Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein) Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein) Bijlagen bij de toelichting
Versie: vastgesteld
Colofon bestemmingsplan
Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein) 7 september 2023 IDN: NL.IMRO.0268.BP140W44-VG01 Gemeente Nijmegen
Bureau Ruimtelijke Planvorming Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen www.nijmegen.nl
Bijlagen bij de toelichting
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
3
4
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Update Voortoets Wet natuurbescherming
6
Bijlage 2
Stikstofrapport
103
Bijlage 3
Memo geluidsaspecten parkeren
125
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
128
Bijlage 5
Trillingsonderzoek
287
Bijlage 6
Vergunning Spoorwegwet
303
Bijlage 7
Risico's spoor nul-situatie
312
Bijlage 8
Risico's spoor voor woningen
319
Bijlage 9
Advies VRGZ
326
Bijlage 10
Vergunning Waterwet
331
Bijlage 11
Quickscan flora en fauna landdeel
382
Bijlage 12
Quikscan flora en fauna roeiloods
438
Bijlage 13
Archeologisch bureauonderzoek
483
Bijlage 14
Zienswijzennota
536
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
5
Bijlage 1 Update Voortoets Wet natuurbescherming
6
vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Dorp Lent - 44 (Wijersterrein)
Update Voortoets
Roeiloods in de spiegelwaal
Projectgegevens Rapportnummer Datum rapportage Versienummer
: N230098 : 20 februari 2023 : 8
Update Voortoets Roeiloods in de spiegelwaal
Opdrachtgever
: Pittiger in Planologie, mevrouw N Van de Goor Verwestraat 32 5491 BZ SINT OEDENRODE
Contactpersoon NIPA Milieutechniek B.V. : de heer J.J. Jager, MSc Rapportstatus : definitief
NIPA Milieutechniek B.V. Landweerstraat-Zuid 109 5349 AK Oss T (0412) 655 058 info@nipamilieu.nl www.nipamilieu.nl
Dit rapport is opgesteld in opdracht, is vertrouwelijk en mag niet worden gedupliceerd of aan derden openbaar worden gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever. Alleen aan het volledige originele document kunnen rechten worden ontleend door de opdrachtgever. Derden (met uitzondering van bevoegde gezagen) kunnen geen rechten ontlenen aan dit rapport. Nipa milieutechniek is niet aansprakelijk voor schade die direct dan wel indirect voortvloeit uit conclusies, aannames en/of aanbevelingen die vermeld staan in dit rapport. Nipa milieutechniek is niet aansprakelijk voor mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van dit rapport zelf neemt. Op de inhoud en totstandkoming van deze opdracht zijn de algemene voorwaarden van Nipa milieutechniek van toepassing, welke ter hand zijn gesteld aan de opdrachtgever en op verzoek kunnen worden toegestuurd.
Sjabloonversie januari 2023
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................. 1 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 1 1.2 Doelstelling ............................................................................................................................. 1 1.3 Werkwijze ............................................................................................................................... 1
2
Wettelijk kader ................................................................................................... 2 2.1 Wet natuurbescherming ........................................................................................................ 2 2.2 Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 2 2.3 Wet houtopstanden ............................................................................................................... 3 2.4 Zorgplicht ................................................................................................................................ 4
3
Plangebied .......................................................................................................... 5 3.1 Plangebied huidig ................................................................................................................... 5 3.2 Geplande ingrepen ................................................................................................................. 6
4
Groene Ontwikkelingszone .................................................................................. 7 4.1 Algemeen................................................................................................................................ 7 4.2 Regels versterking Groene ontwikkelingszone ....................................................................... 7 4.3 Versterking Groene ontwikkelingszone.................................................................................. 9
5
Natura 2000 ...................................................................................................... 10 5.1 Algemeen.............................................................................................................................. 10 5.2 De Rijntakken........................................................................................................................ 11 5.3 Kernopgaven......................................................................................................................... 12 5.4 instandhoudingsdoelen ........................................................................................................ 12 5.5 Verspreiding habitattypen nabij onderzoekslocatie ............................................................ 16 5.6 Verspreiding leefgebied nabij onderzoekslocatie ................................................................ 16
6
Effecten analyse ................................................................................................ 19 6.1 Oppervlakte verlies............................................................................................................... 19 6.2 Versnippering ....................................................................................................................... 19 6.3 Verzuring en vermesting door stikstof ................................................................................. 19 6.4 Verzoeting ............................................................................................................................ 19 6.5 Verzilting ............................................................................................................................... 19 6.6 Verontreiniging ..................................................................................................................... 20
6.7 Verdroging ............................................................................................................................ 20 6.8 Vernatting ............................................................................................................................. 20 6.9 Verandering in stroomsnelheid ............................................................................................ 20 6.10 Verandering in overstroomfrequentie ................................................................................. 20 6.11 Verandering dynamiek substraat ......................................................................................... 20 6.12 Verstoring door geluid .......................................................................................................... 20 6.13 Verstoring door licht ............................................................................................................. 21 6.14 Verstoring door trillingen ..................................................................................................... 21 6.15 Optische verstoring .............................................................................................................. 21 6.16 Verstoringen door mechanische effecten ............................................................................
21 6.17 Verandering in populatie dynamiek ..................................................................................... 21 6.18 Bewuste verandering in soorten samenstelling ................................................................... 22
7
Conclusies ......................................................................................................... 23
Bijlage 1
Vissenbossen als compensatiemaatregel voor boothuis Roeivereniging de Waal Nijmegen
Bijlage 2
Berekening versterking Groene ontwikkelingszone
Bijlage 3
Effectenindicator Rijntakken
Bijlage 4
Legenda kernopgave
Bijlage 5
Gegevens Natuurloket
Bijlage 6
Literatuurlijst
Bijlage 7
Rapport voortoets Regelink
N230098
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De Nijmeegse roeivereniging “de Waal” heeft in 2019 met tijdelijke vergunningen een botenloods gerealiseerd in de spiegelwaal, een onderdeel van Natura 2000-gebied 'Rijntakken' en onderdeel van de Groene Ontwikkelingszone (GO). De roeivereniging heeft het voornemen dit nu planologisch te regelen via een wijziging van het bestemmingsplan. Ook is het de bedoeling de tijdelijke botenloods te vervangen voor een permanente. In 2019 heeft Regelink voor de tijdelijke botenloods een voortoets uitgevoerd (Regelink, d.d. 01-02-2019, kenmerk: RA19065-01). Pittiger in Planologie heeft NIPA Milieutechniek B.V. opdracht gegeven om deze voortoets te updaten.
1.2
Doelstelling
Het doel van deze effect analyse is beoordelen of de gevolgen van het aanleggen en het gebruiken van de botenloods significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied de Rijntakken. Rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Er wordt beoordeeld hoe groot de impact van de nieuwe botenloods is op de kernkwaliteiten van de GO en hoe dit gecompenseerd kan worden. Het Natura 2000-gebied is ook onderdeel van het Gelders Natuur Netwerk (GNN). Uitspraken betreft de effecten op het Natura 2000- gebied gelden ook voor het GNN.
1.3
Werkwijze
De effecten analyse wordt uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de situatie op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Ook wordt er een inschatting gemaakt op de (potentiele) aanwezigheid op of nabij de onderzoekslocatie van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten Tijdens het bureauonderzoek wordt aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Ook zijn de Natura 2000 gegevens geraadpleegd om de habitattypen en doelsoorten te raadplegen en de exacte ligging van het gebied te raadplegen. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn opgevraagd. De beoordeling van de verspreidingsgegevens wordt beperkt tot de soorten die binnen een straal van 5 kilometer van de onderzoekslocatie geregistreerd zijn. Ook is er gebruikgemaakt van de effectenindicator voor het gebied de ‘Rijntakken’ geraadpleegd. Op basis van deze gegevens is beoordeeld wat het effect is van het aanleggen en het gebruik maken van de botenloods op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelstellingen en of er in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) nog nader onderzoek noodzakelijk is.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
1
N230098
2 Wettelijk kader 2.1
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (Wnb) is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. De Wnb deelt soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (§3.1 van de wet). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd (§3.2 van de wet). 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers (onderdeel A van de bijlage), hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen en vaatplanten (onderdeel B van de bijlage) voorkomend in Nederland (§3.3 van de wet). Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Dit is voor de provincie Gelderland geregeld in de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland van 1 maart 2021.
2.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld als essentieel leefgebied voor bepaalde soorten. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
2
N230098
De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd en/of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2 Wnb). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend totdat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1 Wnb).
Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens of inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2 Wnb). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking. Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Onderdeel van de instandhoudingsmaatregelen is het natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een landelijk samenhangend ecologisch netwerk van gebieden aangewezen door de gedeputeerde staten in hun eigen provincies. De gedeputeerde staten dragen de zorg voor de totstandkoming en instandhouding van dit netwerk.
Het NNN is ten gunste van de instandhoudingsdoelstellingen en het herstel van biotopen en leefgebieden voor alle in de Wet natuurbescherming genoemde soorten die in Nederland in het wild voorkomen, de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, (bijlage I Habitatrichtlijn ), en de uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantsoorten (artikel 1,5 lid 4 Wnb). Tevens kunnen gedeputeerde staten gebieden aanwijzen die buiten het natuurnetwerk Nederland liggen maar wel van een provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarde. Deze gebieden worden aangeduid als bijzondere provinciale natuurgebieden.
2.3
Wet houtopstanden
Conform hoofdstuk 4 van de Wnb is een kapmelding verplicht bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Indien dit het geval is wordt de kapmelding ingediend bij de provincie.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
3
N230098
Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming verplicht een 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht, binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond. Kap van bos en bomen in beschermde natuurgebieden als onderdeel van het NNN dienen mogelijk extra gecompenseerd te worden conform provinciale beleidsregels. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. De wet houtopstanden heeft geen betrekking op: fruitbomen in boomgaarden en bijbehorende windschermen, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren bij wegen, waterwegen of landbouwgronden, naaldbomen productie voor “Kerstbomen” die niet ouder zijn dan twintig jaar. houtopstanden op erven en tuinen boomkwekerijen houtproductie van populier, wilg es of els aangeplant na 2013 en welke eens per 10 jaar geoogst wordt. De desbetreffende kapwerkzaamheden hoeven daarom niet gemeld worden in het kader van de Wnb. Overigens is het mogelijk dat de provincie een kapverbod instelt, bijvoorbeeld ten behoeve van bescherming van natuur- en landschapswaarden, voor de duur van telkens maximaal 5 jaar per besluit.
2.4
Zorgplicht
Onder artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming geldt er een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en ook gebieden. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodig doden, verwonden of schade aan dieren, planten en gebieden te voorkomen. Dit geldt in praktijk voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten, waarbij onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
4
N230098
3 Plangebied 3.1
Plangebied huidig
De onderzoekslocatie ligt in de spiegelwaal nabij de spoorbrug. Hier is reeds een drijvende botenloods aanwezig met een oppervlakte van 225m2 welke met 2 meerpalen vastligt. Net ten noorden hiervan is een klein ponton gelegen voor het in- en uitstappen en te waterlaten van de roeiboten.
Figuur 1: de onderzoekslocatie aangegeven in rood.
De spiegelwaal, een recent aangelegde nevengeul van de Waal, wordt met name in de zomermaanden veel gebruikt door recreanten om te zwemmen en varen. De kade nabij de onderzoekslocatie is zeer kunstmatig aangelegd en is veelal verhard met stenen en dijkversteviging voor de aanwezige spoorbrug. Ook is er een pad aan de oever wat vanaf de dijk toegang biedt tot het aanwezige ponton. De dijk werd in 2022 verstevigd door het afgraven van instabiele en waterdoorlatende gronden af te graven en hier damwanden en waterdichte grond te plaatsen. Ook is er om afkalving te voorkomen een versterking gerealiseerd door twintig meter lange matten, verstevigd met wilgentenen, vanaf de oever te laten bezinken en te bedekken met breuksteen. Dit is ter hoogte van het ponton uitgevoerd.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
5
N230098
Op circa 85 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie is een omheind gebied gelegen wat niet vrij toegankelijk is voor recreanten. Op de oevers zijn geen bomen, struiken of hagen aanwezig. In het verleden zijn er boomstammen en rivierhout nabij de oever van dit afgesloten gebied geplaatst ter bevordering van de biodiversiteit in de spiegelwaal.
3.2
Geplande ingrepen
Het voornemen bestaat om de huidige botenloods te verwijderen. Vervolgens worden er bovenop de 2 bestaande 3 additionele meerpalen in de rivierbodem gedreven en wordt er vanaf de waal een nieuwe botenloods geplaatst. De botenloods heeft een lengte van 64 meter, een breedte van 14 meter en een diepgang van 0,95 meter. Aan de voor en achterzijde van de botenloods worden aanlegsteigers geplaatst. Ook zal er een loopbrug worden gerealiseerd waarmee de botenloods met de kade verbonden zal worden.
Figuur 2: De toekomstige situatie van de nieuwe botenloods. N.B. is het ponton hierin niet aangegeven.
De botenloods wordt enkel gebruikt voor de opslag van roeiboten, voor het onderhoud van de boten is een loods op het terrein van de vereniging aanwezig. De botenloods wordt niet verwarmd met gas of een andere brandstof. Wel wordt de loods op het elektriciteitsnet aangesloten. De botenloods zal alleen binnen verlicht zijn wanneer er leden aanwezig zijn. De buitenkant van de botenloods wordt niet verlicht gezien er niet voor zonsopkomst en na zonsondergang geroeid mag worden. In de botenloods zal geen horeca gelegenheid aanwezig zijn. Nevenactiviteiten van de roeivereniging vinden plaats in het reeds bestaande clubhuis aan de Oosterhoutsedijk 48
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
6
N230098
4 Groene Ontwikkelingszone 4.1
Algemeen De locatie voor de botenloods ligt in de Groene Ontwikkelingszone zoals aangeduid in de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) (afbeelding 6).
Figuur 3: de GO (licht groen) en GNN (donker groen) zoals aangegeven in de Atlas van Provincie Gelderland.
Zoals aangegeven in artikel 2.52 van Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland, kan een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaten als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en de samenhang niet verloren gaat. Gedeputeerde Staten hebben regels vastgesteld om de versterking uit te werken, deze houden in: - versterkingsopgave bepalen aan de hand van de verlies- en impactfactor; - versterkingsmaatregelen bepalen; - de locatie van de versterkingsmaatregelen kiezen aan de hand van een prioritering. Hieronder is ingegaan op de voorwaarden zoals geformuleerd in artikel 2.52.
4.2
Regels versterking Groene ontwikkelingszone (motivering artikel 2.52 lid 1) De ligging van de boten loods binnen de Groene ontwikkelingszone mag vergund worden mits blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en de samenhang niet verloren gaat.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
7
N230098
De nieuwe botenloods komt ter plaatse van de bestaande botenloods aan de rand van het GO gebied. Hierdoor wordt de samenhang van dit gebied niet gebroken. De oever ter hoogte van de nieuwe en bestaande botenloods bestaat uit een kunstmatig aangelegde dijk die verstevigd is met basaltblokken. De te realiseren aanloop brug komt te midden van deze oever waardoor ook hier de samenhang van het gebied niet verloren gaat. Om de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen te versterken wordt gerefereerd naar de “Regels versterking Groene ontwikkelingszone” (Regels VGO). De plaatsing van de grotere loods is een impactfactor voor de huidige GO, door verlies van oppervlakte, en het vergroten van bebouwde oppervlakte en vermindering van zonlicht in het water ter plaatse van de roeiloods. Conform tabel 1 uit de Regels VGO wordt de verliesfactor bepaald. De verliesfactor wordt bepaald door de huidige waarde van het plangebied Noordoever Waal Lent - Echteld welke gebaseerd is op aanwezige groenelementen en kernkwaliteiten. De huidige locatie heeft zoals beschreven in de Quickscan Flora en Fauna: de Waal te Lent (Kenmerk: N23027 d.d. 12-05-2023) geen groenelementen en is niet onderdeel van een van de natuurbeheergebieden. De kernkwaliteiten van dit gebied zijn voornamelijk gericht op de oevers en uiterwaarden van dit gebied, en niet het water van de spiegel Waal.
Enkel de kwaliteit “ruimte” wordt minimaal aangetast door de plaatsing van een boten loods. Gezien de locatie van de botenloods aan de rand van het gebied en de minimale afname van de “ruimte” (0.006%) van het volledige gebied de Noordoever Waal Lent – Echteld, is er geen sprake van een verliesfactor. Conform tabel 2 uit de Regels VGO wordt de impactfactor bepaald. Gezien het gebruik van de onderzoekslocatie valt deze het beste in de categorie woonbestemming waarbij de oppervlakte 896m2 is ingevuld. Dit leidt tot 55,84 basispunten. Gezien de nieuwe botenloods nog niet mogelijk is via het bestemmingsplan geldt een toeslag (x 2) in verband met de nieuwe functie. Met de toevoeging van de toeslagfactor aan de basispunten zijn er conform de tabel 111,68 impactpunten. Om de impactpunten te compenseren worden er versterkingsmaatregelen voorgesteld die de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen versterkt. Aan deze versterkingsmaatregelen worden ook punten gekoppeld die groter moeten zijn dan de impactpunten. Daarbij geldt dat bij permanente ontwikkelingen ook de versterkingsmaatregelen permanent bestemd of geborgd moeten worden. De versterking wordt idealiter binnen het projectgebied uitgevoerd maar buiten de verstoringszones. Hierdoor zijn er weinig mogelijkheden voor landschappelijke inpassing doordat dit deel van de GO en Spiegelwaal een stroomafvoerend rivierbed is.
De versterkingsopgave mag geen belemmering opwerpen voor de afvoercapaciteit van de rivier. Daarbij ligt de botenloods nabij de spoorbrug welke een bufferzone heeft waarin geen werkzaamheden of object mogen worden geplaatst.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
8
N230098
4.3
Versterking Groene ontwikkelingszone (motivering artikel 2.52 lid 2 en aanverwante artikelen) Rekening houdend met deze restricties zijn er enkele versterkingsmaatregelen mogelijk. In het verleden zijn er boomstammen en rivierhout nabij de oever van het Natura-2000 gebied geplaatst ter bevordering van de biodiversiteit in de spiegelwaal. Deze maatregel is van een tijdelijke aard en wordt niet onderhouden. Voorgesteld wordt om deze tijdelijke maatregel permanent te borgen. Het gaat dan om de realisatie van instandhouding door beheer en onderhoud: jaarlijkse inspectie als het laag water is, waarbij bij geconstateerde verrotting of aanstaande verrotting het rivierhout wordt vervangen. Deze maatregel is vergelijkbaar met het plaatsen van een stobbenwal wat 5000 punten per hectare levert. Het huidige oppervlakte van de boomstammen en rivierhout nabij de oever is ca. 540m2. Waardoor de instandhouding van deze maatregel leidt tot 189 basispunten (gerekend met korting, omdat deze reeds is aangelegd). Aanvullend hierop is een voorstel gedaan door Dr Christien Absil, een lid van de roeivereniging, Dr. In Marine toxicologie en werkzaam bij het Marine Stewardship Council. Haar voorstel (zie Bijlage 1) is om vissenbossen aan te leggen in de spiegelwaal.
“Vissenbossen zijn een effectieve methode gebleken om (bedreigde) vissoorten schuilplaats te bieden” en “vervullen diverse functies voor vis, bijvoorbeeld als paaisubstraat, foerageergebied en opgroeigebied voor (jonge) vis. Daarnaast is bekend dat vooral houtstructuren een geschikte ondergrond vormen voor diverse soorten macrofauna. Dergelijke structuren zorgen voor een toename van de productie van natuurlijk visvoedsel en daarmee tot een hogere draagkracht voor vis”. De vereniging heeft reeds contact opgenomen met RWS die positief op dit plan reageerde. Dit plan komt het sterkst overeen met de categorie takkenril waarvoor eveneens 5000 punten per hectare word bedeeld. Een visbos met een oppervlakte van 100 m2 die behouden wordt levert 50 punten ter compensatie. De boomstammen/het rivierhout, in combinatie met het vissenbos, levert ruim voldoende versterkingspunten (239) op ter compensatie van de impactpunten (140). Zie bijlage 2 voor de berekening. De uitvoering en verankering van de versterking wordt verzekerd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
9
N230098
5 Natura 2000 5.1
Algemeen
De onderzoekslocatie ligt in de uiterste punt van een vlak wat onderdeel is van het Natura-2000 gebied de “Rijntakken”. Dit deel van de rijntakken is aangewezen als Vogelrichtlijngebied, en is geen onderdeel van het Habitatrichtlijn. Dit deel is wel onderdeel van het Gelders Natuur Netwerk.
Figuur 4: ligging van de onderzoekslocatie ten opzichten van de nabij gelegen Natura-2000 gebieden.
De grenzen van het gebied lopen tot de spoorbrug zoals te zien in afbeelding 4. De oever (pad ligt er al) en de spoorbrug zelf vallen buiten dit gebied. In figuur 5 is het werkgebied en de ligging van de nieuwe botenloods aangegeven met het rode contour.
Figuur 5: de locatie van de botenloods te zien in het contour van het Natura 200 gebied.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
10
N230098
Het vergunningsgebied betreft de aangegeven contour in afbeelding 6 (excl. de bestemming 'Verkeer' (grijs))
Figuur 6: het plangrens volgens het bestemmingsplan.
5.2
De Rijntakken
Het deelgebied Uiterwaarden Waal van de ‘Rijntakken’ omvatten het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt' de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoogdynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen. Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
11
N230098
5.3
Kernopgaven
Hieronder staan de kernopgaven voor het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, voor de aanwezige habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten.
5.4
Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van “Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden” (H3150). Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit beken en rivieren met waterplanten, grote fonteinkruiden van “Beken en rivieren met waterplanten”(H3260). Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van “slikkige rivieroevers” (H3270). Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van “Stroomdalgraslanden” (H6120). Behoud verspreiding, oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) en behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit ruigten en zomen, droge bosranden (subtype C) van “Ruigten en zomen” (H6430). Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van “Glanshaver- en vossenstaarthooilanden” (H6510). Behoud verspreiding, behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (subtype A) en behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, essen-iepenbossen (subtype B) van “Vochtige alluviale bossen” (H91E0). Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van “Droge hardhoutbossen” (H91F0).
instandhoudingsdoelen
De volgende tabellen geven de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ weer. Voor de volledigheid zijn alle instandhoudingsdoelstellingen meegenomen, echter gezien het Natura 2000-gebied in kwestie alleen is aangewezen als vogelrichtlijngebied zijn de habitatsoorten niet van toepassing op deze analyse.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
12
N230098
Habitattypen
Habitattype
Habitatsubtype
Status doel
Oppervlakte Kwaliteit Relatieve Kernop bijdrage gave
H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
definitief >
>
C
3.06
H3260B - Beken en grote rivieren met waterplanten fonteinkruiden
definitief >
=
B
3.02,W
H3270 - Slikkige rivieroevers
definitief >
>
H6120* Stroomdalgraslanden
definitief >
>
A3
3.04,W 3.13,SG
H6430A - Ruigten en zomen
moerasspirea
definitief =
=
C
H6430B - Ruigten en zomen
harig wilgenroosje
definitief =
=
C
H6430C - Ruigten en zomen
droge bosranden
definitief >
>
C
H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
glanshaver
definitief >
>
A1
3.13,SG
H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
grote vossenstaart
definitief >
>
C
3.09,W
definitief >
>
C
H91E0A* - Vochtige alluviale bossen
zachthoutooibossen definitief =
>
B2
3.07,W
H91E0B* - Vochtige alluviale bossen
essen-iepenbossen
definitief >
>
B2
3.07,W
H91E0C* - Vochtige alluviale bossen
beekbegeleidende bossen
definitief =
=
B1
definitief >
>
A3
H9120 - Beukeneikenbossen met hulst
H91F0 - Droge hardhoutooibossen
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
3.14
13
N230098
Habitatrichtlijnsoorten
soort
Status doel
Populatie Omvang Kwaliteit Relatieve Kernopgaven leefgebied leefgebied bijdrage
H1095 - Zeeprik
definitief definitief definitief definitief definitief definitief
> > > > = >
> > = = = >
> > = = = >
=
=
=
= > = >
= > = =
= > = >
H1099 - Rivierprik H1102 - Elft H1106 - Zalm H1134 - Bittervoorn
H1145 - Grote modderkruiper H1149 - Kleine definitief modderkruiper H1163 - Rivierdonderpad definitief H1166 - Kamsalamander definitief H1318 - Meervleermuis definitief H1337 - Bever H1355 - Otter
definitief Aanmelding
C C C C C
C A1
Broedvogels
Soort
Status doel
Aantal Omvang Kwaliteit broedparen leefgebied leefgebied
Relatieve bijdrage
A004 - Dodaars
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
45 660 20 20 40 160 17 240 25 680 95 70
C C B1 B2 B1 B2 C B1 C B1 C B1
A017 - Aalscholver A021 - Roerdomp A022 - Woudaap A119 - Porseleinhoen A122 - Kwartelkoning A153 - Watersnip A197 - Zwarte stern A229 - IJsvogel A249 - Oeverzwaluw A272 - Blauwborst A298 - Grote karekiet
= = > > > > = = = = = >
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
= = > > > > = = = = = >
Kern opgaven
3.08,SG,SB,W 3.12,W 3.12,W 3.06
3.08,SG,SB,W
14
N230098
Niet-broedvogels Soort
Status doel
Populatie
Populatie waarde
A005 - Fuut
definitief
570
A017 - Aalscholver
definitief
1300
A037 - Kleine zwaan
definitief
100
A038 - Wilde zwaan
definitief
30
A041 - Kolgans A041 - Kolgans
definitief definitief
35400 180100
A043 - Grauwe gans A043 - Grauwe gans
definitief definitief
8300 21500
A045 - Brandgans A045 - Brandgans
definitief definitief
920 5200
A048 - Bergeend
definitief
120
A050 - Smient
definitief
17900
A051 - Krakeend A052 - Wintertaling A053 - Wilde eend A054 - Pijlstaart A056 - Slobeend A059 - Tafeleend A061 - Kuifeend A068 - Nonnetje A125 - Meerkoet A130 - Scholekster
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
340 1100 6100 130 400 990 2300 40 8100 340
A140 - Goudplevier A142 - Kievit A151 - Kemphaan A156 - Grutto
definitief definitief definitief definitief
140 8100 1000 690
A160 - Wulp
definitief
850
A162 - Tureluur
definitief
65
gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Foerageergebied = maximum Slaap- en = rustplaats gemiddelde Foerageergebied = maximum Slaap- en = rustplaats gemiddelde Foerageergebied = maximum Slaap- en = rustplaats gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Foerageergebied = gemiddelde Foerageergebied = maximum Foerageergebied = gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Slaap- en = rustplaats en foerageergebied gemiddelde Foerageergebied = maximum Slaap- en rustplaats=
A702 - Toendrarietgans definitief A702 - Toendrarietgans definitief
125 2800
Instandhoudingsd Omvang Kwaliteit oelstelling leefgebied leefgebied
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
Relatieve Kernop bijdrage gaven
=
B1
=
B1
=
C
3.10
=
B2
3.10
= =
A1
= =
B2
= =
C
=
B2
=
B2
3.10; 3.12,W
= = = = = = = = = =
C C C C C B1 C B1 B2 C
3.12,W 3.12,W 3.12,W 3.12,W 3.12,W 3.12,W 3.12,W 3.12,W
= = = =
C B2 B1 C
=
C
3.12,W
=
C
3.12,W
= =
C
3.10
3.10
3.10
3.12,W
3.12,W 3.12,W
15
N230098
Betekenis van het gebied of soort, naar oppervlakte of populatie: oppervlakte of populatie in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte of populatie: A4: >75%; A3: 50-75%; A2: 30-50%; A1: 15-30%; B2: 6-15%; B1: 2-6%; C: <2% Voor legenda kernopgave zie Bijlage 4
5.5
Verspreiding habitattypen nabij onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie ligt in een deel van het Natura 2000-gebied dat niet is aangewezen voor habitatdoeltypen. Op 2 km ten oosten van het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt wel een habitatdoelstelling. Het betreft het habitatdoeltype slikkige rivieroevers (H3207).
5.6
Verspreiding leefgebied nabij onderzoekslocatie
De volgende doelsoorten waarvoor het Natura-2000 gebied de Rijntakken is ingericht zijn op of nabij (tot 5km afstand) waargenomen (bron NDFF): IJsvogel Oeverzwaluw Bever Kamsalamander Grote modderkruiper Meervleermuis Otter IJsvogel IJsvogels duiken in helder, liefst stromend water naar bij voorkeur visjes maar ook naar waterinsecten. Vanwege deze levenswijze moeten er ook bomen en of struiken aanwezig zijn. Met het jagen zitten ze vaak stil op een laaghangende tak boven het water. Hun nesttunnel graven ze zandige of lemige steile oeverranden. Op de oevers staan geen bomen of struiken met laaghangende takken waarop de ijsvogel kan zitten. Daarbij zijn er geen steile oevers waarin de ijsvogel kan nestelen. Hierdoor heeft de onderzoekslocatie geen essentiële functie voor deze soort.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
16
N230098
Oeverzwaluw Oeverzwaluwen broeden in steile wanden van natuurlijke oevers, afgravingen en zanddepots. Ze jagen op boven het water vliegende insecten die in volle vlucht laag boven het water worden gevangen. In de tijd van het uitgraven van de Spiegelwaal was een groot deel van de uiterwaarden een grote zandvlakte. Door de aanwezigheid van tijdelijke zanddepots waren er toen veel potentiele nestlocaties voor oeverzwaluw aanwezig. Uit de periode van de werkzaamheden komen veel waarnemingen van oeverzwaluw in het gebied direct ten westen van het plangebied (600m verderop), waar het grasland tussen de dijk en de Spiegelwaal zich verbreedt. Tijdens en kort na de werkzaamheden waren er op deze locatie nesten aanwezig. Uit de waarnemingen van de laatste twee jaar blijkt deze kolonie niet meer aanwezig te zijn op deze locatie. Tegenwoordig bevindt de dichtstbijzijnde kolonie oeverzwaluwen zich in de noordelijke oever van de verbinding tussen de Spiegelwaal en de Waal op een afstand van 2km van het plangebied. Ook is er een tijdelijk grond depot aangelegd voor de oever zwaluw op 400 meter ten noord oosten van de onderzoekslocatie Door het ontbreken van steile zand wanden in of nabij het onderzoeksgebied is er geen geschikte nestlocaties voor oeverzwaluw aanwezig zijn.
Het oppervlaktewater in het onderzoeksgebied is wel geschikt als foerageergebied en het is de verwachting dat oeverzwaluwen in de omgeving van het onderzoeksgebied foerageren. Bever Bevers zijn afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Ze hebben een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, begroeid met zacht hout, en houden zich voornamelijk op langs de trager stromende delen van de rivier. Ook zijn ze te vinden langs meren, beken, poelen en moerassen. Bevers zijn afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Door de stenen kade en het ontbreken van bosgebied biedt de onderzoekslocatie geen essentiële functie voor deze soort. Kamsalamander Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken.
Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Hierdoor biedt de onderzoekslocatie geen essentieel functie voor deze soort.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
17
N230098
Grote modderkruiper De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De soort houdt zich overdag verscholen en voedt zich ‘s nachts met kleine ongewervelden zoals wormen, watervlooien, muggenlarven, waterpissenbedden en kreeftjes. Deze sporen ze op met behulp van hun bekdraden. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie kan dit deel zijn van het functionele leefgebied. Doordat de botenloods drijft neemt deze geen essentieel leefgebied weg. Meervleermuis De meervleermuis is een vleermuis soort die graag boven watertjes en rivieren jaagt. Gezien de ligging is het aannemelijk dat deze soort hier voorkomt. Echter is er op de onderzoekslocatie geen sprake van een verblijfplaats. Door dat roeien voor zonsopkomst en na zionsondergang verboden is zijn er geen mensen aanwezig tijdens de donkere uren van de nacht. Doordat er alleen binnen in de botenloods verlichting zal zijn en er hoogstens tijdens de eerste schemer uren mogelijk wat lichtuitstraling is tijdens het afsluiten van de botenloods, ondervindt deze soort geen verstoring door de aanwezigheid van de botenloods. Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria.
Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. Door het ontbreken van beschutting en dekking aan de oevers, de vele verstoring van recreatie en werkzaamheden is de onderzoekslocatie geen essentiële voor deze soort. Soorten uit voorgaand onderzoek De soorten die in het voorgaande onderzoek door Regelink zijn beschreven (bijlage 7) zijn gezien het onveranderde karakter en gebruik van het gebied ook nu nog niet te verwachten. Of de onderzoekslocatie biedt nog steeds geen essentiële functie voor deze soorten.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
18
N230098
6 Effecten analyse 6.1
Oppervlakte verlies
Momenteel is er reeds een botenloods aanwezig met een oppervlakte van circa 225m2. De nieuwe botenloods met bijbehorende pontons heeft een oppervlakte van circa 896m2. De nieuwe botenloods zal circa 671m2 meer in beslag nemen dan de huidige situatie. De spiegel waal heeft een oppervlakte van circa 570.000m2 en zal dus 0.12% aan oppervlakte verliezen ten opzichte van de huidige situatie. De botenloods wordt aan de grens van de spiegel Waal geplaats en neemt een klein deel van het water oppervlak in beslag. Dit deel van de spiegelwaal bevindt zich niet in een habitatdoeltype of functioneel leefgebied van een van de doelsoorten die zijn aangewezen voor dit Natura-2000 gebied. Doordat de botenloods op het water drijft neemt het effectieve leefgebied van de aanwezige doelsoorten niet af. Hierdoor wordt er geen negatieve impact op het leefgebied van de doelsoorten verwacht.
6.2
Versnippering
De nieuwe botenloods zal in de uiterste oostelijke hoek van de Rijntakken gerealiseerd worden. Hierdoor deelt de botenloods het gebied niet op in meerdere delen waardoor versnippering niet van toepassing is.
6.3
Verzuring en vermesting door stikstof
Om te bepalen of er sprake is van verzuring of vermesting door stikstof tijdens de gebruiksfase dient er een Aerius-berekening uitgevoerd te worden. In het kader van de Wet natuurbescherming zal dit separaat nog moeten worden onderzocht. Om te bepalen of er sprake is van verzuring of vermesting door stikstof tijdens de realisatiefase dient er een Aerius-berekening uitgevoerd te worden. In het kader van de Wet natuurbescherming zal dit separaat nog moeten worden onderzocht.
6.4
Verzoeting
Er zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie geen brakke of zoute wateren aanwezig. Hierdoor is verzoeting hier niet van toepassing.
6.5
Verzilting
Door de voorgenomen ontwikkeling is er geen ophoping van oplosbare zouten in de bodem, grondwater en oppervlakte water in het Natura-2000 gebied te verwachten.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
19
N230098
6.6
Verontreiniging
Dit is hier niet van toepassing gezien het onderhoud van de boten niet zal plaatsvinden in de drijvende botenloods. Op het terrein van de vereniging is een werkplaats aanwezig waar onderhoudswerkzaamheden aan de boten worden uitgevoerd. Hierdoor is er geen effect op de kwaliteit van de bodem of het grond- of oppervlakte water van het Natura-2000 gebied te verwachten.
6.7
Verdroging
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op de grondwaterstand van het Natura-2000 gebied.
6.8
Vernatting
De voorgenomen ontwikkeling lijdt niet tot een verhoging van de grondwaterstand in het Natura-2000 gebied.
6.9
Verandering in stroomsnelheid
Niet van toepassing door de geringe diepgang van de botenloods. Daarbij heeft de botenloods een geringe breedte ten opzichte van de spiegelwaal en wordt deze tevens direct stroomafwaarts van een pijler geplaatst.
6.10 Verandering in overstroomfrequentie De voorgenomen ontwikkeling tast niet de in- of uitstroom van water in de spiegelwaal aan.
6.11 Verandering dynamiek substraat De voorgenomen ontwikkeling tast niet de bodemdichtheid of bodemsamenstelling aan.
6.12 Verstoring door geluid De Vogelrichtlijnsoorten die voorkomen in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn niet gevoelig voor verstoring door geluid. Daarnaast is een toename in geluid alleen tijdelijk aanwezig tijdens de aanlegfase.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
20
N230098
6.13 Verstoring door licht Doordat er alleen verlichting binnen in de botenloods aanwezig is en niet aan de buitenzijde is dit niet van toepassing. Daarbij wordt er niet voor zonsopkomst of na zonsondergang geroeid en worden nevenactiviteiten in het clubhuis georganiseerd. Hierdoor zijn er geen effecten van lichtverstoring te verwachten.
6.14 Verstoring door trillingen De oeverzwaluw is zeer gevoelig voor verstoring door trilling. Alle andere richtlijnsoorten, die voorkomen in de omgeving van het onderzoeksgebied, zijn niet gevoelig voor verstoring door trilling. Voor de realisatie van het project worden drie palen in de bodem van de spiegelwaal geplaatst, met gebruik van een trilblok. Gezien de korte duur (hooguit enkele uren) van de werkzaamheden en het ontbreken van geschikt leefgebied voor de oeverzwaluw in de directe omgeving van het onderzoeksgebied, hebben deze werkzaamheden geen significant verstorend effect op aanwezige doelsoorten.
6.15 Optische verstoring De scholekster is gevoelig voor optische verstoring (verstoring door beweging van o.a. mensen en van objecten die niet thuishoren in het biotoop). Alle andere Vogelrichtlijnsoorten, die voorkomen in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn niet gevoelig voor optische verstoring. De drijvende roeiloods heeft geen bewegende delen en zal na een gewenningsperiode waarschijnlijk aanvaard worden als onderdeel van het landschap. Gezien de huidige ligging van de drijvende ponton en de tijdelijke botenloods op dezelfde locatie zijn de aanwezige doelsoorten al deels gewend aan niet natuurlijke objecten in deze omgeving. Optische verstoring door af- en aankomen van roeiers hoort reeds bij huidig gebruik. Het onderzoeksgebied ligt tevens aan de oever met een wandelpad, dat regelmatig gebruikt wordt door wandelaars en fietsers. Vogels in het onderzoeksgebied zijn derhalveal reeds gewend aan een bepaalde mate van optische verstoring. Zodoende veroorzaken de werkzaamheden geen significant verstorend effect op de aanwezige doelsoorten.
6.16 Verstoringen door mechanische effecten Mogelijke tijdelijke verstoring door mechanische effecten treedt alleen op tijdens de aanlegfase. Dit effect is maximaal 1 dag. Hierdoor wordt aangenomen dat dit geen significant verstorend effect heeft op de aanwezige richtlijnsoorten.
6.17 Verandering in populatie dynamiek Dit is niet van toepassing op de voorgenomen werkzaamheden.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
21
N230098
6.18 Bewuste verandering in soorten samenstelling De voorgenomen werkzaamheden en gebruik leidt niet tot een bewust ingrijpen van de natuur door introductie van soorten.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
22
N230098
7 Conclusies Ter compensatie van de impactpunten gekoppeld aan het plaatsen van de nieuwe roeiloods op het GO, dienen op goedkeuren van het bevoegde gezag, de versterkingsmaatregelen verzekerd te worden door deze op te nemen als een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Dit dient voor zowel de uitvoering als de instandhouding van de maatregel. De voorgenomen werkzaamheden op en het gebruik van de onderzoekslocatie leidt niet tot significante effecten van oppervlakteverlies, versnippering, verzoeting, verzilting, verontreiniging, verdroging, vernatting, verandering in stroomsnelheid, verandering in overstromingsfrequentie, verandering dynamiek substraat, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, verstoring door mechanische effecten, verandering in populatiedynamiek of bewuste verandering soortensamenstelling op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Om te bepalen of er door de voorgenomen werkzaamheden op en het gebruik van de onderzoekslocatie een significant effect is van verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht, dient een Aerius-berekening uitgevoerd te worden.
Update Voortoets NIPA Milieutechniek B.V.
23
Bijlage 1 Vissenbossen als compensatiemaatregel voor boothuis Roeivereniging de Waal Nijmegen
Vissenbossen als compensatiemaatregel voor boothuis Roeivereniging de Waal Nijmegen 19 juli 2023, Dr Christien Absil (aquatisch ecoloog) In veel wateren loopt de visstand terug, dit komt o.a. door een afname van nutriëntenconcentraties en natuurlijk aanbod van voedsel. In de kunstmatig aangelegde Spiegelwaal ontbreekt natuurlijke vishabitat terwijl het een potentieel aantrekkelijk gebied is voor veel vissoorten die in de drukbevaren Waal veel risico’s lopen. Bijvoorbeeld de ernstig bedreigde aal (Anguilla anguilla) wordt vaak als ‘knakaal’ teruggevonden op de oevers van de Waal met als mogelijke oorzaak waarschijnlijk scheepsschroeven1. Aal komt in heel Europa voor in kustgebieden en zoete wateren die bereikbaar zijn vanuit zee. In zoet water komt de soort voor in rivieren, beken, meren, plassen, kanalen en sloten. In Nederland is de soort ten behoeve van de beroepsvisserij ook uitgezet in van de zee afgesloten wateren. Het paaigebied ligt in de Sargassozee. De intrek van glasaal is inmiddels gedaald tot minder dan 1% van het oorspronkelijk niveau, ook de hoeveelheid rode aal en schieraal is sterk afgenomen. De aal is gevoelig voor de aanleg van kunstwerken zoals stuwen en dammen waardoor migratiebarrières ontstaan die stoomopwaartse migratie verhinderen en waterkrachtcentrales en gemalen zorgen voor sterfte onder uittrekkende schieralen.
Ook intensieve visserij, waterbodemvervuiling, klimaatverandering en ziektes zoals de zwemblaasparasiet worden als oorzaken van de achteruitgang genoemd. Internationaal zijn visonderzoekers het erover eens dat de toestand zeer zorgelijk is. Bij het ontbreken van geschikte habitats is predatie door bijvoorbeeld aalscholvers vaak het gevolg. Natuurvriendelijke (zachte) oevers aanleggen is op de meeste plaatsen van de Spiegelwaal niet mogelijk. Het aanleggen van gunstig habitat voor de aal zou een zeer waardevolle natuurcompensatie zijn in de Spiegelwaal. Structuren in het water vervullen diverse functies voor vis, bijvoorbeeld als paaisubstraat, foerageergebied, opgroeigebied voor (jonge) vis en met name in de wintermaanden als schuilplaats tegen aalscholvers. Daarnaast is bekend dat vooral houtstructuren een geschikte ondergrond vormen voor diverse soorten macrofauna. Dergelijke structuren zorgen voor een toename van de productie van natuurlijk visvoedsel en daarmee tot een hogere draagkracht voor vis. Het vergroten van het areaal geschikt paai- en opgroeigebied kan in kunstmatige wateren een geschikte beheermaatregel zijn om de visstand te verbeteren. Houtstructuren en vissenbossen RWS heeft in dit kader al op twee locaties houtstructuren aangelegd in de Spiegelwaal. Een goede visstand ondersteunt met name ook vogels.
Zo zijn de zwarte sterns die in de Bemmelse Waard broeden al diverse malen gesignaleerd in de Spiegelwaal om te foerageren. De houtstructuren bestaan uit dode bomen die met kettingen 1
https://www.ravon.nl/knakaal.
aan betonblokken zijn verankerd. Om verstoring maar ook aanvaring te voorkomen zijn deze houtstructuren van boeien voorzien. (zie onderstaande tekening). Vissenbossen zijn een effectieve methode gebleken2 om (bedreigde) vissoorten schuilplaats te bieden. Ze zijn relatief makkelijk aan te leggen en kunnen gemaakt worden van natuurlijke materialen zoals wilgentenen en kunnen door vrijwilligers worden aangelegd (er is geen professioneel bedrijf nodig). Een belangrijke voorwaarde voor een vissenbos in de Spiegelwaal is dat het de waterdoorlaat van de Spiegelwaal niet beinvloed. Bovengenoemde locatie van de hoiutstructuren biedt tevens de ideale locatie voor de aanleg van de vissenbossen (zie onderstaande tekening).
Bijkomend voordeel van die locatie is dat de Spiegelwaal daar ca 50 % breder dan ter hoogte van de spoorbrug en het betreft bovendien een binnenbocht van de Spiegelwaal 2
Visionair 52 (2019): Vissenbossen onder de loep. Toevluchtsoord voor (jonge) vis blijkt effectief
waardoor het geen relevante invloed heeft op de doorstroomcapaciteit van de Spiegelwaal. Rijkswaterstaat heeft in telefonisch overleg d.d. 08-05-2023 gemeld positief te willen meedenken aan dit idee waarbij ook alternatieven kunnen worden onderzocht. UITWERKING VISSENBOS De realisatie van een vissenbos heeft de volgende aandachtspunten: • • •
Hoe visbossen ervoor zorgen dat verstoring van het leefgebied wordt voorkomen Hoe vissenbossen worden aangelegd en welke materialen worden toegepast Hoe visbossen in stand worden gehouden
Hoe vissenbossen zorgen voor een veilig leefgebied De aanwezigheid van voldoende schuilgelegenheden is van groot belang voor een goede visstand, maar nog belangrijker is dat die plekken er het hele jaar zijn. Zo zijn oeverzones met voldoende waterplanten en oevervegetatie weliswaar een toevluchtsoord voor vissen maar als die waterplanten in de winter afsterven en de oevervegetatie wordt weggemaaid treedt vaak alsnog een tekort aan schuilmogelijkheden op. Ook predatie door aalscholvers kan een belangrijke oorzaak zijn. Vooral in kleine, afgesloten wateren zonder voldoende schuilmogelijkheden, is de invloed van deze visetende vogels soms groot. Dit is met name in de Spiegelwaal het geval. Het aanbrengen van kunstmatige onderwaterstructuren van hout – zoals takkenbossen en bomen – kan dit (deels) compenseren. Daarnaast kunnen de structuren dienstdoen als paaisubstraat, foerageergebied en vormen ze een goede ondergrond voor (draad)algen, mosseltjes en macrofauna. In natuurlijke wateren zijn deze plekken vaak talrijk en vormen ze een belangrijk onderdeel van het voedselweb en de leefomgeving van vissen. In de kunstmatige en sterk veranderde Nederlandse wateren echter, ontbreken houtige structuren vaak vrijwel volledig. De herintroductie van hout heeft zich in binnen- en buitenland al bewezen als maat - regel.
Zo plaatste Rijkswaterstaat bij wijze van pilot op verschillende plekken, waaronder in de Spiegelwaal, grote constructies is extra schuil- en leefgebied voor de aanwezige vis te realiseren. Uit de eerste praktijkervaringen blijkt dat vissenbossen van grote toegevoegde waarde kunnen zijn voor de visstand, mits toegepast in de juiste wateren en op de juiste manier3. Vooral soorten als blankvoorn, baars en in mindere mate rietvoorn, profiteren van de aanleg van deze kunstmatige structuren. Aanleg van vissenbossen Een ‘standaard’ vissenbos bestaat uit twee palenrijen met een onderlinge afstand van 1 meter en is 10 meter lang. De ruimte tussen de twee palenrijen wordt opgevuld met snoeihout (meestal wilg, els) met een dikte van 3 tot 20 cm. Nadat de takken zijn aangebracht, worden de palen door middel van ijzerdraad met elkaar verbonden. Tussen de takken ontstaan holtes waarin vis zich kan verschuilen. Kleine holtes bieden vooral beschutting voor jonge vis, terwijl grotere vis zich beter tussen dikkere takken en in 3 Liefveld, W.M., M. Dorenbosch, N. van Kessel & A.G. Klink, 2017. Evaluatie pilot rivierhout: effecten op vis, macrofauna en bodem (20142016). Rapportnr. 17115. Bureau Waardenburg, Culemborg.
grotere holtes kan verschuilen. Vissen vinden in en rondom vissenbossen ook veel voedsel. Daarbij dienen de bossen als paaigebied.
De vissenbossen worden tijdens een periode van laag water aangelegd, zodat zo min mogelijk verstoring optreedt. De uitvoering gebeurt door een team vrijwilligers van RV de Waal in samenwerking met Sportvisserij Nederland. Deze organisatie heeft op de meeste ervaring met het construeren van vissenbossen. Uit onderzoek is gebleken dat grotere vis (+10 centimeter) en blankvoorn duidelijke voorkeur voor elzentakken heeft. Dat geeft aan dat het type hout van een vissenbos mede bepaalt welke jaarklassen of vissoorten het meest gebruikmaken van de geboden schuilgelegenheid. Daarom worden de vissenbossen gevuld met verschillende typen (soort, vertakt/onvertakt) en diameters snoeihout (wilg, els), zodat een grote diversiteit aan schuilplekken ontstaat en elke soort of lengteklasse zijn plekje weet te vinden. Instandhouding vissenbossen Wanneer vissenbossen onvoldoende gevuld zijn met hout gaat de aantrekkingskracht voor vis grotendeels verloren. Met een jaarlijkse check in het najaar door vrijwilligers van RV de Waal zullen we eventuele problemen snel in kaart brengen en verhelpen, voordat de winter aanbreekt en vissen de beschutting van de bossen opzoeken.
Bijlage 2 Berekening versterking Groene ontwikkelingszone
Verliesfactor
Verliesfactor 1
Categorie Totalen Totale oppervlakte (ha) Verliespunten
Er treedt geen verlies van kernkwaliteiten op 0,0000 0