Hekkelman advies buitenwettelijke bescherming Rode Lijst-soorten (1)
Tekst van het document
Hekkelman Advocaten N.V.
Postbus 1094
Prins Bernhardstraat 1
6501 BB Nijmegen
6521 AA Nijmegen
T 024 - 382 83 84
www.hekkelman.nl
advocatuur@hekkelman.nl
advocaten I notarissen
Gemeente Nijmegen t.a.v. mevrouw N. Krijt Postbus 9105 6500 HG Nijmegen
Per e-mail : n.krijt@nijmegen.nl Nijmegen, 19 april 2022 Ons kenmerk
Telefoonnummer
Nijmegen/ De Stelt Oost 20211340 - 2337475/1 - AT/
024 - 382 83 26
Faxnummer
Betreft
a.tucian@hekkelman.nl
024 - 382 83 88
advies buitenwettelijke bescherming Rode Lijst-soorten
Geachte mevrouw Krijt, U heeft ons om advies gevraagd naar aanleiding van een motie van de Partij van de Dieren die de gemeenteraad van Nijmegen tijdens de raadsbehandeling van het bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord' op 22 december 2021 gedeeltelijk heeft aangenomen. Deze motie ziet kort gezegd op het gemeentelijk beschermen van beschermde en Rode Lijst-soorten. In het aangenomen deel van de motie wordt het college van burgemeester en wethouders verzocht om in het kader van ruimtelijke plannen voortaan in alle natuuronderzoeken soorten-specifiek onderzoek te verrichten naar alle beschermde en Rode Lijst-soorten en actief beschermingsmaatregelen uit te werken in het bestemmingsplan wanneer een beschermde en/of Rode Lijst-soort in het plangebied voorkomt. Ten aanzien van de Rode Lijst-soorten die niet ook worden beschermd op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming, geldt dat met deze motie een buitenwettelijke verplichting wordt aangegaan. U heeft ons gevraagd of het — in het kader van ruimtelijke plannen - verplichten van het uitvoeren van natuuronderzoeken en het treffen van beschermingsmaatregelen ten aanzien van Rode Lijst-soorten juridisch ook uitvoerbaar is.
Daarnaast wilt u weten wat ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen de (juridische) gevolgen zijn van het op gemeentelijk niveau beleidsmatig beschermen van alle voorkomende Rode Lijst-soorten. Hierbij treft u ons advies aan. Het advies is als volgt opgebouwd: 1.
Het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming
2.
Rode Lijst-soorten: inhoud en juridische betekenis
Hekkelman advocaten en notarissen is de handelsnaam waaronder Hekkelman Advocaten N.V. (KvK nr. 09170462) en Hekkelman Notarissen N.V. (KvK nr. 09170507), beide statutair gevestigd te Nijmegen, ieder voor eigen rekening werken, Op onze dienstverlening zijn van toepassing de algemene voorwaarden (zie www.hekkelman.nl) waarin onder andere een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen.
1-lekkel ma Pagina
2/8
3. 3.1.
3.1.2. 3.2.
Mogelijkheid buitenwettelijke bescherming Rode-Lijst soorten Strengere/ aanvullende natuurtoets in het kader van een goede ruimtelijke ordening Deugdelijke onderbouwing ruimtelijke relevantie strenger c.q. aanvullend soortenbeschermingsregime Geen doorkruising Wnb: bescherming moet aanvullend van aard zijn Bescherming Rode Lijst-soorten op grond van de zorgplicht
4.
Gevolgen van buitenwettelijke bescherming van Rode Lijst-soorten
5.
Conclusie
3.1.1.
1. Het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming Het soortenbeschermingsrecht is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming (hierna: 'de Wnb'). De Wnb bevat voor de bescherming van soorten drie verschillende beschermingsregimes: 1.
2.
3.
In artikel 3.1 t/m 3.4 van de Wnb is het beschermingsregime opgenomen voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. In artikel 3.5 t/m 3.9 van de Wnb is het beschermingsregime opgenomen voor alle in het wild levende dieren van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). In artikel 3.10 van de Wnb is tot slot het beschermingsregime opgenomen voor in het wild levende individuen van andere nationale soorten, waarvan de wetgever heeft aangegeven dat deze vanuit nationaal oogpunt beschermd dienen te worden (zoals genoemd onder onderdeel A en B van de bijlage bij de Wnb).
Per soortenbeschermingsregime zijn verbodsbepalingen in de wet vastgelegd (respectievelijk artikel 3.1, artikel 3.5 en artikel 3.10). Wanneer door een ontwikkeling een verbodsbepaling wordt overtreden mag die ontwikkeling in beginsel niet plaatsvinden. Overtreding van een verbodsbepaling kan echter door middel van een ontheffing van de provincie (college van gedeputeerde staten) mogelijk gemaakt worden, mits wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden (respectievelijk artikel 3.3, artikel 3.8 en artikel 3.10). Om te beoordelen of al dan niet sprake is van een verbodsovertreding c.q. ontheffingsplicht, zullen steeds natuuronderzoeken moeten worden uitgevoerd ten aanzien van de beschermde soorten. Uit die natuuronderzoeken kan volgen dat het in het kader van het soortenbeschermingsregime uit de Wnb nodig is dat ten aanzien van beschermde soorten mitigerende - en/of compenserende maatregelen worden getroffen. Naast het soortenbeschermingsregime van hoofdstuk 3 van de Wnb is in artikel 1.11 van de Wnb een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht dient als een soort vangnetbepaling en heeft als uitgangspunt dat alle handelingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, soorten en hun directe leefgebied,
2337475/1
1-Tekkel m(,1 Pagina
3/8
achterwege worden gelaten. Eenieder die een handeling wil verrichten die nadelig kan zijn voor natuurwaarden, moet zich dus eerst op de hoogte stellen van de aanwezigheid van die natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van zijn handelingen. Alleen als het achterwege laten van de handeling redelijkerwijs niet kan worden gevergd, kan de handeling worden verricht. Dan zal degene evenwel alle noodzakelijke maatregelen moeten treffen om de nadelige gevolgen te voorkomen, om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of — als toch schade optreedt — ongedaan te maken. Ten aanzien van soorten geldt dat de zorgplicht ziet op álle plant- en diersoorten, dus ook op de Rode Lijst-soorten die niet worden beschermd op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb. 2. Rode Lijst-soorten: inhoud en juridische betekenis Naast de beschermingsregimes uit hoofdstuk 3 van de Wnb, heeft Nederland vanwege verplichtingen op grond van internationale regelgeving (o.a. Verdrag van Bern) de zogenoemde Rode Lijsten' vastgesteld.1 De Rode Lijsten omvatten verdwenen, ernstig bedreigde, bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland en zijn verdeeld over 18 soortgroepen. De Rode Lijsten hebben géén juridische status.
Het voorkomen van een soort op de Rode Lijst betekent daarom niet dat er een bepaald beschermingsregime gaat gelden (zie ABRS 19 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF4760, r.o. 2.3.4.1). Wel hebben de Rode Lijsten een belangrijke (signalerings)functie voor het soortenbeleid op provinciaal of Rijksniveau. De Rode Lijsten worden gebruikt als indicatie voor de staat van de natuur en kunnen voor specifieke soorten op deze lijst van invloed zijn op het ten aanzien van die soorten te voeren (actieve) beschermingsbeleid (zie bijvoorbeeld artikel 1.5 en 1.12 van de Wnb). Let wel, dit betreffen taken en bevoegdheden van de provincie en/of het Rijk en in beginsel niét van de gemeente. In praktijk is het zo dat diverse soorten die vermeld worden op de Rode Lijst, ook worden beschermd op grond van artikel 3.1, artikel 3.5 of artikel 3.10 van de Wnb. Zo worden op grond van artikel 3.1 van de Wnb (Vogelrichtlijn-soorten) alle van nature in het wilde levende vogels beschermd. Vogels die op de Rode Lijst vermeld staan, worden over het algemeen dus ook al beschermd onder het Vogelrichtlijnregime. Maar ook ten aanzien van bijvoorbeeld diverse zoogdieren op de Rode Lijst geldt dat deze vaak ook al worden beschermd op grond van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn-soorten) of artikel 3.10 (nationale soorten) van de Wnb.2 Dit geldt echter lang niet alle soorten van de Rode Lijst.
Veel Rode Lijst-soorten genieten geen bescherming op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb.
1 De lijsten hebben via de AMvB Besluit Rode Lijsten flora en fauna een wettelijke status gekregen (maar hebbe qua bescherming dus geen juridische status). 2 https://minInv.nederlandsesoorten.nl/content/rode-lijsten Op deze site van het Ministerie van LNV kan per Rode Lijst-soort of deze al dan niet ook worden beschermd op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb en de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
2337475/1
1-lekkel ma Pagina
4/8
Een voorbeeld is de Rode Lijst voor bijen. Alhoewel het Besluit Rode Lijsten flora en fauna een lange lijst met soorten bijen bevat, vallen bijen niet onder het beschermingsregime van artikel 3.5 of 3.10 van de Wnb. Maar ook voor de Rode Lijst voor zoogdieren geldt dat deze niet één op één is overgenomen in de Wnb.
De plaatsing van een soort op de Rode Lijst heeft dus niet direct tot gevolg dat voor deze soorten het beschermingsregime van hoofdstuk 3 gaat gelden. Hetzelfde geldt voor het schrappen van soorten van de Rode Lijsten. In beide gevallen is daarvoor een formele wijziging van de Wnb vereist. Mogelijkheid buitenwettelijke bescherming Rode-Lijst soorten Strengere/ aanvullende natuurtoets in het kader van een goede ruimtelijke ordening Uit de voorgaande paragraaf volgt dat - voor zover soorten niet zijn beschermd op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb - er geen wettelijke verplichting bestaat om voor ruimtelijke plannen soortengericht onderzoek uit te voeren naar Rode Lijst-soorten. Datzelfde geldt voor het uitwerken van actieve beschermingsmaatregelen in ruimtelijke plannen. Dit betekent echter niet dat de gemeente ten aanzien van die soorten geen aanvullende (buitenwettelijke) beschermingsmaatregelen mag treffen. 3. 3.1.
Uit de rechtspraak volgt dat de gemeente in het kader van ruimtelijke plannen, over de boeg van een goede ruimtelijke ordening, een strenger c.q. aanvullend natuurbeschermingsregime kan hanteren dan die voortvloeit uit de Wnb. De gemeente zal deze strengere c.q. aanvullende bescherming (van Rode Lijst-soorten) - ook ten behoeve van de rechtszekerheid - moeten verankeren in het gemeentelijk beleid, waarna dat beleid bij de vaststelling van ruimtelijke plannen kan worden toegepast. Wel is van belang dat het strengere c.q. aanvullende beschermingsregime deugdelijk wordt onderbouwd. Wij wijzen op de uitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3071: "9.3. De Afdeling overweegt dat in het milieueffectrapport "Industriezandwinning IJsselmeer" van 31 oktober 2017 staat dat de zandwinning negatief scoort op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Dsselmeer". Verder blijkt uit de passende beoordeling dat de zandwinning negatieve gevolgen heeft voor onder meer het foerageer- en rustgebied van vogels. Dit is tussen partijen niet in geschil. Het betoog van Smals dat de raad alleen had mogen weigeren om het plan vast te stellen als vast zou komen te staan dat de zandwinning zou leiden tot significant negatieve effecten, volgt de Afdeling niet. Dit volgt ook niet uit het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.
De Afdeling is van oordeel dat de raad het plan vanwege de negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, ook al zouden die niet significant zijn, in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Dat kan worden voldaan aan de Wnb betekent immers niet dat de ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van natuurwaarden in het Natura 2000-gebied "Dsselmeer". Het bestuursorgaan mag andere, strengere, normen hanteren, mits deugdelijk onderbouwd. De Afdeling is van oordeel dat de raad de gestelde aantasting
voldoende heeft onderbouwd. Hierbij komt dat in het beleid van de gemeente De Fryske Marren is vastgelegd dat de raad zich het belang bij behoud en ontwikkeling van de
2337475/1
1-lekkel ma Pagina
5/8
natuurwaarden in het Natura 2000-gebied "IJsselmeer" in het bijzonder aantrekt.'g (onderstreping AT).
Hoewel bovenstaande uitspraak van de Afdeling gaat over het gebiedsbeschermingsrecht uit de Wnb en expliciete rechtspraak ten aanzien van het soortenbeschermingsrecht niet voorhanden is, menen wij dat deze redeneerlijn even goed op het soortenbeschermingsrecht van toepassing is. Hiervoor achten wij ook de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:30) relevant die gaat over de weigering van de gemeenteraad van Gennep om het bestemmingsplan Rondweg Milsbeek' vast te stellen. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad zich bij de weigering in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de aanleg van de rondweg in een open gebied tot een te grote aantasting van de in het plangebied aanwezige natuur- en landschapswaarden zou leiden, ondanks het feit dat de (toen nog geldende) Flora- en faunawet (= soortenbescherming) niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zou staan (r.o. 6.4 en 6.5). Wij citeren de relevante overwegingen: "(...) Verder heeft de raad er ter zitting op gewezen dat de rondweg, ondanks dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zou staan, negatieve gevolgen heeft voor de in (de directe nabijheid) van het plangebied voorkomende dier- en plantensoorten. Uit het door Grontmij opgestelde rapport "Flora en
faunaonderzoek Rondweg Milsbeek" van 30 oktober 2014 volgt dat het als gevolg van de aanleg van de rondweg aannemelijk is dat een tijdelijke verstoring van het leefgebied van de beekprik en/of rivierprik, rivierdonderpad en kleine modderkruiper in de Kroonbeek kan optreden. Binnen het plangebied zijn tevens een drietal groeiplaatsen van het rapunzelklokje waargenomen, waarvan een enkele binnen het tracé van de voorgenomen rondweg. Om de groeiplaats te behouden dienen bestaande groeiplaatsen binnen het werkgebied verplaatst worden naar een geschikte locatie buiten de invloedsfeer van werkzaamheden. 6.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de rondweg in een thans open gebied tot een te grote aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden zou leiden. (...)".4 (onderstreping AT).
Deugdelijke onderbouwing ruimtelijke relevantie strenger c.q. aanvullend soortenbeschermingsregime Als gezegd is een strenger c.q. aanvullend soortenbeschermingsregime op grond van een goede ruimtelijke ordening gelet op de hierboven aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020 alleen mogelijk wanneer dat regime deugdelijk wordt onderbouwd. Concreet betekent dit dat in het gemeentelijk beleid goed onderbouwd zal moeten worden waarom de aanvullende bescherming van de Rode Lijst-soorten op gemeentelijk niveau ruimtelijk relevant is en zal vastgelegd moeten worden waarom 3.1.1.
ABRS 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3071. 4 ABRS 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:30.
3
2337475/1
1-lekkel ma Pagina
6/8
bescherming van Rode Lijst-soorten van belang is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het zal daarom niet voldoende zijn om simpelweg in het beleid op te nemen dat álle Rode Lijst-soorten, vanuit het algemeen natuurbelang, moeten worden beschermd. Daargelaten dat het in praktijk waarschijnlijk praktisch onuitvoerbaar zal zijn om bij elk individueel plan ten aanzien van álle Rode Lijst-soorten (meer dan 3000 soorten) soortgericht natuuronderzoek uit te voeren. Wij wijzen in dit licht ter vergelijking ook op de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3765, r.o. 8-9 (Smallingerland)). De Afdeling oordeelde in deze uitspraak onder meer dat regels in het bestemmingsplan om vanuit duurzaamheidsoverwegingen het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving tegen te gaan, zodanig algemeen was, dat geen sprake was van een ruimtelijk relevant belang/doel. De gemeente zal dus steeds soort-specifiek en/of gebied-specifiek moeten onderbouwen waarom aanvullende bescherming van de betreffende Rode Lijst-soorten vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening van belang wordt acht. 3.1.2. Geen doorkruising Wnb: bescherming moet aanvullend van aard zijn Daarnaast is van belang de gemeentelijke bescherming van Rode Lijst-soorten niet leidt tot een (onaanvaardbare) doorkruising van de in de Wnb opgenomen bevoegdheden.
De provincie (college van gedeputeerde staten) is immers het bevoegd gezag op grond van de Wnb. Wanneer de gemeente (deels) eenzelfde regeling zou formuleren als in hoofdstuk 3 van de Wnb ten aanzien van alle Rode Lijst-soorten, zou dat, voor zover die Rode Lijst-soorten ook al worden beschermend op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb, voor een onaanvaardbare doorkruising van de in de Wnb opgenomen bevoegdheden (van de provincie) zorgen. Zie ook bijvoorbeeld ABRS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942 (r.o. 50.8). De gemeentelijke bescherming van de Rode Lijst-soorten zal, ten opzichte van het soortenbeschermingsregime, aanvullend van aard moeten zijn. Ten aanzien van Rode Lijst-soorten die niet onder het soortenbeschermingsregime van de Wnb vallen, zal niet snel sprake zijn van doorkruising (maar dit moet dus wel ruimtelijk relevant zijn). Voor wat betreft Rode Lijst-soorten die wél onder het soortenbeschermingsregime uit de Wnb vallen (bijvoorbeeld veel vogels en zoogdieren), zal veel eerder sprake zijn van doorkruising van de Wnb. Ten aanzien van die soorten zal daarom goed voor ogen gehouden moeten worden dat de gemeentelijke bescherming een aanvulling op de Wnb moet vormen en zal dit zo nodig ook goed onderbouwd moeten kunnen worden. Voorbeeld: De patrijs staat op de Rode Lijst voor vogels.
De patrijs wordt eveneens beschermd op grond van artikel 3.1 van de Wnb (Vogelrichtlijn-soort). Het is daarom bijvoorbeeld niet toegestaan om ten aanzien van de Patrijs een soortgelijk beschermingsregime als in artikel 3.1 Wnb in het beleid en/of planregels op te nemen. Daarmee zou immers de bevoegdheid van de provincie doorkruist worden. Omdat het nest van de patrijs op grond van de Wnb echter alleen beschermd wordt gedurende het broedseizoen (geen jaarrond
2337475/1
1-lekkel
m
Pagina
7/8
beschermd nest), is het wel mogelijk om aanvullend bijvoorbeeld te regelen dat het nest van de patrijs ook buiten het broedseizoen wordt beschermd (mits dat ook ruimtelijk relevant is). 3.2. Bescherming Rode Lijst-soorten op grond van de zorgplicht Daarnaast kan het interessant zijn om te bezien of de gemeente voor Rode Lijst-soorten een aanvullend beschermingsregime kan hanteren op grond van de algemene zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wnb. Wanneer de bescherming van de Rode Lijst-soorten gegrond kan worden op de zorgplicht, is het niet relevant of dit ook ruimtelijk relevant is. De zorgplicht uit de Wnb is immers ingegeven vanuit het (algemene) belang van bescherming van de natuur. Ter uitvoering van de zorgplicht door de gemeente zelf zou beleid kunnen worden opgesteld waarin regels worden gesteld ten aanzien van (de bescherming van) Rode Lijst-soorten. Het is echter niet mogelijk om anderen dan de gemeente aan dat beleid te binden. Reden hiervoor is dat de provincie (college van gedeputeerde staten) het bevoegd gezag is voor handhaving van de zorgplicht. Wanneer de gemeente anderen aan beleid ter uitvoering van de zorgplicht zou verbinden, zou dit - qua handhaving - in de bevoegdhedensfeer leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van de Wnb. Dat is niet toegestaan.
Bovendien zal de gemeente ook in eventueel beleid in het kader van haar eigen uitvoering van de zorgplicht ervoor moeten waken dat daarmee niet het soortenbeschermingsregime uit hoofdstuk 3 van de Wnb (onaanvaardbaar) wordt doorkruist. Wij verwijzen hiervoor naar paragraaf 3.1.2 van dit advies. Gelet op het bovenstaande heeft het de voorkeur om een eventueel aanvullend soortenbeschermingsregime voor Rode Lijst-soorten te baseren op een goede ruimtelijke ordening. 4. Gevolgen van buitenwettelijke bescherming van Rode Lijst-soorten Wanneer (beleidsmatig) in alle individuele (ruimtelijke) plannen actief het leefgebied van álle Rode Lijst-soorten wordt beschermd, zal dit een forse (buitenwettelijke) onderzoeklast met zich meebrengen. Met name wanneer een wettelijke verplichting voor een concreet plan of project ontbreekt, leidt een dergelijke (beleidsmatige) verplichting tot onduidelijkheid en onzekerheid en kan dit juist leiden tot forse vertraging in de uitvoering van gemeentelijke plannen en tot extra plankosten. Te meer nu de Rode Lijsten 18 soortgroepen betreffen met meer dan 3000 dier- en plantsoorten.
Zeker met het oog op de aanzienlijke woningbouwopgave van de gemeente en de huidige problematiek op de woningmarkt is het in onze optiek niet aan te raden om dergelijke verplichtingen op concreet niveau te eisen wanneer die maatregelen op grond van de Wet natuurbescherming niet getroffen hoeven te worden.
2337475/1
1-lekkel maa Pagina
8/8
5. Conclusie De conclusie van dit advies luidt als volgt. Er bestaat, voor zover die soorten niet vallen onder het soortenbeschermingsregime van de Wnb, geen wettelijke verplichting om ten aanzien van Rode Lijst-soorten bij ruimtelijke plannen soortgericht natuuronderzoek uit te voeren en beschermingsmaatregelen te treffen wanneer die Rode Lijst-soorten in dat plangebied aanwezig zijn. Dit betekent echter niet dat de gemeente ten aanzien van die soorten geen aanvullende (buitenwettelijke) beschermingsmaatregelen mag treffen. Het is mogelijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening een strenger c.q. aanvullend soortenbeschermingsregime te hanteren. De gemeente zal dit moeten neerleggen in beleid, waaraan vervolgens in ruimtelijke plannen toepassing kan worden gegeven. Ten behoeve van de juridische houdbaarheid van het strengere c.q. aanvullende soortenbeschermingsregime zal wel deugdelijk onderbouwd moeten worden dat de bescherming van Rode Lijst-soorten een op gemeentelijk niveau ruimtelijk relevant belang is. Daarnaast mag het aanvullende beschermingsregime niet leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van het soortenbeschermingsregime in de Wnb. De bescherming van de Rode Lijst-soorten moet aanvullend van aard zijn.
Bescherming van Rode Lijst-soorten over de boeg van de algemene zorgplicht uit de Wnb is alleen mogelijk voor zover het de uitvoering van de zorgplicht door de gemeente zelf betreft. Derden kunnen daaraan niet worden gebonden. Dit zou immers leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van de bevoegdheid van de provincie. Het heeft om die reden de voorkeur om te werken via het spoor van een goede ruimtelijke ordening. Een buitenwettelijke bescherming van Rode Lijst-soorten zal echter wel zorgen voor belemmering van ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente. Het is daarom de vraag of het wenselijk is om dergelijk beleid te voeren. Zeker met het oog op de grote woningbouwopgave binnen de gemeente. Met vriendelijke groet, Hekkel an Advoca n N.V.
Anne ugan en Tycho Lam advocaten
2337475/1