CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen_Geredigeerd

Besluitronde (raadsvergadering) 4 februari 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Wensen en bedenkingen Ontwerp Regionale Energiestrategie 2.0 GMR Arnhem-Nijmegen33.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen Hoofdrapport planMER

Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 9 juni 2023

Project

Opdrachtgever

planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Referentie

Hoofdrapport planMER Definitief 02 9 juni 2023 134281/23-009.839

Projectcode

134281

Document Status Datum

Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

0

LEESWIJZER

7

DEEL A - ALGEMENE DELEN

8

1

HET VOORNEMEN

9

1.1

Aanleiding en achtergrond

9

1.2

Plangebied

10

2

M.E.R.-PROCEDURE

12

2.1

Noodzaak van een planMER

12

2.2

Reeds doorlopen procedure: NRD

14

2.3

Aanpak planMER op hoofdlijnen

14

2.4

Bevoegd gezag en initiatiefnemers

15

2.5

Vervolgprocedure RES 2.0

16

3

KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN

17

3.1

Europees

17

3.2

Nationaal

17

3.3

Provinciaal

19

3.4

Regionaal

22

3.5

Gemeentelijk

24

3.6

Wetgeving en beleid voor wind- en zonne-energie

26

4

REFERENTIESITUATIE

27

4.1

Plan- en studiegebied

27

4.2

Huidige situatie

28

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5

28 33 42 44 48

Natuur Landschap, cultuurhistorie en archeologie Leefbaarheid Veiligheid Bodem en water

4.2.6 4.3

Gebruiksfuncties

50

Autonome ontwikkelingen

52

DEEL B - EFFECTONDERZOEKEN WIND- EN ZONNE-ENERGIE

53

5

ALTERNATIEVEN

54

5.1

Uitgangspunten

54

5.2

Belemmeringenkaarten

56

5.3

De alternatieven

60

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

60 62 64 66

Basisalternatief RES 1.0 Alternatief Landschap Alternatief Natuur Alternatief Leefomgeving

6

ONDERZOEKSAANPAK WIND- EN ZONNE-ENERGIE

69

6.1

Ingreep-effectrelaties

69

6.2

Beoordelingskader wind- en zonne-energie

71

6.3

Beoordelingsmethodiek maatgevende effecten

74

6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5 6.3.6

75 77 82 88 92 95

6.4

Bodem en water Natuur Landschap, cultuurhistorie en archeologie Veiligheid Leefomgeving Gebruiksfuncties

Niet-maatgevende effecten

96

6.4.1 6.4.2 6.4.3

96 98 98

Effectanalyse bodemkwaliteit Effectanalyse grondwater Effectanalyse leefomgeving

7

EFFECTANALYSE- EN BEOORDELING WIND- EN ZONNE-ENERGIE

106

7.1

Bodem en water

106

7.2

Natuur

109

7.3

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

121

7.4

Veiligheid

131

7.5

Leefomgeving

136

7.6

Gebruiksfuncties

138

8

CONCLUSIES EN VERGELIJKING ALTERNATIEVEN WIND- EN ZONNEENERGIE

142

8.1

Sterk negatieve milieueffecten

144

8.2

Negatieve milieueffecten

145

8.3

Licht negatieve en beperkt tot geen milieueffecten

147

8.4

Alternatievenvergelijking

147

8.5

Monitoring en evaluatie

150

8.6

Leemten in kennis, aandachtspunten en informatie wind- en zonne-energie

151

DEEL C - EFFECTONDERZOEKEN WARMTETECHNIEKEN

153

9

ONDERZOEKSAANPAK WARMTE

154

9.1

Onderzoeksaanpak warmtebronnen

154

9.1.1 9.1.2

156 159

9.2

9.3

Aanpak effectanalyse warmte uit biomassa Aanpak effectanalyse omgevingswarmte

Onderzoeksaanpak warmteopslag

165

9.2.1 9.2.2

165 167

Aanpak effectanalyse ondergrondse warmteopslag Aanpak effectanalyse bovengrondse warmteopslag

Onderzoeksaanpak warmtedistributie

168

9.3.1

168

Aanpak effectanalyse warmtedistributie

10

EFFECTANALYSE WARMTE

172

10.1

Effectanalyse warmtebronnen

172

10.1.1 10.1.2 10.1.3 10.1.4

172 175 186 189

10.2

10.3

Biomassa Geothermie Open WKO’s Aquathermie

Effectanalyse warmteopslag

193

10.2.1 10.2.2

193 196

Ondergrondse warmteopslag Bovengrondse warmteopslag

Effectanalyse warmtedistributie

199

10.3.1 10.3.2 10.3.3 10.3.4 10.3.5 10.3.6

199 200 201 203 203 204

Bodem Water Natuur Cultuurhistorie en archeologie Leefomgeving Gebruiksfuncties en ruimtegebruik

11

RISICO’S EN AANDACHTSPUNTEN WARMTETECHNIEKEN

206

11.1

Risico’s voor uitvoerbaarheid

206

11.2

Voorkeurslocaties vanuit milieu

207

11.3

Aandachtspunten voor het vervolg

207

11.4

Leemten in kennis en informatie warmtetechnieken

208

Laatste pagina

208

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Autonome ontwikkelingen

5

II

Kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen

9

III

Notitie alternatievenontwikkeling

28

IV

Omgang advies Commissie m.e.r.

5

V

Natuur

79

VI

Landschap

79

VII

Beoordeling bodem en water

12

VIII

Beoordeling cultuurhistorie en archeologie

22

IX

Beoordeling leefomgeving

12

X

Beoordeling veiligheid

18

XI

Energieopbrengst

5

XII

Analyse molenaarswoningen

24

XIII

Analyse energiesysteem

8

0 LEESWIJZER Voor u ligt het rapport van het milieueffectrapport (planMER) voor de Regionale Energiestrategie (RES) 2.0 van de RES gemeenten binnen de Groene Metropoolregio (GMR) Arnhem-Nijmegen. De GMR heeft het Rijk in de RES 1.0 een bod gedaan om in 2030 1,62 TWh duurzame energie op te wekken door windturbines, zonnevelden en zon op dak. Ten behoeve van het opstellen van de RES 2.0 is een m.e.r. procedure. Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de keuzes voor zoekgebieden voor de opwek van wind- en zonne-energie in de RES 2.0. Het opstellen van een milieueffectrapportage helpt om ruimtelijke belangen en claims zichtbaar te maken en onderling af te wegen. Daarbij beschrijft het planMER wat de milieueffecten zijn van windturbines en zonnevelden. Het planMER geeft inzicht in de (milieu)effecten van de plannen op een regionaal detail- en schaalniveau. Wat leest u in dit planMER? Dit planMER beschrijft op hoofdlijnen de milieueffecten van het voornemen. Dit planMER onderzoekt daarbij de effecten van de opwek van energie met zonnevelden en windturbines, en op hoofdlijnen ook de effecten van de verschillende warmtetechnieken die in de RES 1.0 zijn benoemd.

Het planMER voor de RES 2.0 onderzoekt enkel de milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de locatiekeuze en/of de keuze voor een bepaalde energie- of warmtetechniek. Daarbij is dit rapport opgebouwd in drie delen: - deel A omvat de algemene hoofdstukken van het MER, onder andere bestaande uit een beschrijving van het voornemen (hoofdstuk 1), een toelichting op de m.e.r.-procedure (hoofdstuk 2), de wettelijke kaders en beleidskaders (hoofdstuk 3) en een beschrijving van de referentiesituatie (hoofdstuk 4); - deel B omvat de alternatieven, onderzoeksaanpak, effectanalyses en -beoordelingen voor het onderdeel energietechnieken; - deel C omvat de onderzoeksaanpak, effectanalyses en -beoordelingen voor het onderdeel warmtetechnieken.

7 | 208

Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

DEEL A - ALGEMENE DELEN

8 | 208

Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

1 HET VOORNEMEN Voor u ligt het planMER van de RES gemeenten binnen de Groene Metropoolregio (GMR) ArnhemNijmegen. Dit planMER is onderdeel van het proces om de Regionale Energie Strategie 2.0 (RES 2.0) op te stellen voor de RES gemeenten binnen de GMR Arnhem-Nijmegen. De gemeenten Montferland en Mook en Middelaar maken weliswaar deel uit van de gezamenlijk regeling GMR Arnhem-Nijmegen, maar niet van de RES-regio Arnhem-Nijmegen. In dit planMER worden voor de eenduidigheid de zestien RES-gemeenten binnen de GMR Arnhem-Nijmegen (zie paragraaf 1.2) aangeduid als GMR. De GMR heeft het Rijk in de RES 1.0 een bod gedaan om in 2030 1,62 TWh duurzame energie op te wekken door windturbines, zonnevelden en zon op dak. Daarnaast onderzoekt dit planMER op hoofdlijnen de mogelijkheden voor het gebruik van diverse warmtebronnen in de regio. Dit planMER is de tweede stap in de milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.-procedure). De m.e.r.procedure wordt doorlopen ter onderbouwing van de milieueffecten van windturbines, zonnevelden en het gebruik van warmtebronnen in de regio Arnhem-Nijmegen. Het planMER biedt de bevoegde gezagen vanuit de milieuaspecten beslisinformatie voor het bepalen van de zoekgebieden voor windturbines en zonnevelden in de RES 2.0.

De provincie Gelderland neemt de zoekgebieden voor windturbines op in het nieuwe provinciale windbeleid, welke naar verwachting eind 2023 gereed is. Dit planMER geeft ook inzicht in de milieuaspecten die horen bij het toepassen van warmtetechnieken. Dit inleidende hoofdstuk start met een toelichting op de aanleiding en achtergrond (paragraaf 1.1) en een korte beschrijving van de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2).

Wat betekenen de afkortingen m.e.r., MER, RES en planMER? Binnen de procedure van milieueffectrapportage worden de afkortingen m.e.r. en het MER gebruikt. De m.e.r. staat voor de procedure van milieueffectrapportage, zoals het onderzoek, de inspraak en alle bijkomende adviezen. De afkorting MER staat voor het eindproduct, het milieueffectrapport. Dit rapport betreft een planMER en wordt opgesteld voor de Regionale Energiestrategie (RES). Dit planMER toetst de milieueffecten van (zoek)gebieden, om op deze manier milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Het planMER is een instrument dat onder andere geschikt is voor de plannen die zich in een verkennende- of haalbaarheidsfase bevinden. De milieueffecten kunnen zo worden beoordeeld op strategisch en relatief abstract niveau.

1.1

Aanleiding en achtergrond

Energieopwekking met behulp van fossiele brandstoffen leidt tot uitstoot van broeikasgassen zoals CO 2. Met name door menselijk handelen is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer toegenomen. Dit veroorzaakt klimaatverandering in de vorm van opwarming van de aarde. Met het Klimaatakkoord van Parijs (2015) hebben 192 landen afgesproken de opwarming te beperken tot maximaal 2 °C. Deze internationale afspraken zijn in de afgelopen jaren vertaald naar afspraken en doelstellingen op nationaal niveau, die onder andere betrekking hebben op energiebesparing en de opwek van duurzame, fossielvrije energie. De

9 | 208

Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

afspraken zijn vervolgens vertaald in nationaal, provinciaal en regionaal beleid, zoals het landelijk Klimaatakkoord uit 2019, het Gelders Energieakkoord en de Regionale Energie Strategie (RES 1.0) Regio Arnhem-Nijmegen (zie hoofdstuk 2). De GMR Arnhem-Nijmegen (hierna: de regio) heeft een bod gedaan om 1,62 TWh duurzame elektriciteit grootschalig op te wekken in 2030. Dit is de bijdrage van de regio aan de nationale opgave van 35 TWh duurzame elektriciteit op land. Dit bod is vastgelegd in de RES 1.0. Met dit bod zet de regio een eerste stap op weg naar de 3,5 TWh die nodig is voor het bereiken van de doelstelling van 55 % CO2-reductie in 20301. De regio wil deze doelstelling onder andere realiseren door de ontwikkeling van zonnevelden op land, grootschalig zon op dak en windturbines. In het bod is hiervoor uitgegaan van een verhouding van 89 % opgesteld vermogen aan zonnevelden op land en zon op dak, en 11 % opgesteld vermogen aan windturbines. Deze opwektechnieken verschillen in ruimtebeslag per hoeveelheid op te wekken elektriciteit. Afbeelding 1.1 illustreert het verschil in ruimtebeslag tussen windturbines en zonnevelden. De regio heeft erkend dat de verhouding tussen zon en wind in het bod uit de RES 1.0 niet evenwichtig is. De capaciteit van het elektriciteitsnet wordt namelijk niet optimaal benut.

Een verdeling van 50 % uit zonnepanelen en 50 % uit windturbines (eveneens in vermogen) is het meest aantrekkelijk, omdat er dan minder aanpassingen aan het elektriciteitsnetwerk nodig zijn, enkel voor de inpassing van zonne-energie. In. Ook maakt een evenwichtige inzet op zonne-energie en windenergie de energievoorziening stabieler. In veel gevallen waait het óf schijnt de zon. In de RES 1.0 hebben de deelnemers afgesproken te werken aan een betere verhouding tussen zon en wind. Daarom verkent de regio extra gebieden boven op de zoekgebieden voor wind om tot een meer evenwichtige verhouding te komen tussen wind en zon. Dit planMER biedt hiervoor de milieu-informatie. Daarnaast is het gebruik van alternatieve warmtebronnen (anders dan gas) onderdeel van de RES 1.0. In de RES 1.0 is een eerste basis gelegd met betrekking tot warmte. Er is echter geen specifieke doelstelling aan het gebruik van warmtebronnen gekoppeld, behalve dat Nederland in 2050 aardgasvrij zou moeten zijn.

Afbeelding 1.1 Verschil in ruimtebeslag windturbines en zonnevelden (bron: Nationaal Programma Regionale Energiestrategie)

1.2

Plangebied

Het plangebied is het gebied waarbinnen gezocht wordt naar een geschikte invulling voor de realisatie van het voornemen, namelijk de opwek van 1,62 TWh duurzame elektriciteit in 2030. Afbeelding 1.2 toont het plangebied. Dit plangebied beslaat de zestiendeelnemende gemeenten. Dit zijn, op alfabetische volgorde: Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar. 1

Zoals benoemd in de RES 1.0 van de GMR Arnhem-Nijmegen (hoofdstuk 4).

10 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Afbeelding 1.2 Plangebied Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

11 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

2 M.E.R.-PROCEDURE Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de milieueffectrapportage en de samenhang met de procedure voor de RES 2.0.

2.1

Noodzaak van een planMER

Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat voor activiteiten met potentieel significante milieueffecten een m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Dit hangt mede af van de aard en omvang van de activiteit. Het doel van deze m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de invulling van de RES 2.0. Het opstellen van een planMER helpt om alle (ruimtelijke) belangen en claims zichtbaar te maken en onderling af te wegen. De gevolgen voor onder meer het landschap, de natuur en de leefomgeving worden op een navolgbare- en toetsbare wijze in beeld gebracht. De voorgenomen ontwikkeling van windturbines heeft betrekking op een plan dat is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1, eerste lid, en 3.6, eerste lid, onderdelen a en b) en daarmee in kolom 3 in categorie D22.2 van het Besluit m.e.r. (zie tabel 2.1). Onder de Omgevingswet (inwerkingtreding verwacht op 1 januari 2024) wordt dit een Omgevingsplan. Hiermee ontstaat met de RES 2.0 een ruimtelijk plan dat de oprichting van grootschalige duurzame energie mogelijk maakt. In artikel 2, lid 3 van het Besluit m.e.r. is bepaald dat een dergelijk plan direct plan-m.e.r.-plichtig is, omdat deze een activiteit mogelijk maakt die voldoet aan de drempelwaarden zoals opgenomen in kolom 2.

Daarmee geldt voor de voorgenomen ontwikkelingen, en dus voor de RES 2.0, een plan-m.e.r.-plicht. Voorgaande blijkt ook uit onderzoek van de werkgroep ‘RES en plan-m.e.r.’1. Voor de individuele zonnevelden die mogelijk worden gemaakt via de RES 2.0 bestaat naar verwachting geen m.e.r.-plicht2. Aangezien er wel sprake is van een kaderstellend plan onder de Omgevingswet, waarbij er een samenhang bestaat tussen windturbines en zonnevelden, heeft het nog op te stellen planMER ook betrekking op de zonnevelden. waarbij de zonnevelden kunnen worden toebedeeld aan de categorie D9 (een landinrichtingsproject, dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan). De drempelwaarde die hierbij geldt is 125 hectare of meer. Voor het aspect warmte geldt dat dit planMER alleen ingaat op de algemene milieueffecten. De RES 2.0 bevat hiervoor geen kaderstellende keuzes. Voor de van toepassing zijnde categorieën uit het Besluit m.e.r. is warmte daarom niet beschouwd.

1

https://www.commissiemer.nl/actueel/nieuws/resen-zijn-meestal-plan-mer-plichtig.

2

Recent is een procedure doorlopen bij de Raad van State. Hierin heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geconcludeerd dat een tijdelijk zonneveld niet valt in categorie D22.1 (installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770).

12 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Tabel 2.1 Categorie uit het Besluit m.e.r. van toepassing op de ontwikkeling

D9

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan

in gevallen waarin de

de structuurvisie, bedoeld

de vaststelling van het

activiteit betrekking heeft op

in de artikelen 2.1, 2.2 en

inrichtingsplan, bedoeld

-

een functiewijziging met

2.3 van de Wet ruimtelijke

in artikel 17 van de Wet

een oppervlakte van 125

ordening, en de plannen,

inrichting landelijk gebied

hectare of meer van

bedoeld in de artikelen

dan wel een plan bedoeld

water, natuur, recreatie

3.1, eerste lid, 3.6, eerste

in artikel 18 van de

of landbouw;

lid, onderdelen a en b, van

Reconstructiewet

vestiging van een

die wet, de vaststelling van

concentratiegebieden dan

glastuinbouwgebied of

het inrichtingsplan,

wel bij het ontbreken

bloembollenteeltgebied

bedoeld in artikel 17 van

daarvan het plan bedoeld

van 50 hectare of meer

de Wet inrichting landelijk

in artikel 3.6, eerste lid,

gebied, het plan, bedoeld

onderdelen a en b, van de

in artikel 11 van de

Wet ruimtelijke ordening

Reconstructiewet

dan wel bij het ontbreken

concentratiegebieden en

daarvan van het plan,

het plan bedoeld in artikel

bedoeld in artikel 3.1,

18 van de

eerste lid, van die wet

-

Reconstructiewet concentratiegebieden D 22.2

de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark

in gevallen waarin de

de structuurvisie, bedoeld

het besluit bedoeld in

activiteit betrekking heeft op:

in de artikelen 2.1, 2.2 en

artikel 6.5, onderdeel c,

-

een gezamenlijk

2.3 van de Wet ruimtelijke

van de Waterwet, het

vermogen van 15

ordening, en de plannen,

besluit, bedoeld in artikel

megawatt (elektrisch) of

bedoeld in de artikelen

3, eerste lid, van de Wet

meer;

3.1, eerste lid, 3.6, eerste

windenergie op zee of de

10 windturbines of meer

lid, onderdelen a en b, van

besluiten waarop afdeling

die wet

3.4 van de Algemene wet

-

bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is

De m.e.r.-procedure waar deze planMER onderdeel van uitmaakt, heeft tot doel om de besluitvorming over de RES 2.0 te ondersteunen (paragraaf 2.5). Het planMER draagt hieraan bij door voorkeuren en risico’s voor de uitvoerbaarheid vanuit het milieu inzichtelijk te maken. Daarnaast brengt het planMER de milieueffecten in beeld tussen de nog te bepalen zoekgebieden. Het planMER is een instrument dat geschikt is voor de planstudiefase met milieubeoordeling op strategisch en relatief abstract niveau, ter ondersteuning van bijvoorbeeld de verdeling tussen wind- en zonne-energie in de regio en de daarbij behorende zoekgebieden. Bij de nadere uitwerking van windturbineprojecten wordt andermaal een m.e.r.-procedure doorlopen, door middel van een m.e.r.-beoordeling of projectMER. Dit omvat gedetailleerder onderzoek naar de gevolgen van het desbetreffend project op het milieu en kunnen lokale, locatie specifieke milieueffecten en -aandachtspunten nader onderzocht worden.

13 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

2.2

Reeds doorlopen procedure: NRD

In het kader van de m.e.r.-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. Deze NRD had tot doel om betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de inhoud en diepgang van het op te stellen planMER en hen te raadplegen over hun zienswijzen. In de NRD zijn de kaders voor de milieuonderzoeken bepaald. Hiermee is de NRD een belangrijke eerste stap in de procedures richting de RES 2.0. De NRD heeft van 24 oktober 2022 tot en met 23 december 2022 ter inzage gelegen. Eenieder had in deze periode de mogelijkheid om een reactie te geven. De NRD is voor advies voorgelegd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.)1. Ook zijn betrokken bestuursorganen geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. De bevoegde bestuursorganen hebben de NRD en de reactienota gezamenlijk vastgesteld. De NRD, het advies van de Cie-m.e.r. en de reactienota vormen het uitgangspunt voor het opstellen van dit planMER.

2.3

Aanpak planMER op hoofdlijnen

Deze paragraaf beschrijft de aanpak voor dit planMER op hoofdlijnen en beschrijft wat er wel en niet wordt onderzocht. Het planMER omvat stap 4 (effectonderzoeken van de reële alternatieven) van het stappenplan zoals gepresenteerd in de NRD (afbeelding 2.1). Stappen 1, 2 en 3 zijn al uitgevoerd in de NRD en vormen de basis van dit planMER.

Afbeelding 2.1 Stappenplan plan-m.e.r.-proces

Stap 1: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER

Stap 2: kansen- en belemmeringenkaarten

Stap 3:

Stap 4:

ontwikkeling reële alternatieven

effectonderzoeken reële alternatieven

Onderzoeksvraag Dit planMER helpt de regio antwoord te geven op de volgende vraag: Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh23 duurzame elektriciteitsambitie en regionale warmtebronnen in de Groene Metropoolregio, en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van drie thematische alternatieven? Het planMER biedt feitelijke beslisinformatie aan de bevoegde bestuursorganen over de milieueffecten die optreden ten gevolge van de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden. Hiermee helpt het de regio om te bepalen welke gebieden geschikt zijn, geschikt te maken zijnen niet geschikt voor grootschalige energieopwek in 2030 op basis van milieueffecten. Het doel is vergunningverlening voor de

1

In bijlage IV is opgenomen hoe in dit planMER is omgegaan met het advies van de Cie-m.e.r.

2

Het aandeel zon-op-dak van 0,49 TWh wordt in het planMER niet getoetst op milieueffecten.

3

In het licht van de verhoogde doelstelling van 55 % CO2-reductie in 2030 en de mogelijk stijgende elektriciteitsvraag zullen het Rijk en de medeoverheden bespreken of de doelstelling van 35 TWh herijkt dient te worden. Dit zal worden bezien in samenhang met het Nationaal Plan Energiesysteem (2050) en de vraagontwikkeling (op basis van de input van de werkgroep ‘extra opgave’).

14 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

energieprojecten uiterlijk op 1 januari 2025 om realisatie voor 2030 mogelijk te maken. De provincie Gelderland stelt gelijktijdig nieuw windbeleid op. De resultaten van het planMER van de regio worden opgenomen in het windbeleid van de provincie. Naast de zonnevelden en windturbines zijn de milieueffecten van warmtebronnen op hoofdlijnen in beeld gebracht. Waterkracht is geen onderdeel van dit planMER. Hoewel bij de ontwikkeling van waterkracht milieueffecten worden verwacht, zijn de mogelijkheden voor waterkracht in de regio beperkt. Hierdoor is een vergelijking van locaties binnen de regio niet goed mogelijk. Bij concrete waterkrachtprojecten, kunnen de milieueffecten in beeld worden gebracht via bijvoorbeeld een projectMER. Zon op dak buiten scope van het planMER De effecten van zon op dak worden in het planMER niet nader onderzocht. Voor deze ontwikkelingen worden bestaande daken gebruikt, waardoor de milieueffecten en het ruimtegebruik beperkt zijn. Milieueffecten zijn daarom naar verwachting niet doorslaggevend voor de haalbaarheid van zon op dak. De mate waarin zon op dak wordt toegepast, is wel van invloed op het benodigde oppervlak wind en zon op land. In dit planMER is daarom uitgegaan van een opwek van 0,49 TWh door zon op dak, zoals benoemd in de RES 1.0. Dit betekent een resterende opgave van 1,13 TWh voor windturbines en zonnevelden op land.

Diepgang planMER Dit planMER heeft tot doel om de besluitvorming voor de RES 2.0 proces te ondersteunen. Het planMER draagt hieraan bij door voorkeuren en risico’s voor de uitvoerbaarheid vanuit milieu inzichtelijk te maken. Daarnaast brengt dit planMER de effecten in beeld die verschillen tussen locaties en/of tussen de verschillende energie- en warmtetechnieken. Het gaat daarbij om onderscheidende milieueffecten met een effectduur die langer is dan de aanlegfase, zie onderstaand kader. Tijdelijke effecten in dit planMER Tijdelijke effecten die na de aanlegfase voorbij zijn (zoals een tijdelijke invloed op het landschap of op ruimtegebruik door aanlegwerkzaamheden), worden in dit planMER niet beschouwd. Tijdelijke effecten zijn over het algemeen niet bepalend voor de locatiekeuze of een keuze tussen de verschillende energie- en warmtetechnieken. Effecten die optreden tijdens de aanlegfase, maar een langere doorwerking hebben, zijn wel op hoofdlijnen beschouwd in dit planMER. Overige tijdelijke effecten dienen te worden beschouwd in een projectMER voor concrete energieprojecten. De diepgang van de effectanalyses in dit planMER is daarom passend bij het detailniveau van de keuzes die voorliggen. Het gaat daarbij om de keuze voor een zoekgebied, de keuze voor een techniek en de mate waarin een mix tussen de technieken wordt ingezet.

Niet alle mogelijke milieueffecten die van belang kunnen zijn, zijn onderzocht. In de uitwerking van een concreet project kunnen alle mogelijke milieueffecten nader onderzocht te worden. Op dit moment in het RES-proces, is het enkel mogelijk om generieke analyses uit te voeren die richting geven aan de keuze voor zoekgebieden en/of technieken. De bevoegde bestuursorganen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor de keuze van zoekgebieden voor de opwek van wind- en zonne-energie. Hierover vindt afstemming plaats op regioniveau. De zoekgebieden die de bevoegde bestuursorganen vastleggen, worden opgenomen in de RES 2.0. Alle gemeenten in de regio kunnen de milieu-informatie gebruiken bij hun ruimtelijke planprocedures, zoals hun omgevingsvisies en omgevingsplannen.

2.4

Bevoegd gezag en initiatiefnemers

Bij een m.e.r.-procedure is sprake van drie formele rollen: een bevoegd gezag, een initiatiefnemer en adviseurs. Het bevoegd gezag is de instantie die het m.e.r.-plichtige besluit vaststelt (de RES 2.0). Hiervoor zijn de gemeenteraden van de zestien regiogemeenten en de Gelderse Provinciale Staten bevoegd gezag. De Provinciale Staten stellen daarnaast het provinciale windbeleid vast.

15 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

De initiatiefnemer is degene die het plan opstelt. In het geval van de RES 2.0 zijn de colleges van B&W van de zestien gemeenten in de regio en het college van Gedeputeerde Staten (GS) de initiatiefnemers. De dagelijkse besturen (DB) van de 3 waterschappen die deelnemen aan de RES GMR nemen kennis van het plan. Daarnaast zijn er diverse adviseurs, die adviseren over de inhoud van het planMER. Belangrijk daarbij is de Cie-m.e.r., maar ook andere overheden en insprekers. De NRD en de reactienota zijn vastgesteld door de colleges van B&W en GS. Het planMER zelf is geen beslisdocument en wordt niet formeel vastgesteld. Het planMER vormt namelijk een bouwsteen voor de onderbouwing van de RES 2.0 en de herijking van het provinciale windbeleid. Hiervoor zijn de gemeenteraden van de zestien regiogemeenten en de Gelderse Provinciale Staten bevoegd gezag onder de huidige wetgeving. De RES 2.0 kwalificeert als een programma onder de Omgevingswet. Formeel dient een dergelijk programma te worden vastgesteld door colleges van B&W en GS, plus de DB's van de betrokken waterschappen. Het RES 2.0 proces wordt op dit moment nog opgesteld. Gezien de impact van de RES 2.0, kan er ook voor worden gekozen om deze vast te laten stellen door gemeenteraden, PS en de AB's van de betrokken waterschappen.

In ieder geval is het advies om de deze te betrekken bij het opstellen van de RES 2.0, zodat er voldoende draagvlak is voor de uitvoering van de RES 2.0.

2.5

Vervolgprocedure RES 2.0

De resultaten van dit planMER vormen een belangrijke basis voor de herijking van de RES 2.0. Zo biedt dit planMER duidelijkheid over de vraag of de opwekking van 1,62 TWh duurzame elektriciteit in 2030 vanuit milieuaspecten mogelijk is binnen de RES zoekgebieden. Ook wordt duidelijk welke gebieden vanuit milieuperspectief interessant zijn om de balans tussen zonne- en windenergie binnen de regio te verbeteren. Gedurende 2023 loopt het proces om de RES 1.0 te herijken. Het planMER is de bouwsteen die gaat over het belemmerend beleid, de ruimtelijke kwaliteit en deels ook de energieopbrengst. De overige bouwstenen staan in het afwegingskader RES 1.0, welke de basis vormt richting de RES 2.0 (zie afbeelding 3.2). Zo is capaciteit op het elektriciteitsnet een voorwaarde voor de inpassing van duurzame elektriciteitsprojecten. Ook wordt zoveel mogelijk aangesloten bij lokaal eigendom en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak in de regio. Ten slotte dient een ruimtelijke en integrale afweging te worden gemaakt ten opzichte van andere functies zoals woningbouw, mobiliteit en recreatie. Op basis van dit planMER kan de RES op een aantal punten worden herijkt of nader uitgewerkt. De planning is dat deze herijking, een RES 2.0, in de eerste helft van 2024 door gemeenten, de provincie en waterschappen wordt vastgesteld.

Het vaststellen van de RES 2.0 leidt tot een serie besluiten om de energietransitie te realiseren in de regio. De afspraken in de RES 2.0 moeten, zoals ook de afspraken uit de RES 1.0, per deelnemende gemeente en door de provincie worden vastgelegd in een ruimtelijk besluit. Hoe dit leidt tot een ruimtelijk besluit kan maatwerk per gemeente zijn en zal meegenomen worden in het proces om te komen tot de RES 2.0.

