Nijmegen Waalfront - 5 Bijlage 11 toelichting Nader onderzoek Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Nader onderzoek Wet natuurbescherming
Nijmegen Waalfront - 3 (Dijkkwartier)
Waalfront CV
Datum: 23 januari 2020 Projectnummer: 170305.02
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging
3 3 4
2
Wettelijk kader
6
2.1 2.2 2.3
Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing
6 7 7
3
Ecologie van soorten
9
3.1 3.2 3.3
Gierzwaluw Huismus Vleermuizen
9 9 10
4
Onderzoekmethodiek
13
4.1 4.2 4.3
Gierzwaluw Huismus Vleermuizen
13 13 14
5
Resultaten
18
5.1 5.2 5.3 5.4
Gierzwaluw Huismus Vleermuizen Torenvalk
18 18 19 22
6
Conclusie en advies
23
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen Torenvalk Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen
23 23 23 25 25 25
Geraadpleegde literatuur
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De initiatiefnemer is inmiddels enkele jaren bezig met de herontwikkeling van het Waalfront in Nijmegen. Einddoelstelling is om de industriële functies in te wisselen ten behoeve van woningbouw in combinatie met voorzieningen en werkfuncties. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2019) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van verschillende soorten vleermuizen, huismus en gierzwaluw op verschillende locaties niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soorten uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Nijmegen (provincie Gelderland). Nijmegen ligt in de stadsregio Arnhem-Nijmegen en nabij de grens met Duitsland. In de omgeving van Nijmegen liggen agrarische gronden en verschillende natuurgebieden. Nijmegen ligt daarnaast aan de oever van de Waal. Het plangebied is verdeeld over twee locaties. Locatie ‘Honig-complex’ ligt langs de Waal en bestaat uit een oud industrieel gebied. Locatie ‘Havenweg’ ligt ook langs de Waal ten zuidoosten van de andere locatie en betreft woonhuizen. Deze gebieden worden gefaseerd herontwikkeld van industrie- naar woongebied met voorzieningen. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het projectgebied weer.
3
Topografische kaart met de globale ligging van het projectgebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Luchtfoto met het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Bron: PDOK, bewerking: SAB.
1.2.2
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal het terrein omgevormd zijn tot woningbouw. Ten tijde van het opstellen van de rapportage is nog niet volledig bekend of alle huidige bebouwing gesloopt wordt, of dat een deel van de bebouwing wordt omgevormd tot woningen. Daarnaast is een precieze inrichting van het plangebied ook nog niet bekend.
1.3
Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze:
4
Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2017), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch
Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.
5
2
Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.
2.1
Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
2.1.1
Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.
2.1.2
Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
6
2.1.3
Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.
2.2
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
2.3
Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.
Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en ha-
7
bitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).
8
3 3.1
Ecologie van soorten Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12, 2017a). Gierzwaluwen bevinden zich bijna hun hele leven in de lucht. Hun lichaamsbouw is dan ook perfect aangepast aan het vliegen in de lucht. Echter, de vleugels zijn niet gebouwd op het uit stilstand opvliegen. Het gevolg is dat gierzwaluwen zich te allen tijde naar beneden moeten kunnen laten vallen om in de vleugels te komen en weg te kunnen vliegen. Ook zijn de poten nog maar slecht ontwikkeld, omdat deze weinig worden gebruikt. Vanwege deze beperkingen zijn gierzwaluwen erg conservatief in het innemen van nieuwe broedplaatsen. Ze gebruiken dan ook jaren achtereen dezelfde nestplaats (BIJ12, 2017a).
3.2
Huismus De huismus is sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is voornamelijk gebonden aan menselijke bebouwing. Ook voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem aanbiedt. De huismus is geen zeldzame soort, maar is de afgelopen jaren wel sterk achteruit gegaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwd gebied dient vanwege zijn associatie met de mens en zijn relatief algemene voorkomen vaak rekening gehouden te worden met aanwezigheid van de huismus. De huismus broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen nesten. Grotere kolonies hebben vaak een beter broedresultaat dan kleinere kolonies. Kolonies groter dan 25 broedparen hebben een positief broedsucces en zijn zelfvoorzienend. Ook gaan nakomelingen op zoek naar andere kolonies. Bij kolonies kleiner dan 10 broedparen is vaak een negatief broedsucces en zijn individuen uit andere kolonies nodig om de verliezen aan te vullen. Bij kolonies tussen de 10 en 25 broedparen wisselt het broedsucces. De huismus is zeer honkvast en stelt een aantal voorwaarden aan een geschikt leefgebied: Nestplaats: allereerst dienen geschikte nestplaatsen voorhanden te zijn. Huismussen broeden vaak onder pannendaken met ronde dakpannen. Onder platte pannen is te weinig ruimte om te broeden. Andere geschikte kieren in bebouwing worden ook gebruikt.
De nestplaatsen liggen meestal niet in de volle zon, aangezien dakpannen door de zon erg heet kunnen worden;
9
Voedsel: binnen maximaal enkele honderden meters van de nestplaats dient voedsel aanwezig te zijn. Volwassen dieren eten zaden van grassen en onkruiden, insecten, bessen, bloemknoppen, maar ook al het voedsel wat de mens aanbiedt, zoals voedsel uit voedersilo’s en etensresten. De voedselvoorziening moet het gehele jaar aanwezig zijn. In de broedperiode hebben de jongen eiwitrijk voedsel nodig, zoals bladluizen, muggen, vliegen en rupsen. Daarom moeten struiken, of andere vormen van groen aanwezig zijn waarin de huismussen dit voedsel voor hun jongen kunnen vinden; Water: huismussen hebben water nodig. Dit vinden ze op allerlei plekken, zoals in een dakgoot of een speciale drinkbak; Beschutting: huismussen zijn een makkelijke prooi voor roofdieren zoals sperwers. Binnen enkele meters van de voedselbronnen dient daarom beschutting aanwezig te zijn. Dit bestaat voornamelijk uit dichte, of groenblijvende struiken. De huismus gebruikt zijn nest het gehele jaar door. Voornamelijk tijdens de broedperiode (april tot en met augustus) en tijdens vorstperiodes is de huismus erg afhankelijk van de broedplaats. Eventuele verstoringen aan het nest mogen daarom in ieder geval niet in deze periodes plaatsvinden.
3.3
Vleermuizen Elke vleermuissoort heeft een eigen specifiek scala aan eisen waaraan een leefgebied moet voldoen, om zich succesvol te kunnen handhaven. De verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden nemen hierin een centrale plaats in. Deze worden hieronder besproken.
3.3.1
Verblijfplaats Net als alle zoogdieren zoeken ook vleermuizen een beschermde ruimte op om te slapen, hun jongen te baren en groot te brengen. Dit is de zogenaamde vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen bezitten door het jaar heen een groot scala aan verschillende soorten verblijfplaatsen om in bovengenoemde behoefte te voorzien. Er wordt voor deze diergroep onderscheid gemaakt tussen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. In de kraamverblijfplaats worden de jongen (één per vrouwtje) gebaard en gezoogd. In dergelijke verblijfplaatsen scholen meerdere vrouwtjes (met jongen) bij elkaar. De omvang van een dergelijke kolonie verschilt per locatie en per soort. Van de gewone dwergvleermuis is bijvoorbeeld bekend dat zij groepen vormt van circa 50 tot 120 individuen (BIJ12, 2017c). Bij de laatvlieger zijn deze groepen geregeld kleiner: 10 tot 60 vrouwtjes (Dietz et al., 2011). In zomerverblijfplaatsen bevinden zich de volwassen mannetjes en vrouwtjes die zich niet voortplanten. Hier zijn geen grote groepen vleermuizen aanwezig. In de paarverblijfplaatsen vindt de paring plaats. Mannetjes bezetten dan een verblijfplaats met daaromheen zijn territorium en proberen vrouwtjes hiernaartoe te lokken om te paren. In de winterverblijfplaats overwinteren de vleermuizen (www.vleermuis.net).
Gewone dwergvleermuizen kunnen zowel in kleine als in grote groepen overwinteren (BIJ12, 2017c). De meervleermuis overwintert weer in grotten of bunkers en andere soorten trekken weg uit Nederland naar warmere oorden (www.vleermuis.net). 10
Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al., 2011; Zoogdiervereniging en Probos, 2012). Vleermuizen leven door het jaar heen in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen, maar ook in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen tijdens hetzelfde seizoen. Afhankelijk van soort en situatie is er sprake van een hoofdverblijfplaats met satellietverblijfplaatsen of van meer gelijkwaardige verblijfplaatsen. Zelfs kraamverblijfplaatsen kunnen van de ene op de andere dag verlaten zijn, waarbij de vrouwtjes hun jongen hangend aan de buik met zich meedragen. Tussen winterverblijfplaatsen wordt minder gewisseld (www.vleermuis.net).
Bij de gewone dwergvleermuis liggen alle verblijfplaatsen binnen een straal van 20 kilometer bijeen (BIJ12, 2017c). Bij grotere vleermuissoorten als de rosse vleermuis is dit gebied vele malen groter (BIJ12, 2017d). 3.3.2
Vliegroutes Vanuit hun verblijfplaatsen moeten de vleermuizen hun weg kunnen vinden op zoek naar voedsel. Met behulp van hun sonar moeten ze wegwijs worden in de omgeving tussen verblijfplaats en foerageergebied. Bepaalde vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gebruiken hiervoor vaak een vaste route naar het foerageergebied. Lijnvormige elementen als een bomenrij of watergang met opgaande begroeiing zijn hierbij vaak belangrijk voor hun oriëntatie (www.vleermuizenindestad.nl, Limpens et al., 2004).
3.3.3
Foerageergebied Vleermuizen gebruiken verschillende typen gebieden om voedsel te vinden. Hiertoe heeft elke vleermuissoort zich op enige wijze gespecialiseerd. Een overeenkomst is dat ze allen beschutting van wind zoeken. Enerzijds om energie te besparen, anderzijds vanwege de hoeveelheid insecten. De gewone dwergvleermuis foerageert bijvoorbeeld vooral in open ruimtes in bosachtig gebied of langs wind beschutte, lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen (BIJ12, 2017c). De laatvlieger foerageert ten opzichte van de gewone dwergvleermuis in dezelfde soort gebieden maar dan hoger in de lucht en zolang de wind het toe laat boven opener terrein. De watervleermuis foerageert meestal boven open water (www.vleermuizenindestad.nl).
3.3.4
Jaarcyclus vleermuizen Vleermuizen gebruiken dus een netwerk van deelleefgebieden met verschillende functies. De in Nederland meest voorkomende soorten volgen daarbij een duidelijke seizoenscyclus: beginnend bij winterslaap, achtereenvolgens migratie, kraamperiode,
11
balts- of paartijd, trek en tenslotte weer winterslaap (www.vleermuizenindestad.nl). zie onderstaand tijdschema.
Jaarcyclus van vleermuizen. Bron: Zoogdiervereniging
12
4 4.1
Onderzoekmethodiek Gierzwaluw Het onderzoek om aan- of afwezigheid van nesten van gierzwaluwen aan te tonen is uitgevoerd conform het kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017a). Het voldoet dan ook aan de volgende voorwaarden: minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen; in de periode van 1 juni tot en met 15 juli; waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli; van twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang; tijdens goede weersomstandigheden (droog, niet te veel wind). Gezien de grootte van het plangebied is ervoor gekozen om de locatie van de nesten te bepalen door middel van het waarnemen van in- en uitvliegende gierzwaluwen. Dergelijke nestlocatietellingen leveren de beste resultaten op. Hierbij is 15 tot 30 minuten gepost per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien kunnen worden. Alle in- en uitvliegende gierzwaluwen zijn genoteerd en de locaties zijn op een kaart bijgehouden. Naast in- en uitvliegende individuen zijn ook laagvliegende, luid roepende vogels genoteerd. Dit gedrag duidt er namelijk op dat een nestlocatie in de buurt aanwezig is (BIJ12, 2017a). Daarnaast is ook bijgehouden hoeveel gierzwaluwen maximaal hoog boven en in de omgeving van het plangebied rondvliegen.
De veldbezoeken zijn uitgevoerd op 3 juni 2019 van 19:50 uur tot 21:50 uur, 16 juni 2019 van 20:00 uur tot 22:05 uur en 28 juni 2019 van 20:00 tot 22:10 uur. Onderzoeken zijn uitgevoerd door één deskundige onderzoeker. De weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken waren goed met temperaturen tussen de 20 en 24 graden, geen neerslag en maximaal windkracht 2. De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is met bovengenoemde methode voldoende aannemelijk gemaakt als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest. Het onderzoek naar gierzwaluw is alleen uitgevoerd bij locatie Havenweg, aangezien locatie Honig-complex niet geschikt is als nestlocatie voor de gierzwaluw.
4.2
Huismus Het inventariseren van huismussen vindt plaats door zichtwaarnemingen. Door ongeveer een uur in een bepaald gebied te inventariseren wordt een goed beeld gekregen van de aan- of afwezigheid van huismussen in een gebied. Aanwezigheid van huismusnesten kan op verschillende manieren worden aangetoond. Er mag uit worden gegaan van een huismusnest bij de volgende waarnemingen: 1 Waarneming van nest of nestbouw; 2 Bezoek van een huismus aan een potentiële nestplaats; 3 Transport van voedsel of ontlastingspakketjes; 4 Bedelende jongen in een nest; 13
5 Van 10 maart tot 20 juni een zingend mannetje; 6 Van 10 maart tot 20 juni aanwezigheid van een paartje; 7 Van 10 maart tot 20 juni baltsgedrag. De laatste drie type waarnemingen zijn het makkelijkst te doen. Nadeel is wel dat de precieze nestlocatie dan nog niet geheel duidelijk is. Daarom is gewacht tot een huismus een potentiële nestplaats echt bezoekt (bijvoorbeeld in nestkast vliegen, of onder dakrand kruipen). De laatste drie type waarnemingen dienen onder de juiste onderzoeksomstandigheden uit te worden gevoerd. Droog, weinig wind, in de ochtend vanaf 1 à 2 uur na zonsopkomst op geluidsluwe momenten. Om afwezigheid van de huismus met voldoende zekerheid vast te stellen, dienen twee inventarisatierondes in de periode van 1 april tot en met 15 mei uitgevoerd te worden met een tussenperiode van minimaal tien dagen (Kennisdocument Huismus, 2017). De veldbezoeken zijn uitgevoerd op 8 april 2019 van 9:00uur tot 11:00 uur en 2 mei 2019 van 9:00 uur tot 11:00 uur. De weersomstandigheden waren gunstig met temperaturen tussen 18 en 23 graden Celsius, geen neerslag en maximaal windkracht 2. Het onderzoek naar huismussen is alleen uitgevoerd bij locatie Havenweg, aangezien locatie Honig-complex niet geschikt is als nestlocatie voor de huismus.
4.3
Vleermuizen
4.3.1
Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden Het vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen zoals deze zijn verwoord in het Vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Om aan deze richtlijnen te kunnen voldoen is allereerst beoordeeld welke vleermuissoorten mogelijk in het plangebied voor kunnen komen en welke functies het voor deze soorten kan vervullen. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding van in Nederland voorkomende vleermuizen, de ecologie van de soorten en de aangetroffen situatie. In navolgend overzicht is deze beoordeling uiteengezet. Beoordeling van mogelijk aanwezige soorten en de functies die de situatie in het onderzoeksgebied zou kunnen vervullen (x = functie is niet uit te sluiten, - = functie is uit te sluiten). Vleermuissoort
Gewone dwerg-
Kraam-
Zomerver-
Paarver-
Winterver-
Foerageerge-
Vliegrou-
verblijf
blijf
blijf
blijf
bied
te
x
x
x
x
x
-
-
x
x
x
x
-
Laatvlieger
x
x
x
x
x
-
Meervleermuis
x
x
x
-
x
-
Gewone groot-
-
x
-
-
x
-
vleermuis Ruige dwergvleermuis
oorvleermuis
14
De mogelijk aanwezige vleermuissoorten en functies, zoals weergegeven in voorgaand overzicht, zijn in dit onderzoek onderzocht. Om voor deze soorten te voldoen aan de onderzoekseisen van het vleermuisprotocol zijn de veldbezoeken uitgevoerd zoals is weergegeven in navolgende tabel. In deze tabel zijn ook de weersomstandigheden en het aantal onderzoekers weergegeven. Tevens is weergegeven wanneer welke functies zijn onderzocht. Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata
21-05-
27-05-
a
2019
b
2019
Zon op
05:34
05:29
Zon onder
21:32
21:40
Tijd (start)
21:30
Tijd (eind)
25-06-2019
11-07-
21-08-
09-09-
2019
2019
2019
05:17
05:29
06:30
07:01
22:01
21:54
20:49
20:06
21:35
02:15
21:50
00:00
23:00
00:02
00:10
05:20
00:25
02:00
02:00
Temperatuur (°C)
19-20
18
16
19
17
16
Windkracht (Bft)
1-2
1
2
2
1
1-2
Neerslag
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Weersomstandigheden
Goed
Goed
Goed
Goed
Goed
Goed
Aantal onderzoekers
4
2
3
6
3
3
Onderzochte soorten
Alle
Alle
Alle exclusief
Alle
Alle
Alle
x
x
laatvlieger Onderzochte Functies Kraamverblijfplaatsen
x
x
x
x
Zomerverblijfplaatsen
x
x
x
x
Paarverblijfplaatsen Massawinterverblijf
x
x
Foerageergebied
x
x
x
x
x
x
Vliegroutes
x
x
x
x
x
x
a
: Alleen de Honig-complex locatie : Alleen de Havenweg locatie
b
Voor de meervleermuis voldoet het paarverblijfonderzoek niet aan het vleermuisprotocol. Voor de meervleermuis geldt dat deze soort zeer honkvast is voor wat betreft hun verblijfplaatsen (Haarsma, 2011). Alle paarverblijfplaatsen worden daarbij ook in de kraamperiode gebruikt. In dit geval zijn tijdens de kraamperiode geen meervleermuizen in het plangebied waargenomen. Daarom is paarverblijfonderzoek naar deze soort niet noodzakelijk. Verder moeten er voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger conform het vleermuisprotocol 20 dagen tussen de twee veldbezoeken van het paaronderzoek zitten. Vanwege slechte weersomstandigheden aan het begin van het paarseizoen hebben er maar 19 dagen tussen de twee veldbezoeken gezeten (21 augustus en 9 september). De periode tussen de twee veldbezoeken is belangrijk omdat vleermuizen op verschillende momenten in het seizoen paaractiviteit vertonen en door verspreid over het seizoenonderzoek te doen vergroot je de trefkans van een paarverblijfplaats. Tijdens beide veldbezoeken is echter baltsactiviteit in de omgeving waargenomen, wat aangeeft dat de actieve baltsperiode van vleermuizen niet gemist is. Daarnaast is de 15
wachtperiode maar één dag te kort geweest wat ecologisch gezien niet veel verschil maakt. Derhalve kan met bovenstaande onderzoeksinspanning voldoende uitsluitsel gegeven worden over de aan- of afwezigheid van paarverblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten. 4.3.2
Methode De onderzoekers hebben zich gedurende het veldonderzoek over het onderzoeksgebied verspreid en gezocht naar vleermuizen door middel van zichtwaarnemingen en het gebruik van batdetectors. Navolgende waarnemingen zijn belangrijk en zijn in ieder geval genoteerd: Vleermuizen die in of uit een gebouw, boom, etc. vliegen. Dit wijst op de aanwezigheid van een verblijfplaats; Zwermgedrag; vleermuizen die een tijdje en op een typische manier op een bepaalde plek rondvliegen. Vaak met meerdere vleermuizen, maar kan ook alleen. Dit kan duiden op een verblijfplaats. Paargedrag, zoals baltsactiviteit van mannelijke vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld wijzen op de aanwezigheid van een paarterritorium en paarverblijfplaatsen. Foeragerende vleermuizen. Hierbij is van belang hoeveel vleermuizen foerageren en of nog andere functies in de buurt aanwezig zijn. Op basis van deze waarnemingen is bepaald of sprake is van essentieel foerageergebied. Meerdere vleermuizen die een bepaalde route vliegen. Dan is meestal sprake van een vliegroute van vleermuizen. Op basis van deze waarnemingen en een inschatting van de omgeving is bepaald of sprake is van een essentiële vliegroute.
4.3.3
Batdetectors en randapparatuur Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd door middel van zichtwaarnemingen en onderzoek met batdetectors. In dit onderzoek zijn de typen Petterson D240X, Petterson M500 en Batlogger M gebruikt. Een batdetector is een apparaat dat de onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen opvangt en vertaalt in voor mensen hoorbare geluiden. Door interpretaties van ritme, klank en hoogte van het door het apparaat uitgezonden geluid kunnen de meeste soorten vleermuizen worden onderscheiden en op naam worden gebracht. Met behulp van deze detectoren kunnen opnames worden gemaakt die eventueel achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van computerprogramma’s. Met name voor de soorten van het geslacht Myotis is dit noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen. Aanvullend op de batdetectors is tijdens het paaronderzoek van 9 september gebruik gemaakt van een warmtecamera (Pulsar Helion XP50). Dit helpt om het zwermgedrag van vleermuizen beter te kunnen waarnemen en daardoor beter paarverblijfplaatsen en potentiële massawinterverblijfplaatsen te lokaliseren.
4.3.4
Weersomstandigheden De vleermuisveldbezoeken mogen alleen bij goede weersomstandigheden uitgevoerd worden. Deze eisen zijn ook in het vleermuisprotocol opgenomen. Als de weersomstandigheden onvoldoende zijn, is de vleermuisactiviteit lager dan bij goede weersomstandigheden en geven de waarnemingen geen goed beeld van het vleermuisgebruik van het onderzoeksgebied. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersom-
16
standigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.
17
5
Resultaten
5.1
Gierzwaluw Op alle dagen is alleen de locatie Havenweg onderzocht, aangezien alleen deze bebouwing geschikt is als nestlocatie voor gierzwaluwen. Op 6 juni 2019 zijn geen gierzwaluwen in de buurt van het plangebied waargenomen. Ter controle is ook nog in de omgeving rondgelopen waar wel enkele waarnemingen van de gierzwaluw gedaan zijn. Op 16 juni zijn boven het plangebied gedurende het veldbezoek steeds tussen de één en vier gierzwaluwen zichtbaar geweest. Deze dieren vlogen echter altijd hoog boven het plangebied en het water en zijn nooit in de buurt van de bebouwing gekomen. Op 28 juni is regelmatig maximaal één gierzwaluw waargenomen. Deze gierzwaluw heeft echter wederom geen binding met de bebouwing getoond en heeft altijd hoog in de lucht gevlogen. Er zijn geen gierzwaluwnesten in het plangebied waargenomen.
5.2
Huismus Het huismusonderzoek heeft ook alleen plaatsgevonden op locatie Havenweg omdat locatie Honig-complex niet geschikt is als nestlocatie voor huismussen. Tijdens het eerste veldbezoek op 8 april 2019 is een grote kolonie huismussen waargenomen op en rondom de twee-onder-één-kap woning van Havenweg 20/20a. Door de aanwezigheid van roepende mannetjes op de dakrand was de aanwezigheid van een kolonie snel duidelijk. Om het aantal broedparen vast te stellen is gelet op de invliegende en uitvliegende huismussen. Gedurende dit veldbezoek zijn 22 nestlocaties van de huismus vastgesteld onder het dak. Naast de roepende mannetjes op de dakranden zijn regelmatig huismussen schuilend en foeragerend waargenomen in de struiken direct rondom het gebouw. Tijdens het tweede veldbezoek op 2 mei zijn wederom een groot aantal roepende mannetjes en andere huismussen waargenomen. Veel van de nestlocaties die op 8 april zijn waargenomen waren tijdens dit veldbezoek opnieuw te zien. Naast de reeds aangetroffen nestlocaties zijn nog acht nieuwe nestlocaties van de huismus aangetroffen. Er werden ook weer veel huismussen in de struiken rondom het gebouw waargenomen. Schuilgelegenheid in de directe omgeving van nestlocatie van huismussen zijn zeer belangrijk voor de functionaliteit van de nestlocatie. Het groen rondom de woning is daarom ook essentieel foerageergebied.
In onderstaande figuur staan de nestlocaties van de huismus en het belangrijk schuil- en foerageergebied daar omheen weergegeven. Vanwege het grote aantal nestlocaties in een klein gebied is er voor gekozen niet de individuele nesten weer te geven, maar alleen een vlak waarbinnen zich alle 30 nestlocaties bevinden. Tijdens beide veldbezoeken zijn op Havenweg 22 in zijn geheel geen huismusnesten of andere essentiële elementen vastgesteld.
18
Nestlocaties en essentieel schuil- en foerageergebied van de huismussen. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
5.3
Vleermuizen
5.3.1
Kraamverblijfonderzoek Tijdens het veldbezoek op 21 mei (avondronde) is alleen locatie Honig-complex onderzocht. Tijdens de veldronde zijn alleen gewone dwergvleermuizen waargenomen. De eerste waarneming was van een foeragerende gewone dwergvleermuis om 21:53 uur in het oostelijk deel van de locatie. Om 22:01 uur is een verdachte waarneming van mogelijk een uitvliegende gewone dwergvleermuis gedaan in het noordwesten van het plangebied bij één van de bedrijfsgebouwen. Er werd langs de Waal veel gefoerageerd. Op 27 mei is alleen locatie Havenweg onderzocht. Net als bij het onderzoek op 21 mei zijn alleen gewone dwergvleermuizen waargenomen. De eerste waarneming was van een foeragerende gewone dwergvleermuis om 21:47 uur bij Havenweg 20/20a. Er zijn geen uitvliegende vleermuizen waargenomen en er wordt niet zodanig veel gefoerageerd dat het groen essentieel kan zijn voor de functie van een nabij gelegen verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek van 25 juni (ochtendronde) zijn verspreid over het plangebied voornamelijk overvliegende en foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. De eerste waarneming was om 02:15 uur en was wederom van een foeragerende gewone dwergvleermuis. Er zijn geen invliegende vleermuizen waargenomen. Wel is er nog eenmalig een foeragerende ruige dwergvleermuis en een overvliegende laatvlieger waargenomen.
19
Tijdens het veldbezoek van 11 juli (avondronde) is weer hetzelfde beeld waargenomen als in eerdere veldbezoeken. Wederom waren voornamelijk foeragerende gewone dwergvleermuizen te zien. Ook is op dezelfde locatie waar op 21 mei een verdachte waarneming is gedaan nu zeker een uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen (om 22:04 uur). Aanvullend hierop zijn nog enkele overvliegende laatvliegers waargenomen. Deze vertoonden echter geen binding met het plangebied. Navolgende afbeelding visualiseert de waarnemingen van het kraamverblijfonderzoek.
Resultaten van het kraamverblijfonderzoek. Bron: PDOK. Bewerking: SAB. 5.3.2
Paar- en massawinterverblijfonderzoek Tijdens het veldbezoek van 22 augustus was de eerste waarneming bij locatie Honigcomplex om 23:32 uur van een foeragerende gewone dwergvleermuis. Om 23:48 uur is in de noordwestelijke hoek van het plangebied zwermgedrag van twee gewone dwergvleermuizen waargenomen. Hierbij vlogen ze continu rondom dezelfde plek waarbij regelmatig de gevel werd aangetikt. Afwisselende werd door meerdere individuen gefoerageerd bij het groen naast de Waal om vervolgens weer te zwermen bij de opening. Tijdens dit gedrag werden geen werfroepjes gedaan, waardoor het er op wijst dat hier een massawinterverblijfplaats aanwezig is, en geen paarverblijfplaats. Van de gewone dwergvleermuis is bekend dat deze gebruik maakt van massawinterverblijfplaatsen. Zodra het in de herfst en winter echt koud wordt, trekken de gewone dwergvleermuizen van hun solitaire winterverblijfplaatsen (vaak zijn dit ook zomer-, kraam-, of paarverblijfplaatsen (BIJ12 2017c)) naar massawinterverblijfplaatsen. Zover bekend zijn dit voornamelijk grote, massieve gebouwen, waar ze diep weg kunnen kruipen in diepe spleetvormige ruimten zoals een spouw, dilatatievoeg of hol vloerelement (Brekelmans & Korsten, 2014).
20
Rond Waalbandijk 20 werden regelmatig werfroepjes van gewone dwergvleermuizen waargenomen. Er werd echter geen directe binding met het gebouw waargenomen. In de rest van het plangebied werd zeer incidenteel werfroepjes gehoord, maar dit was niet aan een paarterritorium te verbinden. Net als tijdens het kraamonderzoek werd er veel gefoerageerd langs de Waal over het hele plangebied. Op 9 september werd op dezelfde locatie bij het Honig-complex wederom zwermgedrag van gewone dwergvleermuizen waargenomen. Het betrof dit keer gedurende heel de avond tussen de één en drie individuen. Net als bij het veldbezoek op 22 augustus werd ook regelmatig dichtbij de massawinterverblijfplaats gefoerageerd. Tijdens deze veldronde kon het gedrag goed bekeken worden met behulp van de warmtecamera, waardoor het “aanwijzen” van de massawinterverblijfplaats heel goed zichtbaar was. Rondom Waalbandijk 20 werden wederom veel werfroepjes van een gewone dwergvleermuis gehoord. Er was weer geen directe binding met het gebouw, maar aangezien dit gebouw de enige bebouwing in de directe omgeving is wat geschikt is als paarverblijfplaats en de vleermuis tijdens de hele veldronde rondjes om het gebouw vloog, wordt er toch vanuit gegaan dat zich in het gebouw een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis bevindt. Navolgende afbeelding visualiseert de waarnemingen van het paarverblijfonderzoek.
Resultaten van het paar- en massawinterverblijfonderzoek. Bron: PDOK. Bewerking: SAB. 5.3.3
Aanwezigheid essentiële elementen Voor vleermuizen zijn alle vormen van verblijfplaatsen essentiële elementen om de huidige staat van instandhouding niet aan te tasten. In locatie Havenweg is één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. In locatie Honig-complex is één zomerverblijfplaats en één massawinterverblijfplaats aanwezig. 21
Ook foerageergebieden en vliegroutes kunnen essentiële elementen vormen. In dit geval wordt voornamelijk in het noordwestelijk deel van het plangebied veel langs de Waal gefoerageerd. Vanwege de aanwezigheid van de zomerverblijfplaats en massawinterverblijfplaats zal het groen en de Waal zelf hier dan ook essentieel zijn voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen. Met de werkzaamheden dient hier rekening mee gehouden te worden. Tijdens de veldbezoeken zijn geen indicaties van een essentiële vliegroute aangetroffen.
5.4
Torenvalk Tijdens het vleermuisonderzoek van 25 juni hebben we op locatie Honig-complex een torenvalk waargenomen in de bebouwing. Ook hebben we een paar keer gedurende het onderzoek een torenvalk zien uitvliegen. Gezien het gedrag gaan we er hier vanuit dat het om een nestplaats van de torenvalk gaat. Het plangebied is geen typisch leefgebied voor een torenvalk door het ontbreken van weilanden waar gefoerageerd kan worden. Waarschijnlijk heeft de torenvalk er toch voor gekozen hier te nestelen omdat in het gebied zeer weinig mensen komen. In de omgeving van het plangebied zijn geen duidelijke alternatieve nestlocaties waar de tornvalk gebruik van zou kunnen maken wanneer deze nestlocatie verloren gaat. De torenvalk valt onder beschermingscategorie 5 van de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Door het ontbreken van alternatieve nestlocaties in de omgeving zijn hier ecologische omstandigheden die het rechtvaardigen dat het nest jaarrond beschermd is. In onderstaande figuur staat een overzicht van alle essentiële elementen voor beschermde soorten weergegeven, inclusief de potentiële nestlocatie van de torenvalk.
Overzicht van essentiële elementen voor beschermde soorten
22
6 6.1
Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Nestplaatsen van de gierzwaluw zijn niet aanwezig in het plangebied. Op locatie Havenweg zijn wel 30 nestplaatsen van de huismussen onder het dak van Havenweg 20/20a aanwezig. Ook is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig in hetzelfde gebouw (Havenweg 20/20a). Verder is bij locatie Honig-complex in één van de bedrijfsgebouwen een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis waargenomen. In het noordwesten van het plangebied is een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en een nestlocatie van een torenvalk aanwezig. Met de geplande werkzaamheden gaan de nest- en verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van huismussen, torenvalken of vleermuizen bij de werkzaamheden. In dat geval is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht.
6.2
Ontheffing aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (zoals de huismus, torenvalk en gewone dwergvleermuis) worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing dient voor dit project aangevraagd te worden bij de Provincie Gelderland. Bij het indienen van een aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het plangebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een ontheffing wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan de gewone dwergvleermuis, torenvalk en huismus te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht.
6.3
Mitigerende maatregelen
6.3.1
Huismus
6.3.1.1
Tijdelijke maatregelen De huismus maakt het gehele jaar gebruik van zijn nest. In de broedperiode (half maart tot en met augustus) en tijdens strenge vorstperiodes is de huismus zeer afhankelijk van zijn nest. Werkzaamheden aan de Havenweg 20/20a en het groen daar
23
omheen in deze periodes zijn dan ook niet mogelijk. Buiten deze periodes kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden met een ontheffing en de juiste mitigerende maatregelen. In dit geval dienen, conform het Kennisdocument Huismus (2017), voldoende alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Gezien de grote hoeveelheid nestlocaties die verloren gaan zullen vorm en hoeveelheid van de alternatieve nestlocaties aan de hand van maatwerk bepaald moeten worden. Voor de alternatieve verblijfplaatsen geldt een gewenningstijd van drie maanden. 6.3.1.2
Permanente maatregelen In de uiteindelijke situatie moeten voor de huismus ook weer voldoende geschikte nestvoorzieningen gerealiseerd zijn. Net als voor de tijdelijke voorzieningen zal het in overleg met de initiatiefnemer op maat bepaald worden hoe dit ingevuld kan worden.
6.3.1.3
Werken buiten de kwetsbare periode In de broedperiode (half maart tot en met augustus) en tijdens strenge vorstperiodes is de huismus zeer afhankelijk van zijn nest. Werkzaamheden aan de Havenweg 20/20a en het groen daar omheen in deze periodes zijn dan ook niet zonder maatregelen mogelijk. Als de werkzaamheden wel plaatsvinden in de broedperiode of een strenge vorstperiode, dient het gebouw bijvoorbeeld voorafgaand aan een dergelijke periode ongeschikt te worden gemaakt voor de huismus.
6.3.2 6.3.2.1
Gewone dwergvleermuis Tijdelijke maatregelen Voor de zomerverblijfplaats en de paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis dienen tijdelijke vleermuiskasten opgehangen te worden in de omgeving, conform de eisen van het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. Dit betekent dat er per verblijfplaats vier geschikte alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving gecreëerd moeten worden. Hiervoor dient ook rekening gehouden te worden met de gewenningsperiode van de verblijfplaatsen. Voor de massawinterverblijfplaats zijn geen standaard maatregelen opgesteld in het kennisdocument. Dit omdat het een relatief zeldzaam en complex verblijfstype is. De mitigerende maatregelen zullen in overleg met de initiatiefnemer op maat opgesteld moeten worden.
6.3.2.2
Permanente maatregelen In de uiteindelijke situatie moeten voor de gewone dwergvleermuis ook weer voldoende geschikte verblijfsmogelijkheden gerealiseerd zijn. Net als voor de tijdelijke voorzieningen zal het in overleg met de initiatiefnemer op maat bepaald worden hoe dit ingevuld kan worden.
6.3.2.3
Ongeschikt maken gebouw in relatie tot de planning Voorafgaand aan de sloop dient de bebouwing ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen in de minst kwetsbare periode. Dit zorgt er voor dat de vleermuizen op een geschikt moment hun verblijfplaats kunnen verlaten en van een alternatieve verblijfplaats gebruik moeten gaan maken. Zo zijn er tijdens de sloop geen vleermuizen
24
meer in de bebouwing aanwezig en zullen er daardoor geen vleermuisslachtoffers vallen.
6.4
Torenvalk Bij het verlies van de nestlocatie van de torenvalk dienen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden voldoende alternatieve nestlocaties in de omgeving gerealiseerd te worden. Na voldoende gewenningstijd van de alternatieve locaties dient de huidige nestlocatie ongeschikt gemaakt te worden buiten de broedperiode. Vervolgens kan het gebouw gesloopt worden.
6.5
Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Verder kunnen bij (de start van) werkzaamheden in de broedperiode, broedende vogels worden verstoord, of hun nesten worden aangetast. Als dit leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoort, is een dergelijk nest strikt beschermd volgens de Wet natuurbescherming. De broedperiode loopt globaal van half maart tot half augustus. Er is hiervoor geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten.
6.6
Vervolgstappen Stel plan van aanpak op om duidelijk te krijgen of het haalbaar is om alle beschermde functies te mitigeren en hoe dit mogelijk is; Aanvragen ontheffing Wet natuurbescherming; Tref tijdig voldoende mitigerende maatregelen; Houd rekening met broedende vogels; Houd rekening met de zorgplicht.
25
Geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. SAB, 2018. Quick scan natuur. Nijmegen, Waalfront. SAB, Arnhem. Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.gelderland.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vleermuizenindestad.nl www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl
26