Motivering_Bijlage 12 Nader onderzoek flora en fauna
Tekst van het document
Nader onderzoek flora en fauna
Neerbosch Oost te Nijmegen
4 juli2024 lid Netwerk Groene Bureaus
projectnummer: 23014
Nader onderzoek flora en fauna
Neerbosch Oost te Nijmegen
Opdrachtgever
Stichting Woonwaarts
Contactpersoon
de heer M. de Wit
Projectnummer
23014
Datum
4 juli 2024
Auteur
K. Leal en ing. D.A. Riemer
Goedgekeurd door
ing. H.H.J. van der Burgt
Wijze van citeren
Leal, K. en D.A. Riemer, Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2024.
Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus.
ECOquickscan ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap ’t Grieth 10 | 6924BJ Loo (Gld) | T 026-3034219 | info@ecoquickscan.nl | www.ecoquickscan.nl | KvK: 75203901
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Gebiedsbeschrijving
1
1.3
Beoogde ingrepen en planning
2
1.4
Leeswijzer
4
2.
WETTELIJK KADER
5
2.1
Soortenbescherming
5
3.
ONDERZOEKSMETHODIEK
6
3.1
Vleermuizen
6
3.2
Huismussen
7
3.3
Overige broedvogels
7
3.4
Kleine marterachtigen
7
3.5
Overige waarnemingen
8
4.
RESULTATEN
9
4.1 Vleermuizen 4.1.1 Foerageergedrag 4.1.2 Vaste vliegroutes 4.1.3 Kraamverblijfplaatsen 4.1.4 Zomerverblijfplaatsen 4.1.5 Paarverblijfplaatsen 4.1.6 Winterverblijfplaatsen
9 9 10 10 10 10 11
4.2 Jaarrond beschermde vogels 4.2.1 Huismussen 4.2.2 Overige broedvogels
11 11 12
4.3
Kleine marterachtigen
12
4.4
Overige waarnemingen
13
5.
CONCLUSIE
14
5.1
Beschermde soorten
14
5.2
Consequenties
15
5.3
Aanbevelingen
16
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
Bijlagen Bijlage 1
Literatuurlijst
Bijlage 2
Wet natuurbescherming
Bijlage 3
Gebiedsfuncties voor vleermuizen
Bijlage 4
Kaarten resultaten nader onderzoek
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding In de wijk Neerbosch Oost (gemeente Nijmegen, provincie Gelderland) is onderhoud/renovatie of eventueel sloop van een zevental woonflats beoogd. In het kader van de beoogde ontwikkelingen heeft Stichting Woonwaarts, op basis van een eerder uitgevoerde quick scan flora en fauna (GRAS Advies, 2023), aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan verzocht een nader onderzoek uit te voeren naar vleermuizen, huismussen en overige broedvogels. In het voorliggende rapport worden de resultaten en conclusies van dit onderzoek weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (met rood aangegeven).
1.2 Gebiedsbeschrijving De woonflats gelegen aan de Balladestraat/Symfoniestraat (5 stuks) en Paukenstraat (2 stuks), liggen te midden van de stad Nijmegen. Het centrum van Nijmegen ligt op circa 3 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied. Op enkele honderden meters ten oosten van het plangebied ligt het treinstation Nijmegen Goffert waarvan het spoor net ten zuiden langs het plangebied loopt. Deze ligt parallel aan de N326 en de Graafseweg, waarlangs zich tevens een groenstrook met sloot bevindt. Ten zuiden van deze oost westelijke verbinding ligt een industrieterrein en op enkele honderden meters ten westen van het plangebied stroomt het Maas-Waalkanaal die Neerbosch Oost aan de westzijde geheel begrenst.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
1
De zeven flats zijn identiek en bestaan uit twee maisonnetteswoningen boven elkaar. Tussen en rondom de flats zijn groenvoorzieningen aangebracht, waaronder lage struiken, bosschages en enkele bomen.
Figuur 1.2: Buitenaanzicht flats en impressie van omliggende groenvoorzieningen.
1.3 Beoogde ingrepen en planning De initiatiefnemer heeft begin 2024 een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij alle voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied open staan: groot onderhoud/renovatie, volledige sloop en nieuwbouw of een combinatie daarvan. Inmiddels is bekend geworden dat de flatgebouwen worden gesloopt en er vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd. Bij het ontwerp wordt zoveel mogelijk om het bestaande groen heen ontworpen. In figuur 1.3 zijn in geel de te behouden bomen aangeduid. De in figuur 1.4 in rood weergegeven bomen kunnen niet behouden blijven vanwege de nieuwe omvang van het project. De flats worden in 3 fasen gesloopt met aansluitend nieuwbouw eveneens in 3 fasen. Onderstaand de voorlopige planning van de werkzaamheden: De eerste twee flats aangeduid in rood in figuur 1.3 met A worden gesloopt in de tweede helft van 2025. De nieuwbouw start in het 4e kwartaal 2025, de oplevering van de nieuwbouw staat in het tweede/derde kwartaal van 2027 gepland. De volgende twee flats, aangeduid in paars in figuur 1.3 met B worden gesloopt in de tweede helft van 2026, de oplevering van de nieuwbouw staat gepland in kwartaal 2 van 2028.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
2
De volgende twee flats aangeduid in groen in figuur 1.3 met C1 worden gesloopt in de tweede helft van 2027, de oplevering van de nieuwbouw staat gepland in het derde kwartaal van 2029. Afhankelijk van de voortgang van de herhuisvesting zal C2 al dan niet synchroon lopen met C1. Indien dit niet mogelijk is zal C1 in de tweede helft van 2028 gesloopt worden. In dit geval zal de nieuwbouw in Q4 2029 gereedkomen.
C1 C2
B A
Figuur 1.3: Links de bestaande situatie, rechts in geel beschermde groenopstanden.
C1 C2 B
A
Figuur 1.4: Links het nieuwe ontwerp (indicatief) met in rood waar het bestaande groen in conflict komt met het ontwerp. Rechts het indicatieve ontwerp van de nieuwbouw.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
3
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de natuurwetgeving. Hoofdstuk 3 gaat in op de toegepaste onderzoeksmethode(s). De resultaten van het onderzoek komen aan bod in hoofdstuk 4. In de conclusies, beschreven in hoofdstuk 5, wordt duidelijk wat de consequenties zijn naar aanleiding van het onderzoek.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
4
2.
WETTELIJK KADER Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is een uitgebreidere toelichting opgenomen bij de soort- en gebiedsbescherming zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het nader onderzoek naar vleermuizen, huismussen en overige broedvogels voor het project in Neerbosch Oost te Nijmegen is uitgevoerd in het kader van soortenbescherming (hoofdstuk 3) van de Wet natuurbescherming.
2.1 Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet). Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogelen habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied (ook in de Omgevingswet is de zorgplicht opgenomen).
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
5
3.
ONDERZOEKSMETHODIEK Het inventariseren van flora en fauna gebeurt, indien beschikbaar en toepasbaar, aan de hand van protocollen of ‘vaste’ inventarisatiemethodes. Deze methodes leiden vaak tot een goed beeld van de te onderzoeken soort of soortgroep in het plangebied. Indien mogelijk wordt dan ook volgens deze breed geaccepteerde onderzoeksmethode(s) geïnventariseerd. Hieronder wordt per soort of soortgroep de onderzoeksmethode(s) weergegeven.
3.1 Vleermuizen Het onderzoek is uitgevoerd conform het protocol voor het inventariseren van vleermuizen (afgekort “Vleermuisprotocol”) dat is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ, in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur1. In het Vleermuisprotocol worden verschillende onderzoeksperioden onderscheiden naar de verschillende functies (zie bijlage 3) dat een gebied kan hebben voor vleermuizen. Binnen het plangebied is onderzoek uitgevoerd naar kraam-, zomer-, paar-, en winterverblijfplaatsen. Het onderzoek naar kraam-, zomer-, paar-, en winterverblijfplaatsen geeft ook inzicht in andere mogelijk belangrijke functies van het plangebied voor vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen vindt plaats met behulp van een batdetector (een apparaat dat ultrasone vleermuisgeluiden omzet in voor het menselijk oor hoorbare geluiden). Met meerdere personen2 (uitgerust met een Petterson D240x) is op 23 mei, 1, 29 en 30 juni 2023, 15 en 29 augustus en op 6 september 2023 onderzoek gedaan naar kraam-, zomer-, paar-, en winterverblijfplaatsen. Het onderzoek heeft zowel rond zonsopgang (ochtendonderzoek) als rond zonsondergang (avondonderzoek) plaatsgevonden. ’s Ochtends wordt voornamelijk gekeken naar zwermgedrag nabij de verblijfplaats.
