Onderzoeksvoorstel Radboud
Tekst van het document
Gemeente Nijmegen Mevr. De Bosson b.de.hosson@nijmegen.nl
Datum Referentie Betreft Behandeld door Gecontroleerd door Versienummer
6 april 2021 N 2021 Nijmegen/onteigeningen Prof. W. van Meurs Nico Schöder (Fin. Afd. RU) Dr. Marieke Oprel 6
Omgang met onteigend Joods vastgoed Offerte gemeente Nijmegen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn duizenden panden van Joodse burgers door de bezetter onteigend en doorverkocht. Na de oorlog zagen de teruggekeerde eigenaren of hun nabestaanden zich bij de restitutie in een aantal steden met langdurige procedures en soms hoge kosten geconfronteerd. Ons beeld van deze bijna vergeten onteigeningen en het proces van rechtsherstel is onvolledig en kent aanzienlijke verschillen per stad. Het navolgende aanbod voor opdrachtonderzoek van WO2-experts aan de Radboud Universiteit Nijmegen zal de omvang van het onteigeningsvraagstuk voor Nijmegen vaststellen en vooral ook licht werpen op het handelen van de gemeente na de bevrijding in het proces van rechtsherstel voor Joodse burgers en hun nabestaanden. Op basis van dit onderzoek kunnen keuzes gemaakt worden in de omgang met deze zwarte bladzijde in de stadsgeschiedenis.
§1. Achtergrond en overwegingen In de zomer van 2020 presenteerden onderzoeksjournalisten van Pointer (KRO/NCRV) de resultaten van een koppeling tussen Verkaufsbücher in het Nationaal Archief en kadasterdata. In deze Verkaufsbücher (of Vastgoedboeken, die niet volledig bewaard zijn gebleven) werd de onteigening van (meestal) joods vastgoed door de Duitse bezetter geregistreerd. In enkele gevallen is de gemeente als koper van deze onteigende panden en grondbezit opgetreden, in andere gevallen werden de joodse eigenaren na de oorlog geconfronteerd met belasting-naheffingen. Het betrof 7108 panden in 225 gemeenten, met een totale transactiewaarde van 100 miljoen gulden. Aan de gemeenten werd door Pointer-journalisten gevraagd of ze bekend waren met deze zwarte bladzijde in de lokale geschiedenis en of ze een compensatie of een publieke erkenning van dit onrecht overwogen. Voor Nijmegen betrof het volgens de Verkaufsbücher 61 woningen. Onderzoek voor andere steden heeft laten zien dat zeker niet alle onteigeningen in deze boeken geregistreerd zijn. De meeste gemeenten bleken niet op de hoogte van deze historische feiten. Naar aanleiding van de mediaberichtgeving en raadsvragen kondigden een groot aantal gemeenten aan hier onderzoek naar te zullen (laten) doen, wat door de corona-crisis en de sluiting van de archieven echter werd bemoeilijkt.
De onderzoeksvraag die hierbij gesteld werd, was een tweeledige: 1. Een inventarisatie van de mate waarin en de manier waarop Joods bezit in de eigen gemeente onteigend en verkocht is tijdens de bezetting; 2. Een reconstructie en beoordeling van de manier waarop de gemeente na de oorlog met dit onrecht is omgegaan in het kader van het rechtsherstel. Inmiddels zijn voor een aantal steden rapporten verschenen als resultaat van wetenschappelijk onderzoek door historici en archivarissen, onder andere van het NIOD. Het onderzoeksrapport voor Amsterdam (2016) was het eerste dat publiek gemaakt werd, Rotterdam, Utrecht en Den Haag volgden. In nog meer steden is 1
vergelijkbaar onderzoek gaande of in voorbereiding. De aandacht gaat niet alleen uit naar de onteigeningen zelf, omdat na de oorlog in veel gevallen restitutie heeft plaatsgevonden, maar ook naar het (niet)handelen van de gemeente in samenhang met de onteigeningen en eventuele tekortkomingen bij het rechtsherstel. Door een aantal gemeenten is op basis van het onderzoek compensaties betaald voor deze hardvochtige, juridische afhandeling na de oorlog. Het voorlopige beeld dat uit deze lokale archiefonderzoeken en reconstructies naar voren komt is het volgende. Op basis van nieuwe wetgeving dwong de bezetter Joodse huis- en grondbezitters om hun eigendom eerst te registreren en vervolgens te verkopen en werden hun bedrijven geliquideerd. Onteigening was in handen van het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO), de Nederlandse afdeling van de Duitse Niederländische Grundstückverwaltung (NGV). Het vastgoed werd overgedragen aan de roofbank LIRO om geëxploiteerd of doorverkocht te worden. Na de bevrijding werd het Nederlandse Beheersinstituut (1945-1967) door de regering gemandateerd om voor rechtsherstel voor Joodse en andere burgers zorg te dragen. De kwaliteit en de prestaties van het NBI lopen naar het oordeel van deskundigen sterk uiteen en varieerden klaarblijkelijk ook per stad.
In een aantal steden zagen teruggekeerde Joodse burgers of hun nabestaanden zich geconfronteerd met substantiële naheffingen (erfpacht, straat- en onroerend-goed belasting) die juridisch-formeel volgden uit het nul en nietig verklaren van de onteigeningen. De oorspronkelijke eigenaren moesten deze naheffingen vanaf het moment van de onteigening betalen, ongeacht de eigen lotgevallen, in veel gevallen deportatie naar concentratiekampen. Ook hierin maakten de gemeenten verschillende keuzes in de beleidsuitvoering. Sinds de wederopbouw zijn deze historische gebeurtenissen grotendeels vergeten. Ze werden tot tegen het einde van de eeuw vooral door de lokale Joodse gemeenschap en regionale historici gememoreerd. Degelijk historisch onderzoek werd bemoeilijkt door het feit dat de sleuteldocumenten van de Verkaufsbücher pas in 2018-19 gedigitaliseerd en aan kadasterdata gekoppeld zijn en zo eenvoudiger toegankelijk en doorzoekbaar werden. Al afgeronde onderzoeken en nog lopende projecten maken echter ook duidelijk dat er grote lokale verschillen waren in het onteigeningsproces tijdens de oorlog, maar ook in de omgang daarmee door de verschillende gemeenten tijdens het naoorlogse rechtsherstel.
Deze verschillen hadden mogelijk te maken met de Joodse gemeenschap in de stad, de politieke verhoudingen in de gemeenteraad, maar ook met de bevrijding van Zuid-Nederland in de herfst van 1944 en van Noord-Nederland in het voorjaar van 1945, waardoor in het Zuiden een doorverkoop eventueel werd verhinderd. Over deze lokale omstandigheden en de gevolgen ervan voor onteigening en rechtsherstel is zeker vanuit vergelijkend perspectief nog weinig bekend.
§2. Opdracht en operationalisering Het motief voor historisch onderzoek is de door gemeentebesturen gevoelde noodzaak om de feiten boven tafel te krijgen: niet vanuit een streven naar gedetailleerde volledigheid, maar juist om een historische contextualisering van de gebeurtenissen in de eigen stad. Een belastbare beoordeling van de betrokkenheid en eventueel verwijtbaar handelen door het gemeentebestuur van destijds vraagt immers om een vergelijking met andere gemeenten en een inschatting van de keuzevrijheid van de bestuurders tijdens en na de bezetting. De vervolgvragen uit dergelijk onderzoek betreffen een eventueel aanbod van compensatie voor onrechtmatige heffingen na de oorlog. Ook de restitutie van het vastgoed na de oorlog vergde in veel gevallen langdurig procederen. Niet minder belangrijk is het besef dat een publieke erkenning van historisch onrecht alleen serieus en betekenisvol kan zijn, als die gebaseerd is op een degelijke kennis van het gebeuren. Deze motieven hebben ook consequenties voor de doelstellingen, methodiek, omvang en tijdspad van het opdrachtonderzoek.
2
Van het geplande opdrachtonderzoek door ervaren Nijmeegse historici kan met de geformuleerde vraagstellingen en de gestelde randvoorwaarden het volgende verwacht worden. Het eindbericht van het onderzoek biedt een reconstructie van omgang met onteigeningen en rechtsherstel door het gemeentebestuur. De destijds gemaakte keuzes worden geplaatst tegen de achtergrond van de tijd van bezetting en bevrijding en toen geldende regels en vergeleken met ontwikkelingen in en keuzes van vergelijkbare gemeenten. Ook hier geldt dat het eindoordeel over eventueel verwijtbaar (niet)handelen van personen of instanties niet aan de historicus is. We hechten er bovendien aan om te benadrukken dat het een historisch onderzoek betreft. Eventuele compensatie blijft een politieke en juridische kwestie, waarbij de gewonnen historische inzichten zeker waardevol zijn bij de afweging. De inperking van het onderzoek vraagt om een aantal keuzes. De onderzoeksvraag naar de omgang van de gemeente met het onrecht van de bezettingstijd en met rechtsherstel na de bevrijding is duidelijk breder dan de Verkaufsbücher. De systematiek van de koppeling tussen de gedigitaliseerde Verkaufsbücher en de huidige gemeentegrenzen laat bij onderzoek op gemeenteniveau vastgoed van niet in de stad geregistreerde Joodse burgers en vastgoed buiten de stad van Joodse burgers buiten beschouwing.
Hetzelfde geldt voor andere vormen van gedwongen afstand nemen van bezit, bijvoorbeeld een huurwoning, aandelenportefeuilles of kunstvoorwerpen en inventarissen. Ook niet-Joodse slachtoffers van onteigeningen blijven buiten beeld. Bovendien heeft onderzoek voor andere steden al laten zien dat met name in de laatste fase van de bezetting onteigeningen hebben plaatsvonden die niet (meer) in de Verkaufsbücher zijn opgetekend. Deze archief-gebonden beperkingen kunnen deels ondervangen kunnen worden door niet de Verkaufsbücher als uitgangspunt te nemen, maar door alle Joodse burgers van de stad voor, tijdens en na de oorlog te onderzoeken. Voor onteigening van vastgoed en grondbezit als centrale vorm van onrecht zijn de Verkaufsbücher wellicht omvangrijk en representatief genoeg. Niet echter om het handelen van het gemeentebestuur bij het rechtsherstel op waarde te schatten, omdat naheffingen en rechtsstrijd waarschijnlijker waren in het geval van "ongeregelde" onteigeningen. Om dit representativiteitsprobleem te ondervangen wordt een even grote controlegroep onderzocht vanuit andere bronnen dan de Verkaufsbücher. Deelproject A wordt als eerste uitgevoerd en maakt de vergelijking tussen steden die nodig is als basis voor het specifieke onderzoek voor Nijmegen.
De vergelijking betreft drie punten: 1) de historische inventarisatie van de onteigeningen in de bezettingstijd; 2) de omgang met dit verleden tijdens de fase van rechtsherstel na de oorlog door de gemeente en 3) de best practices van de verschillende gemeenten nu in de omgang met dit vraagstukken. De verrijkte data van de Verkaufsbücher, afgezet tegen het Joods Monument en het NBI-archief, vormen de basis voor de inventarisatie en laten ook zien wat de typische kenmerken van de onteigeningen in Nijmegen waren en hoe representatief de Verkaufsbücher zijn. De toepassing door de verschillende gemeenten met nationale en eigen regels voor rechtsherstel is een belangrijke graadmeter. De best practices uit reeds afgeronde onderzoeken en contacten met collega's over lopend onderzoek hebben betrekking op de gestelde onderzoeksvragen, methodische keuzes en het gebruikte bronnenmateriaal, maar ook op de afwegingen van gemeentebesturen op basis van de resultaten. Voor geen van de drie punten gaat het om een ranking of voorbeelden, maar wel om historische patronen en het in kaart brengen van actuele handelingsopties.
Deelproject B wordt ook voor de zomer uitgevoerd en omvat enerzijds een reconstructie van de historische onteigeningen en rechtsherstel voor Nijmegen en anderzijds een inventarisatie van de archieven en de in de laatste decennia groeiende literatuur voor vervolgonderzoek voor Nijmegen. Centraal staan in deze reconstructie de verantwoordelijke instanties en de regels, criteria en procedures waarnaar zij de onteigening dan wel rechtsherstel en/of naheffingen moesten implementeren. De bronnen hiervoor zijn vakliteratuur, de NBI-archieven en gemeentelijke archieven. De feitelijke toepassing van deze regels is onderwerp van onderzoek in het laatste deelproject C. Omdat het deels nationale procedures en instanties betreft, zowel bij onteigening als bij rechtsherstel, zal ook deelproject B voor de drie gemeenten overlap vertonen. 3
Deelproject C vergt uitgebreid en nieuw archiefonderzoek en vindt daarom na de zomer van 2021 plaats. Het onderzoek reconstrueert specifieke dossiers van onteigende panden en de ervaringen van de oorspronkelijke eigenaar na de oorlog in het proces van rechtsherstel en de omgang van de gemeente. Dit onderzoek zal gemeenten, notarissen, makelaars en banken aan het licht brengen die uit winstbejag met de bezetter samenwerkten. Zeker op het niveau van specifieke panden zal echter ook de complexiteit van de historische situatie, het grijze gebied tussen goed en fout tastbaar worden: leegstaande panden in een stad met nijpende woningnood, notarissen en burgemeesters die niet vrij waren in hun keuze om al dan niet te collaboreren en de voorkennis van kopers. Daartegenover staan voorbeelden van een buitengewoon bureaucratische en formele omgang met teruggekeerde Joodse burgers en nabestaanden. Te makkelijke oordelen of veroordelingen vanuit het perspectief na 75 jaar vrijheid tegengaan, is zeker ook een functie van gedegen historisch onderzoek. De geschiedenis van individuele panden of eigenaren kan via de Verkaufsbücher en de NBI-archieven in het Nationaal Archief en gemeentearchieven en historische verkoopakten van het kadaster gereconstrueerd worden.
De Verkaufsbücher vermelden 61 Nijmeegse panden, maar uit onderzoek in andere gemeenten komt de vuistregel naar voren dat gemiddeld hoogstens een derde van de onteigeningen in de Verkaufsbücher opgenomen is. Ook hier kunnen de verschillen per gemeente aanzienlijk zijn. Aannemelijk is dat het probleem van de naheffingen en tekortkomingen bij het rechtsherstel vooral bij de onteigeningen zal zijn opgetreden, die buiten de boeken bleven. In het kader van dit onderzoek alleen naar een zorgvuldig gemaakte selectie van panden gedegen onderzoek gedaan worden. Dit geldt voor de eerste onderzoeksvraag die zich richt op een inventarisatie van de onteigeningen (die feitelijk door de datakoppeling voor de Verkaufsbücher al voorligt) en op het vaststellen van procedures en patronen daarin. De tweede hoofdvraag richt zich op het handelen van het gemeentebestuur tijdens en na de bezetting. Hiervoor geldt eveneens dat niet individuele eigenaren en eigendom centraal staan, maar de systematiek. Gepland is daarom een selectie op twee manieren: Een steekproef van 30% van alle onteigeningen met een representatieve spreiding: de ene helft uit de Verkaufsbücher en de andere helft onteigeningen buiten de boeken om, op basis van NBIarchief en Joods Monument. Andere mogelijk relevante criteria worden bij de selectie meegenomen als deelproject B daartoe aanleiding geeft (bijv.
de verschillende wijken van de stad, verschillende typen eigendom (landbezit, bedrijfspanden, woningen e.d.) of kopers en in verschillende prijssegmenten of naar gelang het na de oorlog ging om teruggekeerde eigenaren of om nabestaanden). Los van deze criteria worden in de steekproef vijf bijzondere gebouwen meegenomen en apart bestudeerd. Te denken valt hierbij aan gebouwen als de in Winterswijk onteigende synagoge of gebouwen die ook nu nog een prominente plaats in het stadsbeeld hebben, Dit zouden immers panden of locaties zijn die geschikt zijn om hiermee de herinnering aan deze zwarte bladzijde in enige vorm levend te houden. De rapportage naar de opdrachtgever verloopt in twee etappes. Deelprojecten A en B zullen voor de zomer plaatsvinden en resulteren in een tussentijdse rapportage (begin juli 2021). Op basis hiervan volgt overleg met de opdrachtgever over eventuele aanpassingen van de onderzoeksopdracht, mede op basis van inventarisatie en vooronderzoek in de beschikbare archieven. In januari 2022 volgt de eindrapportage voor alle drie de deelprojecten (ca. 20 bladzijden, plus bijlagen). Gezien de maatschappelijke gevoeligheid van het onderwerp en de doelstelling om hiermee ook een breder publiek adequaat te informeren, zal extra aandacht worden besteed aan een wetenschappelijk verantwoord, maar goed leesbaar, publieksvriendelijke eindrapport.
4
§3. Communicatie en samenwerking De opdracht wordt aangenomen en uitgevoerd op basis van de regels die de KNAW heeft opgesteld voor wetenschappelijk opdrachtonderzoek qua onafhankelijkheid en integriteit. De meest relevante aspecten voor dit project zijn dat de overeengekomen vergoeding gekoppeld is aan de adequate uitvoering van de opdracht, niet aan de (on)gewenste uitkomsten van het onderzoek. Een vereiste van wetenschappelijke onafhankelijkheid en integriteit is tevens dat het eindrapport op redelijke termijn publiekelijk bekend wordt gemaakt. De regie over het bekend maken van de resultaten ligt bij de opdrachtgever. Het onderzoeksteam zal aanvragen vanuit de media doorverwijzen naar de opdrachtgever vanwege de vertrouwelijkheid van het lopende onderzoek. In overeenstemming met de doelstellingen van het onderzoek is het wenselijk om relevante partijen bij het onderzoek te betrekken. Enerzijds betreft dit lokale historici, archivarissen en anderen die al onderzoek doen of gedaan hebben naar deze thematiek. Vanuit de onafhankelijkheid van het onderzoeksteam zijn interviews en informele bijeenkomsten het meest geschikt om beschikbare kennis in het onderzoek te benutten en eerste inzichten te toetsen.
Ook individuele nabestaanden en Joodse organisaties ter plekke kunnen in samenspraak met de opdrachtgever in het onderzoeksproces mee genomen worden, bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke klankboordgroep, al legt het onderzoeksteam alleen aan de gemeente als opdrachtgever verantwoording af. De afweging tussen de vertrouwelijkheid van het lopende onderzoek en het publieke belang van betrokkenen is aan de opdrachtgever. Grotendeels hetzelfde team zal parallel vergelijkbare opdrachten uitvoeren voor twee andere gemeenten (Apeldoorn en Zutphen). Dat betekent dat de gehanteerde onderzoeksopzet ook overeen zal komen en dat delen van het onderzoekswerk gezamenlijk en dus voor minder kosten per opdrachtgever kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast is het voor de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek van belang om ook met collega-onderzoekers te overleggen die voor andere steden vergelijkbare opdrachten uitvoeren – over bronnencorpus, methodiek, maar niet over specifieke resultaten. Een eventuele wetenschappelijke publicatie na het eindrapport zou eveneens gericht zijn op bredere patronen in onteigeningen en rechtsherstel, niet op één stad.
§4. Projectteam, werkplan en budget Het projectteam voor dit opdrachtonderzoek in 2021 zal bestaan uit senior en medior onderzoekers (resp. hoogleraar en gepromoveerden) van Advies en Actualiteit aan de Radboud Universiteit gespecialiseerd in de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder Gelderse oorlogsgeschiedenis en vraagstukken van onteigening en rechtsherstel: prof. dr. Wim van Meurs (projectleider), dr. Marieke Oprel (beiden Radboud Universiteit), dr. Martijn Lak (Universiteit van Amsterdam) en dr. Pieter Slaman (Universiteit Leiden). Zij dragen de verantwoordelijkheid voor onderzoeksopzet, historische analyse en rapportage. Voor het archiefonderzoek worden ze ondersteund door zes afgestudeerde Nijmeegse junior onderzoekers. Het eindrapport is in de vertrouwde handen van onze redacteuren Susanne Geuze en Joyce Dekker. Werkplan voor de uitvoering van het onderzoek dat voor elke stad uit drie delen bestaat: A. vergelijking en best practices; B. reconstructie van het politieke proces; C. inventarisatie en analyse van de onteigeningen. Het is het streven om de onderzoeken voor de drie steden zoveel mogelijk parallel uit te voeren. Deel A met de vergelijking en best practices kan dan in belangrijke mate in gezamenlijke onderzoek zijn.
Uitgaand van een project begin per 1 mei zou deel A vóór de zomer uitgevoerd kunnen worden en in de vorm van een gezamenlijk deelrapport afgerond kunnen worden, om als basis te dienen voor de andere deelprojecten. Het kleine deelproject B richt zich op de reconstructie van het historische proces van onteigening en rechtsherstel voor de specifieke stad Nijmegen en de omgang met dit verleden van de bevrijding tot heden. 5
In nationale regelgeving en ontwikkelingen zal ook dit deelproject voor de drie steden gedeeltelijk overlappen. Het kan eveneens vóór de zomer uitgevoerd worden. Samen met de inventarisatie van de relevante archiefbronnen en bestaand lokaal onderzoek vormt dat de basis voor het arbeidsintensievere deelproject C. Dit laatste deelproject onderzoekt de concrete onteigeningen en de handelswijze van de gemeente na de oorlog op basis van de historische archieven en vergelijkt die met algemene patronen uit deelproject A. In de uitvoering wordt 10% van de uren geïnvesteerd in deelproject A; 15% in deelproject B; en bijna 80% in het archiefonderzoek voor deelproject C.
mei-juni Zutphen Apeldoorn Nijmegen
september
oktober
november
december
deel C
deel C
deel C deel C deel C
eindrapport eindrapport eindrapport
deel A+B tussenrapport
deel C
Een cruciale randvoorwaarde voor de uitvoering van het onderzoek binnen het gestelde tijdskader is de toegang tot de relevante archieven en/of digitalisering van archiefdossiers. Door de corona-crisis is dit een factor van onzekerheid. Voor de archiefinventarisatie en de goede voorbereiding van deelproject C is al vóór de zomer selectief enige toegang tot archiefcollecties of digitalisering op verzoek noodzakelijk. Na de zomer is archieftoegang onmisbaar voor de uitvoering van het opdrachtonderzoek. Mocht die toegang kort vóór of kort na de zomer niet mogelijk zijn, dan is overleg nodig over een nieuw tijdspad. Bij het opstellen van het onderstaande budget is rekening gehouden met een zekere synergie met parallel door ons uitgevoerde projecten voor de gemeenten Apeldoorn en Zutphen (deelprojecten A en B en eindredactie/layout). Deze offerte gaat uit van de 61 panden voor de stad Nijmegen zelf in de Verkaufsbücher en drie keer zo veel in toaal. Uitgaand van 4 uur onderzoek per pand (en het dubbele voor de vijf bijzondere panden) is een steekproef van ca. 30% mogelijk binnen het gegeven budget. Een nadere specificatie van de offerte vereist een beperkte archieftoegang voor enig vooronderzoek.
Senior Medior Junior
hoogleraar gepromoveerd onderzoeker afgestudeerd onderzoeker
Per stad Deelproject A Senior Junior
Uren
Deelproject B Medior Junior Nijmegen Deelproject C Medior Junior
Kosten 1.464 € 5 787 € 10 678 €
5 20 Uren
excl. btw incl. btw 130 € 157 € 93 € 113 € 56 € 68 €
1.918 € 563 € 1.355 €
Kosten 23.094 € 86 9.678 € 198 13.416 € 6
post tarief uren Onderzoekers Senior 157 € Medior 113 € Junior 68 € Materiële kosten Redactie/layout Reiskosten/workshop
som 5 91 228
787 € 10.240 € 15.449 € 2.500 € 600 €
Totaal
29.576 €
Deelprojecten A+B Deelproject C
3.982 € 25.594 €
7