Bijlagen (Weg door Jonkerbos 55)
Tekst van het document
bestemmingsplan Nijmegen Goffert Winkelsteeg 2017 - 1 (Weg door Jonkerbos 55) Bijlagen
Versie: vastgesteld
Colofon bestemmingsplan
Nijmegen Goffert Winkelsteeg 2017 - 1 (Weg door Jonkerbos 55) IDN: NL.IMRO.0268.BPa12001-VG01
Gemeente Nijmegen
Bureau Ruimtelijke Planvorming Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen www.nijmegen.nl
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 2
Bomeniventarisatie
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
compensatieplan
Bijlage 2
Staat van bedrijvigheid (toelichting)
Bijlage 3
Staat van bedrijvigheid
1
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Goffert Winkelsteeg 2017 - 1 (Weg door Jonkerbos 55)
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING WEG DOOR JONKERBOS 55 TE NIJMEGEN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Weg door Jonkerbos 55 te Nijmegen Opdrachtgever
Pro Persona Postbus 27 6870 AA Renkum
Rapportnummer Versienummer
11228.003 D4
Status
Eindrapportage
Datum
28 januari 2021
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
F. Boonk, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
J.G. Boogaard, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 3
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 14
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7
Broedvogels .................................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Vos ........................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 11228.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Pro Persona opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Weg door Jonkerbos 55 te Nijmegen. De quickscan Wet natuurbescherming betreft een actualisatie van een eerder uitgevoerd onderzoek welke in januari 2020 heeft plaatsgevonden. De plannen zijn sindsdien enigszins gewijzigd. Onderhavige quickscan is uitgevoerd in het kader van het verplaatsen van een hekwerk (toenaderingshek). De tweede wijziging betreft een gedeeltelijke bestemmingsplanwijziging, hier zullen geen ingrepen plaatsvinden. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie in januari 2020 een eerdere quickscan Wet natuurbescherming te hebben uitgevoerd (rapport 11228.001, d.d. 18 februari 2020).
R 11228.003 versie D1
Pagina 1 van 21
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 8 ha) ligt aan de Weg door Jonkerbos 55, circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van de kern van Nijmegen. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 185.186 Y = 425.812.
Figuur 1. Ligging en afbakening onderzoeklocaties.
In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De onderzoekslocatie is opgesplitst in twee delen. De eerste onderzoekslocatie betreft de strook buiten de perimeter van de Pompekliniek. Op deze locatie is rondom het beveiligingshekwerk een toenaderingshekwerk aanwezig. Dit toenaderingshek is een praktisch hekwerk waarmee de obstakelvrije zone buiten het beveiligingshek visueel wordt gemarkeerd. Echter wordt deze zone in de huidige situatie niet goed gehandhaafd (hier mogen geen bomen overkragen, de zone moet volledig vrij zijn). De initiatiefnemer is voornemens bomen te kappen en/of te snoeien om de obstakelvrije zone te handhaven. De tweede onderzoekslocatie betreft twee delen groen langs de Tarweweg die momenteel de bestemming ‘bos’ hebben. Dit zal gewijzigd moeten worden naar ‘groen’. Omwille van de veiligheid zijn er tijdens het bezoek binnen de perimeter geen foto’s gemaakt. Figuur 3, 4 en 5 illustreren de onderzoekslocatie buiten de perimeter.
R 11228.003 versie D1
Pagina 2 van 21
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Bosgebied buiten de perimeter met strooisellaag en dood hout.
2.2
Figuur 4. Huidige ruimte tussen hek en bosgebied.
Figuur 5. Hekwerk met aanliggend het bosgebied.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens het toenaderingshek circa 3 meter naar buiten te verplaatsen. Hiertoe worden enkele bomen gekapt en een aantal gesnoeid (zie rapport 11228.004, d.d. 26 juni 2020).
R 11228.003 versie D1
Pagina 3 van 21
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het eerste veldbezoek is afgelegd op 9 juni 2020. Na uitbreiding van de onderzoekslocatie is het terrein op 3 november 2020 nogmaals bezocht. Tijdens deze veldbezoeken is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
R 11228.003 versie D1
Pagina 4 van 21
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
R 11228.003 versie D1
Pagina 5 van 21
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
R 11228.003 versie D1
Pagina 6 van 21
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
R 11228.003 versie D1
Pagina 7 van 21
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, ooievaar, roek en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. In bosgebieden binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: sperwer, havik, ransuil, buizerd, boomvalk en in mindere mate de wespendief (gevoelig voor verstoring). Huismus en gierzwaluw Op de onderzoekslocatie is één schuur aanwezig die mogelijkheden biedt voor een soort als de huismus om in te broeden. Het betreft een houtbewerkingsplaats (zie figuur 6) waar het dