Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein) Toelichting
Tekst van het document
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
41
Daarnaast stelt de Spoorwegwet een vergunning verplicht voor het gebruik van gronden nabij het spoor.
4.6.2
Planvoornemen
Trillingen De handreiking nieuwbouw en spoortrillingen stelt dat als de afstand tot het spoor minder dan 100 meter is, het aspect trillingen beoordeeld moet worden. Is de afstand groter dan 100 meter maar kleiner dan 250, dan kan dit ook geschieden op basis van de bodemgesteldheid, treinbeeld of klachten. Alle woningen komen binnen 250 meter van de spoorbaan. Er komen ook woningen binnen 100 meter van de spoorlijn. Er is hier sprake van nieuwbouw bij bestaand spoor. Dit maakt dat de SBR-richtlijnen van toepassing zijn. Er is door DGMR een trillingsonderzoek uitgevoerd (M.2021.1176.00.N001V2 d.d. 20-05-2022, zie Bijlage 5 Trillingsonderzoek). Dit onderzoek heeft als uitgangspunt de intensiteiten vanuit het PHS (Project Hoogfrequent Spoor) genomen, waarvoor een Tracébesluit is genomen. Hieruit blijkt het volgende:
Trillingscontouren (Bron: Bijlage 5 Trillingsonderzoek) Binnen 95 meter van het spoor zullen bij fundering van woningen op staal aanvullende maatregelen moeten worden genomen daar de trillingsniveaus de waarde A2 overschrijden. Binnen 80 meter van het spoor zullen bij fundering van woningen op palen aanvullende maatregelen moeten worden genomen daar de trillingsniveaus de waarde A2 overschrijden. Dit betekent dat er voor meerdere woningen voldoende trillingsbeperkende maatregelen moeten worden genomen. Dit is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels in 16.1 Overige zone - trillinghinder geborgd. Indien er gebruik wordt gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid (16.1.2), dan dienen toekomstige bewoners geïnformeerd te worden dat er mogelijk trillinghinder kan optreden. Spoorwegwet In het kader van de Spoorwegwet heeft ProRail vergunning verleend op grond van het bepaalde in artikel 19 lid 1 van die wet, voor de bouw van het onderhoudsgebouw ten behoeve van de
42
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
roeivereniging, zie Bijlage 6 Vergunning Spoorwegwet. Daarmee wordt voldaan aan de belangen van ProRail.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Toetsingskader
4.7.1.1
Uitgangspunten Omgevingsvisie
We voorkomen veiligheids- en gezondheidsrisico's. Daarom willen we een leefbare, veilige en schone stad met aandacht voor luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geluid en de gevolgen van klimaatverandering (hitte). 4.7.1.2
Wettelijk kader
Bij toetsing van een ruimtelijk plan op luchtkwaliteit moet conform regelgeving gelet worden op de volgende 2 aspecten: a. b.
Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit.
Ad a. Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen. Dezebetreffen de stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, fijn stof (PM10), koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, lood en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen overschrijdingen geconstateerd voor de stoffen NO2 en PM10. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen. De grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet luchtkwaliteit zijn weergegeven in onderstaande tabel. De regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteitseisen is verder uitgewerkt in AMvB's en Ministeriële regelingen. Bij het faciliteren van ruimtelijke plannen moet volgens de Nederlandse wetgeving de verandering van de luchtkwaliteit door het plan worden getoetst.
Jaargemiddelde grenswaarde NO2
norm 40 ìg/m3
ingangsdatum 1 januari 2015
Jaargemiddelde grenswaarde PM10
40 ìg/m3
1 juni 2011
Daggemiddelde grenswaarde PM10
max. 35 dagen/jaar > 50 ìg/m3
1 juni 2011
Tabel: luchtkwaliteit Een ruimtelijke ontwikkeling kan doorgang vinden indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; de luchtkwaliteit door de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), of; bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de ruimtelijke ontwikkeling,
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
43
de luchtkwaliteit in een gebied rondom het project per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, of; de ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in, past binnen, of is in elk geval niet strijdig met een vastgesteld programma zoals het NSL (Wm artikel 5.16.1.d), of; er geen grenswaarden worden overschreden door de ruimtelijke ontwikkeling.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit van zijn daarom sinds 2008 grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen. Voor PM2,5 geldt een Europese grenswaarde van 25 µg/m3 voor het jaargemiddelde. De WHO beschouwt deze grenswaarde als interimdoelstelling op weg naar een advieswaarde van 10 µg/m³ (WHO, 2006). Momenteel ligt een nieuwe EU-richtlijn voor luchtkwaliteit ter consultatie waarin nieuwe advieswaarden zijn opgenomen voor PM2,5; PM10 en NOx van respectievelijk 5 µg/m3, 15 µg/m3 en 10 µg/m3. Wat betreft de bijdrage van een plan aan de luchtkwaliteit is het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen (Luchtkwaliteitseisen) van belang, die gelijk met de wetswijziging van kracht is geworden. Plannen die niet meer dan 3% bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5.
Ad b. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit. Op 16 januari 2009 is het Besluit “gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)” in werking getreden. Met deze amvb wordt de bouw van zogenaamde gevoelige bestemmingen in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. Het besluit heeft als doel het beschermen van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Over gemeentelijke wegen zegt het besluit niets en is derhalve geen beperking voor het plan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Ziekenhuizen, woningen, sportaccommodaties en (ondersteunende) horeca worden dus niet als gevoelige bestemming gezien.
4.7.2
Planvoornemen
Het plan voorziet in de realisatie van ongeveer 18 nieuwe woningen en de vestiging van een sportvereniging met aanverwante functies.
Ad a: veroorzaker: De bij het project behorende ritgeneratie veroorzaakt geen verkeersaantrekkende werking die een verslechtering van meer dan 3% veroorzaakt. Het plan draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Ad b: te beschermen object: Een woning is geen gevoelige bestemming. Ter plaatse van het plan worden de grenswaarden
44
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
niet overschreden. De nieuwe richtwaarden van de WHO die eind december zijn aangekondigd worden nog wel overschreden. De gemeente heeft zich daarom gecommitteerd aan het Schone Lucht Akkoord. Luchtkwaliteit is geen beperking voor het plan.
4.8
Geur
4.8.1
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij stelt regels ter bescherming van voor geur gevoelige objecten. Een geurgevoelig object is, kortgezegd, een gebouw waarin mensen gedurende de dag verblijven. In de wet is een meer gedetailleerde begripsbepaling opgenomen.
4.8.2
Planvoornemen
Het plangebied is in het stedelijk gebied gelegen. Binnen een straal van 1 km zijn geen veehouderijen gelegen. Geurproblematiek of beperking van bedrijven in hun bedrijfsvoering is hier niet aan de orde.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Toetsingskader
4.9.1.1
Uitgangspunten Omgevingsvisie
We voorkomen veiligheids- en gezondheidsrisico's. Daarom willen we een leefbare, veilige en schone stad met aandacht voor luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geluid en de gevolgen van klimaatverandering (hitte). 4.9.1.2
Wettelijk kader
De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en door risicovolle transportroutes. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden. De volgende risicobronnen hebben invloed op het bestemmingsplangebied. Het spoor van Nijmegen naar Arnhem De Waal A325 /Prins Mauritssingel
4.9.2
Planvoornemen
Plaatsgebonden risico Onder het plaatsgebonden risico (PR) wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. De PR-contour van
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
45
de genoemde risicobronnen blijft ver van de voorgenomen ontwikkeling en vormt dus geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van de beschouwde risicobron. Het groepsrisico dient verantwoord te worden. Het plangebied ligt op ongeveer 500 meter van de Waal en de A325. Op deze afstand is alleen een zeer onwaarschijnlijk toxisch ongevalsscenario in het plangebied mogelijk vanuit deze bronnen. Het groepsrisico is daarom op een standaard wijze verantwoord in de beleidsvisie van februari 2014 (Beleidsvisie Externe Veiligheid Nijmegen, 2014 pagina 33). Het plangebied ligt tevens op korte afstand van het spoor van Nijmegen naar Arnhem. Het toevoegen van kwetsbare objecten tussen de 30 en 200 meter vanaf het spoor dient volgens de beleidsvisie zwaar verantwoord te worden. Zeer kwetsbare objecten zoals basisscholen en kinderdagverblijven worden niet voorzien in het plan. Kwetsbare objecten zoals woningen zijn wel voorzien. Sinds het vaststellen van de beleidsvisie in 2014 is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' vastgesteld. Hierdoor zijn ook landelijk afspraken gemaakt over het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen en zijn de risico's op het spoor aanzienlijk gedaald.
Dit laatste blijkt ook uit de berekening die is gemaakt voor deze planontwikkelingen (ODRN Risico's Spoor, 1-2022, zie Bijlage 7 Risico's spoor nul-situatie en Bijlage 8 Risico's spoor voor woningen). Het groepsrisico blijft met de planontwikkeling ver onder de 10% van de oriëntatiewaarde. De restrisico's die overblijven in het plangebied zijn het gevolg van het mogelijk optreden van een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) -scenario en een toxisch scenario. Aangezien de gemeente geen invloed heeft op de veiligheid van het transport zelf en in de overdracht van bron naar object weinig zinvolle maatregelen denkbaar zijn, blijven alleen de objectgebonden maatregelen over om te overwegen. Dit zijn bijvoorbeeld maatregelen die mensen de gelegenheid geven langer te kunnen schuilen in een object of maatregelen die voorkomen dat onderdelen van gebouwen bezwijken bij een bepaalde overdruksituatie. Gezien het feit dat het groepsrisico ver onder de 10% van de oriëntatiewaarde ligt en het transport van gevaarlijke stoffen beperkt is zouden aanvullende bouwkundige maatregelen disproportioneel zijn ten opzichte van de te bereiken veiligheidswinst. Advies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid De Veiligheidsregio Gelderland Zuid (VRGZ) heeft op 4 juli 2022 een advies uitgebracht over de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
De VRGZ gaat op deze aspecten akkoord met de gekozen verantwoording van het groepsrisico, zie Bijlage 9 Advies VRGZ.
4.9.3
Conclusie
De ontwikkeling van kwetsbare objecten in dit bestemmingsplan is aanvaardbaar.
4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader 4.10.1.1 Uitgangspunten Omgevingsvisie Sociale en gezonde stad: We voorkomen veiligheids- en gezondheidsrisico's. Daarom willen we een leefbare, veilige en schone stad met aandacht voor luchtkwaliteit, bodemkwaliteit,
46
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
geluid en de gevolgen van klimaatverandering (hitte). 4.10.1.2 Wettelijk kader Het bestaande bestemmingsplan wordt gewijzigd. Het bevoegd gezag moet bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2 Awb). Het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, waaronder de bodem. Ook moet inzicht bestaan over de uitvoerbaarheid van het plan (artikel 3.1.6 Bro). Bodemverontreiniging kan hierop van invloed zijn. Daarom beoordelen wij de bodemkwaliteit in relatie tot het bestemmingsplan.
4.10.2 Planvoornemen Het plangebied bestaat grotendeels uit agrarische percelen en aan de oostzijde een bedrijfsterrein aan de Oosterhoutsedijk 48 en een woning aan de Oosterhoutsedijk 60.
4.10.2.1 Uitgevoerde onderzoeken De bodemkwaliteit is beoordeeld op basis van de volgende rapporten: Voor de overwegend agrarische percelen: Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 en NEN 5707 Oosterhoutsedijk 60 in Nijmegen, Ortageo, kenmerk 214243/R01, d.d. 12-04-2021 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D2201 99215&type=.pdf Geen chemische verontreinigingen boven de interventiewaarde en geen asbest boven de halve interventiewaarde op de Oosterhoutsedijk 60. Nader bodemonderzoek Hof van Holland zuid Rapportage versie 1, Bioclear, kenmerk 20185431/11855, d.d.06-12-2018 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1901 12581&type=.pdf Onderzoek naar sloot op de grens van het plangebied. De sloot is verontreinigd, advies om de sloot te saneren en te dempen. Arcadis heidemij, Verkennend bodemonderzoek Oosterhoutsedijk/ Zaligestraat te Oosterhout, Kenmerk 634-OA99-4128-19618, d.d. 18-05-1999 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1509 41512&type=.pdf Actualiserend bodemonderzoek in opdracht van de gemeente Nijmegen. De oliesloot is zwaar verontreinigd en dus moet rekening worden gehouden met een mogelijke sanering. Goedkeuring BUS-melding sanering nabij Oosterhoutsedijk 60 te Lent Locatiecode:NM026801938, Gemeente Nijmegen, kenmerk D190250752, d.d. 18-04-2019.
https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1902 50752&type=.pdf Goedkeuring melding voor de sanering van de ''oliesloot''
Voor het bedrijfsterrein: Aanvullend bodemonderzoek Oosterhoutsedijk 48 in Nijmegen, Ortageo, kenmerk 214140/R01, d.d. 12-4-2021 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D2203 43087&type=.pdf Oliespot in de loods betreft geen ernstig geval van bodemverontreiniging. Op het terrein dat niet
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
47
binnen het plangebied ligt is een ernstige verontreiniging van asbest aangetroffen, die gesaneerd zal moeten worden. Verder is daar ook een ondergrondse tank aangetroffen, zonder bodemverontreiniging. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Oosterhoutsedijk 48 in Nijmegen (Lent), Ortageo, kenmerk 213746/R01, d.d. 18-12-2020 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D2203 42842&type=.pdf Terreindelen zijn verhard met puin, asbest aangetroffen op het zuidelijke deel van het terrein buiten het plangebied en minerale olie aangetroffen in de loods. Aanbeveling om nader onderzoek te doen naar de minerale oliespot en de asbestspot. Nader bodemonderzoek fase 2, De klinker, kenmerk 2908/030711OL.310, d.d. 06-02-2004 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D Sterke verontreiniging minerale olie aan de westkant van de schuur/loods. Geen tetrachloormethaan aangetroffen in het grondwater. Nader grond- en grondwateronderzoek fase 1, De klinker, kenmerk 3117/010330OL.310, d.d. 7-8-2001 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1509 41523&type=.pdf Minerale olie aangetroffen in de loods. Lood aangetroffen op twee locaties, maximaal een lichte verontreiniging van lood aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek, Grontmij, kenmerk 1114/1259161, d.d.
20-04-1995 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1509 41528&type=.pdf Minerale olie en een lichte verontreiniging met zink, lood en PAK op het bedrijfsterrein. Verslag van onderzoek naar bodemverontreiniging in de gemeente Elst, Oranjewoud, kenmerk 1112/10078-11433, d.d. 01-06-1993 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1509 41526&type=.pdf De sloot ter noordwesten van het terrein is zeer ernstig verontreinigd. Een nader onderzoek wordt aangeraden naar minerale olie en lood op het bedrijfsterrein. Indikatief milieutechnisch onderzoek voor P.G.E.M. terrein aan de Oosterhoutsedijk te Lent, Fugro, kenmerk 1113/F-5430/001, d.d. 12-01-1988 https://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D1509 41527&type=.pdf In opdracht van de provincie Gelderland is onderzoek gedaan naar het voormalige P.G.E.M.-terrein. Uit dit onderzoek bleek een sterke verontreiniging van minerale olie aanwezig te zijn in de sloot ter noordwesten van het voormalige P.G.E.M.-terrein. 4.10.2.2 Samenvatting en conclusie Voor de overwegend agrarische percelen: Uit het aanvullende onderzoeksrapport van Ortageo blijkt er geen sprake te zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging, omdat geen sterke verontreiniging is aangetroffen. De aangetroffen lichte verontreinigingen vormen geen risico voor het beoogde gebruik.
Op het Noordwesten van de Oosterhoutsedijk heeft ook een sloot gelegen waarin een olieverontreiniging heeft gelegen. Deze sloot is door de gemeente Nijmegen gesaneerd. Voor het bedrijfsterrein: Op het bedrijfsterrein is op de bodem een grote hoeveelheid halfverhardingsmateriaal bestaande uit puin en grind aanwezig. Dit halfverhardingsmateriaal zal voor het starten van de bouwwerkzaamheden afgevoerd moeten worden. In de planexploitatie moet rekening gehouden worden met de kosten voor afvoer van puin en grind.
48
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
De aangetroffen verontreiniging bij het clubgebouw van de roeivereniging op de zuidoostelijke grens van het plangebied vormt een risico voor het beoogde gebruik en daarom moeten saneringsmaatregelen getroffen worden. Hiertoe dient een BUS melding of een saneringsplan te worden ingediend. In de planexploitatie moet rekening gehouden worden met bovenstaande saneringslocaties. Naast de aangetroffen verontreiniging bij het clubgebouw is ook een ondergrondse tank aangetroffen. Deze ondergrondse tank kan bij het beoogde gebruik voor een potentieel risico zorgen en dient onklaar gemaakt te worden. Dit moet gebeuren aan de hand van vigerende regels. In de planexploitatie moet rekening gehouden worden met het onklaar maken van de ondergrondse tank. Behoudens de bovengenoemde verontreiniging, blijkt op het overgrote deel van het bedrijfsterrein geen sprake te zijn van bodemverontreiniging Bij het realiseren van de gewijzigde bestemming verwachten we zodoende geen verdere maatschappelijke en financiële belemmeringen ten gevolge van een bodemverontreiniging.
4.11 Water 4.11.1 Uitgangspunten Omgevingsvisie Toekomstbestendige wijken: Elke wijk dient een kwalitatief goede openbare ruimte te hebben met groen, water, natuur, ecologie en groene verbindingen, die uitnodigt tot ontmoeting, spelen, bewegen en recreatie. Groene, gezonde stad: Bij de verdere ontwikkeling van de stad gaan we uit van het natuurlijk systeem, dat bestaatuit groen, water en de ondergrond. Juist als we de stad gaan verdichten en intensiveren, wordt de kwaliteit van de groene en blauwe netwerken en plekken in de stad steeds belangrijker. Zowel voor de leefbaarheid voor mens en dier, de biodiversiteit en de klimaatadaptatie We maken het natuurlijk systeem robuuster. We onderzoeken in samenhang met herinrichtingsprojecten welke kansen er zijn voor herstel of het zichtbaar maken van het natuurlijk systeem en van cultuurhistorische elementen daarin zoals landgoederen. We zorgen voor meer groen, extra oppervlaktewater en regenwater-infiltratiesystemen in de bodem, zodat onze grondwatervoorraad op peil blijft.
4.11.2 Toetsingskader algemeen Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd. Het plangebied is gelegen ten zuiden van Hof van Holland en is grenzend aan een nieuwe watersingel. In het gebied wordt woningbouw gerealiseerd. Daarnaast wordt de roeivereniging definitief gehuisvest met bijbehorend drijvende botenhuis in de Spiegelwaal (buitendijks). Het drijvende botenhuis zal dienen als veilige opslag en vertrek/aankomst van de boten en hun roeiers. Het plangebied maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van de Waalsprong. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023, het
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
49
Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong (2009) (WIW) en de beleidsnota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) relevant. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Versterken Verbinden Vergroenen. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels.
4.11.3 Oppervlaktewater 4.11.3.1 Beschrijving Aangrenzend aan het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. In de nabije omgeving liggen verschillende watergangen die het hemelwater van het gebied afvoeren naar de singels. Via het plangebied stroomt hemelwater af naar de dichtstbijzijnde watergang. De watergang kruist het spoor middels een duiker. Ten noordwesten van het plangebied sluit het oppervlaktewater aan op het singelsysteem van Hof van Holland. De watergangen fluctueren met de waterstanden van de Waal mee. Een gedeelte van de legger (Waterschap Rivierenland) is weergegeven in .
Afbeelding Overzicht watergangen volgens de legger wateren van Waterschap Rivierenland Het stedelijk watersysteem van de Waalsprong bestaat in de eindsituatie in 2020 uit een netwerk van onderling verbonden singels, sloten en drie grote plassen. De singels hebben een meervoudige functie. Allereerst hebben ze een waterbergende functie om het regenwater op te vangen. Verder hebben ze een transportfunctie om onder natte omstandigheden het teveel aan regenwater en kwelwater van de Waal af te voeren naar de plassen in de landschapszone. Bij te veel verlaat het water het gebied via een stuwconstructie bij Oosterhout. Tevens hebben ze de functie om bij lage waterstanden water uit de plassen te ontvangen. De singels hebben verder een drainerende functie voor de tussenliggende woongebieden. Tenslotte hebben de singels een ecologische functie en bepalen ze sterk de kwaliteit van de leefomgeving. De singels zijn in
50
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
beheer en onderhoud bij het waterschap. Het watersysteem is beschreven in het WIW en speelt een (mede)ordenende rol bij stedelijke ontwikkelingen. De singels hebben een variabel peil en kennen sterke fluctuaties. Het gemiddelde peil bedraagt NAP+7,90 m. De singels mogen niet leeglopen. In droge periodes wordt water vanuit de plassen in de singels gepompt om een minimaal peil van NAP+7,60 m te verkrijgen. Het systeem van singels bestaat uit drie lussen. Het plangebied ligt langs de zogenaamde grote lus. De maximaal berekende waterstand in de watergang bedraagt NAP+8,60 m (bij bui T=10). Het waterschap monitort de waterkwaliteit in plassen en singels. De verwachting was dat de hoeveelheden nutriënten (stikstof en fosfaat) de MTR-normen mogelijk zouden overschrijden. Uit de monitoring over 2015, gepresenteerd op 15 januari 2016, blijkt echter dat de totaal nutriëntenbalans bij het meetpunt onder de gestelde norm van 0,08 mg/l blijft. Bij de singels worden zoveel mogelijk natuurlijke oevers aangelegd (minimaal eenzijdig). Deze vormen een deel van de zuivering van het water. De verwachting is dat, zodra er een volwaardig oppervlaktewatersysteem is, de waterkwaliteit zal toenemen. De plassen dienen dan als een soort bezinkput voor het stof waaraan zich voedingsstoffen hechten.
In de toekomst zal regelmatig water door de singels rondgepompt worden wat bevorderlijk is voor de waterkwaliteit. Een eerste ecologische monitoring door het waterschap geeft aan dat de nieuwe oevers en de vijvers zelf zich al goed aan het ontwikkelen zijn. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de aan- en afvoer van water, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed, gemeten uit de insteek. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone.
Afbeelding Hoofdwatersysteem Waalsprong
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
51
4.11.3.2 Planvoornemen De eerste waterberging zal plaatsvinden in de zaksloten en wadi's binnen het plangebied. Vanuit deze bodempassages wordt het water vertraagd naar oppervlaktewater afgevoerd. Alleen bij noodsituaties kunnen via de slokops overstortingen plaatsvinden. Hierdoor stelt het waterschap eisen aan de benodigde berging. Toenemend verhard oppervlak wordt gecompenseerd in de landschapszone, hiervoor wordt een waterboekhouding bijgehouden en halfjaarlijks geactualiseerd. Aangrenzend aan het plangebied ligt een watergang. De beschermingszone hiervan ligt voor een heel klein deel binnen voorliggend plangebied. Hiervoor geldt de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen".
4.11.4 Grondwater 4.11.4.1 Toetsingskader Het plangebied ligt in een poldergebied. Het oude dorp Lent ligt op een iets hogere zandige stroomrug. Eromheen liggen van oorsprong lager gelegen kleiige gronden en deels zijn die lage gebieden nog aanwezig. Bij hoge waterstanden in de rivier zoals in 1993 en 1995 kan het grondwater in het plangebied gemiddeld één keer in 25 jaar tot aan het maaiveld komen. Door de dijkteruglegging in combinatie met de aanleg van het kwelscherm zal volgens de MER Dijkteruglegging Lent 2010 geen achteruitgang in het plangebied plaatsvinden. Het kwelscherm zal echter niet alle kwel gaan tegenhouden en kwelafvoer blijft dus nodig. De singel dichtbij de nieuwe waterkering zal deze kwel voor een groot deel gaan afvoeren. Ook de sloten in het gebied nabij het Wijersterrein moeten hun functie voor het afvangen van kwel en het afvoeren van regenwater blijven behouden. Het plangebied bevindt zich niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Het uitgangspunt bij stedelijke uitbreidingen is grondwaterneutraal bouwen. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen.
Dit kan bereikt worden door: een aan grondwater gerelateerde keuze van de locatie, bijvoorbeeld geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden; maatregelen tijdens bouwrijp maken en bouw, bijvoorbeeld ophogen, goede structuur van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur; een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen, bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen.
Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als die onvoldoende soelaas bieden, komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Dit sluit ondergronds bouwen niet uit. Dat is mogelijk mits voldoende technische maatregelen worden getroffen zodat de bouw waterdicht is. In de Waterwet is naast de gemeentelijke zorgplicht voor regenwater ook een zorgplicht voor grondwater opgenomen. Gelet op de verantwoordelijkheden van particulieren strekt deze zorgplicht niet zover dat gemeenten ook gehouden zijn (ter voorkoming van grondwateroverlast) maatregelen te nemen op percelen die in particulier eigendom zijn. Eigenaren moeten zelf zorgen voor een goede staat van de bij hen in eigendom zijnde percelen
52
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
en gebouwen. Zij moeten in dat kader zelf bouwkundige maatregelen treffen. Dit speelt vooral bij ondergronds bouwen. Voor indicatieve informatie over de grondwaterstanden wordt verwezen naar de milieuatlas van de gemeente Nijmegen die te vinden is via http://kaart.nijmegen.nl/milieu/. De grondwaterstand is van belang voor de eventuele bouw van een kelder of een verdiepte parkeervoorziening en het (tijdelijk) lozen van het bronneringswater. Op de milieuatlas is ook informatie te vinden over (resultaten en onderzoek naar) de waterdoorlatendheid van de bodem. De grondwaterstand wordt bij het in het WIW omschreven peilbeheer primair gereguleerd door het oppervlaktewatersysteem. De secundaire structuur bestaat uit de drainage onder de bodempassages en de cunetdrainage in de wegen. Deze zullen alleen functioneren bij buien met een herhalingstijd groter dan T=10 en/of een hoge waterstand in de rivier. Bij lage intensiteiten en waterstanden zullen deze systemen geen grondwater naar oppervlaktewater afvoeren. Daardoor wordt voldaan aan de eis van grondwaterneutraal bouwen uitgaande van de definitie volgens het WIW. Weg- en vloerpeilen Een belangrijk aspect in de bepaling van de toekomstige maaiveldhoogten is het beperken van wateroverlast door hoge grondwaterstanden.
Bij het vaststellen van de toekomstige wegpeilen worden de volgende algemene randvoorwaarden gehanteerd: droogleggings- en ontwateringnormen; aansluiten op bestaande wegen in de omgeving door maaiveldhoogten zo natuurlijk mogelijk op te vangen (civieltechnische constructies minimaliseren); grondverzet beperken; goten voor bovengrondse afvoer van hemelwater;
Vloerpeilen dienen in principe minimaal 0,15 m boven de kruin van de weg te liggen. De kruin van de weg is hier gedefinieerd als het hoogste punt van de aan te leggen verharding.
Drooglegging en ontwatering Om de afvoer van drainageleidingen naar het oppervlaktewater onder vrij verval te laten plaatsvinden, verdient het de voorkeur dat het oppervlaktewaterpeil beneden de uitmonding van de drainageleiding ligt. Om dat te kunnen realiseren is er een bepaalde drooglegging noodzakelijk. Voor een goede ontwatering wordt een drooglegging van 1,00 m gehanteerd. De ontwatering is het verschil tussen de maaiveldhoogte en het grondwaterpeil. De drooglegging is het verschil tussen de maaiveldhoogte en het oppervlaktewaterpeil. De benodigde drooglegging kan worden afgeleid aan de hand van de uitgangspunten vanuit het waterbeheer: voldoende mogelijkheden tot afwatering garanderen; afvoer van hemel- en overstortwater garanderen; rekening houden met rioolberekeningen en overstortdrempels; rekening houden met peilstijgingen oppervlaktewater; respecteren van de lokale watersituatie.
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
53
Deze eisen worden vertaald naar een toekomstig aanlegpeil voor de wegen binnen het plan. Met betrekking tot het bouwrijp maken van het terrein moet aan een aantal technische uitgangspunten voldaan worden. Deze zijn: een minimale drooglegging van 1,00 m; een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 m beneden maaiveld ter plaatse van wegen/verharding; een minimale ontwateringsdiepte van 0,85 m beneden vloerpeil ter plaatse van bebouwing; een minimale ontwateringsdiepte van 0,50 m beneden maaiveld ter plaatse van woningen zonder kruipruimten tuinen en groenvoorzieningen; Hierbij wordt verondersteld dat deze niveaus gemiddeld één keer per jaar mogen worden overschreden.
4.11.4.2 Planvoornemen Voor het plangebied is een GHG van NAP+9,50 m geadviseerd. Daaruit volgt een toekomstige maaiveldhoogte NAP+10,20 m. De gemiddelde maaiveldhoogte moet ongeveer NAP+10,20 m tot NAP+10,30 m worden. Omdat het vloerpeil minimaal 0,15 m boven het wegpeil moet liggen, bedraagt het minimale vloerpeil NAP+10,35 m. De ontsluitingswegen sluiten aan op de Oosterhoutsedijk. Deze verloopt van circa 10,25 naar 14,00 m+NAP.
4.11.5 Afvalwater De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de Oosterhoutsedijk. De riolering is uitgevoerd als gescheiden stelsel. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden.
Afbeelding Huidige riolering nabij Wijersterrein
Afbeelding Uitsnede pompenplan Waalsprong (2017)
Een rioolgemaal aan de Oosterhoutsedijk pompt het water naar het eindgemaal van de Waalsprong. De persleiding (PE-90) gaat via Oosterhoutsedijk en kruist het spoor richting de Parallelweg in pompgebied Lent. Hier wordt het geloosd op het vrijvervalstelsel. Het eindgemaal pompt het water verder naar de rioolwaterzuivering Arnhem zuid. Het afvalwater van de gebouwen in het plangebied moet worden aangesloten op de openbare riolering. Het is niet uitgesloten dat van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden. Voor het maken van nieuwe aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering moet een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen). Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken
54
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Bouwen boven gemeentelijke riolering is niet toegestaan en kan betekenen dat riolering verlegd of dat de inrichting gewijzigd moet worden. Bij hoofdtransportleidingen dient rekening gehouden te worden met niet te bebouwen stroken aan weerszijden van de leiding van 6 m. Deze eis is vastgelegd in artikel 2.5.19 van de Nijmeegse bouwverordening. Afvalwater en hemelwater moeten gescheiden ingezameld en afgevoerd worden. Het verdient aanbeveling afvalwater en hemelwater per woning of bedrijf via eigen aansluitingen op de riolering af te voeren. Het verdient tevens aanbeveling goede afspraken te maken over de afvoer van afvalwater en hemelwater over de percelen van derden als die situatie zich voordoet en die afspraken goed vast te leggen. Voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater dienen op particulier terrein te liggen. In alle voorzieningen moet op particulier terrein een controleput geplaatst worden. Inpandige controleputten zijn toegestaan. Let op bij gescheiden stelsels dat foutieve aansluitingen voorkomen worden omdat deze de waterkwaliteit nadelig beïnvloeden.
4.11.6 Hemelwater Voor het hele plangebied geldt, in het kader van het bevorderen van het duurzaam omgaan met water, het gemeentelijk beleid om schoon hemelwater niet te vermengen met vuil afvalwater. Schoon hemelwater dient in de bodem te worden geïnfiltreerd. Bij infiltratie van hemelwater moet waar mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen (conform convenant Duurzaam bouwen in het KAN 2000). Het plangebied valt onder het WIW 2009. Voor nieuwbouw in dit gebied geldt dat het afstromende hemelwater afgevoerd moet worden naar de singels. Het afstromende water van daken en wegen wordt in principe bovengronds afgevoerd naar de zaksloten en wadi's. Binnen het WIW geldt dat voor de filtering van het hemelwater in eerste instantie een bodempassage wordt toegepast. Alternatieven voor filtering moeten met het waterschap overlegd worden. Buitendijkse gebieden mogen hemelwater rechtstreeks lozen op de Waal. Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn. In het waterhuishoudkundige plan wordt eveneens getoetst of er voldoende berging mogelijk is in het watersysteem van de WIW.
Als onvoldoende berging aanwezig is binnen dat systeem, moet in overleg met de gemeente Nijmegen en Waterschap Rivierenland naar aanvullende locaties voor waterberging gezocht worden. Incidenteel is directe lozing van dakwater op watergangen toegestaan. Door de filterende werking van de wadi's zal de waterkwaliteit in de singels blijven voldoen aan de normen, wat verder versterkt wordt door de inrichting van de singels (natuurvriendelijke oevers). De bodempassages worden bij voorkeur in grote eenheden in de openbare ruimte ingericht. Bodempassages worden bij voorkeur zo ingericht dat extensief onderhoud mogelijk is. Dubbel gebruik van bodempassages als speelveld is om praktische- en volksgezondheidsredenen niet mogelijk. In de toekomstige situatie wateren daken en wegen af naar bodempassages. De minimale berging in de bodempassages bedraagt 10 mm ten opzichte van het afwaterende verharde oppervlak. De bodempassages voeren het water met drainageleidingen vertraagd af naar de aanwezige watergangen. De berging in de bodempassages wordt niet meegerekend in de
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
55
berging van het oppervlakte-watersysteem. Bij grotere regenbuien treden de overstorten (slokops/overstortputten) van de bodempassages in werking en wordt het teveel aan regenwater via overstortleidingen rechtstreeks naar oppervlaktewater afgevoerd. De voornaamste functie van de wadi's is een zuiverende. In het op te stellen waterhuishoudkundig plan vindt nadere detaillering van de bodempassages en het daarop aangesloten verhard oppervlak plaats. Dit plan dient ter goedkeuring aan Waterschap Rivierenland en de gemeente Nijmegen voorgelegd worden. Voor de werkzaamheden is een watervergunning nodig. De afvoercapaciteit van de slokops dient te voldoen aan de minimale afvoercapaciteit uit de meeste recente versie van de beleidsnota “Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer”. Voor de wadi's geldt dat er niet in gebouwd mag worden. Het groen heeft een dubbelfunctie als groen en waterfilterberging. De beleidsnota geeft richtlijnen voor het combineren van bomen en wadi's. In principe worden in wadi's geen bomen toegepast en bij voorkeur komt de kroonprojectie niet verder dan insteek van de wadi. De beleidsnota geeft ook richtlijnen voor het scheiden van de functies spelen en infiltratie.
4.11.7 Waterkering De locatie van de botenwerkplaats ligt buiten de beschermingszone van de waterkering. Het Waterschap geeft aan dat er daarom voor deze werkzaamheden geen vergunning van het Waterschap nodig is.
4.12 Natuur en groen 4.12.1 Wettelijk kader en planvoornemen 4.12.1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vormt het toetsingskader voor zowel de beschermde soorten, de beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden), als houtopstanden. De Wet natuurbescherming is 1 januari 2017 in werking getreden. Deze wet staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat onderzocht moet worden of (ruimtelijke) ingrepen effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde bosopstanden. Beschermde soorten De soortenbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); en Beschermingsregime andere soorten (Nationaal). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden.
Dit betekent dat voor nieuwe ontwikkelingen waar negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd: een quick scan 'flora en fauna' en zo nodig een vervolgonderzoek.
56
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Daarnaast is in de wet een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Bij uitvoering van activiteiten moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt worden. Quick scan Om de effecten van het plan op beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb) te beoordelen is een quickscan Wnb uitgevoerd (zie Bijlage 1 Update Voortoets Wet natuurbescherming, Bijlage 11 Quickscan flora en fauna landdeel en Bijlage 12 Quikscan flora en fauna roeiloods).
Voor het landdeel van het plangebied is de conclusie als volgt: Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van de percelen Oosterhoutsedijk 48 en 60 te Lent, kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden.
Niet uit te sluiten valt dat er vleermuizen in de te rooien bomen met gaten verblijven. Om uit te sluiten dat er sprake is van vleermuisverblijfplaatsen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd of dient aangetoond te worden dat deze gaten niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen.
In de loodsen is een latrine van een marterachtige, vermoedelijk steenmarter, aangetroffen. Gezien sommige uitwerpselen nog vers zijn is deze in of in de omgeving van het plangebied nog aanwezig. In het verleden is eerder een steenmarter waargenomen op de locatie. Een nader onderzoek naar deze soort dient uitgevoerd te worden voor aanvang van de sloopwerkzaamheden. Met een nader onderzoek kan worden bepaald hoeveel alternatieven verblijfplaatsen er geplaatst moeten worden. Afhankelijk van de resultaten van het naderonderzoek kan een ontheffingsaanvraag worden ingediend. Wanneer gebruik gemaakt kan worden van een geldige gedragscode is er een vrijstelling van verbodsbepalingen mits er aan de eisen uit de gedragscode wordt voldaan.
De geplande ingreep zal nagenoeg geen effect zal hebben op het voorkomen van roofvogels aangezien er geen werkzaamheden op of nabij de oostgevel van het voormalige PGEM zullen plaatsvinden. Alleen de overkapping nabij deze locatie wordt handmatig gesloopt, dit levert minimaal en kortdurende geluidsverstoring. Derhalve wordt een nader onderzoek naar deze soorten niet noodzakelijk geacht. Daarbij is het zeer waarschijnlijk dat de roofvogel reeds is verstoord door de grootschalige werkzaamheden voor de nieuwbouwwijk ten noorden van het plangebied. En kan de aanwezigheid worden uitgesloten.
Tevens dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen als de coniferen en fruitbomen gerooid worden. Het is namelijk niet uit te sluiten dat in deze bomen (niet jaarrond beschermde) nesten aanwezig zijn. De bomen dienen buiten het broedseizoen (circa half maart
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
57
tot half augustus) verwijderd te worden.
Gezien de afstand, de aard van de ingreep en de reikwijdte van dit onderzoek, worden als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve effecten op de meest nabijgelegen natura 2000 gebieden verwacht. Op de nabijgelegen natuurbeheergebieden en GNN worden eveneens geen negatieve effecten verwacht.Quickscan Flora en Fauna Oosterhoutsedijk 48 en 60 te Lent N210204.007/24
Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuur inclusief” bouwen kunnen de nieuwe woningen eer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor huismussen en gierzwaluwen of vleermuizen, maar ook aan het plaatsen van hout- of steenstapels in het plangebied voor marterachtigen en egels.
Gezien sommige van de te rooien bomen mogelijk oude fruitrassen zijn wordt geadviseerd om deze, indien mogelijk, in plaats van te rooien te verplaatsen. In de ontwerp tekeningen wordt aangegeven dat er bijvoorbeeld aan de straatzijde en nabij de parkeerplaatsen bomen worden aangeplant. Hier zouden deze fruitbomen naar verplaatst kunnen worden. Hierdoor gaan deze rassen niet verloren.
Voor het waterdeel van het plangebied is de conclusie als volgt: Uit de resultaten van de quickscan, die is uitgevoerd ter plaatse van de bestaande roeiloods aan de Oosterhoutsedijk ong. te Lent, volgt dat binnen het plangebied mogelijk algemene muizen en vleermuizen kunnen voorkomen. Voor muizen geldt binnen de provincie Gelderland voor ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing. Ook zijn geen ingrijpende werkzaamheden aan de oever voorzien, waardoor de impact verwaarloosbaar zal zijn. Vleermuizen gebruiken de Spiegelwaal, waarbinnen het plangebied is gelegen, als drink- en foerageerplaats. Indien nachtelijke verstoring tijdens de realisatie- en gebruiksfase voorkomen worden zal de voorgenomen sloop- en vergroting van de roeiloods geen negatieve invloed hebben op vleermuizen of overig beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Houtopstanden Het op het land gelegen deel van het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Nijmegen. De regels ten aanzien van houtopstanden (hoofdstuk 4 van de Wnb) zijn daar niet van toepassing. Voor het zuidelijk deel van het plangebied met het botenhuis zijn deze regels wel van toepassing. Natura 2000 Het in het water gelegen deel van het plangebied is gelegen in Natura 2000. Zie voor de beoordeling paragraaf 3.1.2.
4.12.1.2 Provinciale Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de omgevingsvisie zijn de waardevolle natuurgebieden opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Zie hiervoor paragraaf 3.2.2.
58
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
4.12.1.3 Gemeentelijk beleid Uitgangspunten Omgevingsvisie We nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor 'natuurinclusief bouwen'. Dat betekent dat we bewust ruimte creëren voor de natuur in de groenstructuur. (bijvoorbeeld door planten te gebruiken die als voedselbron voor dieren dienen) en in gebouwen (bijvoorbeeld door schuil- en nestelgelegenheden in het gebouw te integreren). We realiseren een aantrekkelijke en groene buitenruimte in de stad en in de wijken, die uitnodigt om te ontmoeten en te spelen. Bijvoorbeeld door met woningen in een hofje en gezamenlijke ontmoet- en speelplekken in de buurt. Gezamenlijk versterken we de groenkwaliteiten. Groen draagt bij aan onze gezondheid en ons welzijn, het zorgt voor vermindering van hitte stress en voor een betere luchtkwaliteit. Stadslandbouw initiatieven zorgen voor gezond voedsel en sociale cohesie. Groen maakt de huizen meer waard en zorgt voor een betere werkomgeving. We willen de biodiversiteit in de stad behouden en versterken door natuurparels (groene gebieden met een hoge biodiversiteit) onderling en met de natuurgebieden buiten de stad te verbinden. We willen een groene stad met ruimte voor diverse soorten groen, zowel in de wijken als in en om de stad. Zo is groen nooit ver weg voor inwoners en creëren we ook voldoende ruimte voor dieren.
We willen de negatieve effecten van klimaatverandering en hittestress zoveel mogelijk minimaliseren.
Uitsnede kaart Groen, gezonde stad:
Bomenplan Nijmegen In 2021 is het Bomenplan Nijmegen vastgesteld door het college. Het vervangt het handboek Stadsbomen uit 2009. In de Omgevingsvisie wordt in diverse opgaven het belang van bomen in de stad aangegeven. Soms als doel (statige lanen, versterken bomenstructuur) en soms als middel (groene gezonde leefomgeving, ecologische verbindingen). De kwaliteit èn kwantiteit van de bomen, in een compacte stad zoals Nijmegen, is een belangrijk aandachtspunt in het Bomenplan. Qua integraliteit dragen de bomen in de stad positief bij aan o.a. de gemeentelijke aanpak op het vlak van: - Klimaatadaptatie & luchtkwaliteit (Hittestress, waterberging, fijn stof-afvang) - Gezondheid & voeding (Uitnodigen tot bewegen, ontmoeten en voedselproductie)
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
59
- Toerisme & economie (Stadsaangezicht, sfeer en beleving) - Cultuurhistorie (monumentale bomen, parken en historische wegen/gebouwen) - Kwalitatieve buitenruimte in een compacte stad (de boom als inrichtingselement) - Ecologie & biodiversiteit (bomen als verbindingselement, drachtboom en schuilgelegenheid). Tegelijkertijd is het een uitdaging om de kwaliteit en hoeveelheid van bomen in te passen in de compacte stad. De Omgevingsvisie en het Bomenplan gaan uit van het versterken van de groenkwaliteiten en het aantal bomen, omdat het ervoor zorgt dat de stad minder snel opwarmt. Dit heeft gunstige effecten op de leefbaarheid. Daarnaast zorgen bomen voor groene verbindingen op hoogte. Hierdoor hebben vogels, insecten en andere dieren toegang tot schuilplaatsen, nestgelegenheid en voedsel. Via bomenlanen en parken kunnen deze dieren zich veilig door de stad verplaatsen naar het buitengebied en vice versa. Dit zorgt voor natuurbeleving, uitwisseling van soortenpopulaties en bestuiving van gewassen in de stad. Tenslotte zorgen we met voldoende groen voor een gezonde basis in de wijken. Dit draagt bij aan een prettige en gezonde leefomgeving waarin de juiste afweging is gemaakt voor het percentage aan kwalitatieve en kwantitatieve groeninvulling. De aangrenzende Lentse Warande wordt in het Bomenplan benoemd als Statige Laan.
De voorgenomen ingreep heeft geen invloed op deze boomstructuur. Soortenmanagementplan Nijmegen de Waalsprong (SMP-N) Het SMP-N is een eigen plan van de gemeente waarin zij aangeeft hoe in de ontwikkelgebieden van de Waalsprong wordt omgegaan met de daar voorkomende soorten i.c. de steenuil, ransuil, kerkuil, buizerd, roek, grote modderkruiper, rugstreeppad en poelkikker. Op basis van het SMP-N is een zogenoemde gebiedsontheffing soorten Wet natuurbescherming (Wnb) verkregen. Deze ontheffing is alleen mogelijk als in de eindsituatie een duidelijke 'plus' voor (beschermde) soorten wordt gecreëerd. Op 8 mei 2019 heeft Gedeputeerde Staten van Gelderland besloten om de gevraagde ontheffing te verlenen. Door uitvoering van het SMP-N wordt bewust een plus voor de natuur gecreëerd in de groenstructuur en in de gebouwen. Op die manier wordt ook de natuurbeleving van mensen in hun woonomgeving versterkt. Groenstructuur, landschappelijke zone Zowel voor de ontwikkel- als de eindfase geeft het SMP-N de ambitie en de integrale aanpak om te komen tot een duurzame instandhouding van op dit moment in het gebied de Waalsprong voorkomende beschermde diersoorten.
Daartoe wordt de landschappelijk zone rondom de meer stedelijke woningbouwlocaties van de Waalsprong zodanig ingericht en beheerd dat er kansen worden geboden voor de beschermde soorten en er voor biodiversiteit in algemene zin een plus wordt behaald. Wijzigingsbesluit kleine marterachtigen Omdat de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet in een gunstige staat van instandhouding verkeren heeft de provincie Gelderland besloten om deze soorten niet meer te laten vallen onder een vrijstelling van de Omgevingsverordening. Deze soorten zijn vanaf 1 maart 2019 geregeld via een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Vandaar dat een wijzigingsaanvraag is ingediend voor het opnemen van de kleine marterachtigen in het SMP-N en de gebiedsontheffing via een wijzigingsbesluit. Op 28 oktober 2020 is dit besluit verkregen. Ten noordoosten van het plangebied ligt een faunapassage onder het spoor. De functionaliteit van deze passage dient bij de ontwikkeling en herinrichting van het plangebied in takt te blijven door een groene verbindingszone (onder andere voor kleine marterachtigen) langs het spoortalud en de watersingel naar de faunapassage.
60
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
Natuurinclusief bouwen Bij nieuwe ontwikkelingen ontstaan ook kansen voor natuur in de stad. Het bewust aanbrengen van schuil- en nestgelegenheden aan nieuwe gebouwen is een kans die veelal eenvoudig benut kan worden. Ook groene tuinen en groene daken dragen hieraan bij. Nijmegen is een van de groenste steden van Nederland. Niet alleen door de aanwezigheid van veel groen, maar ook vanwege de groene bestuurlijke ambities. In de stad moet duurzaam met oppervlaktewater worden omgegaan en moet een prettig leefklimaat zijn. Groen in het algemeen is goed voor het welzijn van bewoners. Door natuurinclusieve maatregelen wordt de leefomgeving voor gebouwbewonende diersoorten verbeterd en de biodiversiteit bevorderd. Ook hebben de maatregelen effect als anti-mug en anti-stress en geven belevingswaarden. Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Om het natuurinclusief bouwen in de Waalsprong nader te specificeren, is de “Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen, Leidraad voor de Waalsprong” opgesteld. Deze toolbox is op 4 februari 2020 vastgesteld door het college. De toolbox is een uitwerking van het SMP-N en moet worden ingezet bij iedereen die wil bouwen in de Waalsprong. Iedere bouwer is verplicht nestvoorzieningen voor de gewone dwergvleermuis, de gierzwaluw en de huismus te integreren in de bebouwing.
Met de toolbox kan via een aantal stappen worden vastgesteld hoeveel nestvoorzieningen er binnen een specifiek bouwproject aangelegd moeten worden. De toolbox bevat ook groene maatregelen; alleen nestgelegenheid is onvoldoende als er geen voedselbronnen zijn voor de dieren. Deze Toolbox is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels, verplicht gesteld. Groen en gezondheid Groen heeft niet alleen een ecologische waarde, het draagt bij aan de gezondheid van mensen, het zorgt voor een aantrekkelijke omgeving voor wonen, werken en recreëren. Groen bevordert de gezondheid, het nodigt uit om te bewegen en patiënten herstellen sneller in een groene omgeving. Voor kinderen is het belangrijk om juist al op jonge leeftijd in contact te komen met een groene leefomgeving. Bij de inrichting van de omgeving is dit nadrukkelijk een aspect om rekening mee te houden. Langs het plangebied loopt een geplande beweegroute. Deze informele route is er voor voetgangers en fietsers, verbindt de wijken en geeft toegang tot het omringende landschap. Topindicator groen In 2010 heeft de raad de topindicator “binnen 300 meter van iedere woning 0,5 hectare aaneengesloten vlakgroen” vastgesteld. De topindicator refereert aan onderzoeken van Alterra waarin 300 meter als realistische loopafstand naar groen voor kinderen en ouderen wordt geadviseerd.
De 0,5 hectare komt daarbij voort uit ervaringscijfers. We passen de topindicator toe bij veel plannen en beleidsstukken. Met de aanwezigheid van de uiterwaarden is op loopafstand voldoende groen aanwezig.
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
61
4.13 Duurzaamheid en Klimaatadaptatie 4.13.1 Uitgangspunten Omgevingsvisie "Nijmegen als duurzame stad" is één van de vier hoofdopgaven van de Omgevingsvisie. We hebben de ambitie om voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. We gaan uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's, die ook elders in de stad vorm krijgen.
4.13.2 Duurzaamheid 4.13.2.1 Toetsingskader De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050). Circulaire stad De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Dit uit zich onder meer in de met het Rijk afgesloten woondeal waarin nadrukkelijk deze groene ontwikkeling aan de groeiopgave van de regio gekoppeld is. In de nieuwe woningbouwplannen spannen wij ons in om minimaal 25% circulair te laten ontwikkelen. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. We streven daarom naar circulaire woningbouw, het liefst met gebruik van hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, vlas, schapenwol etc.). We gebruiken de GPR-methodiek als ontwerptool en beoordelingsmethodiek om de duurzaamheid van gebouwen in beeld te brengen. Onze ambitie is om van de bouw een drijvende kracht te maken voor de circulaire economie. Daarom hebben we ons ook aangesloten bij de City Deal Circulair en Conceptueel Bouwen. We willen laten zien dat het grootschalig circulair en conceptueel bouwen van woningen niet ten koste gaat en mag gaan van snelheid en betaalbaarheid.
Daarbij zijn er verschillende manieren om circulair bouwen in te vullen: 1.
2.
3.
62
Biobased bouwen, waarbij de ambitie is om structureel meer biobased materiaal toe te gaan passen in woningbouwprojecten, en tevens beleidsmatig te verankeren en te stimuleren. 'Biobased materiaal' is hierbij materiaal dat CO2 opslaat en hernieuwbaar is. Geïndustrialiseerd conceptueel bouwen, waarbij de ambitie is om zoveel mogelijk nieuwbouwwoningen: a. Geïndustrialiseerd te laten produceren, om de productie te versnellen, de kwaliteit van de woningen te optimaliseren en afval- en reststromen te minimaliseren tijdens de productie; b. Conceptueel te realiseren, waarmee variatie mogelijk is in woningtype, -vorm en -stijl. Waarderings- en financieringsmodellen, waarbij de ambitie is om circulair bouwen zo te gaan waarderen, dat de totale kosten en opbrengsten over de gehele levensduur – inclusief restwaarde en maatschappelijke kosten en baten – kunnen worden meegenomen in de financiering en waardering van vastgoed.
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
In de Grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van de Green Deal Duurzaam GWW 2.0; samen met onze ketenpartners willen we de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Voor het afwegen van duurzame keuzen maken we o.a. gebruik van het ambitieweb en Dubocalq. We streven naar een gesloten grondbalans.
4.13.2.2 Planvoornemen Het bestaande PGEM-gebouw met monumentale status wordt behouden. Het gebouw blijft in gebruik als verenigingsgebouw van de roeivereniging. De bestaande loodsen worden afgebroken om ruimte te maken voor de nieuwbouw. Het drijvende botenhuis wordt (nagenoeg) volledig gebouwd met de platen en constructie die vrijkomt uit de dan gesloopte loodsen.