Raadsvoorstel wijziging Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen
Tekst van het document
Raadsvoorstel
Openbaar
Onderwerp Wijziging Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen Opstellers Programma Portefeuillehouder
Marga Bolzoni/Lonneke Vullings Bestuur en Organisatie H.M.F. Bruls
Collegebesluit
27 juni 2023
Behandeldatum Raad 27 september 2023 Status Openbaar
Samenvatting Dit raadsvoorstel voorziet in een actualisering van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen (APV), die twee maal per jaar plaatsvindt. Het voorstel bevat een aantal wijzigingen van de APV. De wijzigingen betreffen de volgende onderwerpen: een technische wijziging bij de evenementenvergunning, vervallen verklaring omtrent het gedrag (VOG) als vereiste bij de aanvraag van een exploitatievergunning, een expliciete wijzigingsmogelijkheid van de exploitatievergunning bij wijziging van beheerders, een verbod van het gebruik van lachgas en de beperking van de geldigheidsduur van de kapvergunning. Daarnaast vindt er een wijziging plaats van een eerder wijzigingsbesluit van de APV dat is genomen met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Voorstel 1. Het besluit tot wijziging van de APV vast te stellen. 2. Het besluit tot wijziging van het Wijzigingsbesluit van de Algemene Plaatselijke Verordening van 30 november 2022, vast te stellen. Aanleiding In 2022 is met de raad afgesproken dat twee maal per jaar een voorstel tot actualisatie van de APV aan de raad wordt aangeboden. Met dit raadsvoorstel wordt tegemoet gekomen aan een aantal voorstellen vanuit de vakafdelingen om de APV aan te passen. Beoogde impact Dit voorstel bevat technische en inhoudelijke wijzigingen. Het actualiseren van de APV zorgt ervoor dat de gemeente beschikt over een goed leesbare APV met artikelsgewijze toelichting, die in overeenstemming is met de geldende wetgeving. Relatie met de doelenboom Dit voorstel past bij de ambitie binnen het programma Bestuur en Organisatie. Hierin is de ambitie genoemd dat we een transparant en slagvaardig stadsbestuur zijn. Een goed leesbare en actuele APV past hierbij. Argumenten Het betreft de volgende wijzigingen: 1.1technische wijziging evenementenvergunning (artikel 2:24a, lid 8) In artikel 2:24a, lid 8, van de APV staat een onjuistheid in de tekst die moet worden verbeterd. Dat artikellid verwijst naar de belangen, genoemd in het derde lid. De belangen staan echter in het vierde lid. Daarom wordt ‘derde’ vervangen door ‘vierde’.
Opgesteld door Marga Bolzoni, , m1.bolzoni@nijmegen.nl
Wijziging Algemene
Raadsvoorstel
1.2 Vervallen VOG als vereiste bij een aanvraag van een exploitatievergunning (artikel 2:31, lid 4, sub c) en de aan dit vereiste gekoppelde intrekkingsgrond (artikel 2:33a, sub d) Momenteel is in artikel 2:31, lid 4, sub c de plicht opgenomen om een VOG (Verklaring omtrent gedrag) te overleggen bij de aanvraag van een exploitatievergunning voor een alcoholvrije inrichting. Bij de invoering van de exploitatievergunningplicht was dit de enige manier om een (beperkte) toets te doen op de antecedenten van betrokken ondernemers en beheerders. Inmiddels zijn er echter mogelijkheden om antecedenten te toetsen op grond van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). In verband daarmee is het criterium ‘levensgedrag’ ook al eerder toegevoegd aan de eisen in de APV. De eis van een VOG is daarmee feitelijk overbodig geworden en leidt in de praktijk tot verwarring. Afschaffing betekent feitelijk ook een lastenverlichting voor de ondernemer. De aan dit vereiste gekoppelde intrekkingsgrond in artikel 2:33a, sub d, moet dan ook worden aangepast. Er is geen wijziging van de toelichting nodig: de exploitatievergunning kan nog steeds worden geweigerd of ingetrokken als de exploitant of beheerder van de inrichting in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Hoe luidt de wijziging? Voorgesteld wordt om artikel 2:31, lid 4, sub c te schrappen.
