CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van uitgangspunten voor het omgevingsplan Nijmegen deel II

Besluitronde (raadsvergadering) 8 maart 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Nota van uitgangspunten deel II omgevingsplan Nijmegen (09/2023)11.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In deze gevallen wordt geadviseerd aanvullende regels voor bodem al direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan op te nemen. Het gaat hierbij om regels die een extra bescherming bieden of bestaande regels die nu ook al zijn vastgesteld als lokaal beleid, maar niet in het Bal of de bruidsschat zijn opgenomen. We hebben daarom de ambitie om eventuele leemten in de regelgeving direct of kort na inwerkingtreding van de Omgevingswet te ondervangen in het omgevingsplan. Dit doen we met het oog op een gezonde leefomgeving. Voor de regels ten aanzien van bodem in de Bruidsschat is nog voldoende gelegenheid om deze regels voor 2030 naar het permanente deel van het omgevingsplan te verhuizen. Hoe we hier inhoudelijk mee omgaan bepalen we op een later moment. In het Gelders Ondergrond Overleg (GOO) is uitgesproken dat er behoefte bestaat om het bodembeheer van de Gelderse gemeenten en de daarbij behorende regels zoveel mogelijk op uniforme wijze vorm te geven. Wel moet er ruimte blijven voor lokaal maatwerk. Daarom wordt er voor bodem gewerkt aan standaardregels, die Gelderse gemeenten kunnen gebruiken bij het opstellen van het omgevingsplan. Nijmegen levert hieraan een actieve bijdrage.

2.10.3 Luchtkwaliteit en geur Luchtkwaliteit We streven naar een veilige en gezonde leefomgeving voor onze inwoners. Luchtkwaliteit is daarbij een belangrijk thema. We gaan door met de maatregelen uit het Uitvoeringsprogramma Luchtkwaliteit en zetten zo concrete stappen om luchtvervuiling door wegverkeer, binnenvaart, industrie en houtrook te verminderen. We voldoen al aan de bestaande EU-grenswaarden, maar we streven naar de WHO-advieswaarden uit 2005 voor NO2, PM10 en PM2,5, conform ons Uitvoeringsprogramma en het landelijke Schone Lucht Akkoord. Daarin is afgesproken dat we in 2030 aan de WHO-advieswaarden willen voldoen. In 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden gepubliceerd. Deze waarden zijn op dit moment landelijk, regionaal en lokaal onderwerp van gesprek hoe deze vertaald kunnen worden naar realistische ambities voor overheden. Bij de actualisatie van de omgevingsvisie moeten we beoordelen hoe we hiermee omgaan en of regelgeving (in het omgevingsplan) noodzakelijk is. Recent heeft de EU een nieuwe richtlijn met grenswaarden voor luchtkwaliteit gepresenteerd. Naar verwachting zal deze in de zomer 2023 definitief worden. Het meest opvallende in het voorstel is de aanscherping van de grenswaarden voor de meest luchtvervuilende stoffen. Zo moeten uiterlijk in 2030 de jaargemiddelde concentraties PM2,5 en PM10 gedaald zijn naar respectievelijk 10 en 20 �g/m3.

Voor NO2 wordt de nieuwe waarde 20 �g/m3. Deze normen worden waarschijnlijk als Rijksomgevingswaarde verankerd in het Bkl.

18 Paragraaf 5.1.4.5.1 Bkl. 19 Paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl. 20 Paragraaf 5.1.4.5.2 Bkl.

17

De provincie en gemeenten kúnnen lokale omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in de omgevingsverordening en het omgevingsplan opnemen. Dit kunnen strengere omgevingswaarden zijn dan de Rijksomgevingswaarden. Als dit gewenst is, moet dit eerst zijn grondslag vinden in de omgevingsvisie. Instructieregels voor luchtkwaliteit Nijmegen is in het Bkl niet aangewezen als een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Wel moet bij nieuwe ontwikkelingen altijd getoetst worden aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Dit wijzigt niet ten opzichte van de huidige wetgeving. In principe hoeven er voor luchtkwaliteit geen regels in het omgevingsplan opgenomen te worden. Wel kúnnen gemeenten in het omgevingsplan maatwerkregels stellen voor milieubelastende activiteiten uit het Bal. Ook voor andere activiteiten met luchtemissies (denk aan houtstook) kan een gemeente ervoor kiezen regels te stellen in het omgevingsplan. Regels in de bruidsschat over luchtkwaliteit Voor de regels in de bruidsschat geldt ook dat gemeenten zelf de afweging mogen maken of deze regels behouden blijven, worden aangescherpt of versoepeld. Daarin staan onder meer regels voor parkeergarages. Ook bevat de bruidsschat een specifieke zorgplicht over het verspreiden van rook, roet, walm en stof. Particuliere houtstook mag bijvoorbeeld geen grote overlast geven bij buurtbewoners.

De gemeente kan deze luchtregels in de transitiefase (tot 2030) vervangen door eigen luchtregels, al dan niet in combinatie met een omgevingswaarde. Als we dat willen, zal dat zijn grondslag moeten vinden in de omgevingsvisie. Omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die gemeente, provincie of Rijk voor de fysieke leefomgeving wil bereiken. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. Dreigt een waarde niet te worden gehaald? Dan geldt er een programmaplicht (met monitoring). In het geval van een gemeente betekent dit dat het college van B&W een programma moet opstellen met maatregelen waardoor ze wel kan voldoen aan de omgevingswaarde. Geur De immissienormen en afstanden voor geur door landbouwactiviteiten in het Bkl (niet te verwarren met industriële geur door bedrijven) komen voor een belangrijk deel overeen met de immissienormen en afstanden die op dit moment in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen. De regels zullen echter niet meer door middel van algemene rechtstreeks werkende rijksregels worden gesteld, maar moeten een plek krijgen in het omgevingsplan. Om overlast van geur door landbouwactiviteiten te voorkomen, staan er instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving21.

Instructieregels voor geur De instructieregels geven de minimumafstand aan tussen een geurbron en geurgevoelige gebouwen, zoals woningen. Het Bkl geeft aan welke gebouwen als geurgevoelig worden beschouwd. De gemeente kan extra objecten als geurgevoelig aanwijzen. Gemeenten moeten in het omgevingsplan een waarde (norm) opnemen voor de toelaatbare geur op een gebouw. In het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die een gemeente zonder nadere motivering kan overnemen in het omgevingsplan. De opgenomen waarde in het omgevingsplan wordt ook wel 'geurnorm' genoemd. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan een afwijkende waarde opnemen die hoger of lager is dan de standaardwaarde, mits deze niet hoger is dan de grenswaarde. De grenswaarde staat, net als de standaardwaarde, aangegeven in het Bkl22. De afwijkende waarde is dan de geldende geurnorm. Naast het stellen van regels voor de toelaatbare geur op een (geurgevoelig) gebouw, zijn gemeenten verplicht een ‘bebouwingscontour geur’ aan te wijzen in het omgevingsplan23. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming' tegen geur door landbouwactiviteiten, daarbuiten een 'lage bescherming'. Voorheen was hier het begrip 'bebouwde kom' gangbaar, wat nog wel eens voor verwarring zorgde.

21 Paragraaf 5.1.4.6 Bkl. 22 Artikel 5.109. 23 Artikel 5.97 Bkl.

18

De bebouwingscontour bevat in ieder geval het stedelijk gebied en eventueel stedelijk groen aan de randen van de stad of lintbebouwing langs uitvalswegen. Bij de uitwerking van het omgevingsplan voor het buitengebied en de randen van de stad zullen we begrenzing van de bebouwingscontour bepalen. Vooruitlopend hierop wijzen we bij nieuwe ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied een bebouwingscontour geur aan voor het gehele besluitgebied. Lokale afweging Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de bestaande regelgeving voor geur van landbouwactiviteiten – nu geregeld in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit – terecht in de bruidsschat. De regels voor geur gaan dus automatisch over van het Rijk naar gemeenten. De gemeentelijke geurverordeningen komen automatisch in het tijdelijke deel van het omgevingsplan terecht. Nijmegen heeft een relatief klein buitengebied en slechts een beperkt aantal veehouderijen. Mede om deze reden heeft Nijmegen geen geurverordening. Voor geur door landbouwactiviteiten sluiten we vooralsnog aan bij de standaardwaarden uit het Bkl, waarmee er feitelijk niets wijzigt ten opzichte van het nu geldende toetsingskader (in de Wgv). Een aanscherping van deze waarden in één of meerdere gebieden zal zijn grondslag moeten vinden in de omgevingsvisie.

Dit betekent namelijk dat bestaande rechten van veehouderijen (mogelijk) worden ingeperkt.

2.10.4 Geluid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen de regels over geluid. De regels voor het beheersen van geluid gelden voor meer geluidbronsoorten, zijn vernieuwd en via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet. Doel van dit aanvullingsspoor is het voorkomen van de onbeheerste groei van de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. Instrumenten om dit te voorkomen zijn geluidproductieplafonds voor industrieterreinen, wegen en spoorwegen en een basisgeluidemissie (BGE) voor wegen en spoorwegen. De systematiek van geluidproductieplafonds is in 2012 geïntroduceerd voor rijkswegen en (hoofd)spoorwegen. Onder de Omgevingswet wordt deze systematiek voortgezet en breder toegepast. Zo gaan er ook voor provinciale wegen en industrieterreinen ook geluidproductieplafonds gelden. De geluidregels voor lokale infrastructuur en geluidgevoelige gebouwen zal ook wijzigen. Belangrijkste wijzigingen Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet: • moeten gemeenten regels over geluid opnemen in het omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. • moet de beoordeling van geluid door activiteiten24, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen aan twee eisen voldoen: houd rekening met geluid en voorzie in aanvaardbaar geluid.

Voor het voldoen aan deze eisen kan de gemeente de standaardwaarde of de flexibiliteitsbepalingen uit het Bkl gebruiken. Daarnaast kan een grenswaarde in geluidgevoelige ruimte gelden. Het omgevingsplan moet regels bevatten voor het voldoen aan deze eisen, voor zover dat nodig is. • wordt het beoordelingskader (normenhuis) voor geluid door wegen en industrieterreinen met een geluidproductieplafond (de huidige gezoneerde industrieterreinen) vereenvoudigd. De nieuwe normen zijn weergegeven in onderstaande tabel. • komt het hogere waardenbeleid te vervallen (dit beleid ligt ten grondslag aan het toestaan van hogere geluidbelastingen op geluidgevoelige gebouwen). Het hogere waardenbeleid kan in het omgevingsplan worden omgezet naar de nieuwe normen van de Omgevingswet en ter bepaling of een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde acceptabel kan worden geacht.

24 Paragraaf 2.11.2 Bkl.

19

Nieuw normenhuis (toevoeging geluidgevoelig gebouw) Standaardwaarde in dB Grenswaarde in dB Bronsoort (Lden) (Lden) Rijkswegen 50 60 Provinciale wegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Spoorwegen Gezoneerd industrieterrein

50

60

53

70

55 50 40 dB Lnight

65 55 45 dB Lnight

Verschil feitelijk + 3 dB binnenstedelijk: feitelijk – 8 dB buitenstedelijk: feitelijk + 2 of 3 dB binnenstedelijk: feitelijk + 2 dB buitenstedelijk: feitelijk + 12 dB feitelijk - 3 dB van etmaalwaarde naar Lden. Toevoeging Lnight

Geluidaandachtsgebieden Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de Wet geluidhinder en de systematiek van geluidszones. Deze worden vervangen door zogenaamde geluidsaandachtsgebieden met vernieuwde grenswaarden en systematiek voor het vastleggen van een onderzoeksgebied. In plaats van een vaste zone toe te kennen aan een weg zal deze na ingang van de Omgevingswet worden berekend. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om de gehele bebouwde kom als geluidaandachtsgebied voor gemeentelijke wegen aan te wijzen. Het geluidsaandachtsgebied wordt berekend aan de hand van de eigenschappen van een te onderzoeken geluidbron. Uit de berekening resulteert een contour rondom de betreffende geluidbron waarin de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden, dit is het geluidaandachtsgebied. Voor het berekenen van de contour gelden regels uit de Aanvullingsregeling geluid en de Omgevingsregeling. Binnen deze geluidaandachtsgebieden moet bij het toelaten van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen rekening worden gehouden met het geluid van deze bronnen. Er moet daarbij sprake zijn van een aanvaardbaar geluidniveau. Hiervan is in ieder geval sprake als voldaan wordt aan de standaardwaarden uit bovenstaande tabel25. Wordt hieraan niet voldaan, dan kan een hogere waarde worden vastgesteld (tot de grenswaarde).

Daarbij moet wel onderzocht worden of geluidbeperkende maatregelen (aan de bron of in de overdracht) kunnen worden getroffen. Anders dan onder het voorheen geldende recht worden de hogere waarden en de toegestane gezamenlijke geluidbelasting vastgelegd in het omgevingsplan. Hoe dan ook moet het huidige hogere waardenbeleid worden geactualiseerd en afgestemd worden op het nieuwe normenhuis. Dit is een op zichzelf staande opgave. Wel moet het geactualiseerde beleid geïntegreerd worden ín het omgevingsplan. Geluidbronnen met geluidproductieplafond (GPP) Het geluidproductieplafond is een beleidsinstrument dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing is op rijkswegen, spoorwegen, provinciale wegen en gezoneerde industrieterreinen. Het bevoegd gezag stelt aan de hand van grenswaarden voor geluidbelasting een waarde op voor de aanvaardbare geluidbelasting door een geluidsbron op een specifiek referentiepunt. Bij een overschrijding van de vastgestelde waarde op het referentiepunt met 1,5 dB of meer is het bevoegd gezag verplicht maatregelen te nemen voor het verminderen van de geluidbelasting. Nijmegen moet voor de bestaande geluidgezoneerde industrieterreinen (o.a. Kanaalhavens) GPP’s vaststellen. Daarmee wordt de maximale geluidproductie van het gezoneerde industrieterrein gelimiteerd.

Hierbij geldt dat de bestaande 50 dB(A) contour (geluidzone) van het gezoneerde terrein overgezet wordt naar een 50 Lden contour en gaat fungeren als geluidsaandachtsgebied. Bronnen met een basisgeluidemissie (BGE) De BGE is een beleidsinstrument dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt toegepast op de wegen zonder geluidproductieplafond26. Door middel van de BGE wordt een referentieniveau van geluid gegeven voor gemeentelijke- en waterschapswegen. De BGE geldt voor wegen met een verkeersintensiteit hoger dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal en moet beschikbaar worden gesteld in een geluidregister. Het bevoegd gezag legt de basisgeluidsemissie vast (uiterlijk in 2026).

25 Artikel 5.78t Bkl. 26 Het vaststellen van het BGE moet uiterlijk in 2026. Dit is geregeld in artikel 11.46 Bkl.

20

4. Wat spreken we af? Het omgevingsplan is een nieuw instrument en er is veel vrijheid om op lokaal niveau keuzes te maken en maatwerk te leveren. We hebben tot 1 januari 2030 om één integraal omgevingsplan te maken, waarin ook de regels zijn opgenomen uit de huidige bestemmingsplannen en lokale verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Zodra de Omgevingswet in werking treedt moeten we het omgevingsplan kunnen wijzigen, om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Om deze reden hebben we in deze Nota van uitgangspunten de wijzigingen per thema verkend. We hebben beoordeeld welke regels we móeten opnemen op basis van instructieregels en welke kansen we zien (nieuwe mogelijkheden). Instructieregels van het Rijk zijn soms concreet geformuleerd, maar in veel gevallen betreft het een algemene omschrijving (‘houdt rekening met’). Het is dan aan ons als gemeente om daar een invulling aan te geven. Voor de uitwerking richting het omgevingsplan hanteren we de volgende uitgangspunten verdeeld over drie categorieën:

21

1.

Dit gaan we doen Voor een aantal aspecten weten we wat we moeten doen en ook hoe we dat gaan doen. a. We moeten op grond van Rijksinstructieregels een bebouwingscontour ‘geur’, ‘jacht’ en ‘houtkap’ opnemen. De exacte begrenzing van deze bebouwingscontouren bepalen we op het moment dat we het omgevingsplan voor het buitengebied en de randen van de stad uitwerken (in de transitieperiode). Voor nieuwe ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied nemen we de genoemde bebouwingscontouren direct op. b. We nemen de ruimtelijke regels die nu in onze bestemmingsplannen zijn opgenomen zoveel mogelijk beleidsneutraal over in het omgevingsplan om bestaande rechten te continueren. Ook beschermende regelingen in onze bestemmingsplannen (o.a. voor erfgoed en leidingen) nemen we over. c. Op basis van instructieregels van het Rijk moeten we in het omgevingsplan regels opnemen ter bescherming van de omgeving van monumenten, om te voorkomen dat de omgeving van een monument ontsierdt of beschadigtd wordt. Hiervoor gaan we werken met procesregels. d. Per ontwikkeling wegen we af of de Laddertoets direct bij de wijziging van het omgevingsplan uitvoeren of pas bij de vergunningaanvraag

2.

Hier moeten we mee aan de slag In de basis gaan we beleidsneutraal over naar het omgevingsplan, maar soms zijn daar aanpassingen voor nodig. Daarbij kunnen we lokale keuzes maken. Dat geldt voor de volgende onderwerpen: a. De kruimelgevallenregeling waarmee we nu voor relatief kleine ontwikkelingen kunnen afwijken van het bestemmingsplan komt te vervallen. Deze gevallen regelen we in het omgevingsplan met een vergunningplicht, zodat we de huidige werkwijze kunnen voortzetten. b. Op basis van instructieregels van het Rijk moeten we in het omgevingsplan ‘rekening houden met’ geluid. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt idealiter voldaan aan de standaardwaarden uit het Bkl, maar mag de geluidbelasting nooit hoger zijn dan de grenswaarden. Wat wij als gemeente een acceptabel geluidniveau vinden en onder welke voorwaarden we dat acceptabel vinden, kunnen we zelf bepalen. Dit doen we nu met het hogere waardenbeleid. Dit beleid moeten we actualiseren en integreren in het omgevingsplan. c. Normen voor geur en geluid van bedrijven moeten een plek krijgen in het omgevingsplan. We constateren dat hier sprake is van een spanningsveld. Daarom onderzoeken we eerst de consequenties van een nieuwe regeling voordat we deze gaan implementeren. d. Direct of kort na inwerkingtreding passen we het omgevingsplan aan voor het aspect bodem, om enkele leemten in de regelgeving te ondervangen. e.

We actualiseren het externe veiligheidsbeleid naar omgevingsveiligheid en geven omgevingsveiligheid een volwaardige plek in het omgevingsplan.

3.

22

Hier zien we kansen We signaleren kansen voor nieuwe thema’s, aanscherpingen van bestaand beleid en nieuwe mogelijkheden om beleidsambities te verankeren. Deze kansen en mogelijkheden moeten echter wel eerst hun grondslag vinden in de omgevingsvisie, een programma of een beleidsregel. a. Voor de thema’s gezondheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, klimaatadaptatie en luchtkwaliteit verkennen we welke regels we opnemen in het omgevingsplan. b. Bij het breder uitrollen van de Toolbox natuurinclusief bouwen voor de hele stad, bepalen we op welke wijze we natuurinclusief bouwen borgen in het omgevingsplan. c. Bij de actualisatie van de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit kijken we of we voor kleine (veel voorkomende) bouwactiviteiten concrete en meetbare normen rechtstreeks in het omgevingsplan kunnen opnemen. d. Bij de actualisatie van het ‘Gemeentelijk rioleringsplan’ en de ‘Nota afkoppelen hemelwater en infiltreren’ beoordelen we of we regels in het omgevingsplan moeten opnemen voor hemelwaterinfiltratie, aansluitrecht en indirecte lozingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=00c3afe7-72b4-4be9-947e-bcf7450e3e37