16 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

3 KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN Wet- en regelgeving en beleid stellen randvoorwaarden aan en bevatten ambities voor de ontwikkeling van de RES 2.0. Dit hoofdstuk beschrijft de algemeen geldende kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen. Naast deze algemene kaders, zijn voor elk thema specifieke kaders van toepassing. De thema specifieke wetgeving en beleidskaders die gebruikt zijn voor de toetsing van de milieuthema’s, zijn opgenomen in bijlage II.

3.1

Europees

Europese Green Deal (Europese klimaatwet) De Green Deal heeft als doel om de Europese Unie (EU) klimaatneutraal te maken tegen 2050. Deze doelstelling ligt in lijn met de Overeenkomst van Parijs (2016) om de klimaatopwarming te houden op een maximale stijging van 2 °C. Tegelijkertijd streeft men ernaar om de klimaatopwarming binnen de 1,5 °C houden. In de Europese klimaatwet is onder andere het volgende vastgelegd: - de Europese klimaatwet bevat een bindende doelstelling om in 2050 als Europese Unie klimaatneutraal te zijn (netto nul emissies) en het streven om na 2050 negatieve emissies te realiseren (artikel 2, eerste lid); - om dit doel te bereiken bevat de Europese klimaatwet een bindende doelstelling dat de netto-emissies van broeikasgassen in 2030 ten minste 55 % lager moeten zijn dan in 1990 (artikel 4, eerste lid). De Europese Commissie heeft een reeks aanpassingen van het klimaat-, energie-, vervoers- en belastingbeleid van de EU voorgesteld die het mogelijk moeten maken om in 2030 netto 55 % minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Die voorstellen vallen onder het ‘Fit-for-55’-pakket. De opwarming van de aarde is nauw verbonden met verschillende beleidsdomeinen zoals energie, vervoer, milieu, staatssteun en aanbesteden. De EU streeft naar de integratie van duurzaamheid binnen deze beleidsdomeinen.

Veel van het voorgestelde beleid zal uiteindelijk op lokaal en regionaal niveau moeten worden uitgevoerd.1 (Europese Commissie, 2022). Als onderdeel van de Europese Green Deal is op 29 juli 2021 de Europese klimaatwet in werking getreden. Met de Europese klimaatwet zijn de reductiedoelen van broeikasgasemissies aangescherpt om uitvoering te geven aan de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs. Daarnaast werkt de Europese Commissie samen met de lidstaten aan de versnelling en intensivering van de klimaatplannen om de energieafhankelijkheid van Rusland te verkleinen.

3.2

Nationaal

Energieakkoord Het Energieakkoord voor duurzame groei is een overeenkomst uit 2013 tussen 47 partijen: overheden, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen. Het doel is de energievoorziening van Nederland duurzamer te maken. De afspraken gaan over 1

Europese Commissie. (2022, november 01). Een Europese Green Deal - het eerste klimaatneutrale continent worden. Opgehaald van ec.europa.eu: https://ec.europa.eu/info/strategy/priorities-2019-2024/european-green-deal_nl

17 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

energiebesparing, duurzame opwekking, schone technologieën en klimaatbeleid. Ze leiden tot een betaalbare en schone energievoorziening, werkgelegenheid en kansen voor Nederland in de markten voor schone technologie. Klimaatwet De Klimaatwet legt het streefdoel van 49 % reductie van CO2-uitstoot in 2030 en 95 % reductie in 2050 ten opzichte van 1990 wettelijk vast. Ieder kabinet is hier dus aan gebonden, totdat de wet wordt aangepast. De Klimaatwet gaat niet over de inhoudelijke maatregelen om CO2-reductie te realiseren. Die maatregelen zijn in het Klimaatakkoord afgesproken met maatschappelijke partijen. Klimaatakkoord De Nederlandse CO2-reductieopgave voor 2050 komt voort uit het internationale Verenigde Naties Klimaatakkoord van Parijs (Parijs, 2015). In 2017 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het internationale Klimaatakkoord, waardoor de opgave voor 2050 wettelijk is vastgelegd. De huidige doelstellingen voor de energietransitie komen voort uit de Europese Klimaatwet (Fit-for-55, 2021): 1 emissies van broeikasgassen liggen in 2030 55 % lager dan in 1990; 2 klimaatneutraliteit in 2050. In het nationale Klimaatakkoord (2019) 1 is uitgewerkt hoe Nederland de doelstellingen wil bereiken. Het nationale Klimaatakkoord vormt het kader voor de Regionale Energiestrategie (RES).

In de RES wordt op regionaal niveau (in 30 regio’s) de strategie vastgelegd voor de omschakeling van een maatschappij die draait op voornamelijk fossiele energie naar een fossielvrije energievoorziening. De RES (zie paragraaf 2.3) moet bijdragen aan het realiseren van de doelstelling om 35 TWh (Terawattuur)2 aan elektriciteit op land op te wekken per 2030, of eerder indien mogelijk. Met de RES worden decentrale overheden in staat gesteld een goed plan met maatschappelijke acceptatie op te stellen. Hierbij verkennen provincies, gemeenten, waterschappen, netbeheerders en - in de meeste gevallen - burgers gezamenlijk de (on)mogelijkheden voor duurzame elektriciteit, meestal in de vorm van wind- of zonne-energie. Verhoging doelstellingen In het licht van de verhoogde doelstelling van 55 % CO2-reductie in 2030 en de mogelijk stijgende elektriciteitsvraag zullen het Rijk en de medeoverheden bespreken of de doelstelling van 35 TWh herijkt dient te worden. Dit zal worden bezien in samenhang met het Nationaal Plan Energiesysteem (2050) en de vraagontwikkeling (op basis van de input van de werkgroep ‘extra opgave’). Het Rijk en de medeoverheden streven ernaar om in het najaar van 2022 meer duidelijkheid te hebben over de herijking van de doelstelling met aandacht voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden.

In een kamerbrief van 2 juni 2022 (kenmerk: DGKE-K / 22219034) heeft de Minister voor Klimaat en Energie aangegeven dat zowel in het licht van het Urgenda-vonnis als de realisatie van de 55 % reductie in 2030, een versnelling van de emissiereductie noodzakelijk. Om met voldoende zekerheid het aangescherpte doel van 55 % reductie in 2030 te realiseren, wil het kabinet zich bij de uitwerking van het klimaatbeleid richten op 60 % emissiereductie, zodat ook bij tegenvallers de 55 % reductie niet in het geding is. De besluitvorming over de aanscherping van het beleidsprogramma vindt plaats in het voorjaar van 2023. Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid kiest in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)3 bij het realiseren van de opgave van duurzame energie voor de kwaliteit van de omgeving en het combineren van functies. Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) heeft de voorkeur. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem, én 1

Zie: https://www.klimaatakkoord.nl/.

2

Een Terawattuur staat gelijk aan 1 miljard Kilowattuur (kWh). Ter referentie: een Nederlands huishouden verbruikt jaarlijks circa 3.500 kWh aan elektrische energie. Bron: https://www.klimaatakkoord.nl/elektriciteit/vraag-en-antwoord/eenheden-vanenergie-en-vermogen.

3

Zie: https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/.

18 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Daarnaast is de voorwaarde dat bewoners betrokken zijn, invloed hebben en meeprofiteren in de opbrengsten. Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt Omgevingswet naar verwachting in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Wanneer de RES 2.0 wordt vastgelegd in een programma geldt een plan-m.e.r.-plicht zodra het programma ‘kaderstellend’ is voor m.e.r.-plichtige besluiten (zie paragraaf 2.1). Het begrip ‘kaderstellend’ moet ruim worden uitgelegd. Een programma is al kaderstellend als het ‘de toon zet voor’ vervolgbesluitvorming. Voor een RES is het hierbij van belang of het document (indicatieve) criteria of voorstellen bevat voor ruimtelijke keuzes, omvang of wijze van uitvoering van energieprojecten. In dit geval worden er zoekgebieden vastgelegd in de RES 2.0, waarmee de RES 2.0 een kaderstellend plan is.

3.3

Provinciaal

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De provincie Gelderland wil in 2050 volledig klimaatneutraal zijn. In 2030 wil de provincie een broeikasgasreductie van 55 % in Gelderland. Dit bereikt de provincie door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. De provincie stimuleert innovatie en het uitrollen van bewezen technieken. De provincie streeft naar een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten. Voor het opwekken, opslaan en transporteren van duurzame energie is ruimte nodig; veel ruimte. Windturbines, zonnevelden, warmtecentrales, (mest-)vergisters, waterkrachtcentrales moeten een plek krijgen in het Gelderse landschap, wil de provincie haar ambitie halen. Dit raakt de leefomgeving van alle Gelderlanders en kan conflicteren met andere Gelderse kwaliteiten – zoals de natuur, het rivierenlandschap met de uiterwaarden en het erfgoed.

Afbeelding 3.1 Visieschets voor het gesprek over energietransitie (bron: omgevingsvisie Gaaf Gelderland)

19 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Beleidslijn windenergie Als bijlage bij de Omgevingsvisie is de beleidslijn windenergie opgenomen. Deze is vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van Gelderland op 26 februari 2019. Deze beleidslijn verduidelijkt de bedoeling van de provincie met de Visieschets (afbeelding 3.1) voor het gesprek over Energietransitie. De beleidslijn beschrijft hoe en waar de provincie windturbines gerealiseerd wil zien. Dit beleid verwoordt de hiervoor geldende provinciale benadering. Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingswet en de omgevingsvisie Gaaf Gelderland vragen om een nieuwe omgevingsverordening die helemaal voldoet aan de eisen, taal en bedoelingen van de Omgevingswet. Op 21 december 2022 is de Omgevingsverordening geconsolideerd vastgesteld. In de Omgevingsverordening wordt op hoofdlijnen onderscheid gemaakt tussen de opwek van grootschalige windenergie en zonne-energie. Windenergie In paragraaf 2.7.1 van de Omgevingsverordening zijn de ‘Instructieregels windturbines’ opgenomen.

Artikel 2.62 stelt dat een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt, aandacht besteedt aan: - de ruimtelijke kenmerken van het landschap; - de maat, schaal en inrichting in het landschap; - de visuele interferentie met een nabijgelegen windturbine of windturbines; - de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; - de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap. Met betrekking tot windturbines in Gelders natuurnetwerk (GNN) volgt uit artikel 2.39 dat nieuwe ontwikkelingen alleen zijn toegestaan als er geen nadelige gevolgen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het GNN. Nieuwe activiteiten binnen Groene ontwikkelingszones (GO) (artikel 2.52) zijn alleen toegestaan als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in de bijlage ‘Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone’, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. In artikel 1a.3 zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot afwijkruimte van de instructieregels. Voor weidevogelgebieden geldt op basis van artikel 2.51a dat een nieuw bestemmingsplan in ieder geval windturbines niet toestaat. Hier kan middels de bepalingen in artikel 1a.2 niet van worden afgeweken.

De bepalingen in artikel 1a.3 ten aanzien van afwijkruimte van de instructieregels voor windturbines in GO en GNN zijn de volgende: - er is sprake van een groot openbaar belang; - er zijn geen reële alternatieve locaties beschikbaar; - er worden tijdig effectieve compenserende maatregelen getroffen met het oog op de betrokken provinciale belangen. Als groot openbaar belang wordt onder andere de duurzame opwekking van energie beschouwd, voor zover dit een significante bijdrage levert aan de regionale, provinciale of landelijke energiedoelstelling. Wel geldt dat er compensatie plaats dient te vinden van hetgeen bepaald is in afdeling 2.6 (natuur en landschap) van de omgevingsverordening. De overblijvende effecten dienen gelijkwaardig te worden gecompenseerd in overeenstemming met paragraaf 2.6.2. Voor de instructieregels ter bescherming van het GNN (onder andere artikel 2.39) geldt dat alleen afgeweken kan worden als er geen reële alternatieven zijn. Dit wijkt af van de bepaling met betrekking tot alternatieve locaties, waarbij gekeken dient te worden naar alternatieve locaties.

Artikel 2.42 biedt de volgende afwijkingsruimte specifiek voor windturbines: - voor een locatie binnen het gebied dat is aangeduid als Gelders natuurnetwerk, zijn windturbines onder voorwaarden mogelijk als de compensatie voor windturbines en omliggende verharding bestaat uit maatregelen waarbij: · de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage ‘Gelijkwaardige natuurbeheertypen’; · de oppervlakte aan natuur die verloren gaat voor 200 % wordt gecompenseerd;

20 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

-

de initiatiefnemer legt de wijze van compensatie van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.

Zonnevelden Voor zonnevelden zijn de hierboven genoemde voorwaarden eveneens van toepassing (met uitzondering van artikel 2.42 en 2.62). In aanvulling hierop zijn in paragraaf 2.7.4 de ‘Instructieregels zonnevelden in het buitengebied’ opgenomen. Artikel 2.65a (gebieden of locaties voor zonnevelden) stelt het volgende: - als een bestemmingsplan zonnevelden in het buitengebied mogelijk maakt, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik rekening gehouden met: · de bijdrage van zonne-energie aan de lokale energiebehoefte; · de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied en op daken van gebouwen in die behoefte te voorzien; · de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van gebieden of locaties waar zonnevelden mogelijk zijn en de wijze waarop deze kwaliteit behouden of blijvend versterkt kan worden; · de samenhang met het omringende landschap; · de consequenties voor het elektriciteitsnet; en · het huidige grondgebruik; - het bestemmingsplan verzekert een gebruikstermijn van maximaal 30 jaar en dat na beëindiging van het gebruik het zonneveld wordt verwijderd; - het bestemmingsplan bepaalt in welke mate de bij aanleg en gebruik van een zonneveld gerealiseerde versterking van de ruimtelijke kwaliteit na verwijdering van het zonneveld in stand wordt gehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met in ieder geval de bepalingen uit artikel 2.39 en 2.51a.

Geconcludeerd kan worden dat er mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden binnen enkele aangewezen natuurgebieden en landschappen (niet van toepassing voor weidevogelgebieden). Hiervoor dient echter wel voldaan te worden aan de strikte voorwaarden zoals gesteld in artikel 1a.3. Warmte vanuit boringsvrije zones Rondom waterwingebieden ligt een beschermingszone: het grondwaterbeschermingsgebied. De bodem wordt hier extra beschermd door maatregelen, regels en beleid. In boringsvrije zones mogen kleilagen die het onderliggende grondwater beschermen niet worden doorboord. Dit is vastgesteld in de Provinciale milieuverordening Gelderland (PmG). Ook is het verboden de bodem te gebruiken als energiebron (voor bijvoorbeeld de opslag van koud of warm water). Gedeputeerde Staten kunnen hiervoor ontheffing verlenen. In de ontheffingsvoorschriften staat dat de kleilaag niet mag worden beschadigd en dat het gebruik van stoffen het grondwater niet mag verontreinigen. In waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden geldt ook een verbod op het gebruik van de bodem als energiebron. Hier kan geen ontheffing voor worden afgegeven. De provincie en haar partners streven ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Op 5 juli 2022 heeft de provincie Actualisatieplan 9 Omgevingsverordening vastgesteld.

Hieruit volgen twee gebieden in het plangebied die zijn aangewezen als kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. Ten aanzien van windturbines en zonnevelden is hierover het volgende opgenomen: Voor de aanleg van windturbines is een diepe fundering nodig. Wanneer dieper dan 10 m onder maaiveld (in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) of 30 m onder maaiveld (in minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) wordt geheid of geboord, gaan er algemene regels gelden. Als aan deze regels wordt voldaan, zijn funderingen voor windmolens toegestaan. Funderingen voor zonnevelden zullen niet meer dan 10 m diep gaan. Voor de aanleg zal daarom geen melding voor grondwerkzaamheden nodig zijn. Wel gelden de algemene regels voor het op of in de bodem brengen van afstromend water voor zonnevelden groter dan 1 hectare. Regen die van de zonnepanelen afstroomt kan verontreinigd worden doordat het materiaal van de zonnepanelen en de bijbehorende constructie langzaam oplost (uitloging). Stoffen uit de zonnepanelen komen daardoor in de bodem en het grondwater terecht. Daarom is het van belang om materialen te kiezen die niet oplossen in het regenwater.

21 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

In de minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden is bodemenergie toegestaan boven de diep gelegen kleilaag. Onder en in deze kleilaag en in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden is bodemenergie verboden vanwege de risico’s voor de grondwaterkwaliteit. Geothermie is in alle drinkwaterreserveringsgebieden verboden. Deze verboden gelden niet voor al bestaande installaties. Koers Ruimte en leefomgeving De druk op de ruimte en leefomgeving van Gelderlanders neemt toe. Er is steeds minder ruimte, terwijl er steeds meer opgaven zijn. Daarom wil de provincie de schaarse ruimte zo goed mogelijk inrichten. Zij gebruikt hiervoor de Koers Ruimte en Leefomgeving (provincie Gelderland, 2021). Dat is een werkwijze voor het maken van slimme ruimtelijke keuzes door samen met betrokkenen per gebied te kijken naar wat er kan en wat er nodig is. Gelders Klimaatplan 2021 - 2030 In de omgevingsvisie Gaaf Gelderland en in het huidige coalitieakkoord (provincie Gelderland, 2019) geeft de provincie aan dat zij gaat voor een broeikasgasreductie van 55 % in 2030 ten opzichte van 1990. Het Gelders Klimaatplan 2021 - 2030 (provincie Gelderland, 2022) bevat de maatregelen hoe de provincie dat wil gaan bereiken. Een optelling van de biedingen uit de 6 RES’en leidt tot 6,5 TWh. In RES 2.0 en verder zal de realiteitswaarde van de biedingen blijken, omdat de plannen dan concreter worden uitgewerkt.

Als in de praktijk blijkt dat niet alle locaties daadwerkelijk ontwikkeld kunnen worden, verwacht de provincie dat alternatieven nodig zijn. Dit kan door op zoek te gaan naar nieuwe locaties, ofwel door te zoeken naar extra CO2-reductie binnen andere domeinen om de doelen voor 2030 te halen. Beleidslijn windenergie Gelderland In 2014 is de Beleidslijn windenergie Gelderland vastgesteld. De Beleidslijn windenergie geeft aan hoe provincie Gelderland haar op Rijksniveau afgesproken doelstelling voor windenergie, de realisatie van 230,5 megawatt (MW) opgesteld vermogen in 2020, gaat invullen. Uit een Factsheet van het Gelders Energieakkoord1 blijkt dat er in april 2022 78 windturbines staan met een opgesteld vermogen van 234 MW. De doelstelling uit 2014 is hiermee dus behaald. Inmiddels is de doelstelling vanuit het Rijk verhoogd en werkt Gelderland aan een herijking van de Beleidslijn windenergie. Op het moment van schrijven van dit planMER wordt een planMER opgesteld voor de provinciale visie op windenergie. Met de provincie is afgesproken dat de resultaten van dit planMER integraal worden overgenomen in het provinciale planMER.

3.4

Regionaal

Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Regio Arnhem-Nijmegen De RES 1.0 voor de GMR Arnhem-Nijmegen is in 2021 vastgesteld door de bevoegde gezagen. In de RES 1.0 heeft de regio samen met maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners de mogelijkheden onderzocht voor het opwekken van duurzame elektriciteit op land en het gebruik van warmtebronnen. De RES 1.0 gaat over de opwekking van duurzame elektriciteit via windturbines, zonnevelden en zon op grote daken (>15 kWP), de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de benodigde opslag en energie infrastructuur. Voor de keuzes die gemaakt zijn in de RES is een afwegingskader opgesteld (afbeelding 3.2). De criteria binnen dit afwegingskader zijn de ruimtelijke kwaliteit in relatie tot de opgave, het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, de energieopbrengst en kostenefficiëntie (systeemefficiëntie) van de maatregelen. Er is ook gekeken naar kansen om de energieopgave te combineren met andere geplande of gewenste ingrepen in het landschap, de zogenaamde integraliteit (koppelkansen). Tot slot is de kansrijkheid van grootschalige opwekking van zon- en windenergie getoetst aan belemmerend beleid rond bijvoorbeeld natuur, defensie, veiligheid, landschap en cultuurhistorie.

1

GEEA Factsheet Windenergie 2022, geraadpleegd op 21-11-22 via https://www.geldersenergieakkoord.nl/.

22 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Afbeelding 3.2 Afwegingskader RES 1.0

De regio draagt met 1,62 TWh bij aan de landelijke ambitie van 35 TWh opwekking via onder andere zonnevelden, grootschalig zon op dak en windturbines. De basis is de inzet op de mogelijkheden van zonnepanelen op grote daken. Daar is 0,49 TWh aan opgesteld vermogen voorzien. Binnen de regionale zoekgebieden gaat het om 0,93 TWh aan vermogen door zonnevelden en windturbines en buiten regionale zoekgebieden nog eens 0,20 TWh (afbeelding 3.3).

Afbeelding 3.3 Bod RES 1.0 verdeeld per locatie

Op het niveau van de RES 1.0 is ook gekeken naar de gebieden in de regio waar de ontwikkeling van grote warmtenetten kansrijk is. Rond deze bovenlokale (of soms zelfs bovenregionale) warmtebronnen zal de komende jaren een structureel gesprek plaatsvinden met alle betrokken partijen, om af te stemmen op welke wijze deze bronnen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet om de warmtetransitie te doen slagen. Uiteindelijk is de RES 1.0 vastgesteld met daarin de zoekgebieden voor de realisatie van windturbines en zonnevelden (afbeelding 3.4).

23 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Afbeelding 3.4 Bod RES 1.0 regionale zoekgebieden

3.5

Gemeentelijk

De regio bestaat uit zestien gemeenten met ieder haar eigen beleid. In dit planMER wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor grootschalige opwek van duurzame elektriciteit en de toepassing van warmtetechnieken. Het is dus expliciet de bedoeling dat op regionaal schaalniveau wordt gezocht naar mogelijkheden vanuit milieuoogpunt, waarbij bestaand ruimtelijk beleid niet op voorhand als belemmerend moet worden beschouwd. Er is daarom niet expliciet rekening gehouden met ieder beleidsstuk van alle gemeenten. Wel zijn de Omgevingsvisies en de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen beschouwend bekeken, maar niet specifiek leidend. In hoofdstuk 4 is aandacht voor de autonome ontwikkelingen in de verschillende gemeenten. Gemeentelijke omgevingsvisies De omgevingsvisies van de gemeenten in de regio zijn kaderstellend voor de ontwikkelingen binnen de gemeente. De Omgevingsvisie is één van de instrumenten uit de Omgevingswet. Deze nieuwe wet gaat naar verwachting in op 1 januari 2024. Er is daarom alleen beschouwend gekeken naar de omgevingsvisies binnen de gemeenten. Er is niet gekeken naar bijvoorbeeld (veelal verouderde) structuurvisies. Tabel 3.1 toont een beknopt overzicht van de Omgevingsvisies binnen de regio Arnhem-Nijmegen. Daarnaast heeft iedere gemeente in de regio een Transitievisie Warmte vastgesteld.