Artikel 2:31, lid 4, sub d wordt hernummerd naar artikel 2:31, lid 4, sub c. Het huidige artikel 2:33a, sub d: ‘ indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering daarvan of tot het oordeel dat er in enig opzicht sprake is van slecht levensgedrag.’ Voorgesteld gewijzigd artikel 2:33a sub d: ‘ indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan feiten of gedragingen, die leiden tot het oordeel dat er in enig opzicht sprake is van slecht levensgedrag.’ 1.3Expliciete wijzigingsmogelijkheid exploitatievergunning bij wijziging beheerders Op dit moment bevat de APV geen expliciete regeling als er een nieuwe beheerder moet worden toegevoegd aan de exploitatievergunning voor een alcoholvrije inrichting. Er moet dan een volledige nieuwe vergunning worden aangevraagd en verleend. Wel is in de Legesverordening een afzonderlijk tarief voor zo’n wijziging opgenomen. Het voorstel is om in de APV te verduidelijken in welke gevallen een wijziging van deze vergunning mogelijk is, namelijk bij het wijzigen van de beheerder. Dit betekent in de praktijk voor de ondernemers een eenvoudigere procedure.
Bij publicaties van op dit punt aangepaste, verleende vergunningen is het nu voor burgers niet inzichtelijk dat het enkel om toevoeging van een beheerder gaat en niet om een volledig nieuw vergunde onderneming. De wijziging heeft dus ook als bijkomend voordeel dat het duidelijker is naar derden. Hoe luidt de wijziging?
Wijziging Algemene
Raadsvoorstel
De wijziging wordt uitgevoerd door middel van toevoeging van een nieuw lid aan artikel 2:31 (lid 9) en aanpassing van artikel 2:33. Voorgesteld nieuw lid 9 bij artikel 2:31: ‘Een verleende vergunning kan uitsluitend met betrekking tot de op de vergunning vermelde beheerders op aanvraag van de exploitant worden gewijzigd. Deze aanvraag moet worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. Lid 4 sub a is van overeenkomstige toepassing.’ Voorgestelde uitbreiding artikelsgewijze toelichting artikel 2:31, lid 9: ‘Indien een ondernemer een op de vergunning vermelde beheerder wil schrappen of één of meerdere beheerders wil toevoegen aan de vergunning, kan hij een aanvraag daartoe indienen bij de burgemeester, waarna een wijzigingsbesluit kan worden genomen. Ook deze nieuwe beheerders worden getoetst op dezelfde wijze als zou gebeuren bij een volledig nieuwe aanvraag Een wijziging van de vergunning is enkel mogelijk als het een wijziging van de beheerders betreft.
Bij andere wijzigingen, zoals bijvoorbeeld de wijziging van de (rechtsvorm van) de exploitant, dient een volledige aanvraag voor een nieuwe vergunning te worden ingediend, aangezien dit een meeromvattende wijziging is die grote gevolgen heeft of kan hebben.’ In verband met de hiervoor weergegeven uitbreiding van artikel 2:31 met lid 9, moet het huidige artikel 2:33, lid 1, ook worden aangepast. Het huidige artikel 2:33, lid 1, onder ‘Weigeringsgronden exploitatievergunning’ luidt: ‘De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, indien:’ Het voorgestelde artikel 2:33, lid 1, luidt: ‘De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, of de wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 2:31 lid 9, indien:’ De toelichting van artikel 2:33 behoeft geen wijziging. 1.3 Verbod van overlastgevend gebruik van lachgas In december 2022 heeft de raad besloten een verbod op het gebruik van lachgas op te nemen in de APV. Dat is geregeld in artikel 2:48a van de APV. Ongeveer gelijktijdig werd bekend dat het landelijke verbod op lachgas, dat al lang aangekondigd was, ingevoerd zou gaan worden per 1 januari 2023. Tijdens de raadsbehandeling is aangegeven dat de juridische gevolgen daarvan in de eerste algemene aanpassing van de APV verwerkt zouden worden. Per 1 januari 2023 is lachgas een Opiumwetmiddel geworden.
De Opiumwet regelt voortaan het verbod op productie, bezit en de handel in lachgas. In verband daarmee geeft de VNG aan dat het specifieke verbod van lachgas, zoals opgenomen in artikel 2:48a van de APV, kan vervallen. Net als voor de overige Opiumwetmiddelen heeft de APV nog een aanvullende werking ter voorkoming van overlastgevend gebruik via het expliciet daarvoor geschreven artikel 2:74a. Daarom is een technische wijziging van artikel 2:74a en 2:74b, lid 1 nodig, zodat deze artikelen ook gelden voor lachgas.
Wijziging Algemene
Raadsvoorstel
Door het schrappen van artikel 2:48a en door middel van een technische wijziging van de artikelen 2:74a en 2:74b, lid 1, volgen wij de lijn van de VNG. Dit maakt een efficiënte afdoening mogelijk, aangezien de landelijke feitcode voor een apart verbod op lachgas zoals nu nog opgenomen in 2:48a - geschrapt zal worden. Een landelijke feitcode is nodig voor een snelle en efficiënte strafrechtelijke verwerking van geconstateerde overtredingen. Hoe luidt de wijziging? Het huidige artikel 2:48a ‘Verboden lachgasgebruik’ vervalt in zijn geheel, inclusief de toelichting. Dit artikel luidt als volgt: ‘1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3.
Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.’ Huidig artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik ‘Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.’ Voorgesteld artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik ‘Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of distikstofmonoxide (lachgas) als opgenomen op de in artikel 3 van de Opiumwet bedoelde lijst II of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.’ Voorgestelde toelichting 2:74a Openlijk drugsgebruik ‘Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid, doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Een aantal gemeenten, waaronder Nijmegen, heeft daarom al enkele jaren een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden.
De rechtspraak is een aantal jaren wisselend geweest, waarbij in een aantal gevallen zo’n bepaling onverbindend werd geacht, omdat de rechter van oordeel was dat door de overlap met de Opiumwet de bovengrens van de gemeentelijke regelgevende bevoegdheid werd geschonden. Men kan immers verboden substanties niet gebruiken zonder deze – in strijd met de Opiumwet – voorhanden te hebben. Inmiddels is er echter een rechterlijke consensus ontstaan waarbij zo’n bepaling in de APV, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Zie over de betekenis van ‘daarop gelijkende waar’ het gestelde bij de toelichting op artikel 2:74.’ Huidig artikel 2:74b lid 1 Samenscholing: ‘Het is verboden op of aan een openbare plaats, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet.’ Wijziging Algemene
Raadsvoorstel
Voorgesteld artikel 2:74b, lid 1 Samenscholing: ‘Het is verboden op of aan een openbare plaats, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of distikstofmonoxide (lachgas) als opgenomen op de in artikel 3 van de Opiumwet bedoelde lijst II, of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet.’
5. Beperking van de geldigheidsduur van de kapvergunning De huidige APV bevat geen regeling om de geldigheidsduur van een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (kortweg ‘kapvergunning’) te beperken. Tot nu toe wordt een kapvergunning dus voor onbepaalde tijd verleend. De beoordeling van een aanvraag om een kapvergunning is echter een momentopname. We beoordelen de waarde van de boom op het moment van de aanvraag. De waarde van een boom verandert natuurlijk gedurende de jaren. De beoordeling kan ook gaan over de veiligheid. Onveilige bomen moeten binnen een bepaald tijdsbestek worden verwijderd. Rapporten over de vitaliteit van de boom en risico’s hebben vaak een bepaalde geldigheidsduur. Daarnaast worden bomen regulier onderhouden. De beoordeling kan op een ander moment anders zijn. Daarom is er de wens om een maximale geldigheidsduur als voorschrift aan de kapvergunning te verbinden. Aansluitend bij enkele andere gemeenten, wordt voorgesteld een periode van drie jaar te hanteren. Als binnen deze termijn niet is gekapt, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend, zodat de situatie opnieuw wordt beoordeeld. Ook als een kapvergunning is verleend voor meerdere bomen, geldt de maximale geldigheidsduur.
Dat betekent dat als binnen de periode van drie jaar niet alle bomen zijn gekapt, voor het resterende deel van de te kappen bomen een nieuwe aanvraag moet worden ingediend en een nieuwe beoordeling volgt. Hoe luidt de wijziging? Aan afdeling 3 ‘Het bewaren van houtopstanden’ wordt een nieuw artikel 4:11A ‘geldigheidsduur vergunning’ toegevoegd. Dit artikel luidt: ‘1. De vergunning als bedoeld in artikel 4:11 wordt verleend voor drie jaar vanaf de inwerkingtreding van de vergunning. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de vergunning van rechtswege. 2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, is de omgevingsvergunning voor alle houtopstand slechts drie jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele houtopstand al geveld zijn.’ Voorgestelde toelichting artikel 4:11A : ‘De beoordeling van een aanvraag om een kapvergunning is een momentopname. Op het moment van de aanvraag wordt de waarde van de boom beoordeeld. De beoordeling kan ook gaan over de veiligheid. Onveilige bomen moeten binnen een bepaald tijdsbestek worden verwijderd. Rapporten over de vitaliteit van de boom en risico’s hebben vaak een bepaalde geldigheidsduur. Daarnaast worden bomen regulier onderhouden. De beoordeling kan op een ander moment anders zijn. Daarom heeft de kapvergunning een maximale geldigheidsduur van drie jaar.
Deze termijn gaat in op de dag dat de vergunning in werking treedt. Op dat moment kan immers van de kapvergunning gebruik worden
Wijziging Algemene
Raadsvoorstel
gemaakt. Als binnen deze termijn niet is gekapt, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend, zodat de situatie opnieuw wordt beoordeeld. Ook als een kapvergunning is verleend voor meerdere bomen, geldt de maximale geldigheidsduur. Dat betekent dat als binnen de periode van drie jaar niet alle bomen zijn gekapt, voor het resterende deel van de te kappen bomen een nieuwe aanvraag moet worden ingediend.’ 2.1 Op 30 november 2022 is het besluit tot wijziging van de APV vastgesteld waarbij begrippen in de APV in overeenstemming zijn gebracht met de begrippen in de Omgevingswet. Dit wijzigingsbesluit treed in werking op 1 januari 2024, gelijktijdig met de Omgevingswet. In artikel 2:60 lid 1 APV is het woord “opheffing” na 30 november 2022 gewijzigd in “beëindiging”. Het wijzigingsbesluit van 30 november 2022 wordt hierop aangepast. Huidige tekst wijzigingsbesluit 30 november 2022 artikel 2:60 lid 1 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet , bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: Voorgestelde tekst wijzigingsbesluit 30 november 2022 artikel 2:60 lid 1 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet , bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: Deze wijziging wordt verwerkt in het wijzigingsbesluit van 30 november 2022 en zal op 1 januari 2024 gelijktijdig met de Omgevingswet inwerkingtreden. Kanttekeningen Dit voorstel heeft geen kanttekeningen. Financiën Dit voorstel heeft geen financiële gevolgen. Vervolg Het Wijzigingsbesluit wordt bekendgemaakt in het digitale gemeenteblad. Daarna is de geconsolideerde verordening te raadplegen op overheid.nl. Bijlage Wijzigingsbesluit APV.
Wijziging Algemene