Brief van JMG advies Ombudsfunctie sociaal domein
Tekst van het document
College van burgemeester en wethouders Postbus 9105 6500 HG Nijmegen
Betreft: advies ombudsman
Nijmegen 20 september 2021 Geacht college,
In de vergaderingen van de gemeenteraad van respectievelijk 18 december 2019, 29 januari 2020 en 28 april 2021 zijn de navolgende moties aangenomen “Ombudsman”, “In Nijmegen geen klager van het kastje naar de muur”, en “Vangnet en tegenmacht: een must have”. Bij de behandeling van de destijds op de agenda staande onderwerpen en op verschillende gronden zijn deze moties aangenomen. Daaruit blijkt de dringende wens om een ombudsfunctie voor het sociaal domein in het leven te roepen. Bij de laatste twee moties is bovendien de wens uitgesproken om de raad tijdig voor de zomernota van 2020 , respectievelijk de stadsbegroting van 2022 te informeren over de financiële dekking van de uitvoering van de moties respectievelijk over de uitwerking van de gevraagde scenario’s. Op basis van de moties, maar zeker de motie van 28 april 2021, blijkt dat de beoogde ombudsfunctie het onder meer mogelijk zou moeten maken om bezwaren van burgers voortijdig te ondervangen ter voorkoming van langlopende klachtenprocedures. Bovendien zou deze functionaris trends en signalen moeten rapporteren aan de gemeenteraad en het college.
In de raadsvergadering van 28 april 2021 heeft de raad, onder verwijzing naar de eerdere moties, aangegeven dat de manier waarop het college uitvoering wil geven aan deze moties duidelijk maakt dat de interpretatie door het college afwijkt van de bedoeling van de indienende fracties. Er wordt door de gemeenteraad het verzoek gedaan, om bij voorkeur, verschillende scenario’s te schetsen op welke wijze een onafhankelijke ombudsfunctie gericht op het sociaal domein in de gemeente Nijmegen georganiseerd kan worden en welke functies daarin meegenomen moeten worden.
1
Het instellen van de gevraagde ombudsfunctie brengt, naar de mening van de adviescommissie, met zich mee dat allereerst nagedacht moet worden de inhoud van deze en welke plaats de functie moet krijgen ten opzichte van de gemeentelijke organisatie en andere betrokken zelfstandig staande of op afstand van de gemeente staande uitvoerende instanties binnen het sociaal domein. In Nederland zijn meerdere gemeenten overgegaan tot de instelling van een gemeentelijke ombudsman. Onder meer Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, Groningen en Eindhoven. Ook komt het voor dat de ombudsfunctie regionaal wordt georganiseerd, zoals in 2019 is gebeurd in Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, West Maas en Waal en Wijchen, de gemeenschappelijke regeling Bijsterhuizen en de Modulaire gemeenschappelijke regeling (MGR-werkbedrijf). Uit alle besluiten tot instelling van de ombudsfunctie kan het volgende als gemeenschappelijke factor of kenmerk worden afgeleid voor wat betreft de functie van de gemeentelijke ombudsman. De ombudsman is onpartijdig en onafhankelijk en maakt geen deel uit van de bestuursorganen van de gemeente.
De ombudsman werkt zelfstandig en is een laagdrempelige voorziening bereikbaar via bijvoorbeeld de klachtencoördinatoren van de gemeente of rechtstreeks via degemeentelijkeombudsman@gmail De taken van de ombudsman kunnen als volgt worden samengevat: Klachtbehandeling Onderzoeken op eigen initiatief Voorlichting en een bijdrage leveren aan goede verhoudingen tussen gemeente en burgers. Klachtbehandeling De gemeentelijke ombudsman is bevoegd klachten over de lokale overheid te onderzoeken en te beoordelen. De gemeentelijke ombudsman neemt een klacht pas in behandeling als de klacht kenbaar is gemaakt bij de gemeente of organisatie waar de klacht over gaat. De desbetreffende instantie moet eerst de kans krijgen om de klacht zelf op te lossen. Er is dus sprake van aanvullende rechtsbescherming, omdat de burger al het wettelijk recht heeft om te klagen bij de gemeente/organisatie. Ook kan hij aan zijn oordeel een aanbeveling aan de gemeentelijke overheid koppelen om herhaling van klachten te voorkomen. Deze oordelen en aanbevelingen zijn niet bindend, maar worden doorgaans wel opgevolgd. Onderzoek op eigen initiatief De ombudsman kan een onderzoek op eigen initiatief instellen, bijvoorbeeld bij het vermoeden dat bepaalde klachten een structureel karakter hebben of de behoorlijkheid van het openbaar bestuur op een andere manier in het geding is.
Voorlichting De gemeentelijke ombudsman besteedt veel tijd aan het informeren van burgers over de juiste regels en procedures rond klachten. Daarnaast geven de ombudsman en zijn medewerkers voorlichting aan groepen, bijvoorbeeld in de vorm van lezingen en/of trainingen voor studenten, interne klachtbehandelaars van gemeenten, sociaal raadslieden en andere professionals die betrokken zijn bij de behandeling van klachten. In de motie is puntsgewijs aangegeven wat onder de te onderzoeken ombudsfunctie dient te vallen. Het college ziet daarin niet veel ruimte meer voor verschillende scenario’s. Vraag 1. Waarom ziet het college niet veel ruimte meer voor de ontwikkeling van diverse scenario’s, zoals is gevraagd.
2
Hieronder zal verder aandacht worden besteed aan onderdelen van de voorliggende informatie brief. Onafhankelijkheid. In het voorstel wordt terecht aangegeven dat de ombudsfunctie onafhankelijk van de gemeentelijke organisatie, en van de klager, moet kunnen worden uitgevoerd. De conclusie wordt getrokken dat opzetten van een nieuw bureau binnen de gemeentelijke organisatie de aangewezen weg lijkt. In het voorstel wordt echter in de paragraaf “Organisatie” enerzijds gesteld dat gelet op de vereiste onafhankelijkheid dit de meest aangewezen manier is, maar anderzijds dat “uiteraard positionering buiten de gemeentelijke organisatie een optie is. Een dergelijke organisatie moet dan de volledige reikwijdte van het sociaal domein kunnen bedienen en het vertrouwen genieten van alle betrokken partijen”. Tenslotte wordt ook de mogelijkheid geopperd dat er sprake zou kunnen zijn van een nieuw op te richten partij. Dat laatste zou dan als voordeel hebben dat deze partij uitsluitend voor deze taak kan worden ingericht. Het wordt echter als nadeel gezien dat er extra kosten voor overhead, huisvesting en aanverwante zaken bij zullen komen. Vraag 2. Naar aanleiding van de op 28 april 2021 in de gemeenteraad aangenomen motie en de daarin aangegeven randvoorwaarden voor het creëren van deze functie van ombudsman is in de raadsinformatiebrief een drietal modellen voor deze functie gepresenteerd.
Het eerste model betreft een nieuw bureau binnen de gemeentelijke organisatie. Het tweede model betreft een positionering van een bestaande partij buiten de organisatie. Het derde model betreft een nieuw op te richten partij. Over het tweede en derde model wordt gezegd dat deze de volledige reikwijdte van het sociaal domein zouden moeten kunnen bedienen en het vertrouwen zouden moeten genieten van alle betrokken partijen. Bovendien wordt over het derde model aanvullend nog opgemerkt dat deze partij dan uitsluitend voor deze taak kan worden ingericht. De commissie vraagt zich af op basis van welke argumenten in eerste instantie wordt gekozen voor een bureau binnen de gemeentelijke organisatie, zonder de overige modellen nader uit te werken maar wel te stellen dat deze laatste de volledige reikwijdte van het sociaal domein moeten kunnen bedienen. Ook in de eerste optie moet door het sociaal domein, volgens de beoogde opzet, immers volledig bereikt worden. De bediening van het volledige veld van het sociale domein is immers ook duidelijk aan de orde gekomen in de motie van 28 april 2021 en blijkt duidelijk ook uit het kopje “gericht op het sociaal domein” in uw voorstel. Advies 1.
De adviescommissie ziet graag een verdere uitwerking van deze drie modellen, teneinde bij de verdere behandeling van voorstellen op het terrein van deze functie en de inrichting daarvan, een duidelijke keuze kan worden gemaakt tussen de verschillende mogelijkheden. Daarbij moet voor ieder model een overzicht worden gegeven van kosten betreffende bijvoorbeeld overhead, huisvesting, ICT en andere aanverwante zaken.
3
Functies van de ombudsman. In uw voorstel onderscheidt u vier functies. 1. Verwijzing naar de klachtprocedure van een organisatie en zo nodig ondersteuning bij het indienen van een klacht. 2. Bemiddeling bij individuele geschillen tussen cliënt en organisatie en zo nodig dwingende advisering. 3. Klachtenregistratie en afhandeling in het sociale domein monitoren en daarover rapporteren aan college en raad 4. Gevraagde en ongevraagde advisering aan college en raad. ad.1. Verwijzing g naar de klachtprocedure van een organisatie en zo nodig ondersteuning bij het indienen van een klacht. De adviescommissie kan zich vinden in deze omschrijving en acht het niet raadzaam om de ombudsman in te schakelen bij het ondersteunen bij het indienen van een klacht. Doorverwijzing naar bijvoorbeeld het bureau sociale raadslieden of een organisatie voor onafhankelijke cliëntondersteuning verdient in de ogen van de commissie wel aanbeveling. ad.2. Bemiddeling bij individuele geschillen tussen cliënt en organisatie en zo nodig dwingende advisering. De commissie kan zich vinden in de bemiddeling bij individuele geschillen. Dwingende advisering is juridisch ingewikkelder. Terecht wijst u op de honderden partners die ieder hun eigen klachtprocedure hebben. De meeste daarvan hebben ook nu al een onafhankelijke laatste instantie.
Het is duidelijk voor de adviescommissie dat er de nodige juridische consequenties zijn als daar een nieuwe procedure aan wordt toegevoegd met ook nog een dwingende adviesbevoegdheid. De verhouding tussen de ombudsfunctie en de bestaande klachtprocedure, met veelal een laatste onafhankelijke instantie, moet immers geregeld worden. Vraag 3. Als de ombudsfunctie beschouwd moet worden als laatste instantie bij een klacht, zoals u stelt en ook bij de aanname van de moties is gebleken, wil de commissie graag vernemen welke meerdere wettelijke regimes er dan van toepassing zijn. Vanwege de complexiteit van de borging van de dwingende adviesbevoegdheid doet u de suggestie om derhalve een uitrolmodel als voorkeur te hanteren. In uw voorstel wordt voorts opgemerkt onder het kopje “Bemiddeling en dwingende advisering.” “Dat als blijkt dat na de bemiddeling/gesprek met de ombudsman aan het eind nog steeds niet zo blijkt te zijn dat partijen onderling een conflict oplossen, de functionaris met een bindend advies zal komen. Dit is voor beide partijen de onafhankelijke einduitspraak in de zaak.” Advies 2. De adviescommissie merkt op dat deze passage in dit voorstel tot verwarring leidt omdat er van wordt uitgegaan dat dit de procedure zal zijn die wordt toegepast.
Dit is een conclusie die pas getrokken kan worden als er een keuze gemaakt betreffende de opzet, invulling en positionering van de ombudsfunctie. Het advies is om deze passage vooralsnog te schrappen. advies 3. De adviescommissie vraagt het college om een fundamentele overweging over de plaats en betekenis van klachtenregelingen in het sociaal domein, zoals die bijvoorbeeld nu worden of zijn ingericht door de stichtingen buurtteams jeugd en gezin, en volwassenen. Bij de aanbesteding en de 4
programma’s van eisen die destijds zijn gesteld wordt zeer specifiek, ook op aandringen van de commissie, aandacht besteed aan cliëntondersteuning en een goede interne klachtenregeling. De cliëntondersteuning wordt uitgewerkt in samenspraak met de organisaties/gemeente. De interne klachtenregeling is juist opgezet om problemen te kunnen aanpakken en oplossen en cliënten in hun waarde te laten. Dergelijke regelingen moeten waarborgen bieden. De introductie van de ombudsman voor het sociaal domein gaat een extra mogelijkheid in het leven roepen ingeval mensen niet tevreden zijn met de afhandeling binnen een bestaande klachtenregeling. Advies 4. Ondanks het bovenstaande moge duidelijk zijn dat de adviescommissie zich kan vinden in de instelling van een ombudsman, met in ieder geval volledige aandacht voor het sociale domein. Gelet op het belang daarvan, zoals hierboven reeds aangegeven met de nodige randvoorwaarden, kan de adviescommissie instemmen, zij het met teleurstelling over de zeer late adviesaanvraag en daarmee de noodzaak tot zeer spoedige advisering. Een spoedig antwoord op ons advies zien wij graag tegemoet.
Vriendelijke groeten,
Sandra de Vries voorzitter adviescommissie JMG
adviescommissie JMG secretaris F. Eliëns, MO10 postbus 9105 6500 HG Nijmegen f.eliens@nijmegen.nl
5