CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport project ‘Gezonder vergunnen, samen werken aan schonere lucht’

Besluitronde (raadsvergadering) 8 juli 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: D11 d.d. 12 mei 2026 over Evaluatie Uitvoeringsagenda Industrie en Omwonenden TPN-West3.566 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Eindrapport project ‘Gezonder vergunnen, samen werken aan schonere lucht’

Ewald Korevaar, projectleider ODRN Publieksversie Versie 1.2 20-11-2025

2

Inhoudsopgave Inleiding .................................................................................................................. 4 Leeswijzer ............................................................................................................ 4 Doelstelling project en beoogd resultaat ................................................................... 5 Aanpak & Resultaten ................................................................................................ 6 Fase 1 .................................................................................................................. 6 Fase 2 .................................................................................................................. 7 Evaluatie ............................................................................................................... 11 Aanbevelingen voor het vervolg ........................................................................... 12 Samenvattend ....................................................................................................... 14 Bijlage: Voorstel nieuwe omgevingsdialoog .............................................................. 15

3

Inleiding Het grootste binnenstedelijke industriegebied van Nederland bevindt zich binnen de gemeenten Nijmegen en Beuningen, namelijk het industrieterrein Trade Port NijmegenWest (TPN-West1). In dit gebied zijn ongeveer 450 bedrijven gehuisvest. Het bedrijfsterrein ligt ingeklemd tussen meerdere woonwijken van de gemeente Nijmegen en gemeente Beuningen (Weurt). Omwonenden hebben zorgen over de gevolgen van deze bedrijvigheid voor hun gezondheid. Zowel de gemeenten als de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) overleggen regelmatig met wijkvertegenwoordigers en omwonenden over vergunningverlening, handhaving en gezondheid. De omgevingsdialoog 2016 geeft handreikingen hiervoor, maar is in de praktijk niet altijd werkbaar en deels achterhaald met de invoering van de Omgevingswet. Naar aanleiding van zorgen om en aandacht voor specifieke emissies van stoffen binnen dit gebied hebben de gemeenten Nijmegen en Beuningen en de provincie Gelderland samen met de ODRN in 2021 en 2022 bedrijven geïnventariseerd met relevante luchtemissies. Uit deze inventarisatie kwamen 15 bedrijven naar voren die een relevante bijdrage leveren aan de luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijventerrein.

In de genoemde inventarisaties is voor deze bedrijven op het industrieterrein TPN-West gekeken of de huidige vergunningen nog voldoende actueel zijn/waren en of er eventueel tekortkomingen zijn op het gebied van toezicht en handhaving. In deze inventarisatie is niet of maar zeer beperkt nagegaan of emissies van bedrijven ook kunnen worden verlaagd, ook wanneer wordt voldaan aan de huidige geldende wettelijke eisen voor de betreffende emissies. Met dit project; gezonder vergunnen, samen werken aan schonere lucht, is dat alsnog gedaan. De gemeenten Beuningen en Nijmegen en de provincie Gelderland nemen deel aan het Schone Lucht Akkoord. Alle drie de partners nemen maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Leeswijzer In dit rapport zullen eerst de doelstellingen en beoogde resultaten van het project besproken worden. Vervolgens wordt ingegaan op gekozen aanpak en behaalde resultaten. Vervolgens wordt het project geëvalueerd en worden aanbevelingen gedaan. De rapportage sluit af met een korte samenvatting.

TPN-West wordt gevormd door vier aaneengeschakelde bedrijventerreinen: De Sluis Weurt, Industrieplein, West-Kanaalhaven en Noord-Kanaalhaven. 1

4

Doelstelling project en beoogd resultaat In de huidige praktijk van vergunningverlening geldt het uitgangspunt dat de Best Beschikbare Technieken (BBT) worden voorgeschreven2. Concreet betekent dat bedrijven maatregelen moeten nemen die emissies verlagen op een kosteneffectieve en doeltreffende wijze. Wat als BBT moet worden beschouwd is daarom niet statisch, maar onderhevig aan nieuwe inzichten en technologische en economische ontwikkelingen. Daarom moet geregeld worden bezien of vergunningen nog voldoen aan dit uitgangspunt of dat aanvullende BBT maatregelen mogelijk zijn om emissies te verlagen. Dit is ook wat de wet vraagt (art. 5.38 Omgevingswet). Doel van het project was om een systematiek te ontwikkelen om met draagvlak van de omgeving en betrokkenheid van bedrijven te komen tot verdere emissiereductie van schadelijke stoffen. Deze systematiek moet er toe leiden dat bij vergunningverlening en handhaving gekozen wordt voor toepassing van de schoonste en best presterende technieken met als resultaat verlaging van de uitstoot bij industriële bedrijven. Dit moet uiteindelijk leiden tot een verdere verbetering van de luchtkwaliteit en gezondheid van omwonenden. De volgende resultaten werden beoogd met dit project: 1. Een lijst met bedrijven waar mogelijkheden zijn om emissies te verlagen. 2.

Een nieuwe omgevingsdialoog3 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving in Nijmegen-West en Weurt. 3. Systematiek met een lijst van aandachtspunten bij het verlenen van een vergunning. 4. (Ontwerp) vergunningen voor max. 5 bedrijven waarvoor de genoemde systematiek is doorlopen. Binnen het project wordt met een pilot met maximaal 5 bedrijven de beoogde systematiek doorlopen. De bedrijven zijn bij voorkeur verdeeld over de verschillende bevoegde gezagen.

Voor de precieze definitie hiervan zie bijlage A van de Omgevingswet (Begrippen) De omgevingsdialoog is een middel om de communicatie tussen de industrie en haar omgeving te structureren binnen het Vergunning Toezicht Handhaving-proces (hierna VTH). Hierin staan afspraken over communicatie met de omgeving waar het gaat over vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De huidige omgevingsdialoog dateert van 2016. 2 3

5

Aanpak & Resultaten Het project kende 3 fases: 1. Voorselectie van bedrijven en inventarisatie van technische mogelijkheden bij deze bedrijven voor emissiereductie. Tevens evaluatie huidige omgevingsdialoog. 2. Met max. 5 bedrijven en omwonenden in gesprek over hinder en zorgen over het bedrijf en mogelijke toepassing van geïnventariseerde maatregelen. Vormgeven van de nieuwe omgevingsdialoog. 3. Evaluatie en communicatie over de resultaten. Het project is begeleid door een klankbordgroep bestaande uit omwonenden, belangenorganisatie (Vereniging Leefmilieu) en vertegenwoordigers van bedrijven uit fase 2. Deze klankbordgroep is begeleid door een onafhankelijk voorzitter. Het doel van de klankbordgroep was om mee te denken met een aantal belangrijke keuzes in het project en het delen van de resultaten en vervolgstappen van het project. Daarnaast was het doel van de klankbordgroep om meer begrip te krijgen voor elkaars positie en inzicht in dilemma’s, mogelijkheden en effecten van de maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Fase 1 In fase 1 is een voorselectie gemaakt van bedrijven met de grootste emissie van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM). Dit zijn niet per definitie de bedrijven die de hoogste bijdrage leveren op leefniveau ter plaatse van de omliggende wijken. De bijdrage op leefniveau (immissie) is namelijk van meer zaken afhankelijk dan alleen de omvang van emissie, maar bijvoorbeeld ook van de schoorsteenhoogte. Omdat de Impressie klankbordgroepvergadering bijdragen van de emissies van schadelijke stoffen van de verschillende bedrijven op leefniveau (immissie) niet of maar deels bekend waren is gekozen om een selectie te maken op basis van de emissie. Uit deze voorselectie kwamen 8 bedrijven naar voren. Deze bedrijven zijn vervolgens door de projectleider geïnformeerd en bezocht voor een toelichting op het project en beantwoording van vragen. Vervolgens is voor deze bedrijven door het adviesbureau TAUW samen met vergunningverleners, luchtadviseurs en toezichthouders van de 6

Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA)4 en de ODRN een inventarisatie gemaakt van (aanvullende) maatregelen die mogelijk zijn om schadelijke emissies te verminderen. De concept rapportage is gedeeld met de betreffende bedrijven. Commentaar en aanvullingen zijn verwerkt in de eindrapportage. Uit deze analyse kwamen, naast een lijst van mogelijke maatregelen per bedrijf, de volgende bevindingen naar voren: • Drie bedrijven maken gebruik van aardgasgestookte stoomketels. Als emissiereducerende maatregel voor een stookinstallatie ligt SCR-technologie5 voor de hand. Met het oog op de toekomst kan ook onderzocht worden hoe de bedrijven zelf hun warmtevraag willen invullen met een CO2-neutraal alternatief voor aardgas, bijvoorbeeld door elektrificatie of door te stoken op waterstof en wat dat betekent voor schadelijke stoffen zoals NOx. • Bij vijf bedrijven worden mobiele werktuigen toegepast, deze leveren ook een significante bijdragen aan de totale uitstoot van NOx en fijnstof. Onderzocht kan worden of modernisering van het wagenpark door schonere motoren of zelfs elektrificatie mogelijk is. • Drie bedrijven kennen op- en overslag, waarbij stof kan verstuiven. Deze emissies worden gereguleerd via vergunningvoorschriften die maatregelen voorschrijven.

Cruciaal voor het laag houden van deze verstuivingsemissies is een adequate naleving van de voorschriften, hier kan in toezicht rekening mee gehouden worden. Als vergaande maatregel kan besproken worden of het inpandig uitvoeren van opslag en bewerkingen mogelijk is. In fase 1 is tevens de huidige omgevingsdialoog geëvalueerd. Als eerste is dit gedaan met medewerkers van ODRN, gemeente Nijmegen, gemeente Beuningen en provincie Gelderland. Vervolgens is er een brainstormsessie geweest met de vertegenwoordigers van Bedrijvenvereniging TPN-West en één met wijkvertegenwoordigers. Een uitgebreide analyse van deze evaluatie is te vinden in de bijlage ‘Voorstel Omgevingsdialoog 2025 TPN-West ‘.

Fase 2 Voor fase 2 zijn verschillende bedrijven benaderd. Vanwege het nog beschikbare budget is besloten dat maximaal 3 bedrijven konden deelnemen aan fase 2 van het project. Er bleek echter, om verschillende redenen, weinig bereidheid bij bedrijven om deel te nemen aan fase 2 van het project. Enkele genoemde redenen waren: geen belangstelling (zonder verdere toelichting), personeelsperikelen, overtuiging dat men al voldoende doet en geen vertrouwen in de meerwaarde van dit traject (samen met de De ODRA is verantwoordelijk voor het toezicht bij een aantal bedrijven op TPN West, waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. 5 SCR = Selective Catalytic Reduction, zie ook Luchtemissiebeperkende techniek – Selectieve (niet)katalytische reductie | Informatiepunt Leefomgeving 4

7

omgeving). Uiteindelijk zijn twee bedrijven bereid gevonden om deel te nemen aan deze fase: Afvalenergiecentrale ARN en Dura Vermeer (tegenwoordig onderdeel van DND). In fase 2 zijn per bedrijf twee bijeenkomsten gepland. Hieraan hebben naast vertegenwoordigers van het bedrijf, ook enkele omwonenden uit de klankbordgroep deelgenomen en Impressie bedrijfsbezoek ARN een vertegenwoordiger van Leefmilieu (alleen bij Dura Vermeer). De ODRN werd door een projectleider en –ondersteuner vertegenwoordigd. Tevens is een luchtspecialist van het bureau TAUW bij de gesprekken aanwezig geweest met de rol van onafhankelijk adviseur. De eerste bijeenkomst had tot doel om kennis te maken, het bedrijf en het bedrijfsproces beter te leren kennen en de eventuele zorgen van omwonenden te bespreken. De tweede bijeenkomst stond in het teken van het gesprek over mogelijke maatregelen om schadelijke emissies te verminderen en (mogelijke) hinder en overlast te beperken. Aan het eind van het tweede gesprek zijn de aanpak en de gesprekken kort geëvalueerd en is naderhand aan de deelnemers van het gesprek een evaluatieformulier toegestuurd. Uit de evaluaties kwam naar voren dat de gevolgde aanpak en de gesprekken door alle partijen als positief ervaren zijn. Omwonenden gaven aan dat men het fijn vond om inzage te krijgen in wat ARN doet en welke afwegingen er bij ARN spelen.

ARN gaf aan dat, ondanks het feit dat er al veel geïnvesteerd wordt in communicatie met de omgeving, men het prettig vond om op deze manier met omwonenden in gesprek te gaan en nieuwe invalshoeken te horen. Inhoudelijk kwamen er weinig nieuwe maatregelen ter tafel. De belangrijkste maatregelen uit de rapportage van TAUW zullen binnen afzienbare termijn getroffen worden (dubbele DeNOx6 op tweede verbrandingslijn) of zijn inmiddels getroffen (dubbele DeNOx op eerste verbrandingslijn) of zijn economisch niet haalbaar (bijv. overkapping opslag bodemassen), maar ook niet nodig omdat voldoende aanvullende maatregelen worden genomen (bevochtiging van bodemassen). Ook bleek bij navraag dat de inzet van de diesel noodaggregaat aanzienlijk lager is dan vergund en bijvoorbeeld aanvullende reiniging niet effectief is

Installatie van zowel een SCR als een SNCR afgasreiniging: Luchtemissiebeperkende techniek – Selectieve (niet-)katalytische reductie | Informatiepunt Leefomgeving 6

8

gezien de beperkte inzet daarvan in de praktijk7. Veel mogelijke maatregelen bij ARN waren al afgewogen in het lopende traject om tot een revisievergunning te komen, dat in de afrondende fase was ten tijde van de gesprekken. Ook de gesprekken met Dura Vermeer zijn door alle partijen als goed en prettig ervaren. Vanuit de omwonenden vond men het nuttig om meer inzicht te hebben in wat het bedrijf precies doet en welke afwegingen Diverse maatregelen bij Dura Vermeer om stofverspreiding te voorkomen men maakt. En meer in het bijzonder dat het bedrijf ook openstaat voor suggesties vanuit de omgeving en oplossingsgericht wil meedenken. Er was onduidelijkheid over de stuifklassen van de producten die Dura Vermeer opslaat. Vanaf 1 januari 2026 is het verplicht opslag van stuifgevoelige materialen in de stuifcategorie S1 t/m S4 te overkappen. Alleen met een maatwerkvergunning zijn andere maatregelen toegestaan mits die de stofverspreiding voldoende beperken. Vanuit een omwonende werd aangegeven dat het niet duidelijk is hoe het bedrijf nu presteert ten opzichte van de ‘norm’. Ook werd uit het rapport van TAUW niet duidelijk wat nu als BBT moet worden beschouwd en wat niet. Dura Vermeer heeft organisatiebreed het doel om in 2030 hun CO2-uitstoot te halveren en in 2050 minimaal 90% CO2-reductie te bereiken. Bij vervanging van materiaal, bijv.

de mobiele werktuigen, gaf Dura Vermeer aan dat zoveel mogelijk wordt gekeken naar elektrificatie. Beschikbaarheid van voldoende netcapaciteit is daarbij wel een mogelijk knelpunt. Daarnaast is men voor de locatie aan de Ambachtsweg inmiddels mede afhankelijk van keuzes door Mobiele puinbreker bij Dura Vermeer

de vergunning laat ongeveer 1000 draaiuren per jaar toe, in de praktijk blijkt dat het aantal draaiuren per jaar gemiddeld rond de 60 uren ligt. 7

9

andere partijen8. Daarnaast kwam een aantal maatregelen ter sprake bij het bezoek die nog nader onderzocht zullen worden, bijv. toepassing walstroom en hogere zijwanden om stofverspreiding te voorkomen. Verschillende maatregelen zijn al genomen naar aanleiding van een revisietraject van een aantal jaar geleden, waaronder een grote wal/afscheiding langs de Ambachtsweg. Omwonenden en Leefmilieu waren daar ook bij betrokken. Door alle partijen werd wel het belang van tijdige communicatie met elkaar onderkend. Dura Vermeer wil bijvoorbeeld voor een eventueel maatwerkverzoek bewoners tijdig betrekken en informeren hierover. Ook omwonenden willen hierover graag tijdig geïnformeerd worden en meedenken over de juiste maatregelen. In fase 2 zijn tevens bouwstenen aangedragen voor een nieuwe omgevingsdialoog die in een aantal pilots verder uitgewerkt kunnen worden. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlage ‘Voorstel Omgevingsdialoog 2025 TPN-West’.

Sinds 1 januari 2025 is de locatie van Dura Vermeer in Nijmegen gefuseerd met Neboha en Derks handelskade onder de naam ‘DND’ (Dura-Neboha-Derks). Dit betekent dat Dura Vermeer niet meer alleen zeggenschap heeft over evt. maatregelen die getroffen (kunnen) worden bij het bedrijf. 8

10

Evaluatie Het project heeft een aantal goede inzichten en resultaten opgeleverd. Een aantal doelstellingen is niet of onvoldoende behaald. De gezamenlijke gesprekken tussen omwonenden, belangenorganisatie en bedrijven, zowel bij de pilots als tijdens de klankbordgroep vergaderingen werden als prettig en constructief ervaren. Er is goed naar elkaar geluisterd en men heeft zich kunnen verplaatsen in elkaars posities. Van beide kanten heeft dit geleid tot nieuwe inzichten, bijvoorbeeld de bereidheid van bedrijven om ook daadwerkelijk naar omwonenden te luisteren, maar ook (deels) begrip van omwonenden voor bepaalde afwegingen die een bedrijf maakt. Ook het belang van het tijdig met elkaar in gesprek gaan bij nieuwe initiatieven wordt door alle partijen erkend en onderschreven. Daarbij is het wel goed om aan te tekenen dat bedrijven die bereid waren om aan fase 2 van het project mee te doen, onderdeel waren van de klankbordgroep. Juist deze bedrijven hebben hiermee al laten zien dat zij waarde toeschrijven aan de dialoog met andere betrokkenen en hebben hier al vanuit het verleden ervaring mee. Daarbij moet dan ook direct opgemerkt worden dat het niet eenvoudig was om bedrijven bereid te vinden om mee te doen in fase 2 van het project.

Hoewel daar geen uitgebreid onderzoek naar is gedaan, kwam wel van verschillende kanten terug dat bedrijven deze (afwijkende) manier van werken ‘spannend’ vonden en ook bang waren voor negatieve publiciteit. In termen van emissiereductie zijn de resultaten van het project ook beperkt. Zowel bij ARN als ook bij Dura Vermeer zijn in het verleden al verschillende maatregelen genomen of zullen op korte termijn maatregelen worden genomen, voortkomend uit het revisievergunningstraject (ARN). Wel is een aantal mogelijke aanvullende maatregelen benoemd en verder uitgezocht. Zo bleek aanvullende emissiereductie bij inzet van het noodaggregaat bij ARN niet zinvol, vanwege het beperkte gebruik ervan. Andere maatregelen, zoals het ophogen van de zijwanden bij Dura Vermeer, worden nog onderzocht. Qua luchtkwaliteit is nog wel winst te behalen in de inzet van schoner transport, zowel binnen het bedrijf en transport van het naar het bedrijf. Bedrijven hebben daar maar zeer beperkt invloed op, zeker als het geen eigen materieel betreft. Ook beperkte netcapaciteit speelt daarin in een rol. Wel is het zo dat ook andere bedrijven die verantwoordelijk zijn voor transport van en naar bedrijven of materiaal leveren bezig zijn met elektrificatie, mede omdat dit ook vanuit projecten steeds meer wordt voorgeschreven of noodzakelijk is om aan stikstofeisen te kunnen voldoen.

De rol van een onafhankelijk bureau is als zinvol ervaren, hoewel daar ook kanttekeningen bij te plaatsen zijn. Omwonenden vroegen zich bijvoorbeeld af of TAUW, dat ook voor industriële bedrijven werkt, wel onafhankelijk is. Daarbij werd door TAUW aangegeven dat onafhankelijkheid voor hun werk van groot belang is en dat zij juist 11

vanuit die positie verschillende partijen kan adviseren. Bedrijven gaven aan dat veel maatregelen uit de inventarisatie voor hen al bekend waren en deels al worden toegepast. Mogelijk had een aanvullende beoordeling van de maatregelen in relatie tot wat als BBT beschouwd kan worden een extra toegevoegde waarde kunnen hebben. Een aantal omwonenden gaven aan dat zij ook behoefte hadden aan een eigen deskundige met wie zij over onderwerpen zoals best beschikbare technieken en veiligheid kunnen overleggen. De klankbordgroep was helpend bij dit project. Hierin konden partijen casusoverstijgend spreken over dilemma's met betrekking tot schone lucht en verplaatsen in elkaar positie. Ook is tijd besteed aan kennisoverdracht richting partijen (inleiding luchtverontreiniging door medewerker van de gemeente Nijmegen en presentatie over gezondheidseffecten van luchtverontreiniging door de GGD).

Aanbevelingen voor het vervolg Wat zijn de belangrijkste ‘lessons learned’ voor het vervolg? Allereerst het belang van een goede onderlinge verstandhouding. Door problemen tijdig aan te geven en met elkaar te bespreken, kan gewerkt worden aan oplossingen. Bedrijven zijn, binnen grenzen, bereid om te werken aan oplossingen. Ook wordt het tijdig betrekken van omwonenden bijv. bij nieuwe initiatieven van groot belang geacht. Met het voorstel voor een nieuwe omgevingsdialoog wordt hier verder invulling aan gegeven. De twee bedrijven die hebben deelgenomen aan fase 2 van het project hebben al (veel) ervaring met communicatie met de omgeving. Voor wat betreft verbetering van communicatie met de omgeving, is daarom meer winst te behalen bij bedrijven die niet wilden meedoen aan fase 2 van het onderzoek. De uitdaging is om bij nieuwe ontwikkelingen, maar ook bij actualisatie van bestaande vergunningen, deze bedrijven ertoe te bewegen om de omgeving hier nadrukkelijk in te betrekken. Dit kan bijvoorbeeld door het onderwerp communicatie en participatie nadrukkelijk ook te agenderen in het vooroverleg dat gevoerd wordt bij een vergunningaanvraag. Maar ook bijvoorbeeld door de goede ervaringen van deze aanpak van de bedrijven uit fase 2 te delen met andere bedrijven. Verder is kennis van schadelijkheid van stoffen in relatie tot gezondheid van belang.

Wanneer hier vragen over zijn, of risico’s onzeker, is het verstandig de GGD hierin te betrekken. Daarmee kunnen problemen ook in het juiste perspectief geplaatst worden. Momenteel wordt zowel plaatselijk (regio Nijmegen) als ook landelijk (in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden) verkent hoe de GGD meer betrokken zou kunnen worden in VTH. Daarnaast is het verstandig om eens in de zoveel tijd een bedrijf weer eens goed door te lichten, om te beoordelen of wat ze doen nog wel conform BBT is, of dat 12

kosteneffectieve maatregelen voorhanden zijn die emissies verder kunnen verminderen. De bureaustudie die de ODRN doet bij bedrijven om te kijken of de vergunning nog actueel is (actualisatietoets) is daarvoor in bepaalde gevallen te beperkt en zou kunnen worden aangevuld met een bedrijfsbezoek en –gesprek om dit verder te onderzoeken. Een goed beeld van wat het totaal aan emissies van bedrijven nu precies bijdraagt aan de luchtverontreiniging in de omliggende wijken ontbreekt. Weliswaar worden er op diverse plaatsen in Nijmegen en Beuningen metingen gedaan naar o.a. de concentraties fijnstof en NOx, maar wat de bijdrage van de afzonderlijke bronnen (bedrijven, maar ook verkeer, houtstook, etc.) daaraan is, is daaruit niet af te leiden. Daarmee is er ook niet of onvoldoende inzicht in de bijdrage van individuele bronnen hieraan en is het daarmee ook lastig om te prioriteren waar de grootste gezondheidswinsten te behalen zijn in termen van maatregelen die leiden tot emissievermindering. In het kader van uitvoeringsprogramma industrie en omwonenden voor TPN West, wordt geprobeerd om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Ook is er nauwelijks inzicht in de bijdrage van transport van, naar en over het industrieterrein aan de luchtverontreiniging. De indruk is dat met schoner transport nog winst te behalen is qua gezondheidsverbetering, maar concrete cijfers ontbreken.

Aanvullend onderzoek hiernaar is wenselijk.

13

Samenvattend Het project heeft een goed beeld gegeven van de belangrijkste emissiebronnen op TPN West voor wat betreft schadelijke emissies van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM) en de mogelijke maatregelen bij bedrijven om deze emissies te verlagen. Exacte emissiegegevens waren niet in alle gevallen bekend omdat niet alle bronnen (geregeld) gemeten worden. In aanvragen voor vergunningen worden gegevens geregeld ‘worst case’ aangeleverd, terwijl in de praktijk emissies veel lager zijn. De bereidheid van de onderzochte bedrijven om met omwonenden in gesprek te gaan over de haalbaarheid van de geïnventariseerde maatregelen bleek beperkt om verschillende redenen. Enkele genoemde redenen waren: geen belangstelling (zonder verdere toelichting), personeelsperikelen, overtuiging dat men al voldoende doet en geen vertrouwen in de meerwaarde van dit traject (samen met de omgeving). Uiteindelijk waren 2 van de 8 onderzochte bedrijven hiertoe bereid: ARN en Dura Vermeer. Na een bedrijfsbezoek zijn omwonenden met het bedrijf in gesprek gegaan over de haalbaarheid van deze maatregelen. De gesprekken zijn door bedrijven, maatschappelijke organisatie en omwonden als positief ervaren, ondanks het feit het nog niet heeft geleid tot concrete (aanvullende) maatregelen. Dit kwam deels omdat een deel van de maatregelen binnenkort al genomen worden.

Ook bleek een deel van de maatregelen in de praktijk niet uitvoerbaar of tegen te hoge kosten. Een aantal maatregelen wordt nog onderzocht. Wat het project wel concreet heeft opgeleverd is dat bewoners en bedrijven meer begrip hebben gekregen voor elkaars posities en belangen en, voor zover men dat al niet was, de bereidheid meer te luisteren naar omwonenden en hen ook actiever te betrekken bij toekomstige vergunningprocedures. De lessen hieruit zullen ook worden meegenomen in een communicatieprotocol (omgevingsdialoog) voor dit gebied bij vergunningverlening, toezicht en handhaving.

14

Bijlage: Voorstel nieuwe omgevingsdialoog

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=a6e5db97-16b5-4142-b1da-a6cfef004382