CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Opbrengstnotitie - afwegingskader en visie toekomstige inzamelmethode restafval

Besluitronde (raadsvergadering) 16 april 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Visie en koers toekomstige inzameling restafval (01/2025)11.586 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Waar Nijmegen grondstoffen zoals plastic+ en oud papier periodiek aan huis ophaalt, kent Maastricht een 60-tal milieuperrons. Op deze perrons kunnen inwoners hun oud papier en het plastic+ deponeren in daarvoor bedoelde ondergrondse containers. • Het resultaat van het gevoerde beleid is dat Maastricht net als Nijmegen een hoge mate van afvalscheiding kent met een hoeveelheid van 85 kilo restafval per inwoner (2023)! • De gemeente Maastricht heeft begin 2024 haar beleidskader vastgesteld hoe men de inzameling van huishoudelijk restafval en grondstoffen naar de toekomst wil gaan inrichten. Om de afvalscheiding een stap verder te brengen op weg naar een circulaire economie heeft de raad van Maastricht besloten om ook het principe van “omgekeerd inzamelen” gefaseerd in te gaan voeren. Dat zou onder meer moeten resulteren in een daling van de hoeveelheid restafval naar ca. 50 kilo restafval per inwoner. • In het kader van “omgekeerd inzamelen” wil Maastricht het serviceniveau van de inzameling van een aantal grondstoffen waaronder GFT in het bijzonder, op een hoger peil brengen. Daarnaast is men voornemens de inzameling van plastic+ via ondergrondse containers te beëindigen en over te stappen op de inzameling met zakken. Reden is dat de kwaliteit van het plastic+ in de ondergrondse containers sterk onder druk staat.

• Voor de inzameling van restafval wil men geleidelijk ondergrondse containers plaatsen in een lage dichtheid. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid kunnen bewoners hun restafval dan aanbieden in een betaalde restafvalzak of in een ondergrondse container. Doel is om uiteindelijk de inzameling via zakken uit te faseren.

24

8. Reflectie en visie De ontwikkeling van het nieuwe grondstoffenbeleidsplan vindt plaats vanuit een projectgroep. Hierin nemen medewerkers van Dar en de afdelingen Stadsbeheer en Stadsontwikkeling deel. Vanuit deze projectgroep is overdacht wat op basis van de vergaarde kennis in de voorgaande hoofdstukken naar de toekomst toe de beste methode is om het restafval in te zamelen in Nijmegen (i.e. de visie) én wat de beste route is om dat te bereiken (i.e. de koers). Dat heeft geleid tot de volgende overdenkingen: •

De projectgroep ziet de inzameling van het restafval via ondergrondse containers (scenario 1) als het eindstadium dat we uiteindelijk willen bereiken. Het geeft de beste impuls en resultaten wat betreft het verder scheiden van afval, is een efficiënte wijze van inzamelen en speelt ook in op de ontwikkelingen rondom de steeds strenger wordende arbo-normeringen. Tevens voorziet het in een behoefte van mensen om zich 24/7 van hun restafval te kunnen ontdoen.

•

Tegelijkertijd is er ook het besef dat veel wijken problemen hebben op het gebied van leefbaarheid en er niet aan toe zijn om een dergelijke stap naar deze wijze van inzamelen in een keer te maken. De sociale samenhang is laag en in sommige wijken is sprake van veel dumpgedrag wat de leefbaarheid van de omgeving onder druk zet. In de wetenschap dat ondergrondse containers aan de ene kant op afstand zouden komen te staan en aan de andere kant ook nog eens de plek bij uitstek zijn om afval bij achter te laten, is het niet opportuun om direct over te gaan op een inzamelsysteem met alleen ondergrondse restafvalcontainers (scenario 1). Het zou de leefbaarheid verder onder druk zetten en niet bijdragen aan een goede balans tussen leefbaarheid en afvalscheiding.

•

Vanuit die achtergrond is het raadzaam om de weg der geleidelijkheid te bewandelen. We zouden de ruimte moeten nemen om via een lagere inzamelfrequentie van de zakken in combinatie met overloopcontainers in de wijk (i.e. scenario 3) op de langere termijn uiteindelijk toe te kunnen groeien naar volledige inzameling met ondergrondse verzamelcontainers (scenario 1). Daarmee kunnen we aandacht geven aan leefbaarheid én een verdergaande afvalscheiding. Feitelijk is dit analoog aan het pad dat ook de gemeente Maastricht voorstaat vanuit dezelfde overwegingen.

•

Bovendien stelt het ons beter in staat om ervaring op te doen in de verschillende wijken en waar nodig meer maatwerk en differentiatie toe te passen. Het maakt invoering minder kwetsbaar dan wanneer we in een wijk in een keer volledig overgaan op inzameling met ondergrondse containers op afstand. De transitie zal sowieso ook hand in hand plaatsvinden met service-verhogende maatregelen om de inzameling van grondstoffen daar waar nodig te verbeteren.

•

Tot slot combineren we met scenario 3 het beste van scenario’s 1 en 2 voor de bewoners. Zo bereiken we de beoogde verlaging van het serviceniveau op de inzameling van restafval waarbij bewoners de keuze hebben hoe men dat restafval dan wil aanbieden. Men kan ervoor kiezen om het aan de straat te zetten ter inzameling door Dar én men heeft de mogelijkheid om zich er eerder van te ontdoen via een ondergrondse container in de wijk. Op deze manier behouden onze inwoners als geheel tóch een hoog serviceniveau op het restafval, doordat men dat zelf 24/7 kan wegbrengen naar een ondergrondse container gekoppeld aan een lagere service aan huis.

25

9. Conclusies en advies Op grond van de informatie samengebracht in deze opbrengstnotitie komen wij tot de volgende conclusies: •

De stadpanelenquête (hoofdstuk 3) leert ons dat: o Er in de basis begrip en draagvlak is voor het principe van omgekeerd inzamelen o De inzameling van restafval via ondergrondse containers op afstand (scenario 1) wel op support kan rekenen. Dat is niet zo voor een verlaagde inzamelfrequentie van restafvalzakken (scenario 2). De meningen over een combinatie van een lagere inzamelfrequentie met een ondergrondse container in de wijk (scenario 3) zijn verdeeld. o Een groot deel van de panelleden maximaal 1 of maximaal 2 zakken restafval aanbieden per maand. Dat geeft in elk geval het perspectief dat er nog veel verbetering in afvalscheiding mogelijk is bij de huishoudens met 3 of meer zakken restafval per maand. Met name door de respondenten uit de hoogbouw blijkt er meer restafval te worden aangeboden en wordt onderkend dat er ruimte is voor een betere afvalscheiding.

•

De evaluatie van het netwerk van restafvalcontainers in de binnenstad (hoofdstuk 4) leert ons als belangrijkste lessen: o Inwoners zijn hoofdzakelijk tevreden over deze inzamelsystematiek en men prefereert het wegbrengen van restafval boven de voorheen wekelijkse inzamelronde van restafvalzakken. o De dichtheid van het netwerk komt neer op 1 ondergrondse container per 116 huishoudens hetgeen goed vergelijkbaar is met de dichtheid van 1 container per 100 huishoudens zoals die in scenario 4b wordt gehanteerd. De gebruikers van de ondergrondse containers bieden een hoeveelheid aan van 219 kg restafval per huishouden; dat komt bij benadering neer op een hoeveelheid van rond de 100 kg per inwoner en dat is meer dan het stadsbrede gemiddelde van 81 kg per inwoner. o Inzameling met ondergrondse restafvalcontainers brengt ook de problematiek van bijplaatsingen en vervuiling met zich mee; Een fenomeen dat hardnekkig van aard en ook niet 100% oplosbaar is. Landelijke ervaring leert dat er bij 10% tot 20% van (ondergrondse) verzamelcontainers bijplaatsingen zijn. Dat kan evenwel sterk per wijk verschillen. Invoering van een stadsbreed netwerk van ondergrondse containers (scenario 1 en 4b) betekent dan ook een opschaling van de bijplaatsingsproblematiek.

•

De beoordeling van consequenties en effecten van de verschillende inzamelscenario’s (hoofdstuk 5) brengt ons tot de slotsom dat: o Geen enkel inzamelscenario alleen maar voordelen en geen nadelen kent; o De scenario’s met een lager serviceniveau op de inzameling van restafval leiden tot een betere afvalscheiding en scenario’s met een hoog servicescenario’s niet; o Binnen de scenario’s met een laag serviceniveau vooral scenario’s 1 en 3 beter het beste perspectief voor invoering hebben, terwijl een lagere inzamelfrequentie van restafvalzakken (scenario 2) minder gedragen wordt door de inwoners (hetgeen ook blijkt uit de stadspanelenquête) en het risico op extra dumpingen in de openbare ruimte en de op kwaliteit van de herbruikbare stromen groter is. o De fysieke belastbaarheid bij de meeste scenario’s verbetert, maar niet bij scenario’s 4a en 4c.

•

De kostencalculaties van de inzamelscenario’s (hoofdstuk 6) wijzen het volgende uit: o Inzamelscenario’s met een laag serviceniveau komen qua kosten (veel) gunstiger uit dan de drie varianten met een hoog serviceniveau. Dat is het geval zowel bij 81 kg per inwoner hetgeen de huidige situatie reflecteert, als bij 50 kg per inwoner wat we als beoogd resultaat voor de toekomst voor ogen hebben. o Een overstap (in de huidige situatie van 81 kg restafval per inwoner) naar een scenario met een laag serviceniveau zou nagenoeg kostenneutraal zijn (scenario 1 en 3) of een beperkt financieel voordeel opleveren (scenario 2). Een overstap naar een inzamelmethode met een hoog serviceniveau zou leiden tot een aanzienlijke kostenverhoging (scenario’s 4a, 4b en 4c). Dit betekent ook dat een overstap op een inzamelsysteem met een laag serviceniveau op zichzelf geen negatieve financiële consequenties zou hebben als het principe van ‘omgekeerd inzamelen’ onverhoopt niet zou leiden tot een lager aanbod van restafval (i.e. worst case scenario). o Een lager aanbod van restafval leidt tot een grote kostenbesparing. Een afname van 81 kg naar 50 kg restafval per inwoner leidt tot een besparing van ca. € 800.000 aan verwerkingskosten bij ARN. Dit is overigens géén netto besparing omdat er ook meer grondstoffen moeten worden verwerkt. 26

•

Uit de ervaringen in andere gemeenten (hoofdstuk 7) komt een aantal lessen naar voren: o Omgekeerd inzamelen leidt tot een daling van de hoeveelheid aangeboden restafval en een toename in de hoeveelheid herbruikbare grondstoffen. o Invoering vraagt echter ook een gedegen proces om inwoners in dat traject mee te nemen en te betrekken; zeker in het begin is er namelijk de nodige twijfel en weerstand. Met name bij de bewoners van hoogbouw is dat het geval. Overigens neemt deze weerstand af zodra in de eerste wijken positieve resultaten naar voren komen en mensen ervaren hoe weinig restafval er overblijft als de grondstofstromen goed worden gescheiden. o Een gefaseerde aanpak is gevraagd waarbij invoering wijk voor wijk plaatsvindt. Dat geeft ruimte om in te spelen op de lokale situatie en gericht te communiceren en feedback te geven aan bewoners. De ervaringen kunnen zo ook worden meegenomen naar andere wijken. De inspanningen en de inzet van instrumenten zal dan ook per wijk kunnen verschillen en dat vraagt om maatwerk. Zeker in de stedelijke gemeenten is dit een traject van lange adem. o Het optreden van neveneffecten zoals bijplaatsingen bij ondergrondse containers en/of dumpingen vragen om een adequate en kordate aanpak. Handhaving, monitoring en communicatie zijn dan ook belangrijke randvoorwaarden om invoering tot een succes te maken.

Deze middelen moeten dan ook op orde zijn.

•

De reflectie vanuit de projectgroep geeft als overdenkingen mee: o De inzameling van het restafval via ondergrondse containers (scenario 1) wordt als het wenselijke eindstadium gezien. o Gezien de druk op de leefbaarheid in veel wijken is het echter niet opportuun om een dergelijke stap naar deze wijze van inzamelen in een keer te maken. Het zou de leefbaarheid verder onder druk zetten en niet bijdragen aan een goede balans tussen leefbaarheid en afvalscheiding. o Het is raadzaam om de weg der geleidelijkheid te bewandelen door via een lagere inzamelfrequentie van de zakken in combinatie met overloopcontainers in de wijk (i.e. scenario 3) op de langere termijn uiteindelijk toe te kunnen groeien naar volledige inzameling met ondergrondse containers (scenario 1). o Het stelt ons ook beter in staat om ervaring op te doen in de verschillende wijken en waar nodig meer maatwerk en differentiatie toe te passen. Het maakt invoering minder kwetsbaar dan wanneer we in een wijk volledig overgaan op ondergrondse containers. De transitie zal sowieso hand in hand plaatsvinden met service-verhogende maatregelen om de inzameling van grondstoffen daar waar nodig te verbeteren. o Verder wordt met scenario 3 het beste van scenario’s 1 en 2 gecombineerd voor de bewoners.

Zo bereiken we de beoogde verlaging van het serviceniveau op de inzameling van restafval, waarbij bewoners de keuze hebben hoe men dat restafval dan wil aanbieden; hetzij via de inzameling aan huis hetzij via een ondergrondse container in de wijk. Van beide mogelijkheden kan men gebruik maken. Op deze manier behouden onze inwoners als geheel tóch een hoog serviceniveau op het restafval, doordat men dat zelf 24/7 kan wegbrengen naar een ondergrondse container gekoppeld aan een lagere service aan huis.

Advies

Het advies is om: • Inzameling van restafval via ondergrondse containers op afstand (scenario 1) als het uiteindelijk te bereiken einddoel te beschouwen, • maar op weg daar naar toe een lagere inzamelfrequentie van zakken in combinatie met overloopcontainers in de wijk (i.e. scenario 3) vast te stellen als het voorkeursscenario om nader uit te werken in het grondstoffenbeleidsplan.

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=77efb912-32f9-4c4b-849e-42e74a237840