CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Plan-MER Uitbreiding bedrijventerrein de Grift definitief (februari 2023)

Besluitronde (raadsvergadering) 5 april 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: D25 d.d. 28 februari 2023 inzake Ontwerpbestemmingsplan met verbrede reikwijdte Uitbreiding bedrijventerrein De Grift34.244 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Thema’s als bodem en water zijn niet verkeer gerelateerd. Het eventueel doortrekken van de A15 is als factor daarin niet onderscheidend voor de onderzoeksresultaten. Uit de alternatievenvergelijking volgt een toelichting op de belangrijkste omgevingseffecten. Om een gegronde vergelijking te kunnen maken gaat het MER naast twee alternatievensituaties, ook uit van twee referentiesituaties: één met en één zonder doortrekking van de A15. Het idee achter deze aanpak is om in beeld te brengen hoe de omgevingseffecten van de gebiedsontwikkeling mogelijk veranderen bij het doortrekken van de A15. Omdat de doortrekking van de A15 verder los staat van de uitbreiding van De Grift, is deze niet onderscheidend voor de gebiedsontwikkeling. Er wordt in het MER dan ook geen voorkeursalternatief uitgewerkt. Het MER beschouwt de volgende situaties: Referentiesituaties  Referentiesituatie exclusief doortrekking A15: huidige situatie + autonome ontwikkeling 

Referentiesituatie inclusief doortrekking A15: huidige situatie + autonome ontwikkeling + doortrekking A15

Basisalternatieven  Basisalternatief exclusief doortrekking A15: Gebiedsontwikkeling bedrijventerrein De Grift 

Basisalternatief inclusief doortrekking A15: Gebiedsontwikkeling bedrijventerrein De Grift + doortrekking A15

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

22

Uitwerking doortrekken van de A15 De variatie in de referentiesituatie én de onderzochte alternatieven wordt dus gekenmerkt door één factor in het gebied: het doortrekken van snelweg A15 vanaf Knooppunt Ressen richting Zevenaar. Het voornemen is om de A15 vanaf knooppunt Ressen als autosnelweg met 2x2 rijstroken door te trekken naar de A12 tussen Duiven en Zevenaar (zie Figuur 3.2). Deze doortrekking heeft effecten op het wegennet rondom het bedrijventerrein De Grift. Om duidelijk in kaart te brengen wat de gevolgen daarvan al dan niet zijn voor de effecten van de ontwikkeling van het plangebied worden beide varianten onderzocht: mét en zonder doortrekken van de A15.

Figuur 3-2 Ligging plangebied ten opzichte van rijkswegen en het tracé van de verlengde A15 (bij benadering) (bron: Royal HaskoningDHV).

Het verschil in de situatie mét en zonder A15 zit in de aansluiting van het plangebied op- en de inrichting van de op- en afrit van de A15. Wanneer de A15 wordt doorgetrokken, wordt de aansluiting van het gebied op-/afrit 38 verbeterd. Het aantal rijstroken op het viaduct over de A15 wordt verdubbeld met aan de westzijde een tweerichtingenfietspad over het viaduct. De fietsers kruisen daardoor niet meer met de op-/afrit aan de noordzijde. Aan de zuidzijde kruisen de fietsers de afslag straks ook ongelijkvloers. Gekeken zal worden of de aanpassing van het viaduct zelf kan worden meegenomen met de werkzaamheden voor de verbreding van de A15. Deze aanpassingen van de infrastructuur hebben gevolgen voor de verkeersafwikkeling van het plangebied en de omgeving. De variatie in de alternatieven zorgt voor verschillen in het verkeersbeeld en is ten opzichte van de situatie zónder A15 onder andere relevant voor de milieuonderzoeken geluid en stikstof. Het MER sorteert daarmee voor op het mogelijk doorgaan van de doortrekking van de snelweg. Er ligt nog geen besluit voor het definitief doortrekken van de A15 op het moment van het opstellen van dit rapport.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

23

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

24

4

Milieueffecten uitbreiding bedrijventerrein De Grift

4.1

Inleiding

Dit MER is een actualisatie en aanvulling op het MER Waalsprong 2003/ 2007, specifiek voor het plangebied bedrijventerrein De Grift, ter onderbouwing van het bestemmingsplan voor dit plangebied. Daarom worden hier alleen de effecten beschreven van aspecten van de inrichting van het gebied die buiten de bandbreedte van het MER Waalsprong 2003/2007 vallen of de milieuaspecten waarvoor nieuwe wet- en regelgeving geldt (bijv. stikstofdepositie). Voor de overige effecten wordt verwezen naar het MER Waalsprong 2003/2007. Op grond van de bevindingen uit de actualisatietoets gaat het om de volgende milieuaspecten:  Verkeer;  Natuur - Stikstofdepositie  Natuur – Flora en Fauna  Luchtkwaliteit;  Geluid;  Externe Veiligheid;  Water  Klimaat en energie;  Landschap en cultuurhistorie;  Bodem;  Gezondheid. De effecten op de verschillende milieuaspecten worden in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. Hoe de effecten beoordeeld zijn, wordt bij elk milieuaspect aangegeven. Voor een aantal milieuaspecten zijn afzonderlijke onderzoeken uitgevoerd: de onderzoeken Verkeer, Externe Veiligheid, Geluid en Stikstof zijn als bijlage bij dit MER opgenomen. De volgorde van de onderzoeken in dit hoofdstuk is niet prioritair opgebouwd. Per milieuaspect wordt een conclusie getrokken over verandering in omgevingseffecten in de alternatieven, ten opzichte van de referentiesituaties.

Effectbeoordeling In de effectbeoordeling worden de effecten ten opzichte van de referentiesituatie per criterium vertaald naar een score ten opzichte van de referentiesituatie:  Positief (+) - ontwikkeling zorgt voor een verbetering van het criterium ten opzichte van de referentiesituatie.  Neutraal (0) - ontwikkeling heeft geen veranderend effect ten opzichte van de referentiesituatie.  Negatief (-) - ontwikkeling zorgt voor een verslechtering van het criterium ten opzichte van de referentiesituatie. Een negatieve effectscore betekent niet per definitie dat de ontwikkeling niet haalbaar is. Maatregelen in de uitwerking van de gebiedsontwikkeling kunnen ervoor zorgen dat het negatieve effect wordt gemitigeerd. Daarvoor benoemt het MER per milieuaspect ook mogelijke mitigerende maatregelen.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

25

4.2

Verkeer

4.2.1

Inleiding

De uitbreiding van De Grift zorgt voor een verandering in het aantal verkeersbewegingen van- en naar het gebied. Dat heeft effect op de omgeving. Om de effecten te bepalen is inzicht nodig in de huidige en toekomstige verkeersbewegingen. De concrete invulling en uitwerking van (alternatieven voor) uitbreiding is bepalend voor de toekomstige verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en bereikbaarheid in en om het bedrijventerrein. De effecten worden bepaald op basis van een verkeersmodel. In het kader van het MER voor De Grift is in beeld gebracht wat de verkeerseffecten van de uitbreiding van De Grift zijn op omliggende wegen. Daarbij is zowel kwalitatief als kwantitatief gekeken naar drie beoordelingscriteria:  Verkeersafwikkeling: de verandering van de doorstroming op de wegen en kruispunten als gevolg van de ontwikkeling, uitgedrukt in I/C capaciteit.  Bereikbaarheid: de potentiële effecten van de veranderende verkeersintensiteiten voor gemotoriseerd verkeer voor de bereikbaarheid van het plangebied, OV, fiets en kwetsbare verkeersdeelnemers.  Verkeersveiligheid: de mate waarin de veranderende verkeerssituatie leidt tot een verandering van de risico’s voor de verkeersveiligheid van alle weggebruikers. Voor het volledige onderzoek voor Verkeer wordt verwezen naar de betreffende bijlage bij dit MER.

4.2.2

Referentiesituatie

Figuur 4.2.1 Overzicht hoofdstructuren rondom het plangebied

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

26

Referentiesituatie zonder doortrekking A15 Verkeersafwikkeling Als gevolg van autonome ontwikkelingen in het plan- en studiegebied wordt het drukker op het wegennet. In de referentiesituatie neemt daardoor het aantal wegvakken met een hoge I/C verhouding toe. Dit is vooral in de avondspits op de Rijksweg Zuid ter hoogte van de A15, Keizer Hendrik VI singel en A325 het geval. De intensiteit op de Rijksweg Zuid ter hoogte van de A15 en de Keizer Hendrik VI singel zitten boven de capaciteit in de referentiesituatie. Op de Griftdijk zelf wordt het juist rustiger. Dit komt omdat verkeer van Nijmegen richting Rotterdam door de overbelasting van het viaduct A15 niet meer via de Griftdijk rijdt maar bijvoorbeeld via de A325 en A15. In de referentiesituatie zonder A15 lopen de kruispunten op de hoofdstructuren in en- om het plangebied tijdens de spitsmomenten behoorlijk vol. Met name de kruispunten rond de op- en afrit A15, rotonde Keizer Hendrik VI singel en de rotonde Stationsstraat - Griftdijk lopen tegen hun limiet aan in de referentiesituatie zonder A15. Dit leidt tot wachtrijen bij de kruispunten en zorgt voor problemen in de afwikkeling. Bereikbaarheid en oversteekbaarheid Zoals hierboven is beschreven, is er in de referentiesituatie zonder A15 verkeershinder. Dit leidt tot wijziging van de routekeuzes.

De rijtijden van het OV zullen door de slechte afwikkeling van de geregelde kruispunten rond de A15 toenemen vergeleken met de huidige situatie. Voor de fietsers, voetgangers en kwetsbare verkeersdeelnemers treedt mogelijk een verslechtering van de bereikbaarheid en oversteekbaarheid op. Omdat er meer verkeer is, nemen de wachttijden mogelijk toe en kan oversteken daardoor langer duren. Verkeersveiligheid Verkeersveiligheid hangt sterk samen met de intensiteit op het wegennet en wordt gemeten in aantal ongevallen, doden en gewonden. Omdat er meer verkeer is, zijn er meer potentiële verkeersknelpunten en confrontaties. Daarmee is de kans op verkeersongevallen groter. Referentiesituatie met doortrekking A15 In de referentiesituatie met A15 zitten aanvullende infrastructurele maatregelen ten opzichte van de situatie zonder A15 (alleen autonome ontwikkelingen). Zo wordt de aansluiting van de A15 noord aangepast, het viaduct over de A15 verbreed en wordt het kruispunt Rietgraaf (Park 15) – Griftdijk aangepast. Hier kruisen fietsers ongelijkvloers het kruispunt waardoor dit conflictvrij plaatsvindt. Deze aanpassingen van de infrastructuur hebben gevolgen voor de verkeersafwikkeling van het plangebied en de omgeving. Verkeersafwikkeling Door autonome ontwikkelingen in het plan- en studiegebied wordt het drukker op het wegennet.

In de referentiesituatie neemt daardoor het aantal wegvakken met een hoge(re) I/C verhouding toe. Dit is vooral het geval op de Keizer Hendrik VI singel en A325. Op de Rijksweg Zuid ter hoogte van de A15 en de Griftdijk wordt het juist rustiger door infrastructurele maatregelen bij het viaduct over de A15 en doordat er minder sluipverkeer wordt verwacht over De Griftdijk van Nijmegen naar Rotterdam. Dit verkeer zal eerder de A325 en A15 nemen. In de referentiesituatie mét A15 lopen de kruispunten in de spitsmomenten behoorlijk vol. Met name de kruispunten rond de op- en afrit A15, rotonde Keizer Hendrik VI singel en rotonde Stationsstraat - Griftdijk lopen tegen hun limiet aan in de referentiesituatie met A15. Dit leidt tot wachtrijen bij de kruispunten en dit zorgt voor problemen in de afwikkeling.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

27

Bereikbaarheid en oversteekbaarheid Zoals hiervoor is beschreven is er in de referentiesituatie met A15 een toename van verkeersbewegingen. De rijtijden van het OV zullen echter door een afstemming van de VRI’s verbeteren vergeleken met de huidige situatie; hierdoor neemt de betrouwbaarheid van het OV toe. Voor de fietsers komt er een ongelijke kruising bij de op- en afrit A15 zuid. Dit is een verbetering vergeleken met de huidige situatie. Door de toename van het verkeer zal er voor voetgangers en kwetsbare verkeersdeelnemers een beperkte verslechtering zijn. Omdat er meer verkeer is, nemen mogelijke wachttijden toe en kan oversteken langer duren. Verkeersveiligheid Verkeersveiligheid hangt sterk samen met de intensiteit op het wegennet en wordt gemeten in aantal ongevallen, doden en gewonden. Daar tegenover staat dat een nu verkeersonveilige, drukke locatie conflictvrij wordt opgelost door realisatie van een ongelijkvloerse kruising met de zuidelijke afslag onder de Griftdijk door. Het gros van het fietsverkeer in dit studiegebied gebruikt deze fietsroute. Hierdoor zal het effect op de verkeersveiligheid licht positief zijn.

4.2.3

Effecten

In de plansituatie (effectbeoordeling) zitten de volgende aanpassingen van de infrastructuur: aanleg aansluiting uitbreiding De Grift Noord, aanpassing kruispunt Griftdijk met De Rietgraaf (Windmolenweg), aanpassing rotonde Stationsstraat en de aanleg van een tweerichtingenfietspad langs de Griftdijk. Effecten planalternatief zonder doortrekking A15 Verkeersafwikkeling Door de uitbreiding van De Grift zal er extra verkeer naar het plangebied toe gaan. De toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling van De Grift is maar beperkt vergeleken met de toename als gevolg van de autonome ontwikkelingen in de referentiesituatie. De verkeersafwikkeling (I/C-verhouding) blijft vergelijkbaar met de autonome situatie. Hierdoor zullen er als gevolg van de ontwikkeling van De Grift geen verkeersproblemen ontstaan ten opzichte van de referentiesituatie. Wel zullen er zonder doortrekking van de A15 vooral afwikkelingsproblemen blijven bestaan rond het viaduct A15. Het plan zorgt er echter voor dat de verkeersafwikkeling op de kruispunten van de Griftdijk met de Stationsstraat en Windmolenweg verbetert door het plaatsen van een VRI. Om die reden wordt er een positieve effectscore toegekend aan dit onderdeel. Bereikbaarheid en oversteekbaarheid De bereikbaarheid met de auto zal vergeleken met de referentiesituatie iets afnemen door de beperkte (lichte) toename van het aantal verkeer.

De bereikbaarheid met de bus zal toenemen door de aanleg van de VRI’s die beïnvloed kunnen worden. De oversteekbaarheid neemt toe vergeleken met de referentiesituatie door de aanleg van drie VRI’s. Er wordt een fiets/voetpad langs de ontsluitingsweg in De Grift Noord aangelegd. De uitbreiding zelf voorziet niet in aparte voetpaden. Doordat er een mix is van positieve en negatieve elementen zal de effectscore neutraal zijn. Vergeleken met de huidige situatie zal de oversteekbaarheid en de bereikbaarheid met het OV toenemen. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheidssituatie in de plansituatie is vergelijkbaar met de referentiesituatie. Langs de Griftdijk en Stationsstraat zijn de verkeerstromen gescheiden. Binnen de uitbreiding is dit echter niet overal het geval. Er is geen trottoir aanwezig langs de ontsluitingswegen van de uitbreiding; voetgangers kunnen in de berm of op de fietspaden lopen. Dit leidt ertoe dat met de ontwikkeling van De Grift de verkeersveiligheidssituatie neutraal is beoordeeld. Vergeleken met de huidige situatie zal de verkeersveiligheidssituatie toenemen door het nemen van verschillende infrastructurele maatregelen. 17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

28

Effecten planalternatief met doortrekking A15 Verkeersafwikkeling Door de uitbreiding van De Grift zal er extra verkeer naartoe gaan. De toename van het verkeer van De Grift is maar beperkt in vergelijking tot de toename ten gevolge van de autonome ontwikkelingen in de referentiesituatie. De verkeersafwikkeling (I/C-verhouding) blijft grotendeels gelijk met de autonome situatie. Hierdoor zullen er door de uitbreiding van De Grift geen verkeersproblemen ontstaan. Er komen verschillende VRI’s op korte afstand bij elkaar te staan. Er is met microsimulatiemodellen berekend dat er geen afwikkelingsproblemen ontstaan in het planalternatief met A15. Door de beperkte toename van het verkeer neemt de druk op de kruispunten beperkt toe ten opzichte van de referentiesituatie. Er zijn geen extra capaciteitsproblemen te verwachten hierdoor. De verkeersaders hebben een belangrijke functie in de verkeersafwikkeling. De capaciteit van de infrastructuur wordt op de kruispunten uitgebreid; ook neemt het aantal motorvoertuigen beperkt toe. De toename van het verkeer is marginaal en de verkeersafwikkeling zal toenemen met de referentie situatie. Om die reden wordt er ten opzichte van de referentiesituatie een positieve effectscore toegekend aan dit onderdeel.

Bereikbaarheid en oversteekbaarheid De bereikbaarheid met de auto neemt vergeleken met de referentiesituatie iets af door de beperkte toename van de hoeveelheid verkeer. De bereikbaarheid met de bus zal toenemen door de aanleg van de VRI’s die beïnvloed kunnen worden. Hierdoor neemt de betrouwbaarheid van het OV toe. De oversteekbaarheid neemt toe vergeleken met de referentiesituatie door de aanleg van de VRI’s. Vergeleken met de huidige situatie verbetert de oversteekbaarheid en de bereikbaarheid met het OV. Om die reden wordt er een neutrale effectscore toegekend aan dit onderdeel. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheidssituatie in de plansituatie is vergelijkbaar met de referentiesituatie. Langs de Griftdijk en Stationsstraat zijn de verkeerstromen gescheiden. Binnen de uitbreiding is dit echter niet overal het geval. Er is geen trottoir aanwezig langs de ontsluitingswegen van de uitbreiding. Dit maakt de ontwikkeling van De Grift de verkeersveiligheidssituatie neutraal is beoordeeld. Vergeleken met de huidige situatie zal de verkeersveiligheidssituatie toenemen (verbeteren) door het nemen van verschillende infrastructurele maatregelen.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

29

Conclusie Verkeer Het effect van de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift op het aspect Verkeersafwikkeling is Positief (+) ten opzichte van de referentiesituatie, zowel zonder als met het doortrekken van de A15. In de referentiesituatie is de toename van verkeer als gevolg van autonome ontwikkelingen groot, waardoor de toename van verkeersbewegingen in het gebied als gevolg van de ontwikkeling van De Grift relatief gezien beperkt zal zijn. Bovendien blijft de afwikkeling van verkeer op peil. Dat komt omdat infrastructurele maatregelen die in beide situaties voorzien zijn, zorgen voor een voldoende afwikkeling van het verkeer dat de ontwikkeling van De Grift genereert. De scores op de aspecten Bereikbaarheid OV en Fiets en Verkeersveiligheid zijn in beide alternatieven neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituaties. Omdat er meer verkeer is, zijn er meer potentiële verkeersknelpunten en confrontaties. Daarmee kan de bereikbaarheid voor OV en fiets afnemen en is de kans op verkeersongevallen groter. Echter zorgen infrastructurele maatregelen voor langzaam verkeer er in beide alternatieven voor dat de negatieve effecten geneutraliseerd worden.

4.2.4

Mitigerende maatregelen

Geadviseerd wordt om een aantal mitigerende maatregelen te onderzoeken met als doel de verkeerssituatie in het plangebied te optimaliseren. Het betreft: 

De verbreding van viaduct A15 wordt niet uitgevoerd in de referentiesituatie zonder doortrekking van de A15. De verbreding heeft echter veel positieve effecten zoals een verbeterde doorstroming voor het OV en de auto. Daarnaast heeft de verbreding een positief effect op de oversteekbaarheid en verkeersveiligheid van de fietser door de aanleg van een fietstunnel. Om het plan De Grift uit te voeren is dit niet noodzakelijk. Echter is dit wel wenselijk, omdat er in de referentiesituatie een toename van het aantal verkeer is. Scheiding verkeersstromen binnen de uitbreiding zelf. Binnen de uitbreiding zelf is/wordt niet overal gescheiden infrastructuur aangelegd. Om de verkeersveiligheid te verbeteren wordt geadviseerd om hier goed naar te kijken. Daarnaast zijn er diverse in- en uitritten naar de percelen. De zichtbaarheid moet voldoende zijn en ook voldoende opstelruimte tussen de rijbaan en het fietspad. Gedrag- en mobiliteitsbeïnvloeding. Onderzocht kan worden of- en hoe de toenemende verkeersdruk in het plangebied kan worden ondervangen middels gedrags- en mobiliteitsbeïnvloeding. Door bijvoorbeeld samen met werkgevers in te zetten op stimuli voor wenselijk reisgedrag, kunnen werknemers gestimuleerd worden om andere keuzes te maken in hun mobiliteitsbehoeften.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

30

4.3

Natuur – Gebiedsbescherming en Stikstofdepositie

4.3.1

Inleiding

De uitbreiding van het bedrijventerrein zal zorgen voor een toename van bedrijfsemissies en heeft een verkeer aantrekkende werking en daarmee een verandering in de verkeersituatie rondom het plangebied tot gevolg. Dit kan leiden tot licht- en geluidverstoring en een verandering van de stikstofemissies van bedrijfsactiviteiten en verkeer en de bijbehorende stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Tijdens de aanleg van het bedrijventerrein wordt divers, brandstof aangedreven materieel (o.a. graafmachines, asfaltsets, heimachines en hijskranen) ingezet. Verbrandingsemissies van dit materieel zorgen voor tijdelijke stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De uitbreiding van het bedrijventerrein heeft daarmee mogelijk effecten op beschermde gebieden. In deze paragraaf worden de effecten van het basisalternatief voor de uitbreiding van het bedrijventerrein De Grift op beschermde natuurgebieden beschreven. Eerst worden daarvoor de voor het plangebied relevante beschermde gebieden toegelicht. Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dient vervolgens bij activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden.

4.3.2

Referentiesituatie

Referentiesituatie zonder doortrekking A15 Natura 2000 Het plangebied ligt op minder dan 25 km afstand van zeven natuurgebieden, te weten de Rijntakken, Veluwe, De Bruuk, Sint Jansberg, Oeffelter Meent, Binnenveld en Zeldersche Driessen. In onderstaande tabel is de afstand van deze gebieden tot het plangebied gegeven. In tabel 4.3.1 is de ligging van deze gebieden ten opzichte van het plangebied weergegeven. Tabel 4.3.1 Overzicht van de afstand van het plangebied tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebied

Afstand van het plangebied (in m)

Rijntakken

1.300

Veluwe

8.675

Sint Jansberg

15.870

De Bruuk

15.360

Zeldersche Driessen

23.850

Binnenveld

20.245

Oeffelter Meent

20.000

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

31

Figuur 4.3.1 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen). De blauwe cirkel geeft de 25 kilometercontour weer rondom het plangebied Bron: PDOK, 2022.

Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken is op 23 april 2014 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Op 30 maart 2017 is een wijzigingsbesluit gepubliceerd waarin de begrenzing van het Natura 2000-gebied zijn aangepast. Het gebied omvat vier deelgebieden, waarvan het deelgebied Uiterwaarden IJssel de dichtstbijzijnde is. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel om het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de NederRijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen.

Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hoog gelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat 17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

32

in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor. De IJssel verbindt een aantal natuurgebieden met elkaar: 

De natuurgebieden langs de rivieren, in de Gelderse Poort en bovenstrooms langs de Rijn in het zuiden;

De laagveenmoerassen van Noordwest Overijssel in het noorden;

De Randmeren en het Ketelmeer met aansluiting op het IJsselmeer in het westen.

Autonome ontwikkeling In het Natura 2000-beheerplan is het huidige faunabeheer voor niet-broedvogels, broedvogels en bever en vermesting benoemd als het belangrijkste knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het deelgebied Uiterwaarden IJssel. Er zijn in het beheerplan voorwaarden en maatregelen opgenomen die deze knelpunten moeten oplossen. De inschatting is dat op termijn de doelen hiermee gehaald worden. Veluwe Het Natura 2000-gebied Veluwe is op 11 juni 2014 definitief aangewezen en bestaat uit zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebieden. De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1.400 hectare stuifzand op de Veluwe. Plaatselijk komen in de heiden natte of droge heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen.

Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van de Veluwe is in januari 2018 definitief vastgesteld. De PASgebiedsanalyse en de hierin opgenomen maatregelen zijn hier een belangrijk onderdeel van. De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn onzorgvuldig beheer, stikstofdepositie, verstoring, verdroging, vervuiling en ruimtelijke samenhang. Door het treffen van de beheer-, herstel- en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelen. De Bruuk De Bruuk is een moerasgebied in het bekken van Groesbeek, dat wordt gevoed door kwelwater. Het is een voorbeeld van het zogenaamde meden- of madenlandschap, dat wordt gekenmerkt door een kleinschalige afwisseling van hooimoerassen, struwelen, houtwallen en natte bossen. De hooimoerassen zijn deels voorbeelden van het blauwgrasland, deels van het veldrusschraalland.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

33

Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van De Bruuk is in mei 2016 definitief vastgesteld. Uit het beheerplan blijkt dat verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie samen met verzuring als gevolg van verdroging het belangrijkste knelpunten voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen vormt. Door het treffen van beheer-, herstel en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Sint Jansberg Het Natura 2000-gebied Sint Jansberg is op 23 mei 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het betreft een Habitatrichtlijngebied. De Sint Jansberg is een landgoed op het zuidelijk deel van de Nijmeegse stuwwal dat bestaat uit oude loofbossen, naaldbossen en bronnetjesbossen. Karakteristiek van de stuwwallen zijn de scheef gestelde lagen in de bodem. Bij de slecht doorlatende lagen treedt het afstromende grondwater uit in de vorm van bron- en kwelzones. In het gebied liggen verschillende brongebieden en veenmoerassen. Aan de voet van het gebied, bij Plasmolen, ligt een moerassige laagte. Er zijn veelal steile hellingen en daardoor scherpe overgangen aanwezig van droog naar zeer nat. Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van de Sint Jansberg is op 22 februari 2022 definitief vastgesteld. De PASgebiedsanalyse en de hierin opgenomen maatregelen zijn hier een belangrijk onderdeel van.

De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn stikstofdepositie, de daarmee samenhangende verzuring en vermesting, verdroging, hydrologie en waterkwaliteit (eutrofiëring van het oppervlaktewater) en isolatie. Door het treffen van de beheer-, herstel- en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelen. Oeffelter Meent Het gebied Oeffelter Meent is op 25 april 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het betreft een Habitatrichtlijngebied. De Oeffelter Meent is gelegen op een grofzandige oeverwal van een vroegere rivierloop in de uiterwaard van de Maas. Het gebied wordt doorsneden door een gekanaliseerde beek, de Oeffeltsche Raam, die ter plaatse in de Maas uitmondt. Het omvat een aantal hobbelige graslandpercelen. Het ontstane microreliëf en de overgangen van grofzandige afzettingen met grind naar meer kleihoudende bodems naar de randen toe hebben een gevarieerde vegetatie doen ontstaan. Op de zomerdijken komt een aan kalkarme bodem gebonden vorm van stroomdalgrasland voor, die in ons land een beperkte verspreiding heeft. Op voedselrijkere en mogelijk iets vaker overstroomde delen komen glanshaverhooilanden voor. Op de laagste delen en op de voormalige puinstortplaats zijn overstromingsgraslanden en ruigtevegetaties aanwezig.

Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van de Oeffelter Meent is in april 2016 definitief vastgesteld. De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn een afname in de overstromingsfrequentie, het beheer, eutrofiëring als gevolg van stikstofdepositie en isolatie. Door het treffen van de beheer-, herstel- en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelen. Binnenveld Het gebied Binnenveld is op 23 april 2014 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het betreft een Habitatrichtlijngebied. Het Natura 2000-gebied bestaat uit twee deelgebieden: de Bennekomse Meent en De Hel/De Blauwe Hel. Het gebied wordt gevoed door basenrijk kwelwater afkomstig van de Veluwe en in mindere mate van de Utrechtse Heuvelrug, dat ervoor zorgt dat er gebufferde, schrale bodems aanwezig zijn. Beide onderdelen van het gebied zijn restanten van een voorheen uitgestrekt blauwgraslandgebied in de Gelderse Vallei, dat in het verleden als gemeenschappelijk bezit van de

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

34

bevolking van Bennekom en Wageningen als hooiland werd gebruikt. De gebieden liggen langs het riviertje De Grift, dat incidenteel bij hoge waterstanden buiten zijn oevers treedt. De Bennekomse Meent is een blauwgrasland dat geaccidenteerd is door het voorkomen van ondiepe greppels, veenputjes, verveningresten, zandopduikingen en inklinkingverschillen in het veen. Verder zijn sloten, wilgenstruweel en bosjes aanwezig en aan de randen liggen vochtige ruigten en zeggenvegetaties. De Hel en De Blauwe Hel vormen een moerasgebied met een laagveenkarakter. Oorspronkelijk was het hoogveengebied dat door ontginning en veenwinning veranderd is in een gevarieerd laagveengebied met broekbossen, struweel, rietlanden, trilvenen en natte schraallanden. Centraal in het gebied liggen plassen die restanten zijn van het verveningsproces. Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van het Binnenveld is op 12 maart 2019 definitief vastgesteld door Utrecht en op 26 maart 2019 door Gelderland. De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn verdroging met als gevolg verzuring en vermesting, stikstofdepositie met als gevolg verzuring, vermesting van het oppervlaktewater en grondwater en verlies van fauna door versnippering en eutrofiëring. Door het treffen van de beheer-, herstel- en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelen.

Zeldersche Driessen Het gebied Zeldersche Driessen is op 25 april 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het betreft een Habitatrichtlijngebied. De Zeldersche Driessen is gelegen in een binnenbocht van het riviertje de Niers. Het gebied bestaat voor een groot deel uit bos. Het is één van de weinige plaatsen in ons land waar op rivierduinen loofbos met een in hoge mate natuurlijke samenstelling wordt aangetroffen. Het zuidelijk deel van het gebied, direct grenzend aan de Niers, bestaat voornamelijk uit soortenrijk stroomdalgrasland met plantengemeenschappen die karakteristiek zijn voor rivierduinen. Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van de Zeldersche Driessen is in november 2016 definitief vastgesteld. De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn afnemende inundatie, gebrek aan dynamiek, ophoping van humus (en de daarmee gepaard gaande verzuring), gebrek aan beheer, eutrofiëring en isolatie. Door het treffen van de beheer-, herstel- en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelen. Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt nabij maar niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) en ecologische verbindingszones. De afstand tot deze gebieden bedraagt respectievelijk 1.115, 730 en 730 meter.

In navolgende figuur is de ligging van deze gebieden ten opzichte van het plangebied weergegeven. De afstand is dusdanig groot dat negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zijn uitgesloten. Om deze reden wordt binnen dit MER niet verder ingegaan op het GNN, GO en de ecologische verbindingszones.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

35

Figuur 4.3.2 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de nabijgelegen delen van het GNN (groen), GO (lichtblauw) en ecologische verbindingszones (gearceerd). Bron: Provincie Gelderland, 2022.

Referentiesituatie met doortrekking A15 De doortrekking van de A15 leidt tot diverse effecten op beschermde natuurgebieden. Er is voor dat project een Passende Beoordeling opgesteld waarin deze effecten worden beschreven. Hieruit blijkt dat de doortrekking van de A15 leidt tot een toename aan stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. De referentiesituatie met doortrekking van de A15 wijkt daarmee af van de referentiesituatie zonder doortrekking.

4.3.3

Effecten

Vanwege de ligging buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies en versnippering bij voorbaat uitgesloten. Doordat er geen ingrepen plaatsvinden die reiken tot het grondwaterniveau of anderszins effect hebben op de waterhuishouding zijn negatieve effecten als gevolg van verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van de stroomsnelheid of overstromingsfrequentie ook uitgesloten. Verontreiniging is evenmin aan de orde, gezien het feit dat er geen stoffen worden geloosd. Verandering in de dynamiek van het substraat, verstoring door mechanische effecten of verandering in de populatiedynamiek of soortsamenstelling is evenmin aan de orde. Wat resteert zijn de volgende verstoringsfactoren:  Verzuring en vermesting  Verstoring door geluid  Verstoring door licht 17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

36

 

Verstoring door trilling Verstoring door optische effecten

Het plangebied bevindt zich op ca. 1.3000 meter afstand van de dichtstbijzijnde structuur die onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de afstand tot de omringende Natura 2000gebieden en tussengelegen verstorende elementen (zoals de bebouwde kom van Lent en Nijmegen, de N325 en reeds bestaande bedrijventerreinen) met bijbehorende bestaande achtergrondverstoring en de omvang van de voorgenomen plannen zijn verstorende effecten als gevolg van licht, geluid, trillingen en optische effecten uitgesloten. Enkel verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie kan niet worden uitgesloten. De uitbreiding van het bedrijventerrein zorgt voor een toename van bedrijfsemissies en heeft een verkeer aantrekkende werking en daarmee een verandering in de verkeersituatie rondom het plangebied tot gevolg. Dit kan leiden tot een verandering van de stikstofemissies van bedrijfsactiviteiten en verkeer en de bijbehorende stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Tijdens de aanleg van het bedrijventerrein wordt divers, brandstof aangedreven materieel (o.a. graafmachines, asfaltsets, heimachines en hijskranen) ingezet. Verbrandingsemissies van dit materieel zorgen voor tijdelijke stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Stikstofonderzoek In het stikstofonderzoek is onderzocht wat de mogelijke toename van depositie is als gevolg van de veranderingen in wegverkeer en bedrijfsemissies. Daarnaast is gekeken naar de effecten als gevolg van de aanlegfase van het terrein en de effecten van saldering met de huidige uitstoot in het gebied. De effecten die in dit hoofdstuk worden toegelicht zijn bepaald voor de toekomsituatie zónder doortrekken van de A15. Dit is de situatie waarin de maximale verandering in depositie als gevolg van de ontwikkelingen het grootst is. Het stikstofonderzoek met daarin de stikstofberekeningen zijn als bijlage bij het MER toegevoegd. Voor de verschillende situaties is de stikstofdepositie berekend met AERIUS Calculator, versie 2021 (zie Bijlage MER Onderzoek Stikstof). In de tabel hieronder is een overzicht van de stikstofdepositie voor elke situatie per Natura 2000-gebied weergegeven. De getallen zijn weergegeven in tabel 4.3.1. 

Gebruiksfase Wegverkeer Uit AERIUS Calculator blijkt dat de wijzigingen in de verkeerssituatie leiden tot een toename in stikstofdepositie van maximaal 0,08 mol N/ha/j. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000gebied Rijntakken. In drie andere Natura 2000-gebieden wordt ook een toename in stikstofdepositie berekend.

Gebruiksfase bedrijfsemissies Uit AERIUS Calculator blijkt dat de depositie als gevolg van de bedrijfsactiviteiten toeneemt met maximaal 0,30 mol N/ha/j. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. In 6 andere Natura 2000-gebieden wordt ook een toename in stikstofdepositie berekend.

Gebruiksfase – Totaal Uit AERIUS Calculator blijkt dat er in de gebruiksfase (verkeer en bedrijven samen) een toename van maximaal 0,37 mol N/ha/j wordt berekend. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. In 6 andere Natura 2000-gebieden wordt ook een toename in stikstofdepositie berekend.

Gebruiksfase – Totaal inclusief saldering landbouwgrond Uit AERIUS Calculator blijkt dat er in de gebruiksfase (verkeer en bedrijven samen), na saldering met de landbouwgronden, een toename van maximaal 0,23 mol N/ha/j wordt berekend. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. In 6 andere Natura 2000-gebieden wordt ook een toename in stikstofdepositie berekend.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

37

Aanlegfase Uit AERIUS Calculator blijkt dat er tijdens de aanlegfase een tijdelijke toename van maximaal 0,45 mol N/ha/j wordt berekend. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. In 6 andere Natura 2000-gebieden wordt ook een toename in stikstofdepositie berekend.

Aanlegfase – inclusief saldering landbouwgrond Uit AERIUS Calculator blijkt dat er tijdens de aanlegfase, na saldering met de landbouwgronden, een tijdelijke toename van maximaal 0,30 mol N/ha/j wordt berekend. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. In 6 andere Natura 2000-gebieden wordt ook een toename in stikstofdepositie berekend.

Tabel 4.3.1. Stikstofdepositietoename per Natura 2000-gebied voor elk scenario

Stikstofdepositietoename [mol N/ha/j] Natura 2000gebied

Verkeer gebruiksfase

Bedrijven gebruiksfase

Gebruiksfase totaal

Gebruiksfase inclusief saldering

Aanlegfase (tijdelijk)

Aanlegfase inclusief saldering (tijdelijk)

Rijntakken

0,08

0,30

0,37

0,23

0,45

0,30

Veluwe

0,03

0,05

0,07

0,04

0,10

0,06

Sint Jansberg

0,01

0,02

0,02

0,01

0,03

0,02

De Bruuk

0,01

0,01

0,02

0,01

0,02

0,02

Zeldersche Driessen

0,01

0,01

0,01

0,02

0,01

Binnenveld

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

Oeffelter Meent

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

De stikstofdepositie wordt berekend binnen het gebied waar effecten als gevolg van het plan kunnen worden verwacht. Naast de wijzigingen aan de wegen binnen het plangebied ontstaan er op de bestaande wegen in de omgeving van het plangebied wijzigingen in de verkeersomvang, de zogenaamde netwerkeffecten. De uitbreiding van het bedrijventerrein en de verandering van de verkeersstromen als gevolg daarvan, hebben effecten op de emissie van stikstof uit het wegverkeer en de depositie van stikstof op nabijgelegen Natura2000 gebieden. Omdat de natuur in dat gebied kwetsbaar is voor stikstof en de stikstofdepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde, zijn negatieve effecten voor de habitats en soorten in dit gebied op voorhand niet met zekerheid uit te sluiten. De conclusie is dat niet kan worden uitgesloten dat er significante effecten met betrekking tot stikstof zijn te verwachten. Omdat er zonder mitigatie geen zekerheid is dat negatieve effecten voor de Natura 2000 gebieden zijn uit te sluiten, dienen maatregelen worden genomen in de uitwerking van het bestemmingsplan dat ten behoeve van de planontwikkeling wordt vastgesteld.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

38

Conclusie Natuur - Stikstofdepositie De uitbreiding van het bedrijventerrein en de verandering van de verkeersstromen als gevolg daarvan, hebben effecten op de emissie van stikstof uit het wegverkeer en de depositie van stikstof op nabijgelegen Natura2000 gebieden. Het effect van het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift, is ongeacht het doortrekken van de A15, op het milieuaspect stikstof negatief (-). Omdat de natuur in dat gebied kwetsbaar is voor stikstof en de stikstofdepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde, zijn negatieve effecten voor de habitats en soorten in dit gebied niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de ontwikkeling van De Grift zijn daarom mitigerende maatregelen noodzakelijk in het kader van stikstofdepositie.

4.3.4

Mitigerende maatregelen

De gemeente heeft ten behoeve van het Chw-bestemmingsplan de mitigatie van de stikstofeffecten onderzocht, namelijk door gebruik te maken van externe saldering. Conclusie van dit onderzoek luidt: door gebruik te maken van externe saldering kan een toename van stikstofdepositie door de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein worden toegestaan. Door het intrekken van een toestemming voor het houden van vee van een nabijgelegen veehouderij, gelegen aan de Hoeksehofstraat 9 te Nijmegen, kan worden geborgd dat de stikstofdepositie op alle relevante gebieden (zogenaamde hexagonen uit het rekeninstrument Aerius) binnen Natura2000-gebieden niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Er is per saldo (dus na saldering) sprake van een afname van de stikstofdepositie op de Natura2000 gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van een toename van de stikstofdepositie op voor stikstof overbelaste- en kwetsbare Natura2000 gebieden kunnen met die externe saldering met zekerheid worden uitgesloten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het Chw-bestemmingsplan zelf.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

39

4.4

Natuur – Flora en Fauna

4.4.1

Inleiding

De uitbreiding van het bedrijventerrein heeft mogelijk effecten op beschermde soorten. In deze paragraaf worden de effecten van het basisalternatief voor de uitbreiding van het bedrijventerrein De Grift beschreven. Bij de beschrijving van de effecten wordt alleen ingegaan op de mogelijke effecten op beschermde soorten. Als basis voor de effectbeoordeling dienen de flora- en fauna QuickScans (Bureau Waardenburg, 2021a; Bureau Waardenburg, 2021b; Bureau Waardenburg, 2021c; Bureau Waardenburg, 2021d; Bureau Waardenburg, 2022a; Bureau Waardenburg, 2022b). In die onderzoeken heeft er geen uitgebreid nader onderzoek plaatsgevonden naar de soorten die zijn opgenomen in het Soortmanagementplan van de gemeente Nijmegen (het SMP-N). Dit betreft de soorten steenuil, ransuil, kerkuil, buizerd, roek, rugstreeppad, grote modderkruiper, poelkikker, bunzing, hermelijn en wezel. Voor deze soorten is een gebiedsontheffing verleend (zaaknummer 2019-001733 en vindt tweejaarlijkse monitoring plaats (Ravon/Sovon, ‘Monitoring vogels, amfibieën en vissen in Nijmegen Noord in 2022’)), behoudens voor de bunzing, hermelijn en wezel. Voor deze kleine marterachtigen geldt de aanname dat ze binnen het plangebied aanwezig zijn. In deze paragraaf wordt niet nader ingegaan op effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN). Deze zijn beschreven in de voorgaande paragraaf.

Het doortrekken van de A15 heeft geen effect op het voorkomen van beschermde flora en fauna binnen het plangebied. De situaties met doortrekking van de A15 zijn daarom gelijk aan de situaties zonder doortrekking.

4.4.2

Referentiesituatie

In de afgelopen jaren zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd binnen en rondom het plangebied waarin zoveel mogelijk concrete informatie is verzameld met betrekking tot de aan- en afwezigheid van beschermde soorten4. Uit de monitoring van 2022 van de steenuil, ransuil, kerkuil, buizerd, roek, rugstreeppad, grote modderkruiper en poelkikker (Ravon/Sovon, ‘Monitoring vogels, amfibieën en vissen in Nijmegen Noord in 2022’) blijkt dat alleen de roek aanwezig is in het plangebied. Nabij Afslag 38 Elst-Oosterhout,A15 De Grift zijn in 2022 44 nesten geteld. Voor de kleine marterachtigen wordt aangenomen dat ze aanwezig zijn. De overige soorten waarvoor de gebiedsontheffing is verleend zijn niet aangetroffen. Op basis van gegevens uit alle onderzoeken, is de referentiesituatie beschreven. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied leefgebied vormt of kan vormen voor diverse beschermde soorten. Deze zijn in volgende tabel beschreven.

4

Onderzoeken door Bureau Waardenburg (Bureau Waardenburg, 2021a; Bureau Waardenburg, 2021b; Bureau Waardenburg, 2021c; Bureau Waardenburg, 2021d; Bureau Waardenburg, 2022a; Bureau Waardenburg, 2022b). Er zijn daarnaast diverse bronnenstudies uitgevoerd waarbij onder meer de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is geraadpleegd. Aanvullend hebben meerdere veldbezoeken plaatsgevonden. Hier is op basis van terreinkenmerken en expert judgement beoordeeld of het gebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Ook is in delen van het plangebied soortgericht onderzoek uitgevoerd. Tevens wordt door Ravon en Sovon tweejaarlijkse monitoring uitgevoerd naar de vogels, amfibieën en vissen uit de gebiedsontheffing in de gehele Waalsprong. 17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

40

Tabel 4.4.1 Overzicht (mogelijk) voorkomende beschermde soorten

Soortgroep

(Mogelijk) voorkomende beschermde soorten

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis

Grondgebonden zoogdieren

Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel

Vogels

Amfibieën

Diverse algemene broedvogelsoorten Soorten met jaarrond beschermde nesten: huismus, boomvalk, sperwer en roek Bruine kikker, bastaard kikker, gewone pad en kleine watersalamander

Vleermuizen Uit meerdere onderzoeken blijkt dat er een paar- en zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig in de boerderij aan De Griftdijk 212. Daarnaast vormt het plangebied foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Tijdens de onderzoeken zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Het plangebied vormt echter geen essentieel foerageergebied. Wel kunnen het roekenbosje en de Rijksweg Zuid-brug over de A15 onderdeel zijn van een vaste vliegroute voor vleermuizen. Gezien de beperkte aanwezigheid van alternatieve verbindende elementen heeft deze potentiële vliegroute mogelijk een essentieel karakter. Grondgebonden zoogdieren De steenmarter heeft een territorium in de omgeving van het autogaragebedrijf aan de Griftdijk 234. Het plangebied vormt daarmee foerageergebied voor de steenmarter. Het plangebied is geschikt leefgebied voor de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel voor. Deze kleine marterachtigen zijn opgenomen in het SMP-N. Vogels Algemene broedvogelsoorten Het plangebied vormt geschikt leef- en broedbiotoop voor diverse algemene broedvogelsoorten zoals merel, heggenmus, zwartkop, gekraagde roodstaart en winterkoning. Deze soorten broeden in ruigtes en struwelen. De meer open delen van het plangebied vormen daarnaast geschikt foerageergebied voor diverse soorten.

Soorten met jaarrond beschermde nesten  In het plangebied komen meerdere vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten voor. In het roekenbosje (een essenbosje aan de zuidoostzijde van de A15, direct ten oosten van knoop 38) broedt een kolonie roeken. In 2022 zijn in totaal 44 nesten geteld. De roek is opgenomen in het SMP-N.  In de woning aan de Stationsstraat 25 is een nestlocatie van de huismus aanwezig. De tuin van deze woning heeft ook een functie als foerageergebied voor het broedpaar. In de directe omgeving zijn daarnaast meerdere huismussen waargenomen. Er is een populatie van maximaal 16 broedparen van de huismus aanwezig rondom de woning aan de Griftdijk 212. De dieren vliegen heen en weer tussen de erven van Griftdijk 212 en 201 / 55. Het erf van de boerderij aan de Griftdijk 212 vormt essentieel leef- en foerageergebied voor de lokale broedpopulatie. Het erf bestaat uit borders met struiken, randjes met onkruiden en een moestuin. De laurierhagen worden gebruikt als schuilplaats.

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

41

Er is een nest van de boomvalk aanwezig in een hoogspanningsmast buiten het plangebied. De afstand tussen de nestlocatie en het plangebied bedraagt hemelsbreed 150 meter. De soort is meerdere keren jagend waargenomen boven het plangebied. Het plangebied heeft een essentiële functie als foerageergebied. In het roekenbosje naast afrit 38 is een nest van de sperwer aanwezig. De exacte nestlocatie is niet vastgesteld. Wel zijn meerdere waarnemingen gedaan van de sperwer in het oostelijk deel van het roekenbosje. Hierbij zijn onder andere bedelende jongen waargenomen. Aangenomen wordt dat de soort heeft gebroed in het bosje. Het bosje bevindt zich deels in het plangebied. Het plangebied wordt daarnaast ook gebruikt als foerageergebied door de sperwer. Daarmee vormt het plangebied zowel broedbiotoop als essentieel foerageergebied voor de sperwer.

Amfibieën Uit het plangebied en de directe omgeving zijn waarnemingen (NDFF) bekend van diverse soorten beschermde amfibieën: bruine kikker, bastaard kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Al deze soorten vallen onder het Beschermingsregime andere soorten. De watergangen en de oevers in de drie deelgebieden zijn allen geschikt leefgebied voor deze soorten. Ongewervelden In de omgeving van het plangebied zijn waarneming bekend van de teunisbloempijlstaart. In 2022 heeft onderzoek naar de teunisbloempijlstaart plaatsgevonden, waarbij de soort niet is aangetroffen. De aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart is dan ook uitgesloten.

4.4.3

Effecten

Vleermuizen Binnen het plangebied bevindt zich een paar- en zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Het betreft een boerderij aan De Griftdijk 212. Deze boerderij bevindt zich binnen het deelgebied De Grift – Noord. In de toekomstige situatie zal de boerderij worden gesloopt en gaat de paar- en zomerverblijfplaats verloren. Hiermee is sprake van negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouw-bewonende vleermuissoorten. Er zijn geen andere essentiële functies voor vleermuizen die door de ingreep in het plangebied negatief beïnvloed worden. De voorgenomen uitbreiding van De Grift leidt tot het verdwijnen van een paar- en zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Aantasting van de staat van instandhouding van de diverse vleermuissoorten wordt echter uitgesloten. Deze soortgroep is niet opgenomen in het Soortmanagementplan Nijmegen (SMPN). Voor het vernietigen van de verblijfplaatsen dient dan ook een ontheffing aangevraagd te worden of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied is een territorium aanwezig van de steenmarter. Daarnaast is ook leefgebied aanwezig voor kleine marterachtigen. Met de uitbreiding van De Grift wordt een groot oppervlak bebouwd en/of verhard. Dit gaat gepaard met een verlies aan leefgebied voor de steenmarter en kleine marterachtigen.

Ook kunnen verblijfplaatsen van deze soorten verloren gaan tijdens de herinrichting van het plangebied. De uitbreiding van De Grift leidt daarmee tot negatieve effecten op steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. De bunzing, hermelijn en wezel (gezamenlijk ook wel kleine marterachtigen genoemd), zijn opgenomen in het SMP-N. Het SMP-N kan gezien worden als een generieke ontheffing voor de volledige ontwikkeling binnen het gebied. In het SPM-N zijn mitigerende en compenserende maatregelen opgenomen voor deze soorten die moeten worden getroffen binnen het project. Voor het vernietigen van de verblijfplaatsen en leefgebied van deze kleine marterachtigen hoeft dan ook geen ontheffing Wnb aangevraagd te worden. 17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

42

Voor de steenmarter geldt dat deze niet is opgenomen in het SMP-N. Voor deze soort dient dan ook wel een ontheffing Wnb aangevraagd te worden of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Vogels Algemene broedvogelsoorten Binnen het plangebied kunnen diverse algemene broedvogelsoorten tot broeden komen. Ook vormt het plangebied foerageergebied voor algemene broedvogelsoorten. Met de uitbreiding van De Grift wordt een groot oppervlak bebouwd en/of verhard. Dit leidt tot een afname aan broed- en foerageerbiotoop. Hiermee is sprake van een negatief effect op algemene broedvogelsoorten. De afname aan broed- en foerageerbiotoop is echter niet zodanig dat deze ook leidt tot aantasting van de staat van instandhouding van algemene broedvogelsoorten. Soorten met jaarrond beschermde nesten Met de voorgenomen plannen wordt een klein deel van het roekenbosje gekapt ten behoeve van een nieuwe ontsluiting voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Hiermee gaan mogelijk nesten van de roek verloren. Voor de roek geldt dat de staat van instandhouding als broedvogel is beoordeeld als matig ongunstig en als niet-broedvogel zeer ongunstig. Het verlies aan nestlocaties van de soort heeft dan ook een negatief effect op de staat van instandhouding. De roek is opgenomen in het SMP-N.

Het SPM-N kan gezien worden als een generieke ontheffing voor de volledige ontwikkeling binnen het gebied. In het SPM-N zijn mitigerende en compenserende maatregelen opgenomen voor deze soort die moeten worden getroffen. Een ontheffing aanvragen is voor deze soort dan ook niet noodzakelijk. In het plangebied zijn daarnaast meerdere nesten van de huismus aanwezig. Met de uitbreiding van De Grift wordt de bebouwing waarin de nesten zich bevinden uiteindelijk gesloopt. Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein gaat ook de bijbehorende essentiële leefomgeving (bestaande uit foerageergebied en schuilmogelijkheden) verloren. Daarmee is sprake van negatieve effecten op soorten met jaarrond beschermde nesten. Voor de huismus geldt dat de staat van instandhouding als broedvogel en nietbroedvogel is bepaald als matig ongunstig. Het verlies aan nestlocaties van de soorten heeft dan ook een negatief effect op de staat van instandhouding. De huismus is niet opgenomen in het SMP-N. Voor deze soort dient dan ook een ontheffing Wnb voor het vernietigen van jaarrond beschermde nesten aangevraagd te worden of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Direct buiten het plangebied is een nestlocatie van de boomvalk aanwezig. Het plangebied zelf vormt leefgebied voor deze soort. De uitbreiding van De Grift leidt tot een verlies aan foerageergebied.

Doordat het hier essentieel leefgebied betreft, leiden de voorgenomen plannen daarmee zelfs tot het verlies van het territorium en de bijbehorende nestlocatie. De landelijke staat van instandhouding van de boomvalk als broedvogel is matig ongunstig; als niet-broedvogel is deze beoordeeld als gunstig. Het verlies van een territorium leidt daardoor tot een verdere verslechtering van de staat van instandhouding van de broedpopulatie van deze soort. Doordat de boomvalk niet is opgenomen in het SMP-N dient een ontheffing voor deze soort te worden aangevraagd of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Met de voorgenomen plannen wordt een klein deel van het roekenbosje gekapt ten behoeve van een nieuwe ontsluiting voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Hiermee gaan mogelijk nesten van de roek en sperwer verloren. Daarnaast leidt de uitbreiding van het bedrijventerrein tot het verlies van essentieel foerageergebied van de sperwer. Hiermee gaat het sperwerterritorium mogelijk in zijn geheel verloren. Voor de sperwer is de landelijke staat van instandhouding voor zowel de broedvogelpopulatie als de nietbroedvogelpopulatie bepaald als gunstig. Het verlies van een territorium van de sperwer leidt daardoor niet tot aantasting van de staat van instandhouding van de soort. Voor de sperwer geldt dat deze niet is

17 februari 2023

MER Bedrijventerrein de Grift

43

opgenomen in SMP-N. Voor deze soort dient dan ook een ontheffing Wnb voor het vernietigen van een verblijfplaats aangevraagd te worden of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Vissen In de monitoring van 2022 is de grote modderkruiper niet aangetroffen in het plangebied. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Ongewervelden Het voorkomen van de teunisbloempijlstaart is uitgesloten. Er zijn ook geen aanwijzingen voor aanwezigheid van overige beschermde ongewervelde soorten. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn daarmee uitgesloten. Conclusie Natuur – Flora en Fauna Het effect van het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift op het milieuaspect Natuur – Flora en Fauna is negatief (-), ongeacht het doortrekken van de A15. De uitbreiding van het bedrijventerrein heeft effecten op de leef- en verblijfsgebieden van een aantal voorkomende soorten in het plangebied. In het Soortenmanagementplan (SMP-N) is reeds een aantal maatregelen geformuleerd die getroffen moeten worden voor de in het Soortenmanagementplan opgenomen soorten die in dit geval beïnvloed worden. Daarnaast zijn negatieve effecten met de voorgenomen ontwikkeling op vleermuizen, huismus, boomvalk, sperwer en de steenmarter niet uitgesloten.

Voor deze soorten dient een ontheffing van verbodsbepalingen van de Wnb aangevraagd te worden of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig raamwerk voor de uitbreiding van De Grift zal hiermee rekening worden gehouden.

4.4.4

Mitigerende maatregelen

In het SMP-N is reeds een aantal maatregelen geformuleerd die getroffen moeten worden voor de in het SMP-N opgenomen soorten. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig raamwerk voor de uitbreiding van De Grift zal hiermee rekening worden gehouden. Daarnaast dient voor een aantal soorten een ontheffing van verbodsbepalingen van de Wnb aangevraagd te worden of wanneer mogelijk gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Indien deze ontheffing wordt verleend, zal deze ook een aantal mitigerende en compenserende maatregelen bevatten. Ook hiervoor geldt dat deze maatregelen meegenomen zullen worden bij de uitwerking van het stedenbouwkundig raamwerk. Dit geldt ook wanneer gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Naast deze maatregelen dient ook een aantal generieke maatregelen getroffen te worden in het kader van de zorgplicht. Deze worden hieronder uiteengezet:  Er wordt niet of zo min mogelijk gewerkt tussen zonsondergang en zonsopkomst. Veel algemene en beschermde diersoorten (o.a. vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien ook in de schemering en het donker wordt gewerkt moet gebruik worden gemaakt van (amberkleurig) licht met speciale, naar beneden gerichte armaturen die verstrooiing van licht voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=4fbb3ba8-30a5-4ed9-a5cf-10a0398b6240