CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Waalfront - 5 Bijlage 14 toelichting Cultuurhistorische visie Waterkwartier

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) (29/2021) (DEBATSTUK)6.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Definitief 27 maart 2019

Cultuurhistorische visie Waterkwartier (Waalfront en bestaande wijk Biezen)

Doelstelling Een cultuurhistorische visie heeft als doel bij nieuwe ontwikkelingen om vanuit de identiteit van het gebied de belangrijkste cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten te behouden, te laten ervaren en te versterken. De cultuurhistorische visie schept daarmee kaders en ambities voor ruimtelijke ontwikkelingen passend binnen de identiteit van een gebied. Niet als conserverend plan, maar als ontwikkelingsgerichte inspiratie voor een duurzame inrichting van de stad waar gewerkt en gewoond wordt.

Wet- en regelgeving Als gevolg van het beleid Modernisering Monumentenzorg is per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1) bepaald dat gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie) maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. In de toelichting van het bestemmingsplan moet beschreven worden hoe het bestemmingsplan met deze waarden omgaat. In het selectiebesluit archeologie Waalfront dd. 26-10-2018 is vastgelegd dat de archeologische waarden zo veel mogelijk in de bodem (in situ) moeten worden behouden. Alleen daar waar de plannen de archeologische waarden bedreigen zullen deze waarden worden veilig gesteld door middel van opgraving. Het selectiebesluit archeologie wordt in de bestemmingsplannen opgenomen.

Cultuurhistorische basis voor ontwikkeling De gemeenteraad heeft het college met de motie ‘Grip op cultuurhistorie’ op 05-07-2017 de opdracht gegeven de cultuurhistorische elementen in Waalfront te gebruiken als basis voor verdere planvorming in het gebied. Deze wens komt voort uit de ligging van de resten van de eerste stad van Nederland in de bodem van dit deel van Nijmegen, het Romeinse Ulpia Noviomagus, de aanwezigheid van (restanten van) Fort Krayenhoff en de 19e en 20e eeuwse industriële ontwikkelingen met de toren van Honig als bekend referentiepunt. Daarnaast is er ook vanuit de ontwikkelende partijen in Waalfront de wens de historische elementen te gebruiken als inspiratiebron voor het stedelijke ontwerp. De cultuurhistorische visie biedt aanknopingspunten voor nieuwe planvorming en herontwikkeling en verhoging van de kwaliteit van bestaande stadsdelen. Het geeft handvaten en ruimtelijke randvoorwaarden waaraan de gemeente nieuwe ontwikkelingen kan toetsen en bijsturen. Omdat het verhaal van de cultuurhistorie van dit deel van de stad niet stopt bij de huidige begrenzingen van de stadsdelen is deze visie verbreed naar het Waterkwartier. De contouren van de Romeinse stad (Figuur 1) leggen ruimtelijk een relatie tussen het Waalfront en de wijk Biezen. Bij (toekomstige) ontwikkelingen in dit gebied zal deze visie als afwegingskader worden gebruikt.

De cultuurhistorische visie voor het Waterkwartier kan als inspiratie voor de bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en architectuur in het Waalfront worden gebruikt, maar ook voor het vergroenen van de bestaande buitenruimte en het aanbrengen van herkenningspunten uit het Nijmeegse verleden in de Biezen.

1

Definitief 27 maart 2019

Bouwstenen voor de beleving In 2004 is een Cultuurhistorische visie opgesteld en ook in het stedenbouwkundig plan, een ambtelijk ambitiedocument 1 en de Vahalis-lijn (bijlage 2) is het aanwezige erfgoed benoemd. De uiterlijke verschijningsvorm van de stad vormt de weerslag van haar geschiedenis. Archeologische vondsten en historische bebouwing vormen het fysieke archief van de stad. De grond waarop we staan is laag voor laag opgebouwd, waarbij iedere laag iets vertelt over een bepaalde periode uit de geschiedenis van de stad. De historische gelaagdheid biedt bouwstenen voor de nieuwe moderne laag die we nu met elkaar ontwikkelen. Er zijn in het Waalfront drie lagen onderscheiden die de basis vormen voor de historische identiteit (uitbreid omschreven in bijlage 1): • de Romeinse tijd, • het militaire verleden en • het industriële verleden. Deze drie thema’s hebben een duidelijke impact op de ontwikkeling van het gebied tot nu toe. Zij vormen de identiteit van het gebied en van (dit deel van) de stad. Dat doen zij door een gezamenlijk verhaal in zich te hebben. In elk van de perioden stond de Waal centraal als reden voor onze voorouders en vroegere stadsbewoners om het gebied te gebruiken. De Waal bood en biedt nog altijd leven, werk, handel, voorzieningen voor wonen, verdediging van de woon- en werkplaatsen, vrijetijdsbesteding en voedsel.

De Waal was de reden voor de Nijmegenaren in de Romeinse tijd om er een eigen plekje te vinden. De Waal was de reden voor inspecteur-generaal Krayenhoff om er zijn ontwerp voor een fort ter verdediging van de inwoners van Nijmegen te plaatsen. De Waal was de reden dat er in de 19e en 20e eeuw industriële activiteiten ontstonden die het water nodig hadden voor bijvoorbeeld vervoer, productie of koeling. Bij elke vorm van beleving en ervaring van cultureel erfgoed komen deze verhalen over de waarde van de Waal gedurende deze drie perioden tot uitdrukking. De gemeente Nijmegen wil graag dat deze verhalen de bouwstenen vormen voor Waalfront en de herrijking van Waterkwartier als geheel.

DE VERHALEN DIE DE WAARDE VAN DE WAAL ILLUSTREREN VOOR DE ROMEINSE STAD, VOOR VERDEDIGING VAN DE STAD EN VOOR DE INDUSTRIËLE VOORUITGANG VAN DE STAD VORMEN DE BOUWSTENEN

VOOR DE BELEVING VAN DE CULTURELE IDENTITEIT VAN HET WATERKWARTIER.

1

Ambities en kansen gemeente Nijmegen op de ontwikkeling van het Dijk- en Waalkwartier, juli 2017

2

Definitief 27 maart 2019

Handvatten De wijze van zichtbaar maken of houden van de drie historische identiteitsdragers wordt minder letterlijk naarmate de periode verder terug ligt in de tijd. Dit heeft vooral een praktische reden. Van de meest recente periode is het meest in situ behouden. Bovengrondse en zichtbare cultuurhistorische waarden, monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen (met name uit de industriële periode) en structuren (het fort, de oorspronkelijke dijk, de Romeinse weg naar het castellum en de castra) moeten worden behouden en ingepast in het ontwerp. Niet-zichtbare, verdwenen of opgegraven cultuurhistorische waarden moeten op gepaste wijze en op de juiste plek een visualisatie krijgen in de buitenruimte of semiopenbare locaties. Bijvoorbeeld zoals deze ruimten zijn al aangegeven in het stedenbouwkundig plan van KCAP en buro Oslo voor het Park Krayenhoff. Bij significante vondsten tijdens de werkzaamheden wordt ingespeeld op de situatie en nagedacht over en visualisatie op die plek. De combinatie van beide toepassingen voor zichtbare en onzichtbare identiteitsdragers vormt in gezamenlijkheid de rode draad van de cultuurhistorische visie:

DE CONTINUÏTEIT VAN WONEN EN WERKEN AAN DE WAAL

DOOR DE HISTORISCHE GELAAGDHEID STEEDS ERGENS TE KUNNEN ZIEN.

De Waal voor de Romeinse stad Na de Bataafse opstand in 79 n.Chr. ontstond een nieuwe woonplek voor de Nijmeegse bevolking in de Romeinse tijd. Het zou de eerste Romeinse stad van Nederland worden. Het Oppidum Batavorum op de plek van het huidige Valkhof, waar Bataven en Romeinen uit het Romeinse Rijk tot dan toe vredig hadden samengeleefd, werd verwoest. Het Valkhof kreeg een meer militaire functie, vanwege de strategische hoge ligging. De bevolking pakte de spullen bij elkaar, stroopte de mouwen op en koos een nieuwe plek. De nieuwe stad verrees verderop op een lager gelegen gebied aan de Waal met mogelijkheden voor een haven en aan de Romeinse weg die Nijmegen met het achterland verbond. Deze stad kreeg circa 102 na Christus stadsrechten van keizer Traianus en mocht zich Ulpia Noviomagus Batavorum noemen. Nijmegen is daarmee de oudste stad van Nederland. Nu, bijna 2000 jaar later, gaat er in dit gebied weer gewoond en gewerkt worden, net als in de Romeinse stad. Archeologische vondsten wijzen op een grote economische bedrijvigheid: er was een bloeiende pottenbakkersindustrie, leerbewerkingsindustrie en er zijn zelfs aanwijzingen voor (vals)munterij. Er waren plekken voor religieuze bezinning in de tempels, voor recreatie in de thermen en voor de dagelijkse routine van eten en slapen in de woonappartementen. Het geheel was omringd door een stadsmuur met torens en poorten.

De Waal voor Krayenhoff Voor het behoud en inpassen van het fort aan de Waal ter verdediging van de stad zijn de plannen in een vergevorderd stadium. Fort Krayenhoff is nog wel deels bovengronds aanwezig in de fortmuur en de twee beren langs de Waal. De gebouwde onderdelen blijven behouden, de contouren van fort en bebouwing komen gedeeltelijk terug in het stedenbouwkundig ontwerp. De toegangsweg naar het fort valt vrijwel samen met de fabrieksstraat op het voormalige dijktracé. Het behoud van deze toegangsweg, is een kans voor de beleving van de verschillende bouwstenen van het gebied, zowel

3

Definitief 27 maart 2019

vanuit de militair-historische laag als vanuit het oogpunt van industrieel erfgoed. Deze straat is dan ook opgenomen in het stedenbouwkundig plan Waalkwartier.

Figuur 1 Ontwerp Park Fort Kraijenhoff

De Waal voor industriële vooruitgang In en nabij het Waalfront liggen enkele gemeentelijke monumenten (watertoren NYMA en de havenkraan) uit de industriële periode van de 19e en 20e eeuw. De woningwetwoningen aan de Weurtseweg maken deel uit van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Waterkwartier en zijn beschermd als stadsbeeldobject. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld. De Vasim en delen van het Honig-Latensteincomplex staan op de aandachtslijst. De plaatsing van deze complexen op de aandachtslijst is gebaseerd op waardenstellende bouwhistorische verkenningen.

4

Definitief 27 maart 2019

Figuur 2 Schets van Waalfront met enkele locaties van cultuurhistorisch belang

5

Definitief 27 maart 2019

Randvoorwaarden De gemeente formuleert randvoorwaarden waaraan de beleving van de historische gelaagdheid in Waalkwartier moet voldoen. Bij elk punt staan enkele voorbeelden waaraan gedacht kan worden en die de gemeente graag terugziet in ontwerpen.

1. Behoud bestaande kwaliteiten Erfgoed is een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen verrijkt. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kunnen we niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. Wanneer van de verschillende historische lagen, waaraan het gebied zijn specifieke identiteit ontleent, de cultuurhistorisch waardevolle elementen worden behouden, waar mogelijk versterkt en geïntegreerd in de nieuwe stedenbouwkundige structuur, zal dit in belangrijke mate bijdragen tot de snelle vorming van een nieuwe identiteit voor het gebied. TER INSPIRATIE: De kades en oevers van de Waalhaven hebben een aantrekkelijk verblijfsklimaat met ruimte voor bedrijvigheid en horeca. De woningen en het groen verlenen het schiereiland een informeel, ontspannen karakter, dat moet worden gekoesterd. De van elders afkomstige havenkraan op het havenhoofd is beschermd als gemeentelijk monument. Een juiste locatie moet worden gevonden, waarbij het lokale terrein herinnert aan het thema Werken aan de Waal. De Waalhaven als geheel kan een dergelijk thema prima dragen. TER INSPIRATIE: Behoud en herontwikkeling belangrijk deel Honig-Latensteincomplex houdt de industriële sfeer van het gebied levend.

TER INSPIRATIE: Ontwikkelen van een wandelpromenade langs bestaande kwaliteiten, zoals genoemd in de Vahalis-lijn (bijlage 2). Van hieruit zijn cultuurhistorische elementen zichtbaar, zoals de toren van het Honig-complex en de muur van het fort Krayenhoff. Daarnaast kan hier de historische gelaagdheid in het hoogteverschil op een creatieve manier terugkomen.

2. Versterk het predicaat ‘oudste stad’ door aansluiting te vinden bij de terreinen van Unesco Werelderfgoed De wens het Romeinse verleden in de plannen te gebruiken en als beleving aan de stad toe te voegen is al oud. Niet alleen vormen de Romeinse resten in dit deel van Nijmegen de aanleiding voor het predicaat ‘oudste stad’ dat Nijmegen heeft, maar ook versterkt het onze bijdrage aan het nominatiedossier van ons Romeinse erfgoed in het oostelijk deel van de stad voor de Unesco Werelderfgoedlijst. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - het (her)ontdekken van het Romeinse verleden van Nijmegen draagt bij aan de leefbaarheid van en betrokkenheid bij de woonomgeving, - het Romeinse verleden geeft Nijmegen een eigen en unieke identiteit (het verhaal staat centraal), - de relatie van Ulpia Noviomagus met de Romeinse militaire locaties onderstrepen het belang van Nijmegen als Limes-hoofdstad (Romeins Nijmegen van betekenis op (inter)nationaal niveau).

6

Definitief 27 maart 2019

Figuur 3 Ulpia Noviomagus op de huidige kaart

TER INSPIRATIE: Aangeven van de omtrek van de Romeinse stad door middel van een goed zichtbare lijn door de openbare ruimte, eventueel met licht of water (vgl. Utrecht) tot leven gebracht (figuur 2). Dit conflicteert niet met stedenbouwkundige elementen, maar kunnen het ontwerp juist versterken. Hiermee wordt de grootte van de Romeins stad en daarmee het belang ervaarbaar en tastbaar.

7

Definitief 27 maart 2019

Figuur 4 Impressie van het thermencomplex in de Romeinse stad – Mikko Kriek

3. Pas de huidige tijdsgeest toe in architectuur en buitenruimte We willen voorkomen dat bouwwerken te weinig passen binnen de huidige tijdsgeest en teveel een versie van de werkelijkheid uit het verleden nastreven. We willen niet dat Nijmegen een themapark wordt. Omdat de Romeinse stad een belangrijke relatie heeft met de locaties die in het nominatiedossier voor de Limes kijken we naar de voorwaarden die Unesco stelt aan de presentatie van het verleden. Unesco 2 streeft visualisaties gebaseerd op wetenschappelijk en gemotiveerd onderzoek. De voorkeur gaat uit naar authentieke elementen. Het nabouwen of herbouwen van bouwwerken binnen nieuw te ontwikkelen delen van de stad heeft daarom niet de voorkeur. Wel willen we de gebruikers van de buitenruimte laten ervaren dat er een historische gelaagdheid aanwezig is. De manier waarop we dat in Nijmegen willen doen, is door KCAP in beeld gebracht (bijlage 5). TER INSPIRATIE: Diverse cultuurhistorische elementen worden onderling verbonden door een pad langs de Waalkade van de Oversteek tot aan de landtong en later via een brug over de havenmonding tot aan het rijksmonument zuidelijk landhoofd spoorbrug. Bij Honig kan dit pad eventueel iets terugspringen (door het Honigcomplex), maar dat is afhankelijk van de verdere uitwerking van dit onderdeel. Aan dit pad kunnen visualisaties met vondsten in bijv.

bankjes (zie hieronder) en kunstobjecten verwijzen naar de historische periodes die niet meer goed zichtbaar zijn (figuur 3). Zoals ook in de Vahalis-lijn is geschetst. TER INSPIRATIE: Behoud bovengrondse restanten Fort Krayenhoff (muur aan Waalzijde, beren). Fort wordt gevisualiseerd in een park met de oorspronkelijke plattegrond als inspiratiebron (figuur 2). In het park of directe omgeving komt een plattegrond van het fort zelf op basis van de fraaie bouwtekening en van de 19de-eeuwse forten rondom Nijmegen, waar Fort Krayenhoff deel van uitmaakte om het grotere verband aan te geven. Het houdt de herinnering aan de aloude strijd van

2

The Operational Guidelines for the Implementation of the World Heritage Convention, UNESCO

8

Definitief 27 maart 2019

de inwoners van Nijmegen om vredig te kunnen wonen en werken levendig. In dit park is bebouwing op een passende, terughoudende manier ingepast. 4. Gebruik bestaande vondsten en vindplaatsen. Conform de Monumentenwet 1988 is in het selectiebesluit voor het Waalfront besloten, geen archeologische opgravingen worden uitgevoerd alleen maar om het Romeinse verleden te onderzoeken en zichtbaar te maken. Alleen wanneer de ruimtelijke ontwikkelingen vragen om archeologisch onderzoek, zullen er opgravingen plaat vinden. Er zijn wel vondsten en er is wel kennis over de ligging van diverse bouwwerken van de Romeinse stad die benut kunnen worden in visualisaties en het beleefbaar maken van de oudste stad. TER INSPIRATIE: Duurzaam vernieuwen en restaureren van de visualisatie van het tempelcomplex aan het Maasplein met gebruik van mediterrane beplanting die refereert aan de Romeinen. Indien dit type beplanting steeds terugkomt op plekken die doen herinneren aan de Romeinse stad, ontstaat er cohesie tussen de oudere wijken en de nieuwe wijken en ervaart men een gezamenlijke oorsprong en identiteit. TER INSPIRATIE: Gebruik straatnamen juist en op de juiste plek. Het Thermenplein in plaats van het in concept bedachte “Badhuisplein” is passender voor de Romeinse tijd.

De Romeinse naam ‘thermen’ is juist voor een complex zoals dat deels is opgegraven en zal verwarring met 20ste-eeuwse badhuizen voorkomen. TER INSPIRATIE: gebruik van vondsten, zoals aardewerk en metalen voorwerpen, in te bouwen structuren als parkeergarage-entree, sokkels, fonteinen, bankjes en trottoirs op verschillende plekken binnen de Romeinse stad. Met informatiepanelen op strategische plekken, bijv. met een QRcode die doorlinkt naar een virtual reality programma, komen deze tastbare stukjes van Romeinse iconen tot leven.

5. Zoek aansluiting bij fortennetwerk Fort Krayenhoff is onderdeel van een groter verdedigingsnetwerk rondom Nijmegen. Twee andere forten die aan de Waal gelegen waren en nog zichtbaar aanwezig zijn liggen aan de overkant in Nijmegen-Noord. Ook deze forten staan op de nominatie voor een herontwikkeling of herbestemming. In samenwerking met verschillende expertisegroepen als CPRN en de Menno van Coehornstichting kan een inhoudelijk verhaal gereconstrueerd worden dat ter inspiratie dient voor de elementen die aan het fort herinneren.

9

Definitief 27 maart 2019

Figuur 5 Fort Krayenhoff

TER INSPIRATIE: Ontwikkel een maquette met een 3D printer (refererend aan industriële vooruitgang) voor elk van deze forten en vindt een geschikte locatie binnen of rondom elk van deze forten om deze te plaatsen. Door dezelfde uiterlijke verschijning van de maquettes ontstaat synergie en kan men de relatie zichtbaar leggen. Voor de maquette van Fort Krayenhoff kan de eerder genoemde toegangsweg (conform het huidige parkontwerp van buro Oslo) mogelijk benut worden voor plaatsing.

6. Betrek de commissie Beeldende Kunst voor advies over kunst in de openbare ruimte Om de kwaliteit en onderlinge afstemming van kunst in de openbare ruimte te garanderen wordt, binnen de regie van het OBW, de commissie Beeldende Kunst van de gemeente Nijmegen betrokken. De commissie adviseert voor de openbare ruimte op de plek van het thermencomplex en overige toepassingen het volgende (gehele advies in bijlage 3): • Schuw in het proces van voorbereiding de ambitie niet. • Formuleer een kunst- of onderzoeksopdracht welke, in nauwe samenhang met de andere (wat meer concretere) verbeelding van het Romeinse verleden, zorgt voor een kwalitatief hoogstaand(e) en sterk tot de verbeelding sprekende kunstuiting(en). De commissie zal ondersteunen in het opstellen van deze opdracht(en) en zal advies geven bij de algehele procedure, waaronder de selectie van geschikte kunstenaars en de uiteindelijke keuze.

TER INSPIRATIE: Plaats het Romeinse masker op een prominente plek binnen de Romeinse stad, zodat deze zowel refereert aan de Romeinse tijd als aan de relatie die deze had met de Unesco Werelderfgoedterreinen aan de andere kant van het huidige Nijmegen. De commissie Beeldende Kunst kan hierover advies geven.

10

Definitief 27 maart 2019

Rollen en Bevoegdheden De cultuurhistorische visie heeft als doel bij nieuwe ontwikkelingen, vanuit de identiteit van het gebied, de belangrijkste cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten te behouden en te versterken. De cultuurhistorische visie schept daarmee kaders en ambities voor ruimtelijke ontwikkelingen passend binnen de identiteit van een gebied. Niet als conserverend plan, maar met name als ontwikkelingsgericht plan. De visie geeft handvaten en ruimtelijke randvoorwaarden waaraan de gemeente nieuwe ontwikkelingen zal toetsen en bijsturen. De cultuurhistorische visie voor het Waalkwartier wordt als onderlegger voor de bestemmingsplannen in het Waalfront gebruikt. Het behoud van erfgoed en de toegevoegde waarde ervan in bijvoorbeeld de beleving van de historiciteit van de stad, moet in totaliteit met de hele stad worden bezien. Daarom houdt de gemeente de regie op de ontwikkelingen en stuurt de gemeente op een eenheid in de beleving van het erfgoed en van de visualisaties. Deze visie is daarvoor voor zowel ontwikkelaars áls voor de gemeente de basis.

11

Definitief 27 maart 2019

Bijlage 1 Historische ontwikkeling Waterkwartier (uit: cultuurhistorische visie Waalfront 2004) Romeinse stad Ulpia Noviomagus In de periode van 19 voor Christus tot 70 na Christus speelde zich het leven waarschijnlijk grotendeels op en rond het Valkhof en op de Hunerberg af. Na de opstand van de Bataven in 69-70 na Christus veranderde de plattegrond van Nijmegen grondig. Op de Hunerberg bouwden soldaten van het Tiende Legioen (Legio X Gemina) een nieuw onderkomen. Rond deze legioensvesting (castra) ontstond geleidelijk een kampdorp (canabae legionis). Het platgebrande Oppidum Batavorum (rondom het Valkhof) werd niet herbouwd. Het zwaartepunt van de civiele bewoning kwam circa vijftienhonderd meter westelijker daarvan te liggen, in het laaggelegen Waterkwartier. Daar vond onder de naam Batavodurum al wel enige activiteit plaats. In het Waterkwartier zijn bij archeologische opgravingen Romeinse resten gevonden die behoren tot de Romeinse stad Ulpia Noviomagus (Batavorum). De regeringsperiode van keizer Marcus Ulpius Traianus (98-117) is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van Batavodurum. Uit deze tijd stamt de nieuwe naam van de stad: Ulpia Noviomagus Batavorum, wat ‘de Nieuwe Markt van (Marcus) Ulpius (Traianus) in het Land van de Bataven’ betekent. De naam hangt samen met de verlening van het stadsrecht door deze keizer in 102 na Christus.

Het Romeinse stadsgebied kan globaal worden vastgesteld. Op basis van de omvang van het grafveld (circa 12.500 begravingen) en het bebouwde oppervlak (ongeveer 35-40 hectare) schatte Brunsting in 1937 het inwonertal van de stad op niet meer dan vijfduizend. Tot nu toe kennen we van de voor de stad belangrijke publieke gebouwen alleen de ligging van het badhuis, de tempels bij het Maasplein en vermoeden we een grote tempel bij de Winseling. Een dik pakket cultuurgrond achter de huizen van Noviomagus laat zien dat de achtererven als tuin werden gebruikt. Op de meeste onderzochte percelen moet in die tijd een grote ambachtelijke bedrijvigheid geheerst hebben. Naast vele sporen van metaalbewerking vallen vooral de pottenbakkersovens op die zich op enkele erven bevinden. Er moeten in de ovens grote hoeveelheden aardewerk zijn geproduceerd. De pottenbakkers hebben hun producten vooral op de lokale mark afgezet. Een deel was voor huishoudelijk gebruik bestemd maar het merendeel diende voor de verpakking van etenswaar. De productie lijkt verband te houden met de bevoorrading van het Tiende Legioen in de legerplaats op de nabijgelegen Hunerberg. Ook kan het duiden op een economische relatie met het omliggende platteland.

De openbare gebouwen – als ze al aanwezig waren – en de huizenblokken van meer welgestelde bewoners moeten in deze tijd in het centrum of noordelijke deel van de stad gezocht worden. Verder is de ontwikkeling van de begrenzing van de stad nog niet duidelijk. In het gebied dat nu bekend staat als Waalfront was waarschijnlijk het centrale deel van de stad gelegen, waarbij resten van diverse bouwwerken zijn aangetroffen die verwijzen naar het forum van de stad. Het gaat niet alleen om gewone bewoningsresten, maar in een aantal gevallen zelfs om funderingsresten van monumentale openbare gebouwen als tempels, het forum (de markt) en het centrale bad. Daarnaast heeft oudheidkundig onderzoek aangetoond dat van de stad nog resten van de verdedigingswerken (poorten, stadsmuur en gracht) aanwezig zijn. De archeologische waarde van het gebied is daarom zeer hoog. De Romeinse stad strekt zich ook uit over de achterliggende bestaande wijk Biezen. Bij de herinrichting van Biezen in het begin van de jaren negentig trokken aansprekende vondsten en resultaten bij het Maasplein de belangstelling van pers en publiek. Het onderzoek vormde tegelijk

12

Definitief 27 maart 2019

het draagvlak om het verleden van de buurt blijvend in het straatbeeld zichtbaar te maken. Een klein wijaltaar maakt duidelijk dat de godin Fortuna in de zuidelijke tempel is vereerd. In de andere tempel is blijkens de vondst van een bronzen beeldje Mercurius aanbeden. Beide godheden staan voor welzijn, voorspoed en welvaart, maar representeren hier zowel het vrouwelijke als het mannelijke deel van de samenleving. Tot de meest opvallende vondsten op het tempelterrein behoren enkele deposities van voedsel, zoals dadels, vijgen, pijnboomzaden. Verder komen botten van rund, schaap of geit, kip en diverse vissoorten als haring, spiering en karperachtigen voor. Het ontbreken van vondsten uit de derde eeuw maakt duidelijk dat het tempelterrein vanaf het einde van de tweede eeuw niet of nauwelijks meer is gebruikt. Op veel plaatsen zijn sporen gevonden van onder meer pottenbakkersovens, ook zijn er aanwijzingen voor metaalbewerking en (grootschalige) leerbewerking. Het historische en archeologische belang van Ulpia Noviomagus Batavorum is groot. Dit was de enige stad in dit deel van het Romeinse rijk met Romeinse stadsrechten. Er werd gewoond, er was welvaart, handel, er werden op industriële schaal activiteiten ontplooit door ‘gewone’ mensen. En ondanks dat er hier en daar al opgravingen zijn gedaan, liggen grote delen nog onaangeroerd diep onder het huidige maaiveld.

Rond 270 na Christus werd de stad verlaten nadat een tiental jaren eerder een deel van de stad was verwoest door brand en niet meer was opgebouwd. Zo raakte waarschijnlijk het badhuis aan het einde van de tweede eeuw ook buiten gebruik. De ruïne van het badhuis is, zoals zo vele andere Romeinse bouwwerken, in de vierde eeuw als steengroeve gebruikt ten behoeve van de LaatRomeinse versterking in het centrum van Nijmegen. In de 13de eeuw gebruikte men opnieuw Romeins puin als bouwmateriaal, maar nu voor de middeleeuwse stad. Sporen daarvan zijn onder meer in de Nicolaaskapel terug te vinden. Het gebied dat we nu het Waalfront noemen is eeuwenlang bijzonder open en ruimtelijk geweest. Vanwege de natte ondergrond is het altijd een lastig te bewonen gebied geweest, alhoewel de Romeinen zich daar niets van aantrokken. Tegelijkertijd was het wel een aantrekkelijk gebied voor agrariërs vanwege de vruchtbare grond. Voor zover er al spontane vochtminnende vegetatie ontstond, verdween die bij ontginning van de gronden voor de landbouw. Ruimtelijke elementen werden gevormd door het reliëf in het landschap en de wegbegeleidende beplantingen die vanuit het binnenland naar de rivierzijde of de stad Nijmegen leiden. Meest structureel zijn de eikenlanen geweest.

Militair verleden De vestinghistorie en gevechtshistorie hebben er tenslotte voor gezorgd dat hoog opgaande bomen in de directe nabijheid van forten en bastions, werden gekapt. Ook door deze maatregelen bleef het landschap bijzonder open en vormden de woonkernen op afstand belangrijke ruimtelijke elementen. Deze zijn altijd omringd geweest met een bepaalde hoeveelheid groen, al dan niet voor het gebruik. Vanwege de gunstige ligging aan de Waal en dichtbij de Rijksgrens, had Nijmegen een belangrijke verdedigingsfunctie. De betekenis van de vestingwerken is door de eeuwen heen sterk veranderd. Aanvankelijk stond de vesting voor verdediging en bescherming, maar ook voor zelfbewustzijn en toekomstperspectief. De verdedigingswerken lagen buiten de stadsmuur, maar werden met trots door de burgerij gebouwd en onderhouden. In 1591 ging Nijmegen over van Spaanse in Staatse handen. Vanaf dat moment was de stad onderdeel van de republiek en veranderde de functie van haar verdedigingswerken. De StatenGeneraal werden verantwoordelijk voor de vestingwerken die niet meer voor de bescherming van de stad dienden, maar vooral de Republiek (en de gewesten Holland en Zeeland) moesten verdedigen.

13

Definitief 27 maart 2019

De burgerij werd buitenspel gezet. De verdedigingswerken hadden een grote aantrekkingskracht op oorlogsvoerende partijen. Het huidige Waalfront lag buiten de stadsmuur, maar binnen schotsafstand van de stad. Het Fort Krayenhoff representeert het vestingverleden van het Waalfront. Fort Krayenhoff Fort Krayenhoff werd gebouwd tussen 1820-1832. Opdrachtgever voor de bouw van deze forten was baron C.R.T. Krayenhoff (1758-1840). Deze Nijmegenaar had het tijdens de Franse bezetting geschopt tot Minister van Oorlog en werd in 1814 door Koning Willem I benoemd tot inspecteur-generaal der Fortificaties. In die functie kreeg Krayenhoff de opdracht om de landsverdediging te organiseren. Tijdens de bouw van de vesting werd er door de archeologen C. Reuvens en C. Leemans van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden gegraven. De betekenis van de tijdens de bouw van het fort Krayenhoff opgegraven muurresten uit de Romeinse tijd, werd pas ruim honderd jaar later duidelijk door een publicatie van de archeoloog H. Brunsting. Hij koos een voor de hand liggende interpretatie en schreef de funderingsresten toe aan een groot en monumentaal tempelcomplex. De muurresten stonden daarna nog aan de basis van verschillende andere interpretaties. Na zijn dood werd Krayenhoff begraven in een kelder van het naar hem vernoemde fort.

In 1914 besloot de gemeente tot afbraak van fort Krayenhoff, dat zijn functie toen al enige tijd had verloren. De stoffelijke resten van baron Krayenhoff werden overgebracht naar begraafplaats Rustoord aan de Postweg en de zerk, die op last van Koning Willem II op zijn graf was geplaatst, kreeg een plaats in een parkje aan de Krayenhofflaan. Een klein deel van het fort ontkwam aan de slopershamer: het muurwerk aan de rivierzijde bleef behouden en werd opgenomen in de kade. De muren zijn alleen vanaf de Waal goed zichtbaar. Het fort is de basis van een park met ingepaste bebouwing. Dit punt is het eindpunt van de mogelijke historische route van de binnenstad naar het Waterkwartier. Vestingsteden worden in deze tijd gezien als relict van een spannende, nooit meer terugkerende tijd. Stadswallen en oude torens zijn geliefde, romantische plekken. Industrieel verleden Ruimtegebrek binnen de wallen en het verbod om buiten de vestingwerken permanente gebouwen op te richten, verhinderden aanvankelijk de komst van grote bedrijven. Nijmegen werd bovendien laat aangesloten op het landelijke spoorwegennet. Tenslotte was de Nederrijn als scheepvaartroute vanuit het Duitse achterland naar het westen lange tijd belangrijker dan de Waal. De industriële revolutie ging grotendeels aan Nijmegen voorbij, maar de aanleg van de Nieuwe Haven (1853) bood nieuwe kansen voor de industrie.

Een katoendrukkerij en een stoomzagerij waren de eerste bedrijven die zich hier vestigden. Tot het moment van opheffen van de vestingstatus in 1874, bleven de mogelijkheden tot uitbreiding van de industrie beperkt. Vanaf 1874 kwam er in Nijmegen dus volop ruimte voor de vestiging van bedrijven. In de omgeving van de haven en aan de Weurtseweg en Voorstadslaan, vestigden zich de eerste bedrijven. Vanaf 1900 kwamen er steeds meer bedrijven bij. Soms werd de nabijheid van de rivier verkozen om logistieke reden. In andere gevallen was het gebruik van veel water nodig bij het productieproces (vlas, papier). Ook was de mogelijkheid tot het lozen van afvalstoffen een reden tot vestiging. In westelijke richting werden achtereenvolgens het gemeentelijk slachthuis (1900), een stijfselfabriek (1910), een vlasfabriek (1915), een kunstzijdespinnerij (1929-1930) en ten slotte bij de monding van het Maas-Waalkanaal in de Waal een elektriciteitscentrale (1934-1936) gebouwd. De industriële bedrijvigheid kwam tot stand zonder een welomschreven bestemmingsplan. Pas in 1934 werd met

14

Definitief 27 maart 2019

het uitbreidingsplan van stedenbouwkundige A. Siebers voor het eerst een structuur- en bestemmingsplan voor de gehele gemeente gelanceerd. Hij kon niet anders dan de bestaande situatie sanctioneren. Honig Rond 1920 kwam bij de gebroeders Honig het plan op om in de vestiging in Nijmegen vermicelli te gaan maken. De inpakafdeling boven het drooghuis verdween en Oscar Leeuw bouwde er in 1922 een verdieping boven om ruimte te maken voor de deegproductie. In 1939 werd al een weekomzet van 100 ton overschreden. In 1925 legde een brand Oostzaanse tarwestijfselfabriek Latenstein, eigendom van de firma Honig, volledig in de as. Herbouw in Oostzaan werd niet overwogen omdat de verbindingen over land en water slecht waren. Na aankoop van de failliete vlasfabriek ten westen van het Nijmeegse bedrijf, kon een nieuwe uitbreiding worden gerealiseerd. Oscar Leeuw kreeg de moeilijke taak om op een wigvormig terrein, tussen vermicelli-afdeling en vlasfabriek, een bedrijfspand van vier verdiepingen te ontwerpen. Het resultaat mocht er wezen. Aan Waalbandijk en Waal verrezen statige bakstenen gevels met pilasters die conform de zogeheten ‘kolossale orde’ over de volle hoogte van het gebouw opgingen. De detaillering vertoont overeenkomsten met het uit 1922 daterende bankgebouw van de Nijmeegsche Bankvereeniging. Hollandia had eind jaren 30 met een nijpend ruimtegebrek te maken.

De directie van het bedrijf vond een medestander in de persoon van J. Steinweg, burgemeester van Nijmegen. Onder zijn ambt werd bereikt dat de Waalbandijk enkele tientallen meters zuidelijker werd verlegd. De graafwerkzaamheden vonden eind jaren dertig plaats onder de vlag van de werkverschaffing en de uitvoering was in handen van de Nederlandsche Heidemaatschappij. Zo kon Hollandia in 1941 bijna één hectare aan haar fabrieksterrein toevoegen. Na het vergissingsbombardement in 1944 werd het terrein tussen de oude en nieuwe dijk opgehoogd met puin. Na de bevrijding vonden de uitbreidingen van het bedrijf vooral plaats op het nieuwe areaal ten zuiden van de voormalige Waalbandijk. Hier verrezen achtereenvolgens Romney-loodsen, in 1948 een pakhuis en in 1951 een groot gebouw waarin een drukkerij werd gehuisvest. De NV Fabriek van Honig’s Artikelen, zoals het bedrijf toen werd genoemd, bleef ook daarna gedijen. Zo werden percelen op het oude Fort Krayenhoff gekocht voor verdere uitbreiding van de zetmeelfabriek Latenstein. De meest markante uitbreiding was de bouw van de bloemsilo, die in 1969 gereed kwam en nog steeds de skyline van Nijmegen op het westen beheerst. Behalve het tarwestijfselgebouw van Oscar Leeuw (1926) en de rijstkelder (1938) onder Latenstein zijn op het fabriekscomplex nog andere waardevolle relicten uit het verleden bewaard gebleven.

Bijvoorbeeld in het huidige kantoor de twee tegeltableaus met vogelvluchtperspectieven van het bedrijf. Het oudste exemplaar is in 1926 gemaakt bij het twaalf en halfjarig bestaan en het jongste dateert uit 1939 en memoreert het vijfentwintigjarig jubileum. Elders prijkt op een buitenmuur het metaalplastiek van gepatineerd geelkoper dat werd ontworpen door de Nijmeegse beeldhouwer Charles Hammes. Het dateert uit 1964 en was een geschenk van het personeel bij het gouden jubileum.

15

Definitief 27 maart 2019

Bijlage 2 Vahalis Lijn Breder perspectief van de Vahalis linie De nieuwe routes in het gebied bieden de bezoekers originele en tevoren onmogelijke gezichtspunten op het historische waalfront met Valkhof en Stevenstoren, het industrieel erfgoed en de oude bruggen. Cultuurhistorische relicten zoals de forten Knodsenburg, Beneden-Lent en Krayenhoff, de brugkazematten en de road barriers, die voorheen verborgen waren, zijn zichtbaar en beleefbaar gemaakt. In een 16de-eeuws rondeel aan de Waalkade wordt momenteel Museum De Bastei gerealiseerd, waar de eeuwenoude relatie van de stad met de rivier zal worden belicht en waar vanuit natuurwandeltochten in de omgeving zullen vertrekken. Verderop langs de Waalkade is midden in een voormalig industriegebied het bruisende Honigterrein met zijn vele innovatieve bedrijfjes en horecagelegenheden gerealiseerd, het naastgelegen NYMA/ Vasim-kwartier is in ontwikkeling. Erfgoed is optimaal benut als ontwikkelingsfactor.

16

Definitief 27 maart 2019

Vahalis Line 1. Afwisselend, aantrekkelijk stadsbeeld aan de Waal 2. Verbeelding verschillende tijdslagen van de stad 3. Toevoegen van een nieuwe laag die samenhang brengt van de Groene Delta tot de Ooijpolder 4. Ruimte geeft aan de stad om samen vorm te geven, eigenaarschap 5. Publieke ruimte die waarde creëert aan de Waal 6. Publieke ruimte die culturele programma’s genereert. 7. Groen, gezond en bewegen De Vahalis line kan worden gezien als een document dat we gebruiken voor de invulling, het visualiseren en beleefbaar maken van de geschiedenis en de cultuurhistorische waardering voor het Waalfront. Een soort van totaaloverzicht, een gereedschapskist waaruit ideeën en voorstellen zijn beschreven die we kunnen gebruiken bij de uitwerking van de plannen in het Waalfront. Verder geeft het inzicht in de samenhang van de verschillende deelgebieden in het Waalfront die niet gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd (havengebied, terrein slachthuis, park, Honig) en worden de deelgebieden geschakeld c.q. verbonden met elkaar in dit document. Het is de ketting waarlangs deze deelgebieden –gefaseerd- verder worden uitgewerkt. Het geeft ook goed de ambities weer welke er zijn voor het visualiseren van het romeins verleden (bijv.

mozaïek, beeldenroute, romeinse tuinen, het badhuis) maar ook het industriële deel (havengebied, bebouwing Handelskade, waterkering, Honig) en voor wat betreft de vestingswerken (Fort Krayenhoff). Uiteindelijk zal hier een route langs de rivier de Waal ontstaan waarbij de landschappelijke en stedenbouwkundige inrichting uitdrukkelijk wordt vermengd met de cultuurhistorie. Hiermee wordt het straks mogelijk om als voetganger vanaf de onderdoorgang bij de Spoordijk richting De Oversteek langs de rivier de Waal te flaneren. De voetganger zal worden verleid om deze route te lopen waarbij er steeds nieuwe spannende beelden opdoemen met meer of minder subtiele verwijzingen (door middel van bebouwing en architectuur, of door middel van vormgeving van de inrichting van een deelgebied, of door het gebruik van bepaalde materialen, of door een beeldenroute of digitaal of fysiek met borden of kunstuitingen) naar de geschiedenis van de plek. de Vahalis -lijn de overkoepelende term voor de inrichting van de openbare ruimte grof weg tussen Laan van Oost-Indie en de Waal. Hierbij willen we het verhaal van de geschiedenis van het Waalfront tot uitdrukking brengen met allerlei visualisaties en mogelijk reconstructies, behoud industriele elementen in de openbare ruimte etc…. Hiervoor hebben we reeds allerlei bouwstenen aangereikt in de gelijknamige presentatie.

De Waterkering is onderdeel van deze zone en er loopt een studie naar de positie en technische uitwerking hiernaar. Hiervoor is een boekje in de maak. De wandelpromenade onderlangs valt in principe buiten de planexploitatie van de OBW. Dit valt niet direct onder de woonomgeving van het Waalfront en heeft meer een stedelijke functie voor wandelaars en sporters..

17

Definitief 27 maart 2019

18

Definitief 27 maart 2019

19

Definitief 27 maart 2019

Bijlage 3 Honig studie Boei

20

Definitief 27 maart 2019

21

Definitief 27 maart 2019

Bijlage 4 Advies Kunst in Openbare Ruimte Bijdrage kunst in de openbare ruimte voor visie verbeelden Romeins verleden in Waalfront / Waterkwartier. De gemeente Nijmegen investeert in kunst die de stad op alle mogelijke manieren verrijkt. De kunstopdrachten leveren een bijdrage aan de culturele kwaliteit en beleving van de stedelijke omgeving. Een onafhankelijke commissie beeldende kunst adviseert, initieert en ondersteunt de ontwikkeling van kunstopdrachten om tot kwalitatief hoogwaardige kunst te komen die het culturele klimaat van Nijmegen versterkt. Voor de verbeelding van het Romeins verleden in het Waalfront (en onlosmakelijk ermee verbonden) het Waterkwartier ziet de commissie dat de realisatie van een of meerdere kunstuitingen een grote bijdrage kan leveren aan de visualisatie, herinnering en (her-) beleving van dit Romeins verleden. Een intelligente reactie op de diverse tijdlagen en een daaruit voortkomend concrete verbeelding van archeologie en geschiedenis behoren tot de mogelijkheden. Vanuit gedegen research en in samenwerking met bijvoorbeeld plaatselijke cultuurhistorische verenigingen kan mogelijkerwijs ook in een meer abstractere kunstvorm de historie en haar huidige betekenis voor de stad verbeeld worden.

De commissie adviseert dan ook in het proces van voorbereiding ambitie niet te schuwen en een opdracht te formuleren voor een kunstopdracht (of onderzoeksopdracht) welke, in nauwe samenhang met de andere (wat meer concretere) verbeelding van het Romeinse verleden, zorgt voor een kwalitatief hoogstaand en sterk tot de verbeelding sprekende kunstuiting. De commissie beeldende kunst zal ondersteunen in het opstellen van deze opdracht en zal advies geven bij de algehele procedure, waaronder de selectie van geschikte kunstenaars en de uiteindelijke keuze.

22

Definitief 27 maart 2019

Bijlage 5 Referenties en Inspiratie (KCAP, beeldkwaliteitsplan definitief maart 2019)

23

Definitief 27 maart 2019

24

Definitief 27 maart 2019

25

Definitief 27 maart 2019

26

Definitief 27 maart 2019

27

Definitief 27 maart 2019

28

Definitief 27 maart 2019

29

Definitief 27 maart 2019

30

Definitief 27 maart 2019

31

Definitief 27 maart 2019

32

Definitief 27 maart 2019

33

Definitief 27 maart 2019

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=d7302a38-4f31-41ce-abe4-5ccdb63e90e4