Hierin maken de gemeenten het tijdspad voor de warmtetransitie inzichtelijk: wanneer kunnen welke wijken of buurten van het aardgas worden afgekoppeld?

24 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Tabel 3.1 Overzicht van de omgevingsvisies van de gemeenten binnen de GMR Gemeente

Omgevingsvisie

Beschrijving

Voortgang

Arnhem

Omgevingsvisie Arnhem 2040

de Omgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving van Arnhem. Het geeft een beeld van Arnhem in 2040 als een groene, vitale stad met ruimte voor meer inwoners en bedrijvigheid. In de Omgevingsvisie zijn de opweklocaties voor wind en zon en het zoekgebied zon uit de RES 1.0 opgenomen

ontwerp ter inzage (november 2022)

Berg en Dal

Omgevingsvisie Berg en Dal

de gemeente Berg en Dal is op dit moment een koersdocument aan het opstellen om oplossingen voor de vraagstukken te zoeken en de visie op hoofdlijnen te bepalen. Het huidige beleid is opgenomen in het ruimtelijke visie duurzame energieopwekking 2019

voorbereiding

Beuningen

Omgevingsvisie Beuningen 2040

de Omgevingsvisie richt zich op 5 ambities, waaronder een energieneutraal en klimaatbestendig Beuningen. De gemeente faciliteert de energietransitie: verduurzaming van de energiebronnen en bijbehorende infrastructuur (duurzame opwekking van energie: windenergie, zonne-energie et cetera)

vastgesteld in december 2021

Doesburg

nader te bepalen

nader te bepalen

nader te bepalen

Druten

Omgevingsvisie Druten 2035

in de omgevingsvisie legt de gemeente vast hoe de gemeente ook in 2035 een fijne plek is om te wonen, werken, leven en genieten

voorbereiding opstellen concept

Duiven

Omgevingsvisie Duiven

in de Omgevingsvisie benoemt de gemeente dat het in 2050 energieneutraal wil zijn. De realisatie van grootschalige opwek van hernieuwbare energie (zon en wind) is hiervoor nodig. Het uitgangspunt is dat de gemeente Duiven een bijdrage levert aan de versnelling van de energietransitie, passend bij de maat en ruimtelijke kwaliteiten van de gemeente. In de Omgevingsvisie zijn expliciet de zoekgebieden wind en zon aangewezen die in de gemeente Duiven vallen binnen het zoekgebied WZ5 van de RES 1.0 regio Arnhem Nijmegen

vastgesteld in februari 2022

Heumen

Omgevingsvisie Heumen

de Omgevingsvisie verwoordt de doelstellingen en ambities van de gemeente Heumen ten aanzien van de fysieke leefomgeving voor de komende 10 jaar

voorbereiden opstellen concept

Lingewaard

Omgevingsvisie Lingewaard

de Omgevingsvisie Lingewaard ligt ter inzage. Hierin staat onder andere benoemd dat de gemeente een positieve houding heeft ten opzichte van initiatieven voor windmolens. De A15zone is een kans voor de ontwikkeling van duurzame opwek van energie

vaststelling verwacht medio 2023

25 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Gemeente

Omgevingsvisie

Beschrijving

Voortgang

Nijmegen

Omgevingsvisie 2020 - 2040

in de Omgevingsvisie staan uitgangspunten voor het gebruik van de ruimte in Nijmegen. Het doel is om uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. In de Omgevingsvisie is een kaart opgenomen waarbij gebieden voor potentiële windturbines en zonnevelden zijn aangewezen

vastgesteld in oktober 2020

Overbetuwe

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040

de omgevingsvisie is een integrale en toekomstbestendige koers voor de leefomgeving in Overbetuwe. Er wordt benoemd dat de gemeente inzet op clustering van grootschalige opwek in de zone rondom de A15 en de Betuweroute en dat hier ruim 500 TJ aan duurzame stroom gaat worden opgewekt

vastgesteld in oktober 2019

Rheden

Omgevingsvisie Rheden

de Omgevingsvisie Rheden wordt op dit moment opgesteld. Naar verwachting wordt deze eind 2024 vastgesteld

voorbereiding

Renkum

Omgevingsvisie Renkum 2040

in de Omgevingsvisie Renkum 2040 is de RES 1.0 verwerkt. De gemeente zet in op zon op dak en zonnevelden. Windenergie is hierbij tot 2030 niet in beeld

vastgesteld in januari 2022

Rozendaal

Omgevingsvisie Rozendaal

inhoud nog niet bekend

voorbereiding

Westervoort

Omgevingsvisie Westervoort

Westervoort wil in de toekomst een duurzaam thuis, een gezonde, sociale en veilige omgeving, een vitale economie en een goede bereikbaarheid voor haar inwoners realiseren. De gemeente wil bijdragen aan de RES. De gemeente Westervoort werkt mee aan alle RESopgaven. Noch in de RES 1.0, noch in de Omgevingsvisie Westervoort zijn er mogelijkheden opgenomen voor zoekgebieden voor de grootschalige opwek van wind- en zonne-energie

vastgesteld in september 2021

Wijchen

Omgevingsvisie Wijchen

de gemeente zit in de voorbereidende fase voor de Omgevingsvisie. De centrale hierbij zal zijn: hoe zet de gemeente Wijchen eruit in 2035?

voorbereiding

Zevenaar

Omgevingsvisie Zevenaar

de omgevingsvisie voor Zevenaar is de strategische, integrale lange termijnvisie (2040) voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie zit in de voorbereidende fase

voorbereiding

3.6

Wetgeving en beleid voor wind- en zonne-energie

Bovenstaande paragrafen beschrijven op hoofdlijnen de wettelijke kaders en beleidskaders die van toepassing zijn voor de ontwikkeling. Daarnaast is ook milieuwetgeving van toepassing op de voorgenomen ontwikkelingen. In bijlage II is per milieuthema de relevante wetgeving en het beleid beschreven en toegelicht. Hierbij wordt opgemerkt dat nationale en provinciale kaders, bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en de provinciale Omgevingsverordening, kunnen veranderen tot aan de vaststelling van het RES 2.0. Hoewel zo goed als redelijkerwijs mogelijk wordt voorgesorteerd op eventuele wijzigingen, kunnen deze desondanks leiden tot andere uitgangspunten die in dit planMER niet zijn meegenomen.

26 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

4 REFERENTIESITUATIE Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de referentiesituatie van het plan- en studiegebied. Paragraaf 4.1 definieert het plan- en studiegebied. Paragraaf 4.2 beschrijft de huidige situatie per milieuthema. Ten slotte zijn in paragraaf 4.3 de autonome ontwikkelingen in het gebied beschreven. Het is hierbij van belang te benoemen dat de referentiesituatie zoals beschreven passend is bij het detail- en schaalniveau van dit regionale planMER. Er is geen rekening gehouden met lokale situaties, zoals bijvoorbeeld gemeentelijke monumenten of lokale afwateringen. De referentiesituatie is de situatie die in de toekomst ontstaat. Het bestaat uit de optelsom van de huidige situatie en de (effecten van) autonome ontwikkelingen. Het gebied zal zich dan ontwikkelen volgens vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder verdere realisatie van grootschalige wind- en zonne-energie. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de RES 1.0 geen autonome ontwikkeling is. In dit planMER zijn de effecten van de uitvoering van de zoekgebieden uit de RES 1.0 onderzocht als basisalternatief. Voor de overige alternatieven is het uitgangspunt dat de RES 1.0 niet wordt uitgevoerd. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=6a63673e-c8f1-4d1f-80a9-574c19acef4d