PlanMER - Hoofdrapport
Tekst van het document
6.1
Ingreep-effectrelaties
De realisatie van wind en zon op land heeft effecten op verschillende milieuaspecten. Een ingreepeffectrelatie beschrijft welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn door de realisatie van windturbines of zonnevelden. De verschillende onderdelen worden hieronder toegelicht. Tabel 6.1 laat vervolgens de algemene ingreep-effectrelaties voor windenergie en zonne-energie zien. Deze ingreep-effectrelaties zijn passend bij het schaalniveau van het planMER. Per milieuthema zijn deze ingreep-effectrelaties verder gespecificeerd. De ingreep-effectrelaties van de benodigde energie-infrastructuur en niet-maatgevende effecten zijn niet beschouwd. Dit is geen onderdeel van dit planMER en zal op projectniveau verder onderzocht en uitgewerkt moeten worden. Windturbines Locaties voor wind op land bestaan uit langdurige1, fysieke componenten en tijdelijke componenten.
Hierbij gaat het om de volgende componenten: - één (bij realisatie nabij bestaande windturbines) of meerdere windturbines, variërend in omvang en vermogen; - parkbekabeling om de opgewekte elektriciteit van de windturbine(s) te verzamelen; - een inkoopstation waar vanuit de opgewekte elektriciteit op het openbare elektriciteitsnet van de netbeheerder wordt gebracht; - toegangswegen en om de bereikbaarheid van de winturbines tijdens de gebruiksfase te borgen; - opstelplaatsen voor kranen voor de bouw van de windturbines2; - bouwwegen voor de aanvoer van de windturbines, parkbekabeling en het inkoopstation2. Voor de fundering van windturbines worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot circa 5 m-mv. Heipalen voor de fundering komen tot circa 30 m-mv. De oppervlakte van de fundering van de 120 m windturbine is geschat op 625 m2 (25 x 25 m). Voor de 166 m windturbine is deze ingeschat op 900 m2 (30 x 30 m). De effecten van de aanleg van kabels voor de aansluiting op het openbare elektriciteitsnet worden niet onderzocht, omdat de effecten naar verwachting alleen zeer lokaal optreden. Hiermee sluiten deze niet aan bij het detail- en schaalniveau van dit regionale planMER. 1
In dit planMER wordt gesproken over langdurige effecten als de effectduur langer is dan de aanlegfase. Het kan daarbij gaan om permanente effecten, maar ook over tijdelijke effecten die na een (aantal) jaren weer afnemen.
2
Per windturbinepark zal moeten worden bepaald of deze onderdelen permanent blijven bestaan of niet. Voor het planMER wordt dit beschouwd als permanent effect. De effecten van bouwwegen, parkbekabeling en het inkoopstation zijn niet separaat onderzocht in dit planMER, omdat dit niet past bij het detailniveau van het planMER. Op projectniveau dient dit verder uitgewerkt te worden.
69 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Zonnevelden Locaties voor zon op land bestaan uit langdurige, fysieke componenten en tijdelijke componenten, namelijk: - de zonnepanelen, inclusief onderconstructie waar de panelen op zijn gemonteerd; - parkbekabeling om de opgewekte elektriciteit van de zonnepanelen te verzamelen; - een omvormstation waar de gelijkstroom wordt omgezet naar wisselstroom. Vanuit hier wordt de elektriciteit op het openbare elektriciteitsnet van de netbeheerder gebracht. Zonnevelden hebben een fundering van circa 30 cm diep die voornamelijk met pinnen in de grond wordt gezet. De effecten van de aanleg van kabels voor de aansluiting op het openbare elektriciteitsnet worden niet onderzocht in dit planMER, omdat de effecten naar verwachting alleen zeer lokaal optreden. Hiermee sluiten deze niet aan bij het detail- en schaalniveau van dit regionale planMER. Dit geldt tevens voor de tijdelijke effecten voor de aanleg van zonnevelden, tenzij deze effecten een langdurige doorwerking kennen.
Tabel 6.1 Ingreep-effectrelaties wind- en zonne-energie Techniek
Milieuaspect
Effect
Criterium
windenergie ingraven of inheien van fundering aanleg kabels bemaling aanleggen verharding oprichting windturbine(s) geluidproductie draaien windturbinebladen
natuur
verstoring of vernietiging beschermde gebieden en soorten
-
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebieden effecten op beschermde soorten Wnb effecten op overige natuurgebieden
bodem
verslechtering van de bodemkwaliteit en veroorzaken zettingen
-
invloed op de bodemkwaliteit risico op zettingen
landschap
aantasting van landschappelijke waarden en structuren
-
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken invloed op landschapstype en landschapsstructuur
cultuurhistorie
aantasting van cultuurhistorische waarden
-
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
archeologie
verstoring of vernietiging van archeologische waarden
-
invloed op bekende archeologische waarden invloed op verwachte archeologische waarden
geluid
geluidhinder op omliggende woningen
-
invloed op geluidsgevoelige bestemmingen binnen geluidscontouren
gezondheid
effecten op de gezondheid van omwonenden
-
invloed op gezondheid bewoners gevoelige objecten
slagschaduw
slagschaduw op omliggende woningen
-
invloed op kwetsbare objecten
veiligheid
risico op een ongeval door omvallen of bladbreuk van een windturbine
-
invloed op kwetsbare objecten
risico op aanvaring met vliegverkeer en hinder (defensie)radar
-
invloed op luchtvaartveiligheid invloed op (defensie)radar
kans op doorboring scheidende kleilagen met fundering windturbines en risico
-
risico op verzilting invloed op waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden
grondwater
70 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
-
-
Techniek
Milieuaspect
Effect
Criterium
op omhoog trekken van zout grondwater door bemaling
zonne-energie ingraven of inheien van fundering aanleg kabels aanleggen verharding oprichting zonnevelden inclusief hekwerk geluidproductie transformatorhuis landschappelijke inpassing
ruimtegebruik
oppervlakteverlies voor andere gebruiksfuncties
-
invloed op ruimtegebruik
natuur
verstoring of vernietiging beschermde gebieden en soorten
-
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebieden effecten op beschermde soorten Wnb effecten op overige natuurgebieden
-
bodem
verslechtering van de bodemkwaliteit
-
invloed op de bodemkwaliteit
landschap
aantasting van landschappelijke waarden en structuren
-
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken invloed op landschapstype en structuur
cultuurhistorie
aantasting van cultuurhistorische waarden
-
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
archeologie
verstoring of vernietiging van archeologische waarden
-
invloed op bekende archeologische waarden invloed op verwachte archeologische waarden
oppervlakteverlies voor andere gebruiksfuncties
-
ruimtegebruik
-
-
invloed op ruimtegebruik
Positieve milieueffecten niet onderzocht Naast de effecten die hierboven benoemd zijn, zorgt de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden ook voor de opwek van duurzame elektriciteit. Deze elektriciteit draagt bij aan het verder elektrificeren van het energieverbruik in Nederland en kan het gebruik van fossiele bronnen verminderen. Dit heeft een positieve invloed op de uitstoot van CO2 en draagt bij aan een verbeterde luchtkwaliteit. Hoewel dit een positief milieuaspect is, wordt in dit planMER niet de milieuwinst ten aanzien van verminderde CO2-uitstoot onderzocht. Dit past niet bij het detailniveau van het planMER, waarbij onderzocht wordt welke milieueffecten optreden bij de opwek van grootschalige duurzame energie. Er wordt in dit planMER niet onderzocht waar en door wie de opgewekte energie gebruikt gaat worden. Wel wordt inzicht gegeven in de potentiële energieopbrengst van de onderzochte gebieden (zie hoofdstuk 5). Daarnaast worden ook eventuele positieve effecten door bijvoorbeeld financiële participatie niet onderzocht in dit planMER.
6.2
Beoordelingskader wind- en zonne-energie
Deze paragraaf toont het beoordelingskader voor wind- en zonne-energie. De ingreep-effectrelaties (zie paragraaf 6.1) vormen de basis voor de invulling van het beoordelingskader. Uitgangspunt voor dit planMER is dat de effectanalyses en -beoordelingen beslisinformatie leveren voor de besluitvorming over: - toe te passen opwektechnieken (zon of wind); - de zoekgebieden voor grootschalige opwek.
71 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Maatgevende en niet-maatgevende criteria Niet alle criteria uit de ingreep-effectrelaties dragen bij aan de benodigde beslisinformatie op regionaal schaalniveau. Daarom maakt het beoordelingskader onderscheid tussen: - maatgevende criteria: de maatgevende criteria worden beschreven en beoordeeld, omdat deze inzicht geven in onderscheidende effecten die bijdragen aan de locatiekeuze of keuze voor wind of zon. Dit zijn de maatgevende criteria die bijdragen aan de besluitvorming over locaties en techniek op regionaal niveau; - niet-maatgevende criteria: de niet-maatgevende criteria worden enkel beschreven, omdat deze criteria bijvoorbeeld inzicht geven in locatie specifieke aandachtspunten die relevant zijn voor de nadere uitwerking van projecten of veelal te mitigeren zijn. De criteria zijn in deze fase van het proces voor de RES 2.0 minder sterk van invloed op de keuze voor windturbines of zonnevelden en de locatie. Hiermee passen ze niet bij het detail- en schaalniveau van het planMER. De niet-maatgevende criteria zijn opgenomen in paragraaf 6.4. Bij de ontwikkeling van concrete projecten kunnen deze niet-maatgevende criteria wel van belang zijn voor de beoordeling van de effecten. Uitgangspunten beoordelingskader Bij het opstellen van het beoordelingskader zijn verder de volgende uitgangspunten gehanteerd: - in dit planMER zijn alleen langdurige effecten onderzocht.
Dit zijn effecten met een langere doorwerking dan de tijdelijke effecten die door de aanlegwerkzaamheden worden veroorzaakt; - bij de alternatievenontwikkeling is een aantal gebieden bij voorbaat uitgesloten (de zogenaamde harde belemmeringen). Deze onderdelen komen daarom niet terug in het beoordelingskader: ꞏ overlap met bebouwing; ꞏ overlap met infrastructuur (weg, spoorweg, vaarweg); ꞏ overlap met (bekende) bestaande kabels en leidingen. Sommige aspecten en criteria zijn enkel van toepassing op of windenergie ofwel zonne-energie. Dit is tussen haakjes aangegeven bij het aspect of het criterium. Tabel 6.2 laat het beoordelingskader voor wind- en zonne-energie zien. Aansluitend is voor de maatgevende criteria een nadere toelichting opgenomen in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 is nader toegelicht waarom enkele criteria als niet-maatgevend zijn beschouwd.
Tabel 6.2 Beoordelingskader wind- en zonne-energie Aspect
Criterium
Methode
(Niet-) maatgevend?
invloed op de bodemkwaliteit
GIS-analyse op basis van overzicht bodemverontreinigingen Arnhem-Nijmegen
niet-maatgevend
risico op zettingen
kwalitatieve analyse op basis van bodemtypen
niet-maatgevend
risico op verzilting
kwalitatieve quickscan
niet-maatgevend
invloed op waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
kwalitatieve quickscan
maatgevend
Bodem en water (relevant voor wind en zon) bodemkwaliteit
grondwater
Natuur (relevant voor wind en zon) beschermde soorten en habitattypen Natura 2000-gebied
effecten op Natura 2000-gebieden
72 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Aspect
Criterium
Methode
(Niet-) maatgevend?
overige beschermde soorten
effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming
kwalitatieve quickscan
maatgevend
GNN
effecten op GNN
kwalitatieve quickscan
maatgevend
overige beschermde gebieden
effecten op Groene Ontwikkelingszones (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden) en effecten op weidevogelgebieden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
invloed op landschapstype en -structuur
kwalitatieve quickscan
maatgevend
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen
kwalitatieve quickscan
maatgevend
cultuurhistorie
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
kwalitatieve quickscan
maatgevend
archeologie
aantasting van bekende archeologische waarden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
aantasting van verwachte archeologische waarden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
invloed op (beperkt) kwetsbare objecten
analyse indicatief bereik PR10-5 en PR10-6. Voor windenergie op basis van Handreiking risicozonering windturbines
maatgevend
invloed op andere risicobronnen
analyse aanwezige risicobronnen en daaruit volgende beperkingen
maatgevend
invloed op Defensie, radar en luchtvaart
analyse hoogtebeperkingen op basis van Viewer Hoogtebeperkingen Luchtvaart en Defensieradar
maatgevend
Landschap, cultuurhistorie en archeologie (relevant voor wind en zon) landschap
Veiligheid (relevant voor wind) externe veiligheid
Defensie, radar en luchtvaartveiligheid
Leefomgeving (relevant voor wind en zon) geluid (relevant voor wind en zon)
overschrijding geluidsnorm op geluidsgevoelige objecten (gebruiksfase)
kwantitatieve- en GIS-analyse geluidscontouren
maatgevend
geluid (relevant voor wind)
geluidgehinderden onder de norm van 47 dB Lden (gebruiksfase)
kwantitatieve- en GIS-analyse geluidscontouren
niet-maatgevend
gezondheid (relevant voor wind)
invloed op de gezondheidsscore van gevoelige objecten
kwalitatieve analyse
niet-maatgevend
slagschaduw (relevant voor wind)
invloed op kwetsbare objecten door slagschaduw
kwalitatieve analyse o.b.v. contouren slagschaduw
niet-maatgevend
GIS-analyse naar oppervlakteverlies
maatgevend
Gebruiksfuncties (relevant voor wind en zon) ruimtegebruik
invloed op ruimtegebruik
Herbeoordeling algemene normen geluid, slagschaduw en veiligheid door uitspraak Raad van State Op 30 juni 2021 heeft de Raad van State uitgesproken dat de algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling formeel moeten worden onderzocht. Op grond van het Europees recht moeten deze in Nederland gehanteerde normen met een milieubeoordeling opnieuw worden bepaald dan wel herzien. Tot afronding van deze milieubeoordeling, mogen in Nederland geen besluiten worden genomen over windturbineparken waarbij de geluids-, slagschaduw- en
73 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
veiligheidsonderzoeken zonder verdere onderbouwing zijn gebaseerd op de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Tijdelijke overbruggingsregeling en planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving Op 16 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijzigings-AmvB met tijdelijke overbruggingsregeling bestaande windturbineparken. In de AmvB is een tijdelijke overbruggingsregeling opgenomen met algemene milieuregels voor reeds bestaande, vergunde windturbineparken. De overbruggingsregeling is bedoeld voor de periode totdat nieuwe algemene milieuregels voor windturbines zijn vastgesteld op basis van een zorgvuldig proces waar het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving deel van uitmaakt. Het opstellen van het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving is gestart (NRD en reactienota zijn gepubliceerd 1). De overbruggingsregeling geldt alleen voor windturbineparken waarvoor op 30 juni 2021 al definitieve toestemmingen in het ruimtelijke spoor en het milieuspoor waren verleend. Voor nieuwe windparken gelden de Rijksregels voor windturbines in het Activiteitenbesluit door de uitspraak niet meer. Dit is nu juridisch vastgelegd in de overbruggingsregeling, die ook de vergelijkbare regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) buiten werking stelt.
De nieuwe, nog op te stellen regels voor windturbineparken treden volgens de voorlopige planning in werking nadat de Omgevingswet inwerking is getreden (naar verwachting op 1 januari 2024). Tot die tijd moet het bevoegd gezag voor nieuwe windparken voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning of een maatwerkbesluit. Uit de reactienota behorende bij de NRD voor het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving blijkt dat het planMER naast de 45 dB en 47 dB Lden normen, ook de 37, 40, 43 en 50 dB Lden normen onderzoekt. Daarnaast wordt er verwezen naar het onderzoek dat in gaat op afstandsnormen voor windturbines2. In het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving worden de resultaten van dit onderzoek meegenomen. Omdat het op dit moment onduidelijk is wat de nieuwe normen worden voor geluidhinder, slagschaduw en externe veiligheid, is gekozen om in het planMER uit te gaan van de ‘bestaande’ normen uit het Activiteitenbesluit. Hierbij geldt de kanttekening dat in het alternatief Leefomgeving (zie paragraaf 5.3.2) uitgegaan wordt van een grotere geluidshindercontour (700 m) rond kwetsbare objecten. Dit is passend bij het detailniveau van dit planMER en de omvang van het plangebied. In de verdere uitwerking van de zoekgebieden in de RES 2.0, middels bijvoorbeeld een projectMER zal in ieder geval nadere invulling worden gegeven aan de normen die op dat moment gelden.
Indien nodig kan een lokale afweging gemaakt worden.
6.3
Beoordelingsmethodiek maatgevende effecten
Het planMER voert een effectanalyse uit voor alle maatgevende criteria uit tabel 6.2. Daarnaast zijn de effecten op de maatgevende criteria ook beoordeeld op basis van een 4-punts beoordelingsschaal. Tabel 6.3 presenteert een generieke beoordelingsschaal voor de effectbeoordeling. De onderstaande paragrafen beschrijven de specifiek gemaakte beoordelingsschalen voor de effectbeoordeling en de onderzoeksaanpak per criterium. Generieke beoordelingsschaal Effecten op het milieu en de omgeving als gevolg van de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden zijn te verdelen in effecten tijdens de aanlegfase, de gebruiksfase (gebruik, onderhoud, reparaties) en de verwijderingsfase. De tijdelijke effecten zijn in het planMER niet onderzocht, tenzij de effecten langer duren dan de aanlegfase. Om de effecten van de windturbines en zonnevelden per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 6.3. Deze beoordelingsschaal is voor elk criterium nader gespecificeerd. Hierbij geldt dat een sterk negatieve (--) beoordeling alleen van toepassing is als zeker is dat ontwikkeling van windturbines en/of zonnevelden vanuit milieuperspectief niet haalbaar is in de periode tot 2030.
Daar waar geen effecten worden verwacht is een neutrale (0) beoordeling 1
https://www.platformparticipatie.nl/windturbinebepalingen/voornemen+windturbinebepalingen/default.aspx.
2
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/04/21/onderzoek-afstandsnormen-windturbines.
74 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
van toepassing. Indien effecten worden verwacht, maar deze naar verwachting relatief eenvoudig te mitigeren zijn volgt een licht negatieve (0/-) beoordeling. Bij effecten waarbij niet met zekerheid valt te beoordelen dat een locatie niet-haalbaar is, maar waarbij ook mitigerende maatregelen mogelijk niet voldoende zijn, volgt een negatieve (-) beoordeling. Voor de regio zit in de gebieden die niet als sterk negatief (--) zijn beoordeeld de afweging tussen de verschillende milieueffecten en de toe te passen energietechniek. Deze gebieden zijn geschikt (te maken) voor wind- en zonne-energie. Zoals benoemd in paragraaf 6.2 worden in dit planMER positieve milieueffecten niet onderzocht. Dit betekent niet dat er geen positieve effecten kunnen zijn. Op projectniveau kan onderzocht worden of er daadwerkelijk positieve effecten aanwezig zijn.
Tabel 6.3 Generieke beoordelingsschaal Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
er is geen of een zeer beperkt effect ten opzichte van de referentiesituatie
0/-
licht negatief effect
(beperkt) negatieve effecten, maar deze zijn naar verwachting goed te mitigeren
-
negatief effect
negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie, maar deze zijn mogelijk te mitigeren of compenseren
--
sterk negatief effect
sterk negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie die naar verwachting niet te mitigeren zijn
6.3.1
Bodem en water
Invloed op waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden De aanleg van windturbines en zonnevelden kan tot een negatief effecten op waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden leiden. De grondwaterkwaliteit kan namelijk negatief beïnvloed worden door diepe boringen en/of het lekken van schadelijke stoffen. Hierdoor kunnen verontreinigingen met lekstromen in het diepere grondwater komen. Voor de aanleg van de windturbines zullen grond- en funderingswerkzaamheden nodig zijn tot een diepte van circa 30 m. Voor zonnevelden is dit een diepte van 0,3 m. Gebieden als waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden, die sterk afhankelijk zijn van een goede kwaliteit van het grondwater, worden door wetgeving en beleid beschermd tegen negatieve effecten. Dergelijke beschermde gebieden liggen in het zoekgebied, zoals aangegeven in paragraaf 4.2.5. Daarnaast zijn er boringvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden in het plangebied. Voor de aanleg van funderingen op land is naar verwachting bemaling nodig. Dit kan eveneens invloed hebben op de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit. Dit is een tijdelijk effect op de grondwaterkwaliteit en is afhankelijk van de locatie goed te mitigeren, bijvoorbeeld door het toepassen van retourbemaling.
In de gebruiksfase hebben windturbines en/of zonnevelden geen effect op de grondwaterkwaliteit- en kwantiteit doordat geen gebruik wordt gemaakt van uitlogende materialen1. Dit effect wordt daarom niet beoordeeld in dit planMER. Waterwingebieden Volgens artikel 3.10 van de Omgevingsverordening Gelderland geldt voor waterwingebieden een verbod voor het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden dieper dan 2 m onder het maaiveld. In artikel 3.36 zijn voorwaarden opgenomen om een ontheffing te verkrijgen voor het uitvoeren van werkzaamheden dieper dan 2 m. Het wordt voor dit planMER niet waarschijnlijk geacht dat bij de ontwikkeling van windturbines kan worden voldaan aan de ontheffingsvoorwaarden uit artikel 3.36. Hiermee geldt dat de ontwikkeling van windturbines een sterk negatief effect heeft op waterwingebieden. De fundering van zonnevelden reikt minder diep dan 2 m. 1
Uitlogende materialen zijn metalen zoals zink, koper en lood, Wanneer deze in contact komen met (regen) water komen kleine metaaldeeltjes in het water of in de bodem terecht. Dit kan giftig zijn voor het leven in het water of in de bodem.
75 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones Voor grondwaterbeschermingsgebieden1 en boringvrije zones2 geldt een verbod voor het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden voor een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld. Dit staat in artikel 3.16 en 3.25 van de Omgevingsverordening. Er zijn mogelijkheden om hier van af te wijken. De mogelijkheden voor de plaatsing van windturbines en/of zonnevelden in de grondwaterbeschermingsgebieden en boringvrije zones van het plangebied zullen moeten worden onderzocht voor elk gebied aan de hand van de bijbehorende maximale boring dieptes. Kwetsbare drinkwaterbeschermingsgebieden In kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden3 geldt een verbod voor het roeren van de bodem dieper dan 10 m onder het maaiveld volgens artikel 3.32d van de Omgevingsverordening Gelderland, tenzij wordt voldaan aan de voorschriften in de bijlage Grondwaterbescherming, onderdeel F. Hierbij moet de aanleg van windturbines voldoen aan de meldingsplicht door de diepe fundering. Funderingen voor zonnevelden zullen niet meer dan 10 m diep gaan. Voor de aanleg zal daarom geen melding voor grondwerkzaamheden nodig zijn. In de gebruiksfase van zonnevelden gelden wel de volgende algemene regels: - er dient rekening gehouden te worden met het op of in de bodem brengen van afstromend water voor zonnevelden groter dan 1 hectare.
Regen die van de zonnepanelen afstroomt kan verontreinigd worden doordat het materiaal van de zonnepanelen en de bijbehorende constructie langzaam oplost (uitloging). Stoffen uit de zonnepanelen komen daardoor in de bodem en het grondwater terecht. Daarom is het van belang om materialen te kiezen die niet oplossen in het regenwater. Afstromend water van zonnevelden valt onder het artikel ‘op of in de bodem brengen van afstromend water in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden’; - er dient rekening gehouden te worden met het schoonmaken van zonnepanelen. Het is niet wenselijk dat er schadelijke stoffen worden gebruikt die in het grondwater terechtkomen. Beoordelingsschaal Voor de beoordeling (tabel 6.4) van de invloed op waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden geldt een onderscheidende beoordeling voor windturbines en zonnevelden. Voor windturbines geldt een sterk negatieve (--) beoordeling voor werkzaamheden in een waterwingebied. Voor windturbines binnen grondwaterbeschermingsgebied, een boringsvrije zone of een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied geldt een negatieve (-) beoordeling. In dergelijke gebieden geldt weliswaar een verbod voor grondroerende werkzaamheden, maar er zijn mogelijkheden tot het verkrijgen van een ontheffing.
Voor zonnevelden geldt geen sterk negatieve beoordeling (--) of negatieve (-) beoordeling, omdat de fundering niet dieper reikt dan circa 0,3 m. Wel geldt een licht negatieve (0/-) beoordeling voor plaatsing in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringvrije zone en kwetsbare drinkwaterbeschermingsgebieden, omdat voor deze gebieden diverse aandachtspunten bestaan. Bij realisatie buiten de begrenzing van waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en/of kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden is een neutrale beoordeling van toepassing.
1
Beschermingsgebied voor grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar geen afdoende beschermende kleilaag aanwezig is.
2
Beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar een kleilaag aanwezig is boven dat grondwater.
3
Kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied is een gebied waar het grondwater wordt beschermd voor een potentiële drinkwaterwinning in de toekomst.
76 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Tabel 6.4 Beoordelingsschaal invloed op waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en/of kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden
0/-
licht negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling van zonnevelden leidt tot beperkt negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie, door grond- en/of funderingswerkzaamheden binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringvrije zone en/of een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied
-
negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie, door grond- en/of funderingswerkzaamheden voor realisatie van windturbines binnen een grondwaterbeschermingsgebied, boringvrije zone en/of een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied
--
sterk negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot sterk negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie, door grond- en/of funderingswerkzaamheden voor windturbines binnen waterwingebieden
6.3.2
Natuur
De effecten van windturbines en zonnevelden op natuur zijn beschouwd in bijlage V. Deze paragraaf bevat een korte toelichting van de beoordelingsmethodiek en de beoordelingsschaal. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de effecten op Natura 2000-gebieden, GNN, Groene Ontwikkelingszones (inclusief ganzenrustgebieden), weidevogelgebieden en beschermde soorten. Voor een uitgebreide toelichting en meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar bijlage V. Effecten op Natura 2000-gebieden Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van instandhoudingsdoelstellingen (IHD) die in het aanwijzingsbesluit en de wijzigingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. De IHD kunnen zowel habitattypen, habitatsoorten als vogelsoorten betreffen. Ontwikkelingen zoals de realisatie van windturbines en/of zonnevelden zijn enkel vergunbaar wanneer deze niet leiden tot significante effecten op de IHD van de aangewezen soorten en habitats van deze gebieden. Om te beoordelen of dergelijke voorzieningen zijn toegestaan moeten de effecten op de aangewezen natuurwaarden worden getoetst en beoordeeld. Voor de effectbeoordeling van het criterium effecten op Natura 2000-gebieden zijn twee beoordelingsschalen gehanteerd. Dit is een beoordelingsschaal voor stikstof en een beoordelingsschaal voor overige effecten, zoals oppervlakteverlies en verstoring.
Dit is gedaan, omdat de effecten van stikstofdepositie doorgaans dominant zijn ten opzichte van de overige effecttypen, zoals verstoring. Ook heeft atmosferische stikstofdepositie een grotere reikwijdte dan overige effecttypen. Door de beoordelingsschalen te splitsen, blijft voldoende inzicht bestaan in alle effecten. Natura 2000 - stikstofdepositie Stikstofemissie als gevolg van de realisatie van windturbines en zonnevelden kan zorgen voor stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Aan de onder Natura 2000-gebieden beschermde habitattypen zijn kritische depositiewaarden (KDW) gekoppeld. Bij stikstofdepositie boven de KDW op één of meerdere stikstofgevoelige habitattypen geldt een negatieve (-) beoordeling. Bij stikstofdepositie onder de KDW geldt een licht negatieve (0/-) beoordeling, omdat er wel een effect aanwezig is, maar deze niet de grenswaarden overschrijft1. Voor stikstof geldt de verwachting dat de alternatieven alleen in de aanlegfase zorgen voor stikstofdepositie. Daarom is in dit planMER geen sterk negatief (--) effect van toepassing. Indien 1
Voor elk project dat stikstof veroorzaakt, moeten de stikstofgevolgen tot op een afstand van 25 km berekend worden. Dit volgt uit de uitspraak van de Raad van State van 5 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1299). Effecten kunnen dus in theorie plaatsvinden op een afstand van 25 km van het project.
77 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
er geen effecten worden verwacht geldt een neutrale (0) beoordeling. Dit is het geval als de ontwikkeling op een afstand van meer dan 25 km van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Tabel 6.5 toont de beoordelingsschaal voor stikstof in het kader van het criterium Natura 2000-gebieden.
Tabel 6.5 Beoordelingsschaal Natura 2000 - stikstof Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een meetbare verandering van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen ten opzichte van de referentiesituatie
0/-
licht negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling leidt mogelijk tot (tijdelijke) stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde op een of meerdere stikstofgevoelige habitattypen. Extra onderzoek moet uitwijzen hoe groot de gevolgen zijn voor de natuur
-
negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling leidt mogelijk tot (tijdelijke) stikstofdepositie boven de kritische depositiewaarde op een of meerdere stikstofgevoelige habitattypen. Extra onderzoek moet uitwijzen of significante gevolgen op de IHD te voorkomen zijn
--
sterk negatief effect
niet van toepassing
Natura 2000 - overige effecten De ontwikkeling van windturbines en zonnevelden kan zorgen voor effecten op Natura 2000, zoals verstoring en aanvaring. Het gaat hierbij om de effecten op de aangewezen soorten en leefgebieden (habitats) van de Natura 2000-gebieden. Tabel 6.6 toont de beoordelingsschaal voor de overige effecten die relevant zijn in het kader van het criterium Natura 2000 - overige effecten. Bij ligging binnen Natura 2000-gebieden of binnen een 1 km zone van het Natura 2000-gebied Veluwe (Wespendief) geldt voor windturbines een sterk negatieve (--) beoordeling. Deze zone van 1 km rond de Veluwe is al uitgesloten op basis van de harde belemmeringen. Voor de Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn als habitatrichtlijn geldt verder binnen een zone van 1,5 km 1 een negatieve (-) beoordeling. Dit is gebaseerd op de meest verstorende werkzaamheden die in het kader van de realisatie mogelijk plaatsvinden, namelijk heiwerkzaamheden, maar ook door de werking van slagschaduw op de habitattypen. Bij ligging binnen de 10 km contour2 van vogelrichtlijngebieden geldt een licht negatief effect (0/-). In en om het plangebied zijn Natura 2000-gebieden de Rijntakken en Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein aangewezen als vogelrichtlijngebieden. Voor de overige gebieden geldt een neutrale (0) beoordeling.
Op projectMER-niveau is nader onderzoek nodig om te bepalen wat de effecten zijn van de windturbines op één of meerdere IHD van de betreffende Natura 2000-gebieden. Voor zonnevelden geldt een sterk negatieve (--) beoordeling bij ligging binnen Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn als habitatrichtlijn geldt verder binnen een zone van 1,5 km een licht negatieve (0/-) beoordeling, omdat de effecten naar verwachting tijdelijk zijn (onder aan verstoring door aanlegwerkzaamheden). Voor de overige gebieden geldt ten aanzien van de ontwikkeling van zonnevelden een neutrale (0) beoordeling. Hierbij is eveneens nader onderzoek nodig bij concrete projecten.
1
In deze toetsing wordt uitgegaan van een maximaal effectbereik van 1,5 km als maximale verstoringsbereik. Dit is gebaseerd op de meest verstorende werkzaamheden die in het kader van de realisatie mogelijk plaatsvinden, namelijk heiwerkzaamheden.
2
Deze 10 km zone is gebaseerd op de zone waarbinnen een aantal belangrijke foerageergebieden voor de Natura 2000 populaties aanwezig zijn. Deze zone is geen harde, wettelijke grens, maar is vastgelegd in het ecologisch onderzoek op basis van observaties van locaties waar belangrijke slaapplaatsen en foerageergebieden voorkomen.
78 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Tabel 6.6 Beoordelingsschaal Natura 2000 - overige effecten Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet of tot een zeer beperkt effect op Natura 2000gebieden ten opzichte van de referentiesituatie
0/-
licht negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling van windturbines vindt plaats binnen 10 km van vogelrichtlijngebieden. Voor zonnevelden vindt de ontwikkeling plaats binnen 1,5 km van habitatrichtlijngebieden. Dit leidt mogelijk tot negatieve gevolgen voor één of meerdere IHD van het Natura 2000-gebied
-
negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling van windturbines vindt plaats binnen een zone van 1,5 km van habitatrichtlijngebieden. Dit leidt mogelijk tot significant negatieve gevolgen voor één of meerdere IHD van het Natura 2000-gebied
--
sterk negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in Natura 2000-gebieden en leidt tot significante negatieve gevolgen voor één of meerdere IHD van het Natura 2000-gebied. Voor windturbines vindt de ontwikkeling ook plaats binnen de 1 km zone rond de Veluwe (Wespendief)
Effecten op GNN Voor het GNN zijn zogenaamde kernkwaliteiten en natuurontwikkelingsdoelen vastgesteld, waarin aanwezige en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied worden beschreven. Hoewel het GNN door de provincie Gelderland wordt aangemerkt als 'niet kansrijk' voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie, wordt in de beleidslijn Windenergie van de provincie ook gesteld dat deze gebieden niet geheel op voorhand worden uitgesloten. Volgens de provinciale Omgevingsverordening (artikel 2.42) is binnen het GNN een andere bestemming dan natuur (zoals wind- of zonne-energie) alleen mogelijk indien (i) er sprake is van groot openbaar belang, (ii) er geen reële alternatieven aanwezig zijn en (iii) de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en het oppervlak van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt, en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Windturbines hebben over het algemeen een grotere impact op de kernkwaliteiten, doordat ook ruimtebeslag binnen het vliegruim optreedt, er sprake is van slagschaduw en een aanvaringsrisico ontstaat voor vliegende doelsoorten (vogels en vleermuizen). Voor windturbines binnen GNN geldt een negatieve (-) beoordeling.
Specifiek voor windturbines geldt dat deze onder voorwaarden zijn toegestaan in de hiervoor voorziene verkenningsgebieden, waar de effecten op de kernkwaliteiten op voorhand als beperkt worden ingeschat. Deze delen van het GNN liggen langs rijkswegen. Oprichting van windturbines is in deze delen van het GNN mogelijk als samen met de realisatie van de windturbines maatregelen worden getroffen die per saldo aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN voorkomen. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden. Voor het plaatsen van windturbines in het verkenningsgebied voor windenergie in het GNN dient het oppervlak van natuur dat verloren gaat voor 200 % gecompenseerd te worden. Deze gebieden zijn beoordeeld als licht negatief (0/-) voor windturbines. Dit geldt ook voor een zone van 1,5 km rond GNN gebied, in verband met de externe werking. De overige gebieden zijn voor windturbines beoordeeld als neutraal (0) voor dit criterium. Voor zonnevelden geldt een negatieve (-) beoordeling bij ligging binnen GNN. Een licht negatieve (0/-) beoordeling is van toepassing van ligging in een zone van 1,5 km rond GNN. De overige gebieden zijn voor windturbines en zonnevelden beoordeeld als neutraal (0) voor dit criterium.
Er is geen sprake van een sterk negatieve (--) beoordeling, omdat nader onderzoek nodig is om te bepalen wat de kernkwaliteiten zijn van het GNN. Hiermee kan bepaald worden of voldaan kan worden aan de voorwaarden uit de Omgevingsverordening. Tabel 6.7 toont de beoordelingsschaal voor effecten op GNN.
79 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Tabel 6.7 Beoordelingsschaal effecten op GNN Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen activiteiten vinden plaats op meer dan 1,5 km van GNN, er is naar verwachting geen sprake van gevolgen voor de kernkwaliteiten van GNN
0/-
licht negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling van windturbines en zonnevelden vindt plaats binnen een zone van 1,5 km rond GNN of voor windturbines in verkenningsgebieden voor wind binnen GNN. Externe werking kan zorgen voor verstoring
-
negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van GNN. Maatregelen kunnen mogelijk worden genomen om aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN te voorkomen
--
sterk negatief effect
niet van toepassing
Effecten op Groene Ontwikkelingszones (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden) Voor dit onderdeel wordt beoordeeld of het voornemen plaatsvindt binnen de grenzen van de provinciale GO, waaronder ecologische verbindingszones (EVZ) en ganzenrustgebieden1, en of er sprake is van effecten op de kernkwaliteiten en waarden van deze gebieden. In de GO is er sprake van terughoudend beleid ten aanzien van de ontwikkeling van wind- of zonne-energie. Nieuwe kleinschalige ontwikkelingen zijn in bepaalde delen onder voorwaarden wel mogelijk. Zo geldt in ganzenrustgebieden een 'ja, mits'-beleid. Winturbines en zonnevelden zijn hier weliswaar enkel toegestaan indien (artikel 2.51b): (1) uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt en (2) na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Indien niet aan de voorwaarden uit artikel 2.51b kan worden voldaan volgt een sterk negatieve (--) of negatieve (-) beoordeling. Op het detail- en schaalniveau van dit planMER is een dergelijke negatieve beoordeling niet van toepassing, omdat hiervoor nader onderzoek nodig is.
Over het algemeen geldt dat windturbines en/of zonnevelden binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebied), mits het nemen van gepaste mitigerende en compenserende maatregelen, haalbaar zijn. Er is daarom alleen sprake van een licht negatieve (0/-) beoordeling bij ligging binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebied). Een neutrale (0) beoordeling is van toepassing bij ontwikkelingen buiten GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden). Tabel 6.8 toont de beoordelingsschaal voor effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden).
Tabel 6.8 Beoordelingsschaal effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden) Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen activiteiten vinden niet plaats binnen GO, EVZ of ganzenrustgebieden. Er is naar verwachting geen sprake van gevolgen voor de kernkwaliteiten van deze gebieden
0/-
licht negatief effect
de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van GO, EVZ of ganzenrustgebieden. Dit heeft mogelijk negatieve effecten op deze gebieden
-
negatief effect
niet van toepassing
--
sterk negatief effect
niet van toepassing
1
In het Natuurbeheerplan 2023 van de provincie Gelderland is opgenomen dat rustgebieden voor overwinterende ganzen onderdeel uitmaken van de GO, te raadplegen via https://www.gelderland.nl/themas/natuur/natuur-beheren-enontwikkelen/natuurbeheerplan-waar-welke-natuur.
80 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Effecten op weidevogelgebieden Bij de realisatie van zonnevelden en/of windturbines binnen de grenzen van weidevogelgebied treedt per definitie aantasting van de kernkwaliteiten van dit gebied op. Voor de weidevogelgebieden geldt op basis van artikel 2.51a in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd op 21 december 2022) dat een nieuw bestemmingsplan in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toestaat. Hier kan middels de bepalingen in artikel 1a.2 niet van worden afgeweken. Weidevogelgebieden zijn daarom als harde belemmering opgenomen bij de bepaling van de alternatieven. Het onderdeel effecten op weidevogelgebieden is dus niet beoordeeld in dit planMER. Effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van het voorkomen in of nabij hotspotgebieden voor de voornaamste risicosoorten, namelijk vogels en vleermuizen. Op basis van risicokaarten is een beoordeling op hoofdlijnen gedaan van de te verwachten impact van het voornemen op deze soortgroepen en het risico op overtreding van de Wnb verbodsbepalingen (aantasting/vernietiging essentieel leefgebied. sterfte). Het risico voor vogels varieert op landelijke schaal van 0 % tot 100 %. In het plangebied schommelt dit tussen de 4 % en 65 % van het landelijk risico.
hoogste risicozones binnen het plangebied bevinden zich in het oosten van de regio, in de zone langs de Waal en de Nederrijn. Een aantal relatief laag-risicozones zijn te vinden in het westen en het uiterste noorden van de regio. Voor windturbines is onderscheid te maken tussen effecten op vogels en vleermuizen. Opgemerkt dient te worden dat de risicokaarten niet de daadwerkelijke aanwezigheid van vogels en vleermuizen laten zien. Het is een verwachting van een risico bij plaatsing van windturbines op een bepaalde plek. Derhalve is een sterk negatieve (--) beoordeling niet van toepassing. Er is tevens geen negatieve (-) beoordeling van toepassing. Dit komt omdat er op basis van het detail- en schaalniveau van dit planMER geen regionaal onderzoek mogelijk is naar de aanwezigheid van vogels en vleermuizen. Door alle gebieden licht negatief (0/-) te beoordelen wordt voorkomen dat gebieden mogelijk ten onrechte worden aangemerkt als niet geschikt voor windturbines. Bovendien wordt op deze manier recht gedaan aan het feit dat negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten bij de ontwikkeling van windturbines. Hierbij geldt wel de algemene opmerking dat meer vleermuizen zijn te verwachten rond natuurgebieden (Natura 2000, GNN/GO) en structuren in het landschap die een vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen vormen.
Bij de realisatie van windturbines binnen 200 m1 van bijvoorbeeld bomenrijen, hagen, bossen, bosranden, waterlopen en oevers is de kans op negatieve effecten dus groter. Een neutrale (0) beoordeling is niet van toepassing in dit planMER, omdat negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten door de ontwikkeling van windturbines. Bij de realisatie van zonnevelden zijn de grootste effecten te verwachten voor vogels. Dit is dan ook de belangrijkste risicogroep voor dit type projecten. Aanleg van zonnevelden of het plaatsen van zonnepanelen kan de betreffende locatie geheel of gedeeltelijk ongeschikt maken als leefgebied voor vogels. Het gaat om verlies en aantasting van foerageer-, broed-, rust- en slaapplaatsen op land en water. Dit risico is het hoogst in belangrijke vogelgebieden, zoals Natura 2000 vogelrichtlijngebieden, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Effecten op de lokale populatie zijn echter veelal te mitigeren (bijvoorbeeld opstelling en locatie afstemmen op belangrijke vogelgebieden) en/of te compenseren (bijvoorbeeld uitbreiden of kwaliteitsimpuls geven leefgebied elders). Natuurgebieden met waarden voor vogels krijgen daarom de een licht negatieve (0/-) beoordeling. In alle overige gebieden zijn geen noemenswaardige effecten van zonnevelden op vogelpopulaties te verwachten. De overige gebieden krijgen een neutrale beoordeling (0).
Een sterk negatieve (--) of negatieve (-) beoordeling is op basis van de beschikbare informatie in dit planMER niet van toepassing voor zonnevelden. Tabel 6.9 toont de beoordelingsschaal voor de effecten op beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming.
1
In reviewstudies wordt vaak de algemene aanbeveling gegeven om uit voorzorg een afstand van ongeveer 200 m te vrijwaren rond deze zones waar regelmatig relatief veel vleermuizen aanwezig zijn (vliegroutes/foerageergebied). In bijlage V is opgenomen om welke reviewstudies het gaat.
81 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Tabel 6.9 Beoordelingsschaal effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
het voornemen levert geen wezenlijke bijdrage of risico’s voor de lokale populaties
0/-
licht negatief effect
de ontwikkeling van windturbines leidt potentieel tot vernietiging van essentieel leefgebied/verblijfplaatsen van beschermde soorten of meer dan incidentele sterfte van individuen. Voor zonnevelden geldt een mogelijk negatief effect bij ligging in belangrijke vogelgebied (Natura 2000 vogelrichtlijngebieden, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Het voornemen heeft (mogelijk) een negatief effect op één of meerdere onder de Wnb beschermde soorten. Nader onderzoek is nodig om de effecten te onderzoeken
-
negatief effect
niet van toepassing
--
sterk negatief effect
niet van toepassing
6.3.3
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
In bijlage VI is de beoordelingsmethodiek voor landschap uitgebreid toegelicht. Hier volgt een korte toelichting op de methodiek die is toegepast voor de beoordeling van de criteria ‘invloed op landschapstype en -structuur’ en ‘invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen’. De beoordelingsmethodiek voor de criteria ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie zijn wel geheel in deze paragraaf opgenomen. Invloed op landschapstype en -structuur Een landschapsstructuur is een samenhang van lijnen, elementen en patronen in het landschap, zoals vaartenstructuren en verkavelingsstructuren. Hierbij spelen ook variatie in vorm, verschillen in reliëf en historische gelaagdheid een rol. Windturbines en zonnevelden kunnen deze structuren aantasten. In dit planMER is per landschapstype gekeken naar het effect op de landschapsstructuur. De landschapstypen welke zijn beoordeeld zijn kort benoemd in paragraaf 4.2.2 en in bijlage VI. Het betreffen de volgende vier hoofdlandschapstypen en regio-omvattende structuren: - het stuwwallenlandschap; - het rivierenlandschap; - infrastructurele lijnen; - stedelijk gebied. Deze hoofdlandschapstypen en regio-omvattende structuren zijn onderverdeeld in landschappelijke subeenheden en/of substructuren.
Effecten van windturbines en zonnevelden op de structuur en vorm van een landschapstype hangen in bepaalde gevallen af van de vorm van de opstelling, welke pas in een latere fase bepaald wordt. Bij de beoordeling van de effecten op landschapsstructuren ligt in dit planMER de focus op opstellingsonafhankelijke effecten op de kernkwaliteiten (structuur, vorm en gelaagdheid) van de sublandschapstypen. Effecten windturbines op landschapstypen en -structuren Het effect van het plaatsen van windturbines is een mogelijke aantasting van de bestaande bebouwingstructuur, beplantingsstructuur, karakteristieke waterlopen, verkavelingspatroon en andere bepalende structuren. Windturbines kunnen effecten hebben op de herkenbaarheid van het kenmerkend karakter van deze structuren, bijvoorbeeld als de beleving van (micro-)reliëf door vertekening van het een effect ondervindt. Voor dit effect geldt een negatieve (-)beoordeling. Als de gaafheid of samenhang van structuren onherstelbaar aangetast wordt, doordat een windturbine de structuur doorsnijdt of vernietigt of de relatie tussen structuren verzwakt, wordt dit effect sterk negatief (--) beoordeeld. Een voorbeeld is het wijken van bomen voor de realisatie van een windturbine, waarbij de lijnstructuur doorsneden wordt.
De beoordelingsschaal in tabel 6.10 laat zien hoe de ingreep-effect relaties van windturbines en landschapsstructuur beoordeeld worden. Als er meerdere mitigatiemaatregelen nodig zijn ter voorkoming
82 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
van negatieve effecten wordt de ingreep beoordeeld als negatief (-). Bijvoorbeeld als de windturbine alleen op een specifieke locatie binnen het sublandschapstype past en daarbij één of meerdere voorwaarden verbonden zijn aan de opstelling, zoals een kleiner formaat windturbine. Als er één mitigatiemaatregel 1 nodig is om effecten te voorkomen wordt de ingreep beoordeeld als licht negatief (0/-).
Tabel 6.10 Beoordelingsschaal effecten van windturbines op landschapstypen- en structuren Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen ingreep heeft geen of zeer beperkte effecten op de structuren en typering van de sub-landschappen
0/-
licht negatief effect
er bestaat een klein risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de structuren en typering van het sub-landschap. De effecten leiden tot doorsnijding dan wel (gedeeltelijke) vernietiging, maar zijn wel te beperken/voorkomen met een keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactor of opstellingsfactor)
-
negatief effect
er bestaat een risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de structuren en typering van het sub-landschap. De effecten leiden tot doorsnijding dan wel (gedeeltelijke) vernietiging, deze zijn wel te beperken/voorkomen met een keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij meer dan één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactoren en opstellingsfactoren)
--
sterk negatief effect
de voorgenomen ingreep heeft sterk negatieve (onherstelbare) effecten op de structuren en typering van het sub-landschap. De effecten leiden tot doorsnijding dan wel vernietiging en zijn niet te beperken/voorkomen met een keuze voor de juiste landschapsstrategie
Effecten zonnevelden op landschapstypen en -structuren De effecten van zonnevelden hebben eveneens betrekking op de herkenbaarheid van de kenmerkende structuren in het landschapstype. Deze effecten treden bijvoorbeeld op als een karakteristieke beplantingsstructuur of verkavelingspatroon aan het zich onttrokken wordt. Daarbij kan de gaafheid van structuren aangetast worden door doorsnijding of vervanging van structuren door zonnevelden. Zonnevelden hebben veelal een geringe verticale hoogte en relatief een groter grondoppervlak, zonder diepe fundering, waardoor zij minder vaak fysieke effecten hebben op landschapsstructuren. Een voorbeeld van een situatie waarin er wel sprake is van een fysiek effect op structuur is als er voor een zonneveld in opgaand bos zouden bomen moeten wijken. Bij een dergelijke aantasting van de typische structuur wordt de ingreep als sterk negatief (--) beoordeeld. De beoordelingsschaal in tabel 6.11 laat zien hoe de ingreep-effect relaties van zonnevelden en landschapsstructuur gescoord worden. Als er meerdere mitigatiemaatregelen nodig zijn ter voorkoming van negatieve effecten wordt de ingreep beoordeeld als negatief (-). Bijvoorbeeld als het zonneveld alleen op een specifieke locatie binnen het sub-landschapstype past en daarbij er één of meerdere voorwaarden verbonden zijn aan de opstelling, zoals een langgerekte opstelling.
Als er één mitigatiemaatregel nodig is om effecten te voorkomen wordt de ingreep beoordeeld als licht negatief (0/-).
Tabel 6.11 Beoordelingsschaal effecten van zonnevelden op landschapstypen- en structuren
0
1
Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen ingreep heeft geen of zeer beperkte effecten op de structuren en typering van de sub-landschappen
De mitigatiemaatregelen worden in bijlage VI nader toegelicht. Het gaat hierbij om handvatten uit de landschapsanalyse die H+N+S heeft opgesteld ten behoeve van de RES 1.0. De handvatten bestaan uit het maatregelen en landschapsstrategieën om de effecten te mitigeren of om de landschapskwaliteit de versterken. De analyse is eveneens opgenomen in bijlage VI.
83 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0/-
licht negatief effect
er bestaat een klein risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de structuren en typering van het sub-landschap. Deze effecten leiden tot doorsnijding dan wel (gedeeltelijke) vernietiging, deze zijn wel te beperken/voorkomen met een keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactor of opstellingsfactor)
-
negatief effect
er bestaat een risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de structuren en typering van het sub-landschap. Deze effecten leiden tot doorsnijding dan wel (gedeeltelijke) vernietiging, deze zijn wel te beperken/voorkomen met een keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij meer dan één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactoren en opstellingsfactoren)
--
sterk negatief effect
de voorgenomen ingreep heeft sterk negatieve (onherstelbare) effecten op de structuren en typering van het sub-landschap. Deze effecten leiden tot doorsnijding dan wel vernietiging en zijn niet te beperken/voorkomen met een keuze voor de juiste landschapsstrategie
Invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken De ruimtelijk-visuele kenmerken beschrijven de visuele beleving van het landschap, zoals de begrenzing vanuit ooghoogteperspectief die openheid of beslotenheid creëert, schaal en maatvoering en het contrast tussen stad en land. Daarnaast zijn ook zichtrelaties van belang. De openheid of beslotenheid van een landschap bepaalt sterk de zichtbaarheid van een ingreep. Er is per landschapstype en -structuur (zie voorgaande paragraaf) gekeken naar het effect op de typische ruimtelijk visuele kenmerken en elementen. Effecten van windturbines en zonnevelden op de ruimtelijk-visuele kenmerken van een landschapstype hangen in bepaalde gevallen eveneens af van de vorm van de opstelling, welke pas in latere fase bepaald wordt. Bij de beoordeling van de effecten op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen ligt in dit planMER wederom de focus op opstellingsonafhankelijke effecten op de kernkwaliteiten (zichtrelaties, openheid, schaal, contrast en maatvoering) van de sub-landschapstypen. Effecten windturbines op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen De schaal en openheid van de landschapstypen bepalen de zichtbaarheid en daarmee het effect van de windturbines. De beoogde windturbines (ashoogtes variërend van 120 m tot 166 m) zijn van zodanige verticale maat dat ze bestaande landschapselementen, zoals opgaande begroeiing, overstijgen. [Ref.
8] Om deze reden wordt er bij de beoordeling rekening mee gehouden dat de windturbines over het algemeen van een grote afstand zichtbaar zijn, bijvoorbeeld vanuit omliggende sub-landschapstypen. Daarbij ontstaat in een aantal landschapstypen door de hoogte en de omvangrijke voet van de beoogde windturbines een schaalcontrast tussen de windturbine en typische kleinere landschapselementen, zoals een gebouw of een boom. De nabijheid van een windturbine zorgt voor optische verkleining en daarmee voor verstoring van de ruimtelijk-visuele kenmerken van landschapstype. Dit leidt tot een sterk negatieve (--) beoordeling. Volgens de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland zijn ruimtelijke ingrepen die de openheid in waardevol open gebied aantasten niet toegestaan. Echter, windturbines zijn onder voorwaarden wel mogelijk, vanwege het maatschappelijk belang van de energietransitie. Er geldt daarom geen sterk negatieve (--) beoordeling voor windturbines in waardevol open gebied. De effecten dienen in landschapstypen met waardevol open gebied, wel (licht) negatief beoordeeld te worden, afhankelijk van het aantal mitigerende maatregelen dat getroffen dient te worden. Als er meerdere mitigatiemaatregelen nodig zijn ter voorkoming van negatieve effecten wordt de ingreep beoordeeld als negatief (-).
Bijvoorbeeld als de windturbine alleen op een specifieke locatie binnen het sub landschapstype past en daarbij één of meerdere voorwaarden verbonden zijn aan de opstelling, zoals een kleiner formaat windturbine. Als maar één mitigatiemaatregel nodig is om effecten te voorkomen wordt de ingreep beoordeeld als licht negatief (0/-). Tabel 6.12 toont de beoordelingsschaal voor de effecten van windturbines op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen.
84 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Tabel 6.12 Beoordelingsschaal effecten van windturbines op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen Toelichting algemeen
Specificatie voor criterium
0
geen of zeer beperkt effect
de voorgenomen ingreep heeft geen of zeer beperkte effecten de ruimtelijk-visuele waarden
0/-
licht negatief effect
er bestaat een klein risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de ruimtelijk-visuele waarde. Deze effecten leiden tot verstoring (visuele hinder), deze zijn wel te beperken/voorkomen met de keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactor of opstellingsfactor)
-
negatief effect
er bestaat een risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de ruimtelijk-visuele waarde. Deze effecten leiden tot verstoring (visuele hinder), deze zijn wel te beperken/voorkomen met de keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij meer dan één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactoren en opstellingsfactoren)
--
sterk negatief effect
de voorgenomen ingreep heeft sterk negatieve (onherstelbare) effecten op de ruimtelijkvisuele waarden, deze effecten leiden tot verstoring (visuele hinder) en zijn niet te beperken/voorkomen met de keuze voor de juiste landschapsstrategie
Effecten zonnevelden op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen De effecten van zonnevelden op ruimtelijk-visuele kenmerken hangen eveneens samen met zichtbaarheid van deze kenmerken. Ook voor zonnevelden wordt de zichtbaarheid bepaald door de schaal en openheid van de landschapstypen, aangevuld met de bebouwingsdichtheid en fijnmazigheid van route- en wegennetwerken. Zonnevelden staan relatief laag bij de grond en verdwijnen uit het zichtveld achter landschappelijke elementen en beplantingsstructuren. Er geldt in de beoordeling geen harde belemmering voor zonnevelden in waardevol open gebied. De effecten dienen in landschapstypen met waardevol open gebied als (licht) negatief beoordeeld te worden, afhankelijk van het aantal mitigerende maatregelen dat getroffen dient te worden. Als er meerdere mitigatiemaatregelen nodig zijn ter voorkoming van negatieve effecten wordt de ingreep beoordeeld als negatief (-). Bijvoorbeeld als het zonneveld alleen op een specifieke locatie binnen het sublandschapstype past en daarbij er één of meerdere voorwaarden verbonden zijn aan de opstelling, zoals een langgerekte opstelling. Als er maar één mitigatiemaatregel nodig is om effecten te voorkomen wordt de ingreep beoordeeld als licht negatief (0/-). Tabel 6.13 toont de beoordelingsschaal voor de effecten van zonnevelden op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen.