Brief van adviescommissie JMG verordening beleidsregels 2022
Tekst van het document
College van burgemeester en wethouders Postbus 9105 6500 HG Nijmegen Betreft: Verordening WMO en Jeugd 2022
Nijmegen 29 november 2021
Geacht college, Op 9 november jl. is de adviescommissie in de gelegenheid gesteld te adviseren met betrekking tot de bovengenoemde concept-verordening. Alvorens in te gaan op de concept-verordening hecht de adviescommissie eraan om een opmerking te maken over het moment van de aanbieding van de stukken aan de adviescommissie en de tijd en gelegenheid die de adviescommissie krijgt om een gevraagd advies uit te brengen. Kortheidshalve verwijzen wij naar de opmerking die terzake is gemaakt in ons advies van 24 november 2020 over de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugd 2021. In vergelijking met de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp en beleidsregels Nijmegen 2021 worden in de voorliggende concept-verordening en de bijbehorende beleidsregels een behoorlijk aantal wijzigingen voorgesteld. In dit advies zal slechts aandacht worden besteed aan de voorgestelde wijzigingen, waarover de adviescommissie advies uitbrengt dan wel vragen stelt en opmerkingen maakt. Allereerst besteden we aandacht aan de concept-verordening en vervolgens aan de conceptbeleidsregels. De concept-verordening met maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2022 1. De doelen, activiteiten en evaluatiemomenten In het pgb -plan.
In de voorgestelde uitbreiding van artikel 11 lid 1, met het onderdeel f , wordt gesteld dat de cliënt die een persoonsgebonden budget wenst in het door de cliënt daartoe opgestelde plan/aanvraag/melding moet opnemen “De doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het pgb plan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens in uren per 1
week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder”. De bedoeling van dit artikel, zo blijkt slechts kort uit het door het college gepresenteerde overzicht van de voorgestelde wijzigingen in de concept-verordening, is om te verduidelijken dat het ook de verplichting van de budgethouder is om in het plan concrete doelen en afstemming met andere hulpverleners op te nemen. Vraag 1. De adviescommissie stelt vast dat in de toelichting bij de concept-verordening over deze voorgestelde uitbreiding van artikel 11 lid 1 helaas met geen woord wordt gerept. In de voorgestelde tekst wordt een uitbreiding gegeven aan de plicht tot onderbouwing van de aanvraag voor een voorziening, in dit geval het persoonsgebonden budget. Als argument wordt gebruikt dat het een plicht van de cliënt is, althans gaat worden. 1. A Als dit een bestaande plicht van de cliënt is op basis van wet maatschappelijke ondersteuning, dan is allereerst de vraag waarom die verplichting niet in de verordening 2021 is opgenomen, en wel in de voorgestelde wijziging van de verordening. De adviescommissie verzoekt het college dan ook om een nadere onderbouwing van de voorgestelde wijziging. 1.
B De tweede vraag betreft dan welke wijzigingen er in het afgelopen jaar bij wet- en regelgeving zijn geweest op het gebied van de wet maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp die maken dat deze wijziging alsnog wordt voorgesteld. De adviescommissie ziet een overzicht van wijzigingen in de wet- en regelgeving die leiden tot de voorgestelde wijzigingen in de concept-verordening en beleidsregels 2022 met belangstelling tegemoet. Advies 1. De wijziging wordt voorgesteld als zijnde een plicht van de cliënt ter onderbouwing van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. In het betreffende artikel van de huidige verordening staan veel eisen waaraan zo’n aanvraag moet voldoen. Bij het niet voldoen aan die eisen wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel afgewezen. Het is de wettelijke plicht van de gemeente om bewoners die ondersteuning behoeven daarbij zoveel mogelijk te helpen. Uiteraard heeft de adviescommissie begrip voor de eigen verantwoordelijkheid van mensen voor hun eigen leven, maar de adviescommissie wijst erop dat een aanvraag voor een voorziening niet zomaar ingediend wordt, maar slechts nadat mensen tot de overtuiging zijn gekomen dat een voorziening op zijn plaats is omdat men zelf er niet in slaagt het geconstateerde probleem op te lossen.
De voorgestelde uitbreiding van artikel 11 in de verordening werpt voor de mensen alleen maar meer drempels op, met bovendien de verplichting te moeten afstemmen met andere zorgverleners. Dit maakt de situatie veel te complex voor individuele aanvragers. Het risico wordt in het leven geroepen dat mensen afzien van het aanvragen van een voorziening. Mensen die besluiten een aanvraag in te dienen lopen het risico dat deze aanpak ook deel uit gaat maken van de voorgeschreven evaluatie en bij een verkeerde inschatting van de cliënt bij de aanvraag van de voorziening en later toekenning tot problemen kan leiden. Zeker bij complexe situaties ontkomt de cliënt er niet aan om zich te laten bijstaan door onafhankelijke en vooral gekwalificeerde cliëntondersteuners.
2
Gelet op de wettelijke eis dat cliënten van dergelijke ondersteuning gebruik moeten kunnen maken, en het belang dat de gemeente Nijmegen eraan hecht om deze ondersteuning voor inwoners mogelijk te maken, acht de adviescommissie het van groot belang dat iedere cliënt die bij de gemeente een aanvraag voor een voorziening indient, dan wel melding doet, bij het eerste contact eenduidig en schriftelijk wordt gewezen op deze vorm van cliëntondersteuning. De adviescommissie roept het college dan ook op om daartoe de nodige stappen te zetten.
Het voorgestelde artikel 11 lid 1 onder “f”. valt te lezen als een verregaande specificering en invullings-vereiste voor het verstrekken van een PGB. De adviescommissie is dan ook van mening dat invoering van het voorgestelde artikel geen goede zaak is. Er is niet gelet op de consequenties voor de cliënten en de onderbouwing van het voorstel is onvoldoende. De commissie adviseert dit artikel te schrappen of zodanig aan te passen dat aan cliënten die een aanvraag indienen (voor een voorziening waar zij in principe recht op hebben) geen eisen worden gesteld waaraan zij redelijkerwijs niet kunnen voldoen. 2. Artikel 11 inzake Regels voor het PGB in het algemeen. A.. Is er sprake van verschillen in de vereisten rondom de invulling van het zorgplan bij een persoonsgebonden budget ten opzichte van een aanbieder in natura, en zo ja waaruit bestaan die verschillen? B. Wat betekent het als de huidige zorgplannen van een aantal aanbieders niet voldoen aan de vereisten die aan een PGB-houder worden gesteld? C. Is het de bedoeling dat eventuele verschillen in eisen en zorgplannen van aanbieders die niet voldoen aan de vereisten die alleen aan de budgethouder worden gesteld worden ingezet om te komen tot meer inzet van zorg in natura? Advies 2.
Indien er sprake is van onnodige en niet te verdedigen verschillen stel dan gelijke eisen aan het zorgplan in natura en het zorgplan in het kader van een persoonsgebonden budget. Vraag 2. Kan het college een toelichting geven op artikel 11 lid 3 sub g: wanneer is er sprake van een dergelijk tarief? 3.Artikel 13 inzake regels voor PGB sociaal netwerk In lid 2 van voornoemd artikel wordt een aantal eisen voor verstrekking van een PGB gesteld dat moet leiden tot efficiëntere en betere ondersteuning. vraag 3: De adviescommissie wil graag geïnformeerd worden over de vraag wat onder betere en efficiëntere ondersteuning wordt verstaan en aan welke criteria dit wordt getoetst, en de vergelijking die wordt gemaakt met cijfers uit het verleden. 4 afwijzingsgronden voor een maatwerkvoorziening Artikel 9 over afwijzingsgronden voor een maatwerkvoorziening roept vragen op: Vragen: 1. t.a.v. sub g: Wanneer is sprake van het onvoldoende of niet tonen van eigen verantwoordelijkheid en op basis waarvan kan tot dat oordeel worden overgegaan? 3
2. t.a.v. sub i. Wat zijn die objectieve maatstaven en wie is daarin de besluitvormende macht? Hoe moet de term adequaat in dit kader worden begrepen? Hoeveel geschillen zijn er de afgelopen jaren geweest met welke uitkomsten? 3. t.a.v. sub J vraagt de commissie zich af wat hiermee wordt bedoeld? Wanneer is daar bijvoorbeeld sprake van? In artikel 9 lid 4 over de afwijzingsgronden beschermd wonen sub d staat dat: “ er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is;”. Advies 3: De adviescommissie adviseert met klem om bij deze afwijzingsgrond niet de indicaties, maar de behoeften van een cliënt leidend te laten zijn. Daarnaast wijst de adviescommissie op de entry-exit paradox waar veel complexe situaties in dreigen te belanden. Entry-exit paradox2. Deze paradox houdt in dat mensen een probleem hebben, waardoor ze recht op iets hebben. Maar doordat datzelfde probleem zich manifesteert, wordt het recht ze weer ontzegd. Ze worden feitelijk afgerekend op de gevolgen van een probleem waar ze hulp voor zoeken. 2 Afkomstig uit een rapport van het Instituut voor Publieke Waarden over stapelingsproblematiek in het sociaal domein:Z https://publiekewaarden.nl/wpcontent/uploads/2019/06/Stapelingsproblematiek-IPW.pdf Zie ook de publicatie Rotonde van Hamed voor nadere toelichting.
5 Waardering voor pleegouders. (Concept beleidsregels) Het was goed om te zien dat in de huidige verordening in artikel 1, onder O en artikel 19 van de bijbehorende bijlage 2 het pleegzorgcompliment als blijk van waardering is opgenomen. De adviescommissie heeft in haar advies van 24 november 2020 geadviseerd om de vergoeding voor mantelzorgers en pleegouders gelijk te stellen en wel op € 200 jaarlijks. In artikel 1.van de concept-verordening 2022 is de term pleegzorgcompliment vervallen en blijkbaar eveneens uit artikel 19.2 van de bijbehorende bijlage 2. De eerste reden die daarvoor wordt aangevoerd is dat op grond van artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Pleegouders voldoen niet aan de definitie van mantelzorgers in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Als tweede reden voor de voorgestelde wijziging van de huidige regeling wordt genoemd de wens om de jaarlijkse waardering van pleegouders regionaal af te stemmen. In de bijlage bij de concept-verordening wordt de term “compliment” gewijzigd in “jaarlijkse blijk van waardering” om aan te sluiten bij de terminologie die blijkbaar ook door regiogemeenten wordt gehanteerd.
Er wordt, om die reden, voorgesteld de regeling van de jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders aan het college over te laten.
Vraag 4. De regeling omtrent de blijk van waardering voor pleegouders is opgenomen naar aanleiding van een motie van D66 die door de raad is aangenomen. Ook de adviescommissie heeft zich in haar advies van 24 november 2020 over dit onderwerp uitgesproken. 4. A. De eerste vraag die de adviescommissie zich stelt naar aanleiding van het voorliggende voorstel is het ontbreken van de noodzaak tot regionale afstemming. Bij de introductie van de
4
blijk van waardering voor de pleegouders in 2021 was hiervan geen sprake. De adviescommissie wil graag daarover geïnformeerd worden. 4. B. De tweede vraag betreft de wijze van invulling door het college van de jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders, in combinatie met de blijkbaar aanwezige wens om de jaarlijkse waardering van pleegouders regionaal af te stemmen. 4. C. Tevens wil de adviescommissie weten wat onder de regio in dit verband wordt verstaan. 4. D. De adviescommissie wil ook graag geïnformeerd worden over de gemeenten in de regio die eenzelfde verordening als de gemeente Nijmegen op dit terrein hebben vastgesteld en tot welke problemen dit heeft geleid. 4.E. Uit de voorliggende toelichting bij de concept-verordening 2022 over artikel 20 staat slechts dat per 1 januari 2021 het artikel Is aangevuld met een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders naar aanleiding van een raadsmotie ter waardering van de waardevolle zorg door pleegouders. Er wordt in deze toelichting helemaal niet gesproken over de voorgestelde wijziging zoals die wordt gepresenteerd in het” overzicht van de wijzigingen in de verordening 2022”.
In dit overzicht wordt wel een argument aangedragen voor de wijziging, maar dit overzicht maakt geen deel uit, in tegenstelling tot de toelichting op de verordening, van het Raadsvoorstel en dus het proces besluitvorming tot vaststelling van de verordening en de bijbehorende beleidsregels. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling en de gestelde vragen hieromtrent hecht de adviescommissie eraan om deze regeling in stand te houden en door het college te worden geïnformeerd over de wijze waarop invulling wordt gegeven zowel lokaal als regionaal aan de instandhouding van deze regeling. Advies 4. Afgezien van de beantwoording van bovenstaande vragen adviseert de adviescommissie ten zeerste om deze blijk van waardering voor pleegouders woonachtig in de gemeente Nijmegen te allen tijde te handhaven en de blijk van waardering gelijk te schakelen met het jaarlijkse bedrag dat aan mantelzorgers beschikbaar wordt gesteld. Bijlage 6: beleidsregels taxivervoer In het overzicht van wijzigingen in de beleidsregels wordt onder ‘bijlage 6’ een begrenzing in kilometers voor het recht op vervoersondersteuning aangekondigd. De adviescommissie kan akkoord gaan met maximaal 2.000 kilometer per jaar, gebaseerd op jurisprudentie. Voor personen met een ander door de Wmo verstrekt vervoersmiddel (een scootmobiel) wordt het maximum voor vervoer met Avan op 750 km. gesteld.
Daarmee wordt verondersteld dat de gebruiker met zijn scootmobiel voor ruim 60 procent in zijn vervoersbehoefte kan voorzien. Dit vinden wij te hoog ingeschat. Als familie, vrienden of kennissen verder weg wonen (maar binnen een straal van 25 km.) is dat budget niet toereikend. Wij adviseren het maximum op te trekken naar 1.000 km. Hierbij kan ook in aanmerking worden genomen dat accu’s van scootmobiels een beperkte duur hebben, waardoor de actieradius ook beperkt is.
5
Bij het afwegingskader wordt gesteld dat je niet met Avan kunt reizen voor enkel boodschappen doen. Wij merken hierbij op dat boodschappen doen vaak wordt gecombineerd met een bezoek aan de bibliotheek of het buurthuis en wel degelijk een belangrijke sociale functie kan vervullen.
Een spoedig antwoord op ons advies zien wij graag tegemoet. Vriendelijke groeten, Sandra de Vries voorzitter adviescommissie JMG adviescommissie JMG secretaris F. Eliëns, MO10 postbus 9105 6500 HG Nijmegen f.eliens@nijmegen.nl
6