63%

56% 88% 60%

81% 49% 31% 24% 10% 37%

86% 48% 31% 29% 9% 37%

47%

55%

41% 34% 31% 20%

54% 23% 25% 9%

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=5aa6b69a-335d-488b-add4-d1ecaba9b725