In de avond wordt gekeken naar uitvliegers en tijdens het paarseizoen wordt geluisterd naar roepende mannetjes vanuit of in de nabijheid van de verblijfplaats. Tijdens de avondrondes, met name op 15 en 29 augustus 2023, is middernacht ook gekeken naar zwermgedrag als indicatie voor het voorkomen van een (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Weersomstandigheden Onderzoek naar vleermuizen is sterk gebonden aan weersomstandigheden, als het bijvoorbeeld hard waait of de temperatuur te laag is verlaten vleermuizen hun verblijfplaats niet. In tabel 3.1 staan de weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek. De veldbezoeken zijn allen uitgevoerd tijdens optimale weersomstandigheden, ruim binnen de vereisten van het Vleermuisprotocol 2021.
1
De onderzoeksinspanning voor dit onderzoek is gebaseerd op het Vleermuisprotocol 2021.
2
Voor de onderzoeksinspanning en inzet van personen is rekening gehouden met de vereisten zoals
opgenomen in het Vleermuisprotocol 2021. Binnen ECOquickscan wordt de onderzoeksinspanning altijd bepaald door Haico van der Burgt, ervaren (vleermuis)onderzoeker en ondermeer een actief lid van het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
6
Tabel 3.1: Weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek naar vleermuizen. Datum
Zonsonder-
Tijdstip
Temperatuur
Windkracht
Onderzoeks-
of opgang
onderzoek
(°C)
(Bft)
omstandigheden
21:35
21:28 - 23:35
12
3
Optimaal
I
21:46
21:39 - 23:46
13
2
Optimaal
29 juni 2023
22:00
21:53 – 00:00
16
3
Optimaal
30 juni 2023
05:21
03:17 - 05:22
15
1
Optimaal
15 aug. 2023
20:59
23:55 - 02:00
15
1
Optimaal
29 aug. 2023
20:29
23:55 - 02:00
14
2
Optimaal
6 sept. 2023
20:13
21:06 - 23:13
22
2
Optimaal
23 mei 2023 I 1 juni 2023
I
Eerste vleermuisronde; het aantal benodigde personen is verdeeld over twee onderzoekmomenten.
3.2 Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus is uitgevoerd conform de richtlijnen voor onderzoek zoals beschreven in het ‘Kennisdocument Huismus’ van BIJ12, versie 2.1, februari 2023. Op 26 april en 10 mei 2023 is gekeken naar in- en uitvliegende vogels, territorium- en nestindicerend gedrag, sporen (poepjes, nesten, etc.) en de aanwezigheid van jonge vogels in het gebied. Tabel 3.2: Weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek naar huismus. Datum
Zons-
Tijdstip
Temperatuur
Windkracht
Onderzoeks-
opgang
onderzoek
(°C)
(Bft)
omstandigheden
26 apr. 2023
06:19
08:44 - 10:44
8
2
Optimaal
10 mei 2023
05:53
10:14 - 12:14
13
2
Optimaal
3.3 Overige broedvogels Het nader onderzoek naar overige broedvogels is gecombineerd met het onderzoek naar de huismus en uitgevoerd in het broedseizoen. Op 26 april en 10 mei is gekeken naar aanwezige vogelsoorten, nesten in de aanwezige groenvoorzieningen en territorium- en nestindicerend gedrag. Tabel 3.3: Weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek naar broedvogels. Datum
Zons-
Tijdstip
Temperatuur
Windkracht
Onderzoeks-
opgang
onderzoek
(°C)
(Bft)
omstandigheden
26 apr. 2023
06:19
08:44 - 10:44
8
2
Optimaal
10 mei 2023
05:53
10:14 - 12:14
13
2
Optimaal
3.4 Kleine marterachtigen Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen gelden de richtlijnen van de provincie Gelderland. Het onderzoek is volgens deze richtlijn opgestart. Echter bij de eerste controle ronde na 2 weken is geconstateerd dat alle cameravallen e.d. waren verdwenen. Met de provincie Gelderland is eind januari 2024 contact geweest (de heer R. Raaijmakers) en besproken dat het onderzoek, vanwege
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
7
het hoog vandalisme gehalte, achterwege kan blijven en uitgegaan wordt van een worstcasescenario.
3.5 Overige waarnemingen Tijdens het nader onderzoek naar vleermuizen, huismussen en overige broedvogels, is ook gelet op de aanwezigheid van andere (beschermde) soorten in het plangebied. Wanneer er overige (beschermde) soorten zijn waargenomen, zijn deze waarnemingen genoteerd en beschreven.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
8
4.
RESULTATEN Het nader onderzoek voor het project in Neerbosch Oost te Nijmegen heeft het onderstaande resultaat opgeleverd.
4.1 Vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen bestaat uit twee delen. Op de onderzoeksmomenten in mei en juni 2023 is het voorkomen van kraam- en zomerverblijfplaatsen onderzocht. Dit onderzoek heeft ook inzicht gegeven in het voorkomen vliegroutes en het foerageergedrag van vleermuizen. De onderzoeksmomenten in augustus en september 2023 hebben inzicht gegeven in het voorkomen van paar- en (massa)winterverblijfplaatsen.
Figuur 4.1: Waarnemingen van vleermuizen binnen en in de directe omgeving van het plangebied. De vergrote versie van de resultatenkaart is te vinden in bijlage 4.
Op figuur 4.1 zijn de waarnemingen van alle onderzoeksmomenten bijeengebracht. De kaart geeft op het gebied van het foerageergedrag vooral weer welke elementen (regelmatig) gebruikt worden. Het is geen weergave van de activiteit van vleermuizen gedurende de onderzoeksrondes. Het aantal vleermuizen dat gebruik maakt van het gebied is hieronder tekstueel uitgelegd. 4.1.1 Foerageergedrag Tijdens het onderzoek zijn drie vleermuissoorten waargenomen, namelijk gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), rosse dwergvleermuis (Nyctalus noctula) en laatvlieger (Eptesicus serotinus). Gedurende alle onderzoekrondes in het voorjaar van 2023, is de gewone dwergvleermuis waargenomen. Op 23 mei zijn 5 tot 10 foeragerende exemplaren waargenomen rond de noordelijke flats aan de Balladestraat en Symfoniestraat. Dieren waren hier tussen 22:07 en 22:30 constant actief. Het foerageergedrag, relatief kort na zonsondergang, is een indicatie voor een verblijfplaats
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
9
elders in de wijk. Dit foerageergedrag is tijdens de onderzoeksmomenten op 29 en 30 juni ook waargenomen. Het aantal exemplaren varieerde hierbij tussen de 1 tot 6. Waarnemingen van deze groep foeragerende exemplaren werd vooral gedaan rond de zuidelijke flats aan de zijde van de Balladestaat en aan de zuidelijke zijde van de flats aan de Paukenstraat. Ook zijn er 1 tot 2 foeragerende exemplaren langdurig waargenomen nabij de lindeboom bij de middelste flat aan de zijde van de Balladestraat. Foerageergedrag in en rondom het plangebied vond vooral plaats nabij de hogere bomen tussen de flats en langs de omliggende straten. Grotere aantallen foeragerende dieren relatief kort na zonsondergang en daarna kleinere aantallen geeft een indicatie van verblijfplaatsen in de wijk en dat het plangebied weldegelijk een functie heeft, maar dat het langdurig foerageren elders plaats vindt (bijvoorbeeld langs het kanaal of parken binnen de stad). Op 23 mei en 29 juni 2023 is een overvliegende laatvlieger waargenomen te midden van de flats aan de Balladestraat/Symfoniestraat. De rosse vleermuis is op 29 juni 2023 overvliegend gedetecteerd. 4.1.2 Vaste vliegroutes Binnen en direct aansluitend aan het plangebied zijn geen vliegroutes vastgesteld. 4.1.3 Kraamverblijfplaatsen Binnen en direct aansluitend aan het plangebied zijn geen kraamverblijfplaatsen aangetroffen.
4.1.4 Zomerverblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn geen zomerverblijfplaatsen aangetroffen. Tijdens de onderzoekronde op 15 augustus 2023 is buiten het plangebied wel een gewone dwergvleermuis waargenomen die gebouw gebonden gedrag vertoonde. Het dier vloog hierbij meerdere malen dicht langs de woningen aan de achterzijde en heeft op verschillende plaatsen aantikgedrag vertoond en liet geen sociaal geluid horen. Deze waarneming werd gedaan bij de rijtjeswoningen aan de Paukenstraat van de huisnummers 3 tot en met 15 (op de kaart (figuur 4.1) weergegeven als één potentiële verblijfplaats in het midden van het blok). 4.1.5 Paarverblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn op 30 augustus 2023 in het plangebied drie paarverblijfplaatsen van gwone dwergvleermuis waargenomen. Aangezien de gewone dwergvleermuis baltst in vlucht, kon de exacte locatie van de paarverblijfplaats niet worden vastgesteld. Op basis van bouwkenmerken wordt verwacht dat het dier gebruik maakt van de open stootvoegen
Afbeelding 4.2. Geschikte openingen voor potentiële
in het gebouw.
verblijfplaatsen vleermuizen.
Buiten het plangebied zijn geen paarterritoria van gewone dwergvleermuis waargenomen. Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
10
4.1.6 Winterverblijfplaatsen Tijdens het najaarsonderzoek zijn geen zwermactiviteiten waargenomen, waardoor er geen aanwijzingen zijn dat grote groepen vleermuizen overwinteren in de bebouwing in het plangebied. Kleine winterverblijfplaatsen van soorten die in gebouwen (woningen) overwinteren, zoals de gewone dwergvleermuis, zijn niet tot nauwelijks te onderzoeken. De aanwezigheid van paarverblijfplaatsen is voor de gewone dwergvleermuis vaak een indicatie dat gebouwen ook geschikt zijn als winterverblijfplaats voor een kleine groep of solitair overwinterde gewone dwergvleermuizen. Afhankelijk van het type bebouwing zijn deze winterverblijfplaatsen alleen geschikt in milde winters of ook tijdens strenge vorst (vaak alleen als vleermuizen gebruik kunnen maken van ruimtes in de spouw of op zolder). Aangezien drie paarverblijfplaatsen zijn aangetroffen in het plangebied is het niet geheel uit te sluiten dat de gebouwen ook gebruikt worden als kleine winterverblijfplaats van solitair overwinterende vleermuizen.
4.2 Jaarrond beschermde vogels Binnen het plangebied is onderzoek uitgevoerd naar huismus (Passer domesticus) en overige broedvogels. De waarnemingen zijn weergegeven in figuur 4.3.
Figuur 4.3: Waarnemingen van jaarrond beschermde soorten binnen en in de directe omgeving van het plangebied. De vergrote versie van de resultatenkaart is te vinden in bijlage 4.
4.2.1 Huismussen Tijdens het onderzoek zijn binnen het plangebied geen nestlocaties van huismus waargenomen. Buiten het plangebied zijn vier nestlocaties van huismus waargenomen.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
11
De huismussen die buiten het plangebied hun nesten hebben maken onder meer van het plangebied gebruik als foerageergebied. Verdeeld over het aanwezige groen in het plangebied zijn meerdere huismussen waargenomen. De dieren bevonden zich in de groenvoorzieningen om en tussen de flats, zowel de bomen, hagen, bosschages als struiken werden gebruikt. Een exact foerageergebied is niet aan te wijzen, maar gezien de vele bestrating in de tuinen van de omliggende grondgebonden woningen, heeft het plangebied zeker een functie als foerageergebied. Ook de groenstrook ten zuiden van het plangebied tussen de Serenadestraat en Graafseweg is geschikt als leefgebied.
Figuur 4.4: Van links naar rechts: Voorbeelden van groenvoorzieningen binnen het plangebied waar huismussen zijn waargenomen en territorium indicerend gedrag van een huismus bij een nestlocatie aan de Symfoniestraat.
4.2.2 Overige broedvogels Gelijktijdig met het onderzoek naar huismussen is onderzoek uitgevoerd naar overige broedvogels. Dit geeft inzicht in het voorkomen van nestlocaties van andersoortige broedende vogels in of direct rondom het plangebied. Op 10 mei 2023 is er in een boom tussen de flats aan de zijde van de Symfoniestraat, een nest van een houtduif (Columba palumbus) waargenomen. Een exemplaar was hierbij ook aanwezig en het nest leek in gebruik. Op 26 april 2023 is tussen de flats aan de zijde van de Balladestraat een mannetje vink (Fringilla coelebs) zingend in een boom waargenomen. Op 10 mei een foeragerende boomkruiper (Certhia brachydactyla) waargenomen op een boom ten zuiden van de flats aan de Paukenstraat.
4.3 Kleine marterachtigen Het onderzoek doormiddel van cameravallen is opgestart, maar door vandalisme zijn alle camera’s verdwenen. In overleg met de provincie is besloten het onderzoek, met als doel afwezigheid aan te tonen) niet verder uit te voeren en voor de onderzoeksresultaten uit te gaan van een worstcasescenario en aanwezigheid te motiveren. In de quick scan (GRAS advies, 2023) is geconcludeerd dat de aanwezige bosschages geschikt zijn als leefgebied voor kleine marterachtigen: bunzing, hermelijn en wezel. Met name aan de
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
12
zuidzijde van het plangebied waar langs de Seranadestraat een lange groenstrook is gelegen en waar kleine marterachtigen goed gebruik van kunnen maken om zich binnen hun leefgebied te verplaatsen. Vanuit die groenstrook kan ook het plangebied worden aangedaan. Het plangebied zal voor kleine marterachtigen met name een functie hebben als foerageergebied en incidenteel mogelijk als slaapplak voor een enkele nacht. Gezien de bebouwde omgeving en daarmee de drukte van mensen en huisdieren wordt niet verwacht dat kleine marterachtigen langdurig verblijven in het plangebied. Er zijn in de directe omgeving meer rustige plekken die beter geschikt zijn voor kleine marterachtigen.
4.4 Overige waarnemingen Tijdens het onderzoek naar vleermuizen, huismussen en overige broedvogels zijn ook waarnemingen van andere (beschermde) soorten gedaan (figuur 4.5). Op 23 mei, 1 juni en 30 juni 2023 is er een steenmarter (Martes foina) waargenomen langs de rand van het plangebied aan de zijde van de Balladestraat. Op bijna alle onderzoekmomenten voor vleermuizen zijn egels (Erinaceus europaeus) waargenomen. Deze dieren bevonden zich verspreid over het plangebied nabij de Balladestraat en Paukenstraat en nét daarbuiten. Het aantal varieerde van 1 tot 2 exemplaren waarbij dieren foerageerden rondom en tussen de groenvoorzieningen. Gezien de aanwezige groenvoorzieningen, waaronder dicht struikgewas, is er waarschijnlijk een egelverblijfplaats binnen het plangebied aanwezig. Op 29 juni 2023 zijn, waarschijnlijk, roepende poelkikkers (Pelophylax lessonae) gehoord ten zuiden van het plangebied aan de zijde van de Paukenstraat. Dieren waren op de achtergrond hoorbaar verspreid over de gehele lengte van de sloot. Op 16 augustus 2023 is door een voormalige bewoner van een van de maisonnettes aan de Paukenstaat aangegeven dat er zich een vossenhol (Vulpes vulpes) bevindt bij een boom binnen het plangebied aan de desbetreffende straat. Tijdens de verschillende onderzoeksrondes zijn geen vossen waargenomen.
Ook het hol is niet waargenomen, wel is op de plek waar het hol zou zijn gerommel waargenomen. Gezien de vele egels die zijn waargenomen en het feit dat egels luidruchtige wezens zijn, ook overdag, is het
Figuur 4.5: Overige waarnemingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied. De vergrote versie
waarschijnlijker dat het gerommel van een egel afkomstig is.
van de resultatenkaart is te vinden in bijlage 4.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
13
5.
CONCLUSIE Uit de resultaten voor het project in Neerbosch Oost te Nijmegen kunnen de onderstaande conclusies getrokken worden.
5.1 Beschermde soorten In het plangebied is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, huismussen, overige broedvogels en kleine marterachtigen. Vleermuizen Tijdens het nader onderzoek zijn in het plangebied de volgende verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld: •
3 paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis
Er zijn geen (grote) winterverblijfplaatsen vastgesteld. De paarverblijfplaatsen zijn wel geschikt voor overwintering van één of enkele vleermuizen. Aangezien de paarverblijfplaatsen bij strenge vorst (mogelijk) ook geschikt zijn betreffen dit ook volwaardige winterverblijfplaatsen. Buiten het plangebied is een potentiële zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Alle voorstaande verblijfplaatsen van vleermuizen zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet). Huismus In het plangebied zijn geen nestlocaties van de huismus aangetroffen. Buiten het plangebied zijn tijdens het nader onderzoek vier nestlocaties van de huismus waargenomen. Binnen het plangebied is wel leefgebied van huismus waargenomen. Dit betreft geen essentieel leefgebied. Gezien de sloop en aansluitend nieuwbouw gefaseerd plaatsvind, kan een negatief effect op het leefgebied voor de huismus ook worden uitgesloten. Gedurende de werkzaamheden blijft ongeveer een derde van het gebied geschikt als leefgebied voor de huismus. Overige broedvogels In het plangebied is een nestlocatie van een houtduif waargenomen. Ook is een zingende vink waargenomen. Voor alle nestlocaties geldt dat deze in het broedseizoen zijn beschermd (zorgplicht). Kleine marterachtigen Binnen het plangebied is leefgebied van kleine marterachtigen aanwezig.
Gezien de sloop en aansluitend nieuwbouw gefaseerd plaatsvindt, groen deels behouden blijft en weer tijdig kan worden ingericht, kan een negatief effect op het leefgebied voor de kleine marterachtigen voorkomen worden. Gedurende de werkzaamheden blijft ongeveer een derde van het gebied geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
14
Werken volgens een ecologisch werkplan waarin deze fasering is uitgewerkt, alsmede ook het behoud en nieuw te realiseren groenvoorzieningen voorkomt effecten op kleine marterachtigen. Indien deze werkwijze niet mogelijk blijkt en leefgebied van kleine marterachtigen ook beschermd is conform de Wet natuurbescherming (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet) is een ontheffing Wet natuurbescherming (sinds 1 januari 2024 Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit) nodig. Overige waarnemingen In het plangebied is egel en steenmarter actief. Van de steenmarter wordt verwacht dat deze enkel het plangebied sporadisch passeert. Er zijn meerdere egels waargenomen die mogelijk verblijfplaatsen hebben in de groenvoorzieningen in het plangebied. Voor deze soorten geldt de zorgplicht.
5.2 Consequenties In het plangebied zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties zijn, bij de sloop van de gebouwen, niet uit te sluiten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient voor de gewone dwergvleermuis een ontheffing ex. artikel 3.5 aangevraagd te worden bij de Gedeputeerde Staten van de provincie (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet). Tevens is een ecologisch werkplan nodig waarin een fasering is uitgewerkt hoe effecten op kleine marterachtigen, huismus en andere, algemeen voorkomende soorten, kunnen worden voorkomen. Gedurende de werkzaamheden blijft ongeveer een derde van het gebied geschikt als leefgebied voor soorten. Met deze fasering kan ook invulling worden gegeven aan de zorgplicht voor egels en algemeen broedvogels. Indien effecten niet kunnen worden voorkomen is ook hiervoor een ontheffing Wet natuurbescherming (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet) nodig. In het kader van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet) zal een activiteitenplan opgesteld moeten worden. In het activiteitenplan zal onder andere ingegaan moeten worden op mitigerende maatregelen en een onderbouwing van het wettelijk belang van de aanvraag.
Mitigerende maatregelen hebben betrekking op de werkzaamheden (werkwijze), tijdelijke effecten en definitieve maatregelen om het plangebied opnieuw geschikt te maken voor soorten. Verder zijn er een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 altijd van toepassing (sinds 1 januari 2024 Omgevingswet): •
In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd. Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
15
artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan. •
Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: •
Voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken;
•
Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;
•
De werkzaamheden starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen.
5.3 Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de wtegving zijn er ook een aantal vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van de (toekomstige) inrichting van het plangebied: •
Voor vleermuizen kunnen open stootvoegen aangebracht worden in muren, of vleermuiskasten worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte;
•
Eventuele gevelbekleding kan geschikt gemaakt worden voor vleermuizen door deze op (enkele) plekken aan de onderkant niet strak aan te laten sluiten op de gevel of door bewust openingen aan te brengen;
•
Er kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen op >2,5 meter hoogte in de muur. Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden.
•
Op het nieuwe dak kan een groendak worden aangebracht. Dit dak draagt bij aan de biodiversiteit, waterretentie en het voorkomen van hittestress in de stad;
•
Het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse (autochtone) bes- en bloemdragende struiken en planten;
•
Voor insecten kan een insectenhotel tegen de gevel of in de buitenruimte geplaatst worden. Een insectenhotel is nuttig voor allerlei insecten en heeft tevens een educatieve functie;
•
Het aanbrengen van een takkenril. Een takkenril kan schuilmogelijkheden bieden voor kleine zoogdieren en diverse vogels;
•
Het inrichten van een overhoekje met puin of hout met daaronder een holle ruimte. Zo’n overhoekje vormt namelijk geschikte schuilmogelijkheden voor kleine zoogdieren (zoals egel), marterachtigen en amfibieën.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
16
BIJLAGE 1 Literatuurlijst BIJ12. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, Versie 2.1, februari 2023, Utrecht. GRAS Advies. Rapportage Quickscan Wet natuurbescherming, Neerbosch Oost, Nijmegen. GRAS Advies, Versie 2.0, Huissen, 2023. Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ, (destijds; eerste versie van het protocol) in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol, versie 2021. Websites: www.vleermuis.net www.vleermuizenindestad.nl www.rijksoverheid.nl
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
BIJLAGE 2 Wet natuurbescherming Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming is hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming bepalend. Indien gebiedsbescherming aan de orde is, zijn er verschillende stappen in onderzoek te onderscheiden: een Voortoets en afhankelijk van de conclusie in de Voortoets een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling. Bij een Voortoets komen de volgende onderdelen aan bod: •
beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In het geval van een wijziging van bedrijfsactiviteiten het in beeld brengen van de bestaande situatie en de gewijzigde bedrijfsactiviteiten;
•
welke milieueffecten deze (bedrijfs)activiteiten hebben op de omgeving;
•
welke van de soorten en habitats, waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden, schade ondervinden;
•
welke (bedrijfsmatige) activiteiten kunnen leiden tot effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat een ruimtelijke ingreep geen negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied dan is het onderzoek gereed. Indien uit de voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied, maar zeker niet significant negatief, dan moet een Verstorings- en Verslechteringstoets worden opgesteld. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft en mogelijk ook een significant negatief effect dan moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling vormt de basis voor de aanvraag voor een vergunning. Wet natuurbescherming – soortenbescherming Voor soortenbescherming is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, verdragen van Bern en Bonn) en nationaal beschermde soorten. Er zijn verbodsbepalingen opgenomen, bepalingen voor algemene vrijstelling en project specifieke ontheffingen en de belangen die aangetoond dienen te worden om een ontheffing te verkrijgen.
Verbodsbepalingen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen, opzettelijk te storen (tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort). Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen en eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Het is verboden in het wild levende dieren (waaronder diverse vogelsoorten) van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Het verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel A, opzettelijk te doden of te vangen, vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht Naast de bovenstaand beschreven verboden kent de Wet natuurbescherming ook een zorgplicht. In artikel 1.11 is opgenomen dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat schadelijke handelingen achterwege blijven, dan wel noodzakelijke maatregelen getroffen worden om die schadelijke gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt worden. Procedurele consequenties Voor ruimtelijke ingrepen is het allereerst van belang te toetsen of er sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen. Voor vogelrichtlijn soorten is het bijvoorbeeld van belang te beoordelen of een verstoring van wezenlijke invloed is. Voor de nationaal beschermde soorten zijn er per provincie lijsten opgesteld met soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Over het algemeen zijn dit de meer algemeen voorkomende soorten zoals het konijn of de vos. Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming, hoofdstuk 3.
Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen) van leefgebieden van beschermde soorten is ontheffing ex. artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 van de Wet natuurbescherming nodig van Gedeputeerde Staten. Het uitvoeren van een ruimtelijke ingreep, indien er sprake is van een overtreding van één van de bovenstaande beschreven verbodsbepalingen, kan door middel van een goedgekeurde gedragscode of een verkregen ontheffing. Een gedragscode geldt voor zowel de internationaal beschermde soorten als de nationaal beschermde soorten. In een gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd. Voor een ontheffing zijn procedurele consequenties afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Er zijn drie soorten verbodsbepalingen en gekoppeld aan deze bepalingen zijn er ook drie beschermingsregimes: •
soorten van de Vogelrichtlijn;
•
soorten van de Habitatrichtlijn, verdrag van Bern en/of Bonn;
•
nationaal beschermde soorten.
Voor het verkrijgen van een ontheffing moet als eerste een belang worden aangetoond op grond waarvan een ontheffing kan worden verkregen voor het overtreden van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijn soorten moet een belang worden aangetoond zoals opgenomen in de Vogelrichtlijn. Voor ruimtelijke ingrepen zijn dat: •
volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora of fauna.
Voor habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn zijn dat: •
bescherming van de wilde flora of fauna, of instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
•
volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
Voor nationaal beschermde soorten is dat: •
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
BIJLAGE 3 Gebiedsfuncties voor vleermuizen De onderstaande definities zijn overgenomen uit het Vleermuisprotocol. Verblijfplaatsen Alle typen verblijfplaatsen zijn beschermd. •
Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is.
•
Kraamverblijfplaats: Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen.
•
Paarverblijfplaats: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.)
•
Winterverblijfplaats: Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden.
Overige elementen Indien aantasting van de onderstaande elementen het functioneren van een verblijfplaats aantast is bescherming aan de orde. •
Vliegroute: Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa.
•
Migratieroute: Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa.
•
Foerageergebied: Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen
BIJLAGE 4 Kaarten resultaten onderzoek
Nader onderzoek flora en fauna Neerbosch Oost te Nijmegen