Nijmegen Brabantse Poort 2021 - 1 (Wijchenseweg 4)_Toelichting_Bijlage 5 Natuurtoets
Tekst van het document
Natuurtoets Wnb t.b.v. Herinrichting Wijchenseweg 4, Nijmegen Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming.
P. Roemers, Msc.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
1
Natuurtoets Wnb t.b.v. Herinrichting Wijchenseweg 4, Nijmegen Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. P. Roemers, Msc. Status uitgave: definitief Rapportnummer:
23-394
Projectnummer:
23-0698
Datum uitgave:
28 november 2023
Projectleider:
C. Nijholt
Tweede lezer:
L. Littooij
Foto omslag:
Peter Roemers / Waardenburg Ecology
Opdrachtgever:
Gemeente Nijmegen t.a.v. L. Klaassen Postbus 9105 6500 HG Nijmegen
Referentie opdrachtgever:
VPL 321896
Akkoord voor uitgave:
drs. F. van Vliet
Datum akkoord:
27 oktober 2023
Graag citeren als: Roemers, P. 2023. Natuurtoets Wnb t.b.v. herinrichting Wijchenseweg 4, Nijmegen. Rapport 23-394. Waardenburg Ecology, Culemborg. Trefwoorden: natuurtoets, Wet Natuurbescherming, das, bever, eekhoorn, kleine marterachtigen, vleermuizen Nijmegen Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Waardenburg Ecology. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Waardenburg Ecology voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Waardenburg Ecology / Gemeente Nijmegen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Waardenburg Ecology, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Waardenburg Ecology is een handelsnaam van Bureau Waardenburg BV. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.
Waardenburg Ecology hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
Waardenburg Ecology Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg, 0345 512710 info@waardenburg.eco, www.waardenburg.eco
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
2
Inhoud 1
2
3
4
5
Samenvatting
4
Inleiding
5
1.1
Aanleiding en doel
5
1.2
Methodiek onderzoek
5
1.3
Gebiedsbescherming en houtopstanden
6
Beschrijving onderzoeksgebied en voorgenomen ingreep
8
2.1
Beschrijving onderzoeksgebied
8
2.2
Voorgenomen ingreep
11
Toetsing aan de Wnb - Soortenbescherming
13
3.1
Planten
13
3.2
Ongewervelden
14
3.3
Vissen
17
3.4
Amfibieën
17
3.5
Reptielen
19
3.6
Grondgebonden zoogdieren
19
3.7
Vleermuizen
23
3.8
Vogels
25
3.9
Zorgplicht
28
Conclusie en aanbevelingen
29
4.1
Gebiedenbescherming
29
4.2
Houtopstanden
29
4.3
Soortenbescherming
29
4.4
Natuurkansen
31
Literatuur
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
32
3
Samenvatting Project 22-0698, Herinrichting Wijchenseweg 4, Nijmegen
Aspect Soortenbescherming Wnb Te verwachten beschermde (niet vrijgestelde) soorten
Iepenpage, verblijfplaatsen Alpenwatersalamander, voortplantingswater en overwinteringsplaatsen Kleine marterachtigen en steenmarter, verblijfplaatsen en foerageergebied Bever, verblijfplaatsen en foerageergebied Das, verblijfplaatsen en foerageergebied Eekhoorn, verblijfplaatsen en foerageergebied Vleermuizen, verblijfplaatsen (bomen) en foerageergebied Vogels met jaarrond beschermde nestplaats, nest- en rustplaatsen
Nader ecologisch onderzoek noodzakelijk?
* Ja, naar iepenpage, alpenwatersalamander, kleine marterachtigen, steenmarter, bever, das, eekhoorn, vleermuizen, vogels (met jaarrond beschermde nesten)
Maatregelen noodzakelijk?
* Ja, rooien van beplanting en (voorbereidende) werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen.
Is een ontheffing Wnb noodzakelijk?
* Mogelijk
Aspect Gebiedsbescherming Wnb Mogelijk een (significant) negatief effect?
* Ja, (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, met uitzondering van effecten van stikstofdepositie in de aanlegen gebruiksfase.
Is aanvullend onderzoek nodig?
* Ja, AERIUS-berekening (stikstofdepositieberekening): Een quickscan stikstof is reeds uitgevoerd door PouderoyenTonnaer.
Aspect Bescherming van houtopstanden Wnb Mogelijk een (significant) negatief effect?
* Nee
Is een kapmelding Wnb noodzakelijk?
* Nee
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
4
V
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Gemeente Nijmegen is voornemens om aan de Wijchenseweg 4 te Nijmegen het bedrijf Antargaz te huisvesten. Om dat mogelijk te maken wordt een bestemmingsplan ingediend en zal vervolgens sloop-nieuwbouw plaatsvinden. Waardenburg Ecology heeft op basis van een oriënterend veldonderzoek (10 oktober 2023) en bronnenonderzoek de effecten van deze ingreep op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het onderzoeksgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waardoor het ‘Nee, tenzij’ -beleid niet van toepassing is. Het doel van het onderzoek is om te bepalen of de voorgenomen ingreep kan leiden tot overtredingen van de regels uit de Wet natuurbescherming. Voorliggend rapport doet verslag van de resultaten van dit onderzoek en geeft adviezen over eventueel te nemen vervolgstappen.
1.2
Methodiek onderzoek Voorliggende toetsing in het kader van de Wnb is opgesteld op basis van een eenmalig veldbezoek, de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen. Effecten zijn bepaald op basis van de functie van het onderzoeksgebied en omgeving voor beschermde soorten en de voorgenomen ingreep en beoordeeld in het kader van de Wnb. Voor het wettelijk toetsingskader voor beschermde soorten wordt verwezen naar Bijlage I bij dit rapport. Bronnenonderzoek Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 10 oktober 2023. Bij het raadplegen van de NDFF is uitgegaan van een zoekgebied met een straal van ca. vijf km om het onderzoeksgebied en gegevens tot vijf jaar oud. Daarnaast is, voor zover nodig, gebruikgemaakt van achtergronddocumentatie (zie literatuurlijst). Veldbezoek Het veldbezoek heeft op 10 oktober 2023 plaatsgevonden rond zonsondergang (droog, half bewolkt). Daarbij is in het onderzoeksgebied en omliggende watergangen - met behulp van een verrekijker en zaklamp – gezocht naar beschermde soorten en sporen (zoals nesten, holen uitwerpselen, braakballen, knaagsporen). Bomen zijn geïnspecteerd op holtes, nesten en/of loszittende schors.
Vanwege de hoogte van de aanwezige bomen en vanwege het feit dat de bomen nog in blad stonden, konden niet alle bomen volledig
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
5
worden geïnspecteerd. Op basis van terreinkenmerken en expert judgement is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten.
De in dit rapport gepresenteerde gegevens over beschermde soorten zijn houdbaar tot drie jaar na afronding van het veldonderzoek. Indien de in dit rapport beschreven ingreep wijzigt dan wel wordt uitgevoerd na oktober 2026 kan een actualisatie van het onderzoek nodig zijn.
Veldonderzoek is altijd een momentopname. Waardenburg Ecology waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige onderzoekers volgens de gangbare standaardmethoden. Het bureau is niet aansprakelijk voor waarnemingen van soorten door derden en waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt. De onderzoeker die het onderzoek heeft uitgevoerd is door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Waardenburg Ecology. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015. Omgevingswet Per 1 januari 2024 gaat de Omgevingswet van kracht. Het is de bedoeling dat deze wet beleidsneutraal is, dat wil zeggen dat er geen inhoudelijke wijzigingen plaats zouden moeten vinden ten opzichte van de Wet natuurbescherming (Wnb). Toch zijn er onderdelen van de Omgevingswet die een wijziging ten opzichte van het huidig beleid kunnen betekenen. De specifieke zorgplicht (Artikel 11.27 Bal), die vraagt om nadelige effecten op in het wild levende dieren en planten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, is daarvan een voorbeeld. Deze zorgplicht geldt voor de onder de van nature in Nederland voorkomende onder de Wnb beschermde soorten, maar ook voor Rode Lijst-soorten.
Het is onzeker of een actualisatie van voorliggend advies zou moeten plaatsvinden naar aanleiding van het ingaan en de uitwerking van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
1.3
Gebiedsbescherming en houtopstanden Natura 2000-gebieden De Wnb regelt de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht initiatiefnemers om vooraf te beoordelen of plannen, projecten en activiteiten in (de nabijheid van) Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor het project of handeling niet nodig. Zijn (significant) negatieve effecten niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Het onderzoeksgebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het ligt hemelsbreed op ongeveer 5 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ingreep en de afstand tot Natura 2000-gebieden is het uitgesloten dat de ingreep aantasting van relevante soorten en begroeiingen in Natura
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
6
2000-gebieden veroorzaakt, met mogelijke uitzondering van effecten van stikstof. Een beoordeling van effecten van stikstofdepositie op beschermde gebieden maakt geen onderdeel uit van dit rapport. Mogelijke effecten van stikstof op Natura2000 gebieden zijn beoordeeld in een quickscan stikstof, opgesteld door adviesbureau PouderoyenTonnaer (PouderoyenTonnaer, 2023). Houtopstanden De te kappen bomen staan binnen de bebouwde kom. De regels ten aanzien van houtopstanden zoals vermeld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming zijn in dergelijke gevallen niet van toepassing.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
7
2 Beschrijving onderzoeksgebied en voorgenomen ingreep 2.1
Beschrijving onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied ligt in het westen van Nijmegen aan de rand van de stad in de wijk Kerkenbos in het stadsdeel Lindenholt, tussen de Wijchenseweg (N326) in het noorden en de Van Rosenburgweg (N324) in het zuiden (Figuur 2.1). Direct langs de zuidkant van onderzoeksgebied lopen een spoorlijn en een fietspad. Ten westen van het onderzoeksgebied ligt een bosperceel en de A73. Ten oosten van het onderzoeksgebied ligt bedrijventerrein de Brabantse Poort. Op het terrein waarbinnen het onderzoeksgebied ligt, staan ook het RWS Steunpunt Nijmegen en het CBR-examencentrum. Rondom het onderzoeksgebied en de aanliggende percelen loopt een watergang. Binnen het onderzoeksgebied staat bebouwing (laagbouw rond een loods, zie Figuur 2.2) en loopt een weg die in het zuidwesten is afgesloten middels een hek. Het grootste gedeelte van het onderzoeksgebied bestaat uit bos, met name eik met in de ondergroei o.a. klimop en braam (Figuur 2.3, 2.4 en 2.5). Langs de oevers van de watergang staan ook berkjes, oeverbegroeiing en enkele grote wilgen (Figuur 2.2). Ten tijde van het veldbezoek was recent onderhoud uitgevoerd, daarbij is vegetatie verwijderd en enige insporing ontstaan (Figuur 2.2, 2.3 en 2.4). In het oosten van het onderzoeksgebied staat dicht struweel, grenzend aan het terrein van het CBR (Figuur 2.5).
Figuur 2.1
Ligging onderzoeksgebied (rood omkaderd). (Esri Nederland, Community Map Contributors | Esri Nederland, beeldmateriaal.nl | Esri Nederland, Kadaster | Esri Nederland, AHN)
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
8
Figuur 2.2
De loods die midden in het onderzoeksgebied staat, met daaromheen (en daar aan vast) laagbouw. Langs de oever staan wilgen, net boven de waterlijn is oeverbeschot zichtbaar. De oeverzone is recent geschoond.
Figuur 2.3
Het westelijk gedeelte van het onderzoeksgebied. Door de aanwezige opstand van voornamelijk eik loopt een oude weg. De achterliggende loods/overkapping staat niet in het onderzoeksgebied. De oeverzone is recent geschoond.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
9
Figuur 2.4
Het oostelijk gedeelte van het onderzoeksgebied. Opstand van voornamelijk eik, met rondom veel klimop. Achterliggende loods met laagbouw behoort tot het onderzoeksgebied.
Figuur 2.5
In het oosten van het onderzoeksgebied, tegen het terrein van CBR aan, is de begroeiing redelijk dicht.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
10
2.2
Voorgenomen ingreep Informatie over de voorgenomen ingreep is aangeleverd door de gemeente Nijmegen. De ingreep betreft het herinrichten van een perceel aan de Wijchenseweg 4, met het doel om daar het bedrijf Antargaz te huisvesten. Antargaz levert, vervoert en slaat butaan- en propaangas op in voorraadtanks en vult gasflessen af voor particulier en zakelijk gebruik. Antargaz is op dit moment gevestigd op het bedrijventerrein de Winkelsteeg (Kanaalknoop Noord, in de Goffert). In het bestemmingsplan Kanaalknoop Noord is Antargaz wegbestemd, omdat dit gebied de komende jaren wordt ontwikkeld tot een buurt met woningen, park en kleine bedrijven. Om deze reden wil gemeente Nijmegen het bedrijf verplaatsen naar de, inmiddels door de gemeente aangekochte, locatie aan de Wijchenseweg 4. Hier moet voor Antargaz de komende jaren kantoor, een werkplaats en gasvulstation, terrein met opslag van (lege) tanks, parkeerplekken voor tankauto’s en een ondergrondse voorraad terptank (80 m³) worden gerealiseerd. Zie voor het conceptplan Figuur 2.6. Voor de voorliggende rapportage wordt uitgegaan van een worst case scenario waarbij: • Alle beplanting binnen het onderzoeksgebied wordt gerooid. • Bebouwing binnen het onderzoeksgebied wordt gesloopt en nieuwbouw binnen het onderzoeksgebied wordt gerealiseerd, nieuwbouw beslaat mogelijk een groter gebied dan de huidige bebouwing.
• Er sprake is grondverzet en graafwerkzaamheden • De oevers en mogelijk de watergang rondom het perceel wordt aangetast door de werkzaamheden, maar niet gedempt. • Er tijdens en na de werkzaamheden sprake is van een toename van verlichting in het onderzoeksgebied. De gemeente is op korte termijn van plan om t.b.v. de bedrijfsactiviteiten voor Antargaz om een ontwerpbestemmingsplan voor de Wijchenseweg 4 in procedure te brengen. In de huidige situatie geldt 'Beheersverordening Brabantse Poort 2021'. Het terrein heeft hierin de bestemming "Bedrijf", waarin Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) bedrijven zoals Antagraz niet zijn toegestaan. Derhalve is een bestemmingsplan wijziging noodzakelijk om de verplaatsing te realiseren. Daarom wordt aan de bedrijfsbestemming een zogenaamde specifieke functieaanduiding voor de vestiging van een gasbedrijf als Antargaz toegevoegd. Aangrenzend aan het onderzoeksgebied zijn de bestemmingen "Bedrijf", "Groen", "Verkeer" en "Water" vastgelegd. Binnen deze bestemmingen vindt er geen verandering plaats, anders dan dat er een gebiedsaanduiding ten behoeve van externe veiligheid wordt toegevoegd.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
11
Figuur 2.6
Conceptplan bebouwing en bestrating aangeleverd door de gemeente Nijmegen, ‘het globale vlekkenplan’.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
12
3 Toetsing aan de Wnb - Soortenbescherming Het onderzoeksgebied bestaat uit bebouwing, bestrating en daaromheen een opstand van voornamelijk eik, met ook berk, wilg en es met ondergroei van braam, hulst, meidoorn, hondsroos, rode kornoelje en klimop. Waar de ondergroei niet al te dicht is groeit ook gras (met name rondom het gebouw). Langs de oevers groeit hoofdzakelijk riet, maar ook opkomende beuken. Hieronder wordt nader ingegaan op de (potentiële) betekenis van het onderzoeksgebied voor planten, ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen.
3.1
Planten
3.1.1
Functie van het onderzoeksgebied Het voorkomen van de ondergroei van rode kornoelje, hulst, braam en hondsroos duidt op voedselrijke, stikstofrijke, (zwak) zure, humeuze grond. De grond in het onderzoeksgebied is een mengsel van zand en klei (zware zavel of lichte klei). Er zijn binnen het onderzoeksgebied zowel schaduwrijke als matig beschaduwde groeiplekken te vinden onder de boomopstand, maar geen open plekken met veel zon. Langs de oevers aan de zuidkant staan naast wilgen vooral riet en enkele opkomende berkjes. In de wijdere omgeving van het onderzoeksgebied (binnen een straal van 5 kilometer) komen een aantal beschermde plantensoorten voor: Akkerogentroost, bergnachtorchis, dreps, drijvende waterweegbree, glad biggenkruid, grootspiegelklokje, leeuwenklauw, kartuizer anjer, korensla, wilde averuit en wilde ridderspoor. Akkerogentroost, dreps, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw en Kartuizer anjer groeien op lichte, voedselarme, vaak stikstofarme grond: Het zijn soorten van akkers en bermen. Van deze soorten zijn groeiplaatsen bekend op zandgronden nabij de Hatertse en Overasseltse Vennen, drie km ten zuiden van het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied groeien juist planten die het goed doen op voedselrijke, (zwak zure) humeuze grond. Er zijn bovendien geen (zonnige) open groeiplaatsen binnen het onderzoeksgebied.
Op basis van verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte groeiplaatsen wordt het voorkomen van deze soorten uitgesloten. Bergnachtorchis komt voor langs kalkrijke zomen en in open (lichtrijke) loofbossen, op (matig) voedselarme grond. De soort komt voor in Stadspark Staddijk, twee km ten zuiden van het onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied staan soorten van voedselrijke (zwak zure) grond: Er zijn daarmee geen geschikte groeiplaatsen voor bergnachtorchis
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
13
binnen het onderzoeksgebied. Bovendien is tijdens het veldbezoek geen bladrozet van een orchidee waargenomen. Op basis van verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte groeiplaatsen en waarnemingen wordt het voorkomen van bergnachtorchis uitgesloten. Drijvende waterweegbree groeit in helder, stilstaand of zwak stromend en voedselarm water (vennen, vijvers, beken, pas gegraven of regelmatig geschoonde poelen en sloten) op een bodem van zand met geen of weinig humus. Van drijvende waterweegbree is slechts een waarneming bekend, op drie km ten zuidwesten van het onderzoeksgebied nabij Boskant. Het onderzoeksgebied biedt geen geschikte groeiplaatsen voor drijvende waterweegbree: Het water is voedselrijk (kroos waargenomen in de watergangen rondom het onderzoeksgebied), het water is niet helder en de oevers staan vol riet. Op basis van verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte groeiplaatsen wordt het voorkomen van drijvende waterweegbree uitgesloten. Wilde averuit komt voor op open zonnige, droge plekken op open plaatsen als droge graslanden, bermen of langs spoorwegen. In Nijmegen komt de plant in de spoorkuil bij de wijk Bottendaal voor. Ook wilde ridderspoor groeit op zonnige open plekken, in Nederland voornamelijk op akkers en soms op ruderale plaatsen.
Het onderzoeksgebied biedt voor deze twee soorten geen geschikte groeiplaatsen vanwege de afwezigheid van zonnige open plekken Op basis van verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte groeiplaatsen wordt het voorkomen van wilde averuit en wilde ridderspoor uitgesloten. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het onderzoeksgebied geen geschikte groeiplaatsen biedt voor beschermde plantensoorten en zijn ook geen beschermde plantensoorten waargenomen. Op grond van verspreidingsgegevens (NDFF) en het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied géén betekenis heeft voor beschermde plantensoorten.
3.1.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Aangezien het voorkomen van beschermde soorten planten in het onderzoeksgebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op beschermde planten als gevolg van de voorgenomen ingreep eveneens worden uitgesloten. Daarmee is ook overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van beschermde plantensoorten uitgesloten.
3.2
Ongewervelden In de directe omgeving van het onderzoeksgebied (binnen een straal van 1-2 kilometer) zijn waarnemingen van vermiljoenkever en teunisbloempijlstaart (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn) en grote vos en iepenpage (Beschermingsregime andere soorten) bekend (NDFF 2023).
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
14
3.2.1
Functie van het onderzoeksgebied Vermiljoenkever Vermiljoenkever leeft onder loszittend schors van oude (net of bijna dode) bomen met rottende stamdelen of dikke dode takken. De net gerooide bomen die op stapels op de grond lagen ten tijde van het veldbezoek zijn inmiddels verwijderd (Figuur 2.4). Binnen het onderzoeksgebied is geen potentieel leefgebied (in de vorm van oude bomen met loszittend schors en rottende stamdelen) aangetroffen, op één uitzondering na. In het noordoosten van het onderzoeksgebied staat nabij het oude elektriciteitshuisje een dode boom met loslatend schors (Figuur 3.1). Onder de schors van deze boom zijn tijdens het veldbezoek geen larven van de vermiljoenkever aangetroffen. Op basis van het veldbezoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied géén functie heeft voor vermiljoenkever.
Figuur 3.1
In het noordoosten van het onderzoeksgebied staat een dode boom waarvan de schors loslaat. Achter de schors zijn enkel pissebedden en oorwurmen waargenomen.
Teunisbloempijlstaart Teunisbloempijlstaart is nachtvlinder die voorkomt op open plekken in vochtige bossen, bosranden en op warme open plaatsen in het landschap. Waardplanten van teunisbloempijlstaart zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Géén van deze waardplanten is tijdens het veldbezoek aangetroffen. Op basis van het veldbezoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied géén functie heeft voor teunisbloempijlstaart. Grote vos Grote vos is een dagvlinder die voorkomt in vochtige, open bossen, langs bosranden, in boomgaarden en op andere plekken met grote vrijstaande bomen. Als waardplant gebruikt grote vos vooral iep, maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. De ei-afzet vindt plaats op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. Grote vossen gaan vroeg in de zomer in winterrust en gebruiken daarvoor vooral koele donkere plaatsen met oud hout. Voorbeelden zijn stapels hout, holle bomen of oude, houten schuurtjes. Tijdens het veldbezoek zijn géén geschikte waardplanten of overwinteringsplekken voor grote vos in
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
15
het onderzoeksgebied aangetroffen. Op basis van het veldbezoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied géén functie heeft voor grote vos. Iepenpage Iepenpage heeft een nogal verborgen leefwijze en leeft zowel als ei, rups en vlinder in de kruin van de iep. Hierdoor is de soort moeilijk waar te nemen. Als waardplant worden diverse soorten iep gebruikt, zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars. De iepenpage leeft vooral bij bloeiende en vruchtdragende bomen of op relatief jonge iepen. In het noordwesten van het onderzoeksgebied staat een iep (figuur 3.2). Op basis van het veldbezoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied daarom mogelijk een functie heeft voor leefgebied en voortplantingsplaats voor iepenpage. Op basis van het veldbezoek en bronnenonderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied geen functie heeft voor andere beschermde ongewervelden.
Figuur 3.2
3.2.2
In het noordwesten van het onderzoeksgebied staat een iep.
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Wanneer de iep die in het noordwesten van het onderzoeksgebied staat gekapt wordt gaat daarmee mogelijk leefgebied en een voortplantingsplaats voor iepenpage verloren, bovendien kunnen er iepenpages gedood worden. Dit is verboden op grond van de Wnb artikel 3.10 lid 1a en 1b.
3.2.3
Maatregelen / nader onderzoek Nader onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of iepenpage voorkomt op de iep die in het onderzoeksgebied staat. Daarvoor kan de iep met behulp van een hoogwerker in het bladerloze seizoen onderzocht worden op het voorkomen van overwinterende eitjes van de iepenpage of in de vliegtijd van de iepenpage (juni-half augustus) onderzocht worden op de aanwezigheid van vlinders van de iepenpage. Omdat de rupsen en poppen van de
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
16
iepenpage donker afsteken tegen de bladeren, kunnen die eventueel ook in mei worden gezocht wanneer er voldoende tegenlicht is.
3.3
Vissen
3.3.1
Functie van het onderzoeksgebied In de omgeving van Nijmegen komt grote modderkruiper voor. Dit is een vis die van nature voorkomt in ver-landende wateren: afgesneden rivierarmen, moerassen en vennen. Tegenwoordig vormen poldersloten in Nederland belangrijk leefgebied. Het leefgebied van de grote modderkruiper bestaat uit ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De wateren rondom het onderzoeksgebied zijn breed en bevatten weinig waterplanten en zijn daarmee geen geschikt leefgebied voor grote modderkruiper. Waarnemingen van grote modderkruiper zijn bekend uit het landbouwgebied boven Overasselt, op zo’n 4,5 km van het onderzoeksgebied (NDFF). Op basis van het ontbreken van geschikt leefgebied en verspreidingsgegevens (NDFF) wordt geconcludeerd dat de watergang rondom het onderzoeksgebied geen betekenis heeft voor grote modderkruiper. Op basis van het verspreidingsgegevens (NDFF) wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied geen functie heeft voor andere beschermde vissoorten.
3.3.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Aangezien het voorkomen van beschermde soorten vissen in het onderzoeksgebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op deze soortgroep als gevolg van de voorgenomen ingreep eveneens worden uitgesloten. Daarmee is ook overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van beschermde vissen uitgesloten.
3.4
Amfibieën In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen bekend van alpenwatersalamander (Beschermingsregime Andere soorten) en kamsalamander (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn) (NDFF 2023). Kamsalamander wordt de laatste vijf jaar voornamelijk rond de uiterwaarden van de Waal waargenomen, op een kleine vijf kilometer afstand van het onderzoeksgebied. Alpenwatersalamander is recent (2022 en 2023) waargenomen ten zuidoosten van het onderzoeksgebied, rond de wijk Tolhuis, zo’n 500 meter vanaf het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend van kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en (middelste) groene kikker (Beschermingsregime andere soorten, allen vrijgesteld) in de wijken rondom het onderzoeksgebied.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
17
3.4.1
Functie van het onderzoeksgebied In het onderzoeksgebied en de directe omgeving ontbreken (geschikte) voortplantingswateren voor kamsalamander. De watergang rondom het onderzoeksgebied is wel geschikt voortplantingswater voor alpenwatersalamander, daarmee is het onderzoeksgebied mogelijk ook overwinteringsgebied voor alpenwatersalamander. De watergang rondom het onderzoeksgebied is niet geschikt als voortplantingswater voor kamsalamander vanwege de aanwezigheid van vis (NDFF 2023), het gebrek aan watervegetatie en de aanwezige oeverbeschoeiing. Een functie van het water rondom het onderzoeksgebied als voortplantingswater voor kamsalamander wordt daarom uitgesloten. Een functie van het onderzoeksgebied als overwinteringshabitat voor kamsalamander wordt uitgesloten vanwege het ontbreken aan geschikte voortplantingswateren in de buurt. Alpenwatersalamander is veel minder kieskeurig wat betreft de eisen die worden gesteld aan het voortplantingswater: Zolang oppervlaktewater niet snelstromend en rijk aan vis is, is het geschikt. De watergang rondom het onderzoeksgebied is daarmee geschikt voortplantingswater voor alpenwatersalamander.
Voor deze soort heeft het onderzoeksgebied, vanwege het voorkomen van geschikte voortplantingswateren, mogelijk ook een functie als overwinteringsgebied: Het onderzoeksgebied is structuurrijk en biedt oude holen, stammen of takken waar de salamander kan overwinteren. Op basis van het veldbezoek en bronnenonderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied geen functie heeft voor andere beschermde amfibieënsoorten.
3.4.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Grond- en graafwerkzaamheden kunnen alpenwatersalamander treffen. Mogelijk worden bij werkzaamheden (op land verblijvende) dieren gedood of verstoord, wat verboden is op basis van de Wnb artikel 3.10 lid 1a. Wanneer de oeverzone of de watergang rondom het onderzoeksgebied zou worden aangetast door de werkzaamheden gaat bovendien voortplantingsgebied van alpenwatersalamander verloren, dit is verboden is op basis van de Wnb artikel 3.10 lid 1b. Grond- en graafwerkzaamheden kunnen algemeen voorkomende amfibieën van het ‘Beschermingsregime andere soorten’ treffen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en is dus geen ontheffing nodig. Het betreft algemeen voorkomende soorten (lokaal, regionaal en landelijk) en het aantal dieren dat potentieel gemoeid is met de (lokale) ingreep is beperkt. De gunstige staat van instandhouding van deze soorten is daarom niet in het geding.
3.4.3
Maatregelen / nader onderzoek Om uitsluitsel te geven over de functie van het onderzoeksgebied voor alpenwatersalamander is onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit twee bezoeken waarbij het water met een schepnet wordt bemonsterd (in maart – augustus
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
18
(liefst voor juni)) en een onderzoek naar het voorkomen van exemplaren op land (tussen juni en oktober). Gefaseerd werken aan voortplantingsbiotoop en overwinteringsbiotoop (buiten kwetsbare perioden) is geen optie om effecten van werkzaamheden op Alpenwatersalamander uit te sluiten omdat juveniele alpenwatersalamanders de eerste jaren van hun leven op land verblijven (en daar dus jaarrond kwetsbaar zijn). In het kader van de Zorgplicht wordt daarnaast aanbevolen om de volgende maatregelen te treffen: • Eventuele werkzaamheden die de oever van de watergang aantasten uitvoeren buiten de voorplanting- en overwinteringsperiode van amfibieën, tussen augustus en oktober (of in november als de watertemperatuur het toestaat).
3.5
Reptielen
3.5.1
Functie van het onderzoeksgebied Uit de wijdere omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen van zandhagedis en levendbarende hagedis bekend. Heide, (hoge) zandgronden en duinen vormen het leefgebied voor deze soorten. Beide soorten zijn waargenomen op de heide en zandgronden rondom de Hatertse en Overasseltse Vennen (op drie km van het onderzoeksgebied). Levendbarende hagedis komt ook voor in hoogveenlandschap. Het onderzoeksgebied bestaat niet uit heide of zandgronden (dan wel hoogveen) en is daarmee geen geschikt leefgebied. Op basis het ontbreken van geschikt leefgebied en verspreidingsgegevens (NDFF) wordt een functie van het onderzoeksgebied voor deze soorten uitgesloten.
3.5.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Aangezien het voorkomen van beschermde soorten reptielen in het onderzoeksgebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op deze soortgroep als gevolg van de voorgenomen ingreep eveneens worden uitgesloten. Daarmee is ook overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van beschermde reptielen uitgesloten.
3.6
Grondgebonden zoogdieren In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen bekend van bever (Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn), bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel (Beschermingsregime andere soorten) (NDFF 2023). Das en bever zijn beide in het onderzoeksgebied waargenomen (NDFF 2023). Waarnemingen van bunzing en steenmarter zijn gedaan in de wijken rondom het onderzoeksgebied (o.a. Lindenholt, Zwanenburg). Van eekhoorn zijn waarnemingen bekend in park Staddijk en langs de westkant van het Maas-Waal kanaal (op zo’n anderhalve kilometer afstand van het onderzoeksgebied). Van wezel en hermelijn zijn in de directe omgeving van het onderzoeksgebied geen waarnemingen bekend, wel in de wijdere omgeving (binnen een straal van vijf kilometer).
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
19
3.6.1
Functie van het onderzoeksgebied Kleine marterachtigen Het onderzoeksgebied (en de directe omgeving) vormt geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn of wezel. Dit vanwege de afwisseling in structuur (grasveld, struweel en dichtere bosschages in het bomenrijk gedeelte van het onderzoeksgebied) en de aanwezigheid van prooidieren. Binnen het onderzoeksgebied zijn geschikte verblijfplaatsen voor bunzing, hermelijn en wezel aanwezig in de vorm takkenhopen en met name oude holen. Ook het oude elektriciteitshuisje biedt een kleine opening onder de dichtgetimmerde deuropening. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (haren, uitwerpselen, pootafdrukken) of verblijfplaatsen aangetroffen, maar vanwege de grootte van het gebied en de recente onderhoudswerkzaamheden valt niet uit te sluiten dat er sporen zijn gemist of verloren zijn gegaan. Het onderzoeksgebied heeft dus mogelijk een functie als foerageergebied of verblijfplaats voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel). Steenmarter Ook voor steenmarter vormt het onderzoeksgebied geschikt leefgebied en foerageergebied. Binnen het onderzoeksgebied zijn echter maar beperkt geschikte verblijfplaatsen voor steenmarter aanwezig in de vorm van met name oude holen in de grond, maar ook het oude elektriciteitshuisje biedt een kleine opening onder de dichtgetimmerde deuropening.
In de loods met laagbouw zijn geen voor steenmarter goed bereikbare openingen aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (haren, uitwerpselen, pootafdrukken) of verblijfplaatsen aangetroffen, maar vanwege de grootte van het gebied en de recente onderhoudswerkzaamheden valt niet uit te sluiten dat er sporen zijn gemist of verloren zijn gegaan. Het onderzoeksgebied is geschikt foerageergebied voor steenmarter, maar is geen essentieel foerageergebied, omdat het onderzoeksgebied daarvoor te klein is (ca. 1 hectare) en er in de omgeving alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn. Het onderzoeksgebied heeft dus mogelijk een functie als verblijfplaats voor steenmarter. Bever Van bever zijn waarnemingen bekend in de watergang rondom het onderzoeksgebied. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen burchten of sporen (vraatsporten, wissels) aangetroffen. Sporen kunnen verloren zijn gegaan tijdens de recente onderhoudswerkzaamheden. De oever langs de watergang is beperkt geschikt voor bever om holen te graven vanwege de aanwezige beschoeiing. Die beschoeiing loopt in ieder geval een meter door tot onder de watergrens, maar is niet volledig te inspecteren vanaf de kant. Bevers eten bladeren, twijgen en bast van bomen (waaronder wilg) maar ook riet, gras en kruidachtige planten.
De vegetatie in en rondom het onderzoeksgebied is geschikt als voedsel voor de bever (riet, wilg, jonge berkjes, gras) en vanuit het water gemakkelijk te bereiken, omdat de beschoeiing niet ver boven de watergrens uitsteekt. Het onderzoeksgebied is dus geschikt foerageergebied. Het onderzoeksgebied of de directe omgeving van het onderzoeksgebied vervult daarmee mogelijk een functie als verblijfplaats of foerageergebied voor bever. Das
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
20
Het onderzoeksgebied vormt geschikt leefgebied voor das en biedt in potentie verblijfplaatsen. Das is bovendien waargenomen binnen het onderzoeksgebied (één enkel exemplaar, NDFF 2023). Het onderzoeksgebied is structuurrijk en de zandige grond leent zich goed voor het graven van een burcht of vluchtpijp. Er zijn tijdens het veldbezoek geen recente sporen of verblijfplaatsen aangetroffen, maar sporen kunnen verloren zijn gegaan bij de recente onderhoudswerkzaamheden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen in gebruik zijnde burchten of vluchtpijpen aangetroffen. De kans dat er een burcht binnen onderzoeksgebied ligt is vanwege het ontbreken van verse sporen klein, maar niet uitgesloten. Er zijn wel oudere holen aangetroffen, zonder recente gebruikssporen of sporen van de maker, op de helling van de zuidoever (figuur 3.3). Het onderzoeksgebied functioneert mogelijk als essentieel foerageergebied voor das, ook wanneer in het onderzoeksgebied zelf geen burcht voor das aanwezig is. In het onderzoeksgebied staat eik en een gevarieerde ondergroei (braam, kornoelje). Er is dus jaarrond een gevarieerd aanbod aan voedsel aanwezig. Het onderzoeksgebied grenst aan enkele dichte bossen of bosschages die geschikt zijn als verblijfplaats voor das, met name tussen de A73 en het onderzoeksgebied.
Voor deze burchten zou het onderzoeksgebied belangrijk foerageergebied zijn omdat overige foerageergebieden (ten zuiden van de Van Rozenburgweg) door barrièrewerking moeilijk bereikbaar zijn. Daarmee is de hoeveelheid hoogkwalitatief foerageergebied in de buurt van die burcht ook beperkt. Een functie van het onderzoeksgebied als essentieel foerageergebied kan dus niet worden uitgesloten op basis van het veldbezoek.
Figuur 3.3
Een oud hol zonder recente gebruikssporen op de zuidoever van het onderzoeksgebied.
Eekhoorn
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
21
Het onderzoeksgebied vormt op basis van aanwezige voedselbomen geschikt leefgebied voor eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoornnesten of sporen van eekhoorn gevonden, maar de bomen waren niet volledig te inspecteren, omdat ze nog in blad stonden. Op basis van het veldbezoek kan een functie van het onderzoeksgebied als leefgebied voor eekhoorn dus niet worden uitgesloten. Algemeen voorkomende soorten Het onderzoeksgebied vormt (geschikt) leefgebied van algemeen voorkomende soorten zoogdieren van het ‘Beschermingsregime andere soorten’ waarvoor een vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen (aardmuis, bosmuis, egel, haas, huisspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis en vos). Op basis van het veldbezoek en bronnenonderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied geen functie heeft voor andere beschermde grondgebonden zoogdieren.
3.6.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Grond- en graafwerkzaamheden of het rooien van bomen kunnen bever, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn of wezel verstoren of hun verblijfplaatsen vernietigen of in functie aantasten. Dit is verboden op grond van de Wnb artikel 3.5 lid 2 en 4 en artikel 3.10 lid 1b. Mogelijk kunnen er door de werkzaamheden ook dieren gedood worden, wat verboden is op grond van de Wnb artikel 3.5 lid 1 en 3.10 lid 1a. Grond- en graafwerkzaamheden kunnen algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren van het ‘Beschermingsregime andere soorten’ treffen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en is dus geen ontheffing nodig. Het betreft algemeen voorkomende soorten (lokaal, regionaal en landelijk) en het aantal dieren dat potentieel gemoeid is met de (lokale) ingreep is beperkt. De gunstige staat van instandhouding van deze soorten is daarom niet in het geding.
3.6.3
Maatregelen / Nader onderzoek Om uitsluitsel te kunnen geven over de huidige betekenis van het onderzoeksgebied voor kleine marterachtigen, steenmarter, bever, das en eekhoorn is nader onderzoek nodig. Op basis van de resultaten van dit nader onderzoek kan worden vastgesteld of een ontheffing van de Wnb nodig is en of mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn. Voor kleine marterachtigen en steenmarter wordt op basis van de ‘Handreiking kleine marters’ een onderzoeksperiode van 12 weken aangeraden, waarbij cameravallen en sporenbuizen worden ingezet. Deze periode mag 6 weken beslaan in de actieve periode, die loopt van maart tot en met augustus (Bouwens, 2017). Om inzicht te krijgen in de functie van het onderzoeksgebied voor das wordt aangeraden om contact op te nemen met stichting Das & Boom om informatie in te winnen over dassenburchten in (de omgeving van) het onderzoeksgebied. Ten zuiden van de Van
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
22
Rosenburgweg bevindt zich een burcht en foerageergebied (Van Kessel en Dorenbosch, 2023), maar onduidelijk is of het onderzoeksgebied gebruikt wordt door de hier aanwezige dassen: De Van Rozenburgweg en de A73 vormen barrières. Wanneer de via Das & Boom verkregen informatie ontoereikend is om een functie aan het onderzoeksgebied toe te kennen en zekerheid te verschaffen over de locatie van mogelijke verblijfplaatsen, is nader onderzoek nodig. Het gaat dan om sporenonderzoek, waarbij het onderzoeksgebied en ook de directe omgeving wordt onderzocht. Dit onderzoek kan het beste worden verricht van september tot en met mei, liefst in de bladerloze periode vanaf november tot en met april (Bij12, 2017a). Om te onderzoeken welke functies het onderzoeksgebied voor bever kan hebben, dienen de watergangen en oevers rondom het onderzoeksgebied te worden onderzocht op het voorkomen van sporen en verblijfplaatsen van bever. Dit onderzoek bestaat uit twee bezoeken, één van deze veldbezoeken moet in het bladerloze seizoen (november tot en met april) plaatsvinden en de andere enkele maanden later in het begin van de zomer (Bij12b, 2017). Daarbij is het ook belangrijk na te gaan of de oeverbeschoeiing onder de waterlijn doorloopt tot op de bodem.
Om te onderzoeken of eekhoorn in het onderzoeksgebied of de directe omgeving verblijfplaatsen heeft, en welke functie het onderzoeksgebied voor eekhoorn kan hebben, dient het onderzoeksgebied en de direct omgeving te worden onderzocht op het voorkomen van eekhoornnesten. Dit onderzoek bestaat uit één veldbezoek in het bladerloze seizoen (november tot en met april).
3.7
Vleermuizen In de wijdere omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen gedaan van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF). Tijdens het veld bezoek zijn drie foeragerende dwergvleermuizen (gewone of ruige) in het onderzoeksgebied waargenomen, kort na zonsondergang.
3.7.1
Functie van het onderzoeksgebied De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (in deze regio gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn)) in de loods met laagbouw in het onderzoeksgebied is uitgesloten (zie Figuur 2.2 voor een overzicht van de bebouwing). Het gebouw rondom de loods bevat een spouw, maar die is geïsoleerd met steenwol (zichtbaar in een gat boven in de muur en voelbaar door de open stootvoegen, Figuur 3.6). Verder biedt de laagbouw geen verblijfplaatsen voor vleermuizen: De laagbouw heeft een platdak en kozijnen en metselwerk sluiten strak op elkaar aan. Waar het de laagbouw op de hogere loods aansluit zijn alle randen netjes dichtgezet met lood of strips (Figuur 3.7). Het dak van de loods is van kunststof en loopt bovendien steil naar beneden op punten waar de dakplaten op elkaar aansluiten en er enkele kieren tussen de platen zitten (Figuur 3.7). Er zijn dus geen voor vleermuizen geschikte invliegopeningen aanwezig. Wel hangt er een vleermuiskast
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
23
aan één van de bomen ten zuiden van de loods, die voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis als zomerverblijf of paarverblijf kan functioneren.
Figuur 3.4
De spouwmuur is met steenwol gevuld, hier zichtbaar in een gat boven in de gevel. Ook bij inspectie van de open stootvoegen is steenwol aangetroffen.
Figuur 3.5
Links: Het dak van de loods sluit strak aan op de laagbouw aan de westgevel. Rechts: De noordkant van de lood (hier maakt de laagbouw ruimte voor roldeuren).
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
24
Voor boombewonende soorten vleermuizen (in deze regio: ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis (Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn)) heeft het onderzoeksgebied mogelijk betekenis als verblijfplaats. Er staat een dode boom met loszittend schors in het noordoosten van het onderzoeksgebied (Figuur 3.1). Vleermuizen kunnen achter dit schors verblijven. De bomen in het onderzoeksgebied bevatten daarnaast enkele holtes (met name spechtenholtes). De te inspecteren holtes liepen niet door omhoog, maar niet alle bomen konden tijdens het veldbezoek volledig worden geïnspecteerd. Het onderzoeksgebied vormt vanwege de aanwezigheid van water en opgaande beplanting en de afwezigheid van licht, zeer geschikt foerageergebied voor gewone dwergvleermuis laatvlieger, ruige dwergvleermuis. In het onderzoeksgebied is géén essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig, aangezien unieke doorgaande lijnvormige structuren ontbreken.
3.7.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Indien vleermuizen in de dode boom, boomholtes of de vleermuiskast verblijven, kan het rooien van bomen leiden tot het vernielen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit is verboden op grond van de Wnb artikel 3.5 lid 4. Ook kunnen vleermuizen hierbij gedood worden, wat verboden is op grond van de Wnb artikel 3.5 lid 1. Wanneer het onderzoeksgebied een belangrijke functie als foerageergebied vervult, kan het rooien van de bomen en het plaatsen van verlichting in het onderzoeksgebied deze functies en daarmee functionaliteit van verblijfplaatsen in de buurt van het onderzoeksgebied aantasten. Dit is verboden op grond van de Wnb artikel 3.5 lid 4.
3.7.3
Nader onderzoek Om uitsluitsel te kunnen geven over de huidige betekenis (als verblijfplaats, essentieel foerageergebied) van het onderzoeksgebied voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger), is nader onderzoek nodig. Op basis van de resultaten van dit nader onderzoek kan worden vastgesteld of een ontheffing van de Wnb nodig is en of mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn. Om eventueel als basis te kunnen dienen voor een ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming dient het vaststellen van zomer-, kraam-, paar- en winterverblijven van vleermuizen volgens het Vleermuisprotocol 2021 te worden uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat in totaal uit vijf ronden in de periode mei t/m september. • 1x in de ochtend en 1x ’s avonds in de periode half mei - half juli. • 2x ‘s avonds in het najaar (augustus – september)
3.8
Vogels In de omgeving van het onderzoeksgebied moet rekening worden gehouden met het voorkomen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten: boomvalk, buizerd,
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
25
gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ransuil, roek, sperwer en steenuil (allen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn) (NDFF, 2023). Daarnaast zijn in het onderzoeksgebied roodborst, meerkoet en waterhoen waargenomen, vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is.
3.8.1
Functie van het onderzoeksgebied Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Het onderzoeksgebied vormt geschikt leefgebied voor boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer vanwege de groepen hoge bomen die geschikte nestplaats bieden en de nabijheid van groene wijken en kleinschalig cultuurlandschap. De nabijheid van landelijk gebied ten westen van het onderzoeksgebied en natuurgebied ten zuidwesten van het onderzoeksgebied bieden ook foerageermogelijkheden. De wintergroene klimop en dichtere bosschages in het oosten van het onderzoeksgebied vormen een mogelijk geschikte roestplaats voor ransuil. Het voorkomen van nest- of rustplaatsen voor deze soorten kan niet worden uitgesloten op basis van het veldbezoek: Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats1 vastgesteld in het onderzoeksgebied, maar de bomen konden niet volledig geïnspecteerd worden (vanwege de hoogte en de nog aanwezige bladeren). Andere sporen zoals braakballen of plukplaatsen zijn niet gevonden. Een functie van het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende soorten vogels (gierzwaluw, kerkuil, huismus en steenuil) wordt uitgesloten, omdat geschikte nest- of rustplaatsen voor deze soorten in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied ontbreken.
De gebouwen in het onderzoeksgebied bevatten geen geschikt openingen, de bomen in het onderzoeksgebied bevatten geen geschikte holtes (voor steenuil). De oevers langs het onderzoeksgebied bieden evenmin geschikte nestgelegenheid (natuurlijke of kunstmatige holtes) voor de grote gele kwikstaart (de oevers zijn beschoeid en bruggen of sluizen ontbreken). Vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is. Tijdens het veldbezoek zijn blauwe reiger, boomkruiper, grote bonte specht, raaf en zwarte roodstaart waargenomen in het onderzoeksgebied. Zwarte roodstaart broedt o.a. in gebouwen, maar het gebouw binnen het onderzoeksgebied biedt geen echt geschikte nestplaats (op de holte in Figuur 3.6 na). Het betreft hier soorten van het Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn met een nest dat jaarrond beschermd is wanneer er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. In dit geval is geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen: In de nabije omgeving is voldoende alternatief leefgebied inclusief alternatieve nestgelegenheid te vinden. Deze soorten vallen om die reden in onder ‘’vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is’’. Het onderzoeksgebied vormt geschikt broedbiotoop voor deze soorten en voor algemeen
1
Op grond van door het voormalige ministerie van LNV verstrekte handreikingen worden nesten van de volgende soorten als jaarrond beschermde nestplaatsen beschouwd: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
26
voorkomende vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is. Dit geld vooral voor de boomopstand en de beplanting in het onderzoeksgebied, maar een sporadische nestplek op de bebouwing kan niet uitgesloten worden voor vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is.
3.8.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Wnb Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Het is niet uitgesloten dat werkzaamheden, met name het rooien van bomen, kunnen leiden tot het direct of indirect (door verstoring) aantasten van jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer. Dit is verboden op grond van de Wnb (Artikel 3.1 lid 2, 4 en 5). Vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is Grond- en graafwerkzaamheden, sloopwerkzaamheden en het rooien van vegetatie en bomen in het broedseizoen kunnen ertoe leiden dat nesten van vogelsoorten die in gebruik zijn beschadigd raken of verlaten worden door de oudervogels als gevolg van verstoring. Dit is verboden op grond van de Wnb. Hiervoor is geen ontheffing mogelijk. Het vernietigen en verstoren van in gebruik zijnde nesten moet worden voorkomen.
3.8.3
Maatregelen / nader onderzoek Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Om uitsluitsel te kunnen geven over de huidige betekenis van het onderzoeksgebied voor boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer is nader onderzoek nodig. Op basis van dit nader onderzoek kan worden vastgesteld of een ontheffing van de Wnb nodig is en of mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn. In eerste instantie moet een veldbezoek worden uitgevoerd in de bladerloze periode (vanaf november tot en met april) zodat de kruinen van alle bomen volledig geïnspecteerd kunnen worden op nesten. Tijdens het veldbezoek wordt in het gebied ook gezocht naar sporen van roofvogels (braakballen) die mogelijk een rustplaats in het gebied hebben. Vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is Door het nemen van de volgende maatregelen wordt overtreding van verbodsbepalingen voorkomen: • Rooien van beplanting, sloopwerkzaamheden en (voorbereidende) werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaardperiode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschillen per soort. Globaal moet voor het broedseizoen rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
27
3.9
Zorgplicht Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht. De algemene zorgplicht (Wnb, art. 1.11) geldt altijd en voor iedereen. Of het nu wel of niet om beschermde soorten gaat en of er nu wel of geen ontheffing nodig is of vrijstelling geldt. Aan de zorgplicht kan worden voldaan door bij verstoring als gevolg van de werkzaamheden dieren de gelegenheid te geven te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
28
4 Conclusie en aanbevelingen 4.1
Gebiedenbescherming Natura 2000-gebieden (Significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, met mogelijke uitzondering van effecten van stikstof. Geadviseerd is om een AERIUS-berekening uit te voeren om vast te stellen of sprake is van effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden. Mogelijke effecten van stikstof op Natura2000 gebieden zijn beoordeeld in een quickscan stikstof (PouderoyenTonnaer, 2023). Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt niet in (de omgeving van) het NNN, dus het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing.
4.2
Houtopstanden Met de ingreep worden geen houtopstanden in de zin van de Wnb gekapt. De regels ten aanzien van houtopstanden zoals vermeld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing.
4.3
Soortenbescherming Te verwachten beschermde (vrijgestelde) soorten Het onderzoeksgebied vormt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is daarom niet nodig. Nader onderzoek Op basis van de beschikbare informatie kan geen uitsluitsel worden gegeven over de betekenis van het onderzoeksgebied voor iepenpage, alpenwatersalamander, enkele grondgebonden zoogdieren (bever, das, eekhoorn, steenmarter en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel), vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis) en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer). Om hierover uitsluitsel te kunnen geven is nader onderzoek nodig. Het gaat dan om: • Onderzoek naar het voorkomen van de iepenpage door middel van onderzoek naar het voorkomen van de vlinder in de vliegtijd (juni – half augustus) of eitjes in de iep (in het bladerloos seizoen).
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
29
•
• • •
•
Een inventarisatieonderzoek naar het voorkomen van alpenwatersalamander: Twee bezoeken waarbij het water met een schepnet wordt bemonsterd (maart – augustus (liefst voor juni)) en een onderzoek naar het voorkomen van exemplaren op land (tussen juni en oktober). Een monitoringsonderzoek gedurende 12 weken voor steenmarter/kleine marterachtigen (of 6 weken in de actieve periode van maart tot augustus). Twee veldbezoeken voor bever en das, in de bladerloze periode (vanaf november tot en met april). Ok dient de oeverbeschoeiing te worden onderzocht. Een bomeninspectie in de bladerloze periode (vanaf november tot en met april) om te controleren op nest- en rustplaatsen voor eekhoorn en vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Dit is te combineren met veldbezoek voor das en bever. Vleermuisonderzoek volgens het vleermuisprotocol 2021. Dit onderzoek bestaat in totaal uit vier ronden in de periode mei t/m september.
Indien het onderzoeksgebied van betekenis is voor deze soort(en), kan naar het oordeel van het bevoegd gezag een ontheffing van de Wnb noodzakelijk zijn. Maatregelen om overtreding Wnb te voorkomen Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels om negatieve effecten op deze soorten - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen. Door het nemen van de volgende maatregelen wordt overtreding van verbodsbepalingen voorkomen: • Rooien van beplanting en (voorbereidende) werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Voor het broedseizoen wordt geen (wettelijke) standaard periode gehanteerd. Globaal moet voor het broedseizoen rekening worden gehouden met de periode maart tot half augustus. Maatregelen om aan de zorgplicht te voldoen In het kader van de zorgplicht wordt aanbevolen de volgende maatregelen te treffen: • Eventuele werkzaamheden aan de oever, die de watergang rondom het onderzoeksgebied aan kunnen tasten, uitvoeren in de periode tussen augustus en oktober (of in november als de watertemperatuur het toestaat); buiten de voorplantingen overwinteringsperiode van amfibieën.
• Grond- en graafwerkzaamheden dienen in één richting uitgevoerd te worden, zodat aanwezige dieren bij verstoring tijdens de werkzaamheden de gelegenheid hebben te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.
Voor andere beschermde soorten heeft het onderzoeksgebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.
30
4.4
Natuurkansen Hoewel er vanuit de Wet natuurbescherming geen wettelijke verplichting voor geldt, wordt aanbevolen om bij nieuwbouw verblijfsvoorzieningen voor vleermuizen en vogels te realiseren. Verblijfplaatsen kunnen o.a. gerealiseerd worden in gevels en daken. Voor meer informatie over het creëren van verblijfplaatsen in nieuwbouw wordt verwezen naar de checklist groen bouwen: https://www.checklistgroenbouwen.nl/.
NATUURTOETS WNB T.B.V. HERINRICHTING WIJCHENSEWEG 4, NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING.