Landschapszone - 12 (Dorpensingel Nijmegen) Toelichting Bijlage 2 Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol
Tekst van het document
3.10 lid 1b) waarvoor een provinciale vrijstelling geld in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffing is niet nodig en de huidige staat van instandhouding van deze soorten komt door de ingreep niet in het geding.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
30
Maatregelen zijn nodig om het doden van amfibieën zoveel mogelijk te voorkomen en zijn beschreven in § 4.3.
Figuur 14.
3.3.5
Overzicht van waarnemingen van amfibieën in en rond het plangebied Vossenhol.
Reptielen Voor de soortgroepen reptielen wordt op basis van aanwezig biotoop (ontbreken van geschikt biotoop) en verspreidingsgegevens geconcludeerd dat het plangebied geen betekenis heeft voor beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten zijn uitgesloten.
3.3.6
Grondgebonden zoogdieren In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn (Figuur 15), ree, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (Beschermingsregime andere soorten). Tijdens het veldbezoek zijn afgezien van een muizenholletje in een berm geen sporen of exemplaren van grondgebonden zoogdieren ontdekt. De bermen in het plangebied kunnen een functie hebben voor bosmuis, huisspitsmuis, en veldmuis. Het plangebied heeft géén essentiële functie als vaste rust- en verblijfplaats voor de overige genoemde beschermde soorten grondgebonden zoogdieren, omdat geschikt leefgebied ontbreekt (onvoldoende schuilplaatsen, te veel verstoring en een klein oppervlakte). De werkzaamheden kunnen een negatief effect hebben op soorten grondgebonden zoogdieren van het Beschermingsregime andere soorten (bosmuis, huisspitsmuis en Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
31
veldmuis). Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en is geen ontheffing nodig. Het betreft algemeen voorkomende soorten (lokaal, regionaal en landelijk) en het aantal dieren dat potentieel gemoeid is met de (lokale) ingreep is beperkt. De huidige staat van instandhouding van deze soorten komt door de ingreep niet in het geding. In het kader van de Zorgplicht worden maatregelen geadviseerd om negatieve effecten op deze soorten zoveel mogelijk te voorkomen. De toename van het aantal verkeersbewegingen kan zorgen voor een groter risico op verkeersslachtoffers onder grondgebonden zoogdieren. Marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter worden in Nederland veelvuldig als verkeersslachtoffer gemeld. Aanbevolen wordt om maatregelen te nemen waardoor deze dieren de weg veilig kunnen passeren.
Figuur 15.
3.3.7
Overzicht waarnemingen grondgebonden zoogdieren.
Vleermuizen In de omgeving komen o.a. de soorten gewone- en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis voor. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig en er worden geen werkzaamheden aan gebouwen uitgevoerd. In het plangebied zijn enkele bomen aanwezig met holtes (Daamen 2020a). Om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en de functie van de bomen (paarverblijf, zomerverblijf, kraamverblijf of winterverblijf) te kunnen vaststellen is nader onderzoek uitgevoerd in 2020. Hieruit is gebleken dat alle holtes in de drie esdoorns ondiep zijn en ontstaan door snoeibeheer. Ze bieden geen toegang tot holle ruimtes in de bomen. Een
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
32
functie van de bomen als verblijfplaats voor vleermuizen is daarmee uitgesloten (Daamen 2020b). Het plangebied heeft waarschijnlijk een functie als foerageergebied voor vleermuizen. Dit is geen essentiële functie aangezien er geen grote oppervlakten groen of waterpartijen aanwezig zijn. Bovendien is er in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. In het plangebied zijn enkele rijen bomen aanwezig die mogelijk onderdeel kunnen zijn van een vliegroute van vleermuizen. Een essentiële functie als vliegroute is uitgesloten, omdat er voor vleermuizen voldoende alternatieve lijnvormige verbindingen zijn langs de weg in de vorm van tuinbegroeiing en woningen. Van aantasting van essentiële foerageer- en vliegroutefuncties voor vleermuizen als gevolg van de ingreep is geen sprake. Het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen. De aanpassing van het Vossenhol zorgt niet voor aantasting van essentiële functies van vleermuizen. De aanpassing van de weg zorgt niet voor overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb.
3.3.8
Vogels In de omgeving zijn waarnemingen gedaan van de volgende soorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is: huismus, roek, sperwer en steenuil (Figuur 16). In het plangebied zijn geen nesten waargenomen van vogels, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Het plangebied zelf is ook niet geschikt voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest, omdat er op het plangebied geen bebouwing aanwezig is, nestplaatsen ontbreken en de weg als omwonenden voor te veel verstoring zorgen. De omliggende bebouwing met erven buiten het plangebied biedt mogelijk wel nestplaatsen voor huismus, gierzwaluw, ransuil, kerkuil en steenuil. Een enkele huismus is waargenomen (NDFF & Daamen 202a). Het grasveld en de bermen in het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor huismus, buizerd, ransuil, kerkuil, steenuil en roek. Hierdoor zullen deze soorten ook mogelijk de weg passeren. De functie van het plangebied als foerageergebied is echter geen essentiële functie, omdat er in de nabijheid nog voldoende groen is. Bovendien blijven het grasveld en de bermen grotendeels behouden. Het plangebied vormt geschikt broedbiotoop voor algemeen voorkomende vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is. In twee van de te kappen bomen is tijdens het veldbezoek in 2020 een nest gevonden van waarschijnlijk een houtduif of zwarte kraai.
Door het toenemen van het aantal verkeersbewegingen wordt het risico groter dat vogels worden aangereden. Door de grotere kans op verkeersslachtoffers neemt ook de kans toe dat het broedsucces van deze soorten negatief beïnvloed wordt. Het risico op een negatief effect op het broedsucces van vogels door toename van het aantal verkeersbewegingen is geen overtreding van de Wnb omdat het niet opzettelijk gebeurt.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
33
Figuur 16.
3.3.9
Overzicht van waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten.
Overzicht effecten soortgroepen In Tabel 3.2 is een overzicht gegeven van de functie van het plangebied en eventuele effecten op beschermde soorten bij de aanpassing van Vossenhol. In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten besproken. De vereiste en gewenste maatregelen zijn reeds weergegeven in deze tabel, maar worden uitgebreid besproken in hoofdstuk 4. Tabel 3.2.
Overzicht van de functie van het plangebied en eventuele effecten op beschermde soorten in Vossenhol.
Soortgroep
Functie plangebied
Negatieve effecten op essentiële functies?
Overtreding Wnb
Maatregelen nodig
Planten
Geen
nvt
nvt
nvt
Ongewervelden
Geen
nvt
nvt
nvt
Vissen
Geen
nvt
nvt
nvt
Amfibieën
Voortplantingswater
Ja
Nee, vrijstelling
Ja (Zorgplicht)
Reptielen
Geen
nvt
nvt
nvt
Grondgebonden zoogdieren1
Verblijfplaats
Ja
Nee, vrijstelling
Ja (Zorgplicht)
Marterachtigen2
Foerageergebiedleefgebied: niet essentieel
Nee
Nee
Ja (Zorgplicht)
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
34
Vleermuizen
Foerageergebied en vliegroute; niet essentieel
nvt
Nee
Nee
Jaarrond beschermde nesten
Foerageergebiedleefgebied
Ja
Nee
Ja
* Di 1.
betreft de soorten van het beschermingsregime Andere soorten, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt.
2.
betreft wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter.
2.
3.4
Resultaten – onderdeel gebieden
3.4.1
Natura 2000-gebieden - geluid Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied en ligt hemelsbreed op ongeveer 500 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. De aanleg van de Dorpensingel brengt met zich mee dat verkeerstromen in het gebied veranderen. Zo wordt de route Vossenhol/Zandstraat van en naar de Dorpensingel drukker. Dit leidt mogelijk tot verandering van de geluidsbelasting op het Natura 2000gebied Rijntakken. De geluidbelasting voor en na aanleg van de Dorpensingel is daarom inzichtelijk gemaakt voor de situatie aan de Zandestraat en Vossehol (Figuur 17). Hierbij is gekeken naar de ligging van de 40 dB(A) contour. Streven is immers dat voor de lange termijn (2030) er een geluidniveau van maximaal 40 dB(A) heerst in Natura 2000-gebieden. De geluidbelasting op het Natura 2000-gebied is bepaald aan de hand van de methode Reijnen-Foppen (opgesteld door Alterra). Dit is een algemeen geaccepteerde methode voor het inzichtelijk maken van de geluidbelasting op natuurgebieden, waarbij nagegaan wordt wat de negatieve invloed is van het wegverkeer op broedvogels. De afbeeldingen laten zien dat de ligging van de 40 dB(A) contour als gevolg van de aanleg van de Dorpensingel niet wijzigt. De ingreep veroorzaakt geen aantasting van relevante soorten en begroeiingen in Natura 2000-gebieden (bijvoorbeeld als gevolg van geluid, trilling etc.).
Een voortoets is dan ook niet nodig (Karels 2020, Daamen 2020a). Een bepaling van mogelijke stikstofdepositie en beoordeling van mogelijke effecten daarvan maakte geen onderdeel uit van de betreffende onderzoeken. Ten overvloede: doordat effecten ten aanzien van geluid op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, geldt dat ook voor het GNN.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
35
Figuur 17.
Geluidsbelasting L24 in dB(A) op 1,5 m boven lokaal maaiveld door het verkeer op de Zandsestraat – Vossenhol 2021 (links) en 2034 (rechts)(V=80 km/uur en wegdek = DAB). Bron: gemeente Nijmegen.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
36
4 Maatregelen In dit hoofdstuk worden voor elk deelgebied maatregelen beschreven die nodig zijn in het kader van de Wnb. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen mitigatie en compensatie (zie kader) als verplicht onderdeel. Daarnaast worden ook maatregelen beschreven die gewenst zijn; de zogenaamde ‘natuurkansen’. Mitigatie versus compensatie Mitigerende maatregelen in het kader van soortenbescherming zijn maatregelen die worden getroffen om de overtreding van verbodsbepalingen ‘ter plaatse’ te voorkomen of te beperken. Het doel van mitigatie is daarmee plaats- en tijdsgebonden: mitigerende maatregelen moeten betrekking hebben op het beschermen van het exemplaar of het waarborgen van de functie van het nest of voortplantings- of rustplaats van het exemplaar van de beschermde soort dat wordt aangetast of vernield. Mitigatie kan daarmee ook betrekking hebben op het bieden van door het exemplaar te bereiken alternatieve verblijfplaatsen of leefgebieden. Compenserende maatregelen zijn niet per definitie gericht op het voorkomen of beperken van de overtreding van verbodsbepalingen, maar betreffen maatregelen om de gunstige staat van instandhouding te kunnen waarborgen van de getroffen soort. De maatregelen zijn daarmee niet direct afhankelijk van het exemplaar dat geschaad wordt, maar dienen in ieder geval betrekking te hebben op de populatie waartoe het exemplaar behoort.
Veelal betreffen compenserende maatregelen de inrichting van nieuw leefgebied, nieuwe verbindingszones of specifieke maatregelen om de kwaliteit van het bestaande leefgebied te verbeteren (Hunink & Riemer 2019).
4.1
Dorpensingel De natuurmaatregelen in het kader van de Wnb en het SMP-N voor Dorpensingel zijn als aparte laag uitgewerkt in het Inpassingsplan. In Figuur 18 t/m 21 staan de maatregelen weergegeven.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
37
Figuur 18.
Inrichtingsplan landschappelijke inpassing Dorpensingel – gemeente Nijmegen (bron: gemeente Nijmegen).
Figuur 19.
Faunamaatregelen Dorpensingel – gemeente Nijmegen (bron: gemeente Nijmegen).
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
38
Figuur 20.
Inrichtingsplan landschappelijke inpassing Dorpensingel – gemeente Lingewaard (bron: gemeente Nijmegen).
Figuur 21.
Faunamaatregelen Dorpensingel – gemeente Lingewaard. (bron: gemeente Nijmegen).
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
39
4.1.1
Vereiste maatregelen Vissen Er zijn geen compenserende maatregelen nodig voor grote modderkruiper; de soort komt momenteel niet binnen het plangebied voor. Bij werkzaamheden aan watergangen dient rekening gehouden te worden met de Zorgplicht of wel het treffen van mitigerende maatregelen. Dit houdt in: - Werkzaamheden aan watergangen zoveel mogelijk buiten de kwetsbare periode van vissen. Dat wil zeggen buiten de voortplantingsperiode en periode met strenge vorst. - Werkzaamheden uitvoeren in één richting, richting te behouden watergang, zodat dieren de kans hebben zelfstandig te vluchten. Amfibieën Voor wat betreft de rugstreeppad volstaat het - ook op het grondgebied van de gemeente Lingewaard - om te werken volgens het ecologische werkprotocol van het SMP-N (Martens & Krijt 2021), om overtredingen van verbodsbepalingen te voorkomen (mitigatie). Dit houdt in: - Werken buiten de kwetsbare periode (augustus tot en met maart). De rugstreeppad koloniseert snel tijdelijke wateren die bijvoorbeeld ontstaan door stagnatie van regenwater op aangereden bodem en in sporen van voertuigen. - Voorkom het ontstaan van wateren om kolonisatie van het plangebied te voorkomen. - De maatregelen uit het SMP (aanleggen twee poelen voor instandhouding soort in het Spiegelbos) zijn binnen het plangebied niet van toepassing.
- Schuilplaatsen van (algemeen voorkomende) amfibieën buiten de overwinteringsperiode verwijderen en dieren verplaatsen. Hierbij werken in één richting zodat dieren zelfstandig de kans hebben te vluchten. Grondgebonden zoogdieren Mitigatie – verbinden leefgebieden Voor behoud van de populatie hermelijnen op lange termijn (en andere marterachtigen waaronder ook steenmarter) is het belangrijk dat verschillende leefgebieden verbonden blijven en dat verkeersslachtoffers onder deze dieren voorkomen worden. Er zijn maatregelen nodig om negatieve effecten op de hermelijn en overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen. Het is hierbij belangrijk om faunapassages integraal op te nemen in het ontwerp van de weg en te zorgen voor een goede robuuste geleiding naar de passages, zie Figuur 19 en 21. Hierbij wordt aangesloten op kruisingen van bestaande en nieuwe landschapselementen met de nieuwe Dorpensingel, zoals watergangen, greppels en bosschages. Door de duikers te voorzien van loopstroken wordt een semi-natte verbinding gerealiseerd. Ter plaatse van droge verbindingen dient een tunnel gerealiseerd te worden. Bij het passeren van een kruisende watergang heeft een doorgetrokken oever de voorkeur omdat dit het beste aansluit op het aangrenzende gebied.
Als alternatief hierop kunnen loopstroken worden aangebracht; dit kan zowel als vast element in het kunstwerk of losse strook.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
40
Faunavoorzieningen worden voorzien van faunakerende rasters aan weerszijden van de weg, waarmee wordt voorkomen dat dieren alsnog de weg op kunnen geraken. Door de toekomstige groene zones en omgeving van de weg in te richten met een jaarrond aanbod aan ruigten waar diverse soorten zoogdieren en vogels leefgebied vinden, blijft het plangebied geschikt voor de betreffende marterachtigen. Vleermuizen Er zijn maatregelen mogelijk om de inpassing van de weg in het landschap zo vorm te geven dat vleermuizen en andere fauna er zo min mogelijk hinder van ondervinden. Vleermuizen gebruiken hoge begroeiing, watergangen en oevers als vliegroute en foerageergebied. Zorg dat vleermuizen de weg veilig kunnen passeren via donkere of hoge passages. Dit kan door duikers onder de weg voldoende hoog te maken (zie boven bij grondgebonden zoogdieren) of hop overs te creëren met bomen of schermen (zie onder bij roofvogels en uilen). Roofvogels en uilen Mitigatie Het bosje in de gemeente Lingewaard is essentieel leefgebied voor buizerd en is geschikt als nestplaats voor deze soort. Er zijn maatregelen nodig om negatieve effecten op de buizerd en uilen en overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen. - Dit is gedaan door vanuit het SMP-N nestplaatsen voor uilen te plaatsen in Nijmegen, inclusief de omgeving van de Dorpensingel. Deze worden tweejaarlijks gemonitord.
Ook in het Lingewaardse deel zijn kasten geplaatst en vindt monitoring plaats. - Er dient buiten het broedseizoen gewerkt te werken. Het aantasten en verstoren van bezette nesten is een overtreding van verbodsbepalingen en moet worden voorkomen. Mogelijk is er in het projectgebied ruimte om boomgroepjes te plaatsen die als nestplaatsen voor roofvogels kunnen fungeren. - Er worden maatregelen getroffen (hieronder beschreven) die zorgen dat het risico op verkeersslachtoffers onder roofvogels (steenuil, ransuil, kerkuil en buizerd) zo klein mogelijk wordt. - De meest logische verbindingen voor vogels zijn aangegeven in Figuur 19 en 21. Deze locaties zijn gebaseerd op de aanwezige nestplaatsen en/of foerageergebied van roofvogels en uilen om de Dorpensingel over te steken. Hier wordt hoog struweel/bomen (hop overs) aangebracht. De straatverlichting wordt zo gepositioneerd dat de hop overs ook geschikt zijn als overstreeklocatie voor vleermuizen. Dat wil zeggen dat de beplanting ter plaatse van de hop over niet wordt verlicht. - Tevens wordt er geen foerageeropties gecreëerd langs de berm om aanrijschade te voorkomen. Dit geldt voor de hele weg en kan gedaan worden door geen uitkijkposten (paaltjes) nabij weg te plaatsen of deze te voorzien van rollers, en geschikte uitkijkposten (voor roofvogels en uilen; 3 meter hoog) op minimaal 5 meter van rand asfalt te plaatsen.
Openbare verlichting - In zijn algemeenheid wordt de hoeveelheid openbare verlichting zoveel mogelijk beperkt en het gebied zo donker mogelijk gelaten. Met de juiste situering en hoogte van de lichtmasten, alsmede type lichtmast en bestralingsoppervlak, wordt hier al veel
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
41
-
mee bereikt. Belangrijk hierbij is dat alleen datgene wordt verlicht wat vanuit veiligheid noodzakelijk is, en niet de aanpalende berm of het achterland. Uitstraling door koplampen van auto’s wordt zoveel mogelijk beperkt. Dit is onder meer gedaan door een haag om te nemen in de bocht van de Woerdestraat – Zandsestraat, om daarmee inschijnen in de hoogstamboomgaard te voorkomen.
Compensatie Het SMP-N (Martens & Krijt, 2019) waarborgt dat leefgebied voor steenuil, kerkuil, ransuil en buizerd in de gemeente Nijmegen behouden blijft, wanneer de maatregelen uit dit plan worden nageleefd. Dit is uitgewerkt in het Inpassingsplan en omvat hoogstamboomgaarden, extensief ruig grasland, heggen en hagen.
4.1.2
Gewenste Maatregelen Planten De bermen en graslanden binnen en direct buiten het plangebied kunnen worden ingezaaid met een inheems gras- en bloemenmengsel. De gemeente Nijmegen start in 2021 met de pilot Kleurkeur op een aantal locaties ten zuiden van de rivier. Deze pilot kan worden uitgebreid in de Waalsprong. Kleurkeur geeft richtlijnen voor een ecologisch bermbeheer ten behoeve van een hogere biodiversiteit. Het beheer wordt insectenvriendelijker door o.a. de maaidatum en maaifrequentie aan te passen waar mogelijk (sinusbeheer). Ongewervelden Na de ingreep kunnen oevers met waardplanten voor teunisbloempijlstaart worden ontwikkeld in sloten en greppels langs de weg. Dit is te bevorderen door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers met een flauw talud. Dit kan in elke watervoerende sloot ontwikkeld worden en langs open water, zoals de Zandse plas. Locaties voor deze maatregel zijn het gedeelte van de sloot die behouden blijft binnen het plangebied en de watergang langs de Zwarteweg, die hiermee in verbinding staat. Ook het profiel van andere watervoerende sloten direct grenzend aan het plangebied kunnen worden ingericht met potenties voor waardplanten voor teunisbloempijlstaart. Soortenrijke bloemrijke oevers zijn ook belangrijk leefgebied voor andere soorten insecten en daarmee voor het gehele ecosysteem.
Vissen Er kan nieuw leefgebied voor grote modderkruipers worden gerealiseerd door het graven van nieuwe watergangen of aanleggen van natuurvriendelijke oevers in bestaande watergang die gespaard blijven. Bij het aanleggen van nieuw leefgebied voor grote modderkuiper dient men rekening te houden met diverse maatregelen die een watergang geschikt maken voor deze soort (BIJ12 2017b). De sloten moeten vrij ondiep zijn, zodat ze voor de andere vissoorten geen geschikt leefmilieu vormen, maar wel watervoerend. De gebieden moeten daarnaast groot genoeg zijn om de populatie in stand te houden. Of het daadwerkelijk mogelijk is om nieuwe leefgebied voor grote modderkruiper te creëren is mede afhankelijk van de randvoorwaarden vanuit archeologie. Dit wordt in de detailleringsfase verder uitgewerkt.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
42
Roofvogels en uilen Een extra nestkast voor kerkuilen ophangen (2 in plaats van 1) op nieuwe locatie langs de Woerdsestraat, om de kans op (broed-)succes te vergroten. Faunavoorzieningen Binnen het tracé van de Dorpensingel zijn op vier locaties een faunavoorziening voorzien (zie Figuur 19 en 21). De faunavoorzieningen en rasters dienen waar mogelijk zo gedimensioneerd en ingepast te worden dat ze – naast kleine marterachtigen - geschikt zijn voor meerdere soorten, waaronder kamsalamander. Droge tunnels (met een zandlaag) van circa 90x70 cm worden ook gebruikt door amfibieën, waarmee invulling wordt gegeven aan het GO-beleid van de provincie. Door de archeologische betekenis van het plangebied is de ruimte (hoogte) voor een faunatunnel beperkt tot een hoogte van 30-40 cm. Door de tunnel met een drempel te combineren kan nog enige winst (hoogte) behaald worden, maar dat geldt niet voor alle locaties waar een faunavoorziening komt. Als richtlijn voor minimale afmetingen van een faunavoorziening die geschikt is voor amfibieën wordt verwezen naar de Leidraad Faunavoorzieningen (Wansink et al., 2013). Bij een tunnellengte <10 meter volstaat een rechthoekige tunnel van 0,4-0,5 mtr breed en 0,4-0,5 mtr hoog. Bij een tunnellengte van 10-20 meter dient een rechthoekige tunnel van 1,0 mtr breed en 0,75 mtr hoog gerealiseerd te worden.
Daarnaast is hier een ander type afrastering nodig dan wordt toegepast bij kleine en middelgrote zoogdieren. Naast kleine marterachtigen en kamsalamander profiteren ook kleine zoogdieren en, mogelijk in de toekomst, zelfs de das van deze ontsnipperende maatregelen. De das is tevens een kensoort van het GO. Voor nadere detaillering van de voorzieningen en rasters per soortgroep wordt verwezen naar de Leidraad Faunavoorzieningen (Wansink et al., 2013). Aan de Zandsestraat (buiten het plangebied) is een vijfde locatie voor een faunavoorziening ter hoogte van de Bemmelse Zeeg, van het Waterschap. Deze locatie sluit aan op het GO-beleid en draagt bij aan het functioneren als ecologische verbindingszone (evz). In de huidige situatie loopt deze evz vanaf de noordzijde tot aan de Zandsestraat. Aan de zuidzijde loopt deze door als drogere verbinding richting Waaldijk, maar niet volwaardig. De Zandsestraat vormt in de huidige situatie een (beperkte) barrière; door de aanwezige bebouwing en erven is hier geen volwaardige verbinding aanwezig. Met het project Dorpensingel wordt deze barrière werking verhoogd, door een toename in verkeersbewegingen. Omdat op korte termijn (komende jaren) geen plannen zijn vanuit het Waterschap om de verbinding richting de Waaldijk op te pakken zal het gebruik door grondgebonden fauna (en daarmee het risico op faunaverkeersslachtoffers) beperkt blijven.
Dit beperkte effect kan gemitigeerd worden door het aanbrengen van een verkeersdrempel. Het aanbrengen van een faunavoorziening op deze locaties wordt vanuit project Dorpensingel als gewenste maatregel gezien. Hierbij is het van belang dat met het project Dorpensingel de (toekomstige) evz niet onmogelijk wordt gemaakt (fysiek verandert er niks). Bij een eventuele reconstructie of groot onderhoud van de Zandsestraat kan deze wens verzilverd worden. Daarnaast is en blijft het van belang om hierbij ook de omgeving mee te nemen, zodat sprake is van een goede aansluiting. Het Biodiversiteitsplan Nijmegen kan hierbij als kapstok worden gebruikt.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
43
Kleinschalige landschapselementen Figuur 22 laat diverse voorbeelden zien van kleinschalige (landschaps-)elementen die in het plangebied kunnen worden opgenomen. Het gaat onder meer om natuurvriendelijke oevers voor oeverplanten, insecten en amfibieën, takkenrillen voor grondgebonden zoogdieren waaronder kleine marterachtigen en kruiden- en faunarijk grasland die ecologisch beheerd worden (bv. sinus maaibeheer) waar insecten, zoogdieren en (roof)vogels van kunnen profiteren. Ook is het voor de biodiversiteit goed om een aantal poelen op te nemen in het plangebied, waar soorten van natte natuur van kunnen profiteren. Een aantal van deze maatregelen zijn reeds onderdeel van het Inpassingsplan. Van andere maatregelen – met name die graafwerk vereisen - is het in dit stadium niet duidelijk of deze gerealiseerd kunnen worden. Dit wordt in de detailleringsfase vastgesteld.
Figuur 22.
Diverse voorbeelden van kleinschalige (landschaps-)elementen die toegepast kunnen worden in het plangebied.
4.2
Vossenhol
4.2.1
Vereiste Maatregelen Amfibieën Zie § 4.1.1 voor mitigerende maatregelen in het kader van de Zorgplicht, die erop gericht zijn om negatieve effecten op algemene voorkomende soorten amfibieën (zoals bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander) zoveel mogelijk te voorkomen.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
44
Grondgebonden zoogdieren Mitigatie De toename van het aantal verkeersbewegingen kan zorgen voor een groter risico op verkeersslachtoffers onder grondgebonden zoogdieren. Marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter worden in Nederland frequent als verkeersslachtoffer gemeld. De Zorgplicht schrijft voor om ‘in alle redelijkheid’ maatregelen te treffen die bijdragen aan het verminderen van verkeersslachtoffers. Dit kan door faunapassages integraal op te nemen in het ontwerp van de weg en te zorgen voor een goede robuuste geleiding naar de passages. Hier kunnen niet alleen marterachtigen, maar ook overige kleine zoogdieren en amfibieën de weg veilig passeren. Faunapassages worden gerealiseerd op locaties waar duikers en greppels de weg kruisen. Dieren volgen deze elementen en steken vervolgens de weg over. Bij beperkte ruimte kan ook gekeken worden hoe faunapassages in combinatie met verkeersdrempels kunnen worden ingepast. Ook dan is een goed aansluiting op het achterland essentieel voor het functioneren van de passage. In figuur 23 is weergegeven op welke locaties faunapassages kunnen worden aangelegd op plaatsen waar duikers en greppels aanwezig zijn. In figuur 19 en 21 zijn voorbeelden gegeven hoe deze faunapassages eruit komen te zien met de landschappelijke inbedding/inrichting.
Omdat het plangebied niet groot en smal is en grote delen bebouwd zijn langs de weg, zijn mitigerende maatregelen lastig in te passen. Het is niet noodzakelijk deze ook voor vleermuizen in te richten, omdat het plangebied geen functie heeft voor vleermuizen. Daarbij zijn de greppels te ondiep/laag om deze als faunapassage voor vleermuizen geschikt te maken. In het kader van de Zorgplicht zijn mitigerende maatregelen nodig om negatieve effecten op bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis (Beschermingsregime andere soorten) zoveel mogelijk te voorkomen. Voor grondgebonden zoogdieren is het belangrijk bij graafwerkzaamheden in bermen en greppels het werkgebied eerst te maaien. Door het verlies aan dekking zullen de meeste dieren zich verplaatsen naar de omgeving waar nog wel dekking aanwezig is.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
45
Figuur 23.
Mogelijke locaties faunapassages (bruine lijnen) in plangebied Vossenhol.
Vogels Mitigatie Door de ingreep is er een risico op het vernietigen en/of verstoren van broedgevallen van algemene soorten vogels (overtreding artikel Wnb 3.1 lid 2 en 3.1 lid 4 en 5). Maatregelen zijn nodig om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. De rooiwerkzaamheden dienen daarom te starten in periode september-februari. Hiermee wordt verstoring van vogels in de broedperiode voorkomen. Wanneer de activiteiten binnen het broedseizoen plaatsvinden zal door een deskundige de te verdwijnen bomen gecontroleerd moeten worden op de aanwezigheid van bezette nesten en/of actuele nestbouw.
4.2.2
Gewenste Maatregelen Het plangebied is smal met een klein oppervlak aan natuurlijke elementen, waardoor er weinig mogelijkheden zijn om gewenste maatregelen uit te voeren binnen het plangebied. De kansen zijn groter wanneer de maatregelen in de (directe) omgeving worden uitgevoerd.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
46
Planten (en insecten) De bermen en grasvelden binnen het plangebied en in het omliggende gebied inzaaien met een inheems gras- en bloemenmengsel. Deze graslanden dienen vervolgens beheerd te worden volgens ecologisch bermbeheer ten behoeve van een hogere biodiversiteit (bv. Kleurkeur). Het beheer wordt insectenvriendelijker door o.a. de maaidatum en maaifrequentie aan te passen waar mogelijk (sinusbeheer). Ruigere graslanden zijn tevens foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren en roofvogels. Het is raadzaam de directe stroken langs de weg niet te aantrekkelijk te maken voor laatst genoemde soortgroepen, vanwege de vergrote kans op deze locaties van verkeersslachtoffers. Vogels Het risico op een negatief effect op het broedsucces van vogels met jaarrond beschermd nest door toename van het aantal verkeersbewegingen is geen overtreding van de Wnb omdat het niet opzettelijk gebeurt. De volgende maatregelen kunnen getroffen worden om dit risico te verkleinen: - Door het aanleggen van hagen en struweel op enige afstand van de weg kan niet worden voorkomen, maar de kans wel worden verkleind dat vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen uit de omgeving van het plangebied worden aangereden.
- Door het nemen van maatregelen die de snelheid verminderen op de weg (verkeersdrempels etc.) zal de toename van het aantal verkeersslachtoffers verminderen, niet alleen voor vogels met jaarrond beschermde nesten, maar ook van grondgebonden zoogdieren.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
47
Literatuur Backx, B.J.A., 2020. Habitatgeschiktheidsanalyse kleine marterachtigen Waalsprong Nijmegen. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport RA19087-01. Eco Assist, Helmond. BIJ12, juli 2017a. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo, versie 1.0. BIJ12, juli 2017b. Kennisdocument grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. BIJ12, juli 2017c. Kennisdocument kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Bureau Waardenburg 2021. Stappenplan Wet natuurbescherming gemeente Nijmegen. Versie januari 2021 (in concept). Cardinaals, J.T.B., 2020. Nader onderzoek teunisbloempijlstaart, kamsalamander en steenmarter in plangebied Dorpensingel. 24 juni 2020. Bureau Waardenburg, Culemborg. Creemers, R.C.M., 1994. Amfibieën in uiterwaarden. Voortplantingsplaatsen van amfibieën in uiterwaarden. Katholieke universiteit Nijmegen, Werkgroep Dieroecologie, Nijmegen. Daamen J., 2020a. Quickscan Wet natuurbescherming bestemmingsplan Vossenhol in de gemeente Lingewaard. 17 juli 2020. Bureau Waardenburg, Culemborg. Daamen J., 2020b. Bomeninspectie langs Vossenhol in gemeente Lingewaard. 13 oktober 2020. Bureau Waardenburg, Culemborg. Emond, D., G. Hoefsloot & L. Verhoek, 2020. Vervolgonderzoek kleine marterachtigen, uilen, roofvogels en vleermuizen in plangebied Dorpensingel. 13 november 2020. Bureau Waardenburg, Culemborg. Foppen R. & R. Reijnen 1994.
The effect of car traffic on breeding bird populations in woodland. II. Breeding dispersal of male willow. warblers (Phylloscopus trochilus) in relation to the proximity of a highway. Journal of Applied Ecology 31, 95-101. Gemeente Nijmegen, 2021. Dorpensingel Nijmegen-Lingewaard in Groene Ontwikkelingszone. Memorandum. 210216 GO-beoordeling Dorpensingel. Gyimesi, A. & G. Hoefsloot. Inventarisatie en effectbeoordeling Flora- en faunawet Dorpensingel. Kenmerk notitie: 14-235/14.05810/GerHo. Bureau Waardenburg, Culemborg Hellstedt, P., 2005. Behaviour, dynamics and ecological impact of small mustelids. (dissertatie) Dep. of Biological and Environmental Sciences Ecology and Evolutionary Biology, University of Helsinki. Helsinki. Hoefsloot, G., 2014a. Flora- en faunawet quick scan project Dorpensingel. Kenmerk: 14076/14.01667/GerHo. Bureau Waardenburg, Culemborg. Hoefsloot, G., 2014b. Inventarisatie en effectbeoordeling Flora- en faunawet Dorpensingel. Kenmerk: 14-235/14.05810/GerHo. Bureau Waardenburg, Culemborg Hoefsloot, G. 2017. Onderzoek grote modderkruiper Zuiderveld. Kenmerk notitie: 16687/17.05393/GerHo. Bureau Waardenburg, Culemborg. Hunink, S. & D. Riemer, 2019. Artikel 183. Worden mitigatie en compensatie voldoende juridisch gewaarborgd in Wnb-ontheffingen? Tijdschrift natuurbeschermingsrecht. Nummer 7, september 2019. SDU. Karels M.A., 2020.
Beschermde soorten en gebieden Wnb Dorpensingel, Nijmegen. Bureau Waardenburg Rapportnr. 19-218. Bureau Waardenburg, Culemborg. Loermans, J.H.T., 2019. Quick scan Wnb Landschappelijk wonen nabij het Keizer Augustusplein Nijmegen. Bureau Waardenburg kenmerk: 19.08269/JohLo. Bureau Waardenburg, Culemborg.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
48
Martens, T. & N. Krijt, 2019. Soortmanagementplan Nijmegen-de Waalsprong. Kenmerk: D190080965. 4 februari 2019. Gemeente Nijmegen. Martens, T. & N. Krijt, 2021. Werkprotocol Soortmanagementplan Nijmegen-de Waalsprong. Kenmerk: D190515619. 19 januari 2021. Gemeente Nijmegen. Reijnen, R. & R. Foppen 1994. The effect of car traffic on breeding bird populations in woodland. I. Evidence of reduced habitat quality for willow warblers (Phylloscopus trochilus) breeding close to a highway. Journal of Applied Ecology 31, 85-94. Reijnen, R. R. Foppen, C. ter Braak, J. Thissen 1995. The effects of car traffic on breeding bird populations in woodland. III. Reduction of density in relation to the proximity of main roads. Journal of Applied Ecology 32, 187-202. Reijnen, R. , R. Foppen & H. Meeuwsen 1996. The effect of car traffic on the density of breeding birds in Dutch agricultural grasslands. Biological Conservation 75, 255-260. Reijnen. R. & R. Foppen 2006. Impact of road traffic on breeding bird populations. In: Davenport, J. & Davenport, J.L. (eds) The Ecology of Transportation: Managing Mobility for the Environment, 255-274. Springer, The Netherlands. Sleeman, P, 1989. Stoats and Weasels, Polecats and Martens. Whittet Books Ltd., London 119 p. Todd, I, Macdonald, D.W and Tew, T.E (2004) 'The ecology of weasels (Mustela nivalis) on mixed farmland in southern England.' Biologia, 59 (2).
pp. 235-241. ISSN 1336-9563 Twisk, P., A. van Winden, R. Lange, & A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van West-Europa, 2de druk. Uitgeverij KNNV en VZZ, Utrecht. Verschoor, G & J. Hermans, 2020. De teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) in Limburg. Natuurhistorisch Maandblad. Mei 2020, jaargang 109. Wansink, D.E.H, G.J. Brandjes, G.J. Bekker, M.J. Eijkelenboom, B. van den Hengel, M.W. de Haan & H. Scholma, 2013. Leidraad Faunavoorzieningen bij Infrastructuur. Rijkswaterstaat, Dienst Water, Verkeer en Leefomgeving, Delft/ProRail, Utrecht. Zollinger, R., R. Creemers, T. Kroon, J. Jacobs, F. Jacobs, K. Willemse, H. van Diek & C. Vermanen, 2020. Monitoring vogels, amfibieën en vissen in Nijmegen Noord in 2020. In het kader van Soortenmanagementplan Waalsprong. Eindrapport. 2020.082. 16 december 2020. Stichting Ravon, Nijmegen.
Natuurwaarden Dorpensingel en Vossenhol Nijmegen 2021
49
Bureau Waardenburg bv Onderzoek en advies voor ecologie en landschap Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg Telefoon 0345-512710 E-mail info@buwa.nl, www.buwa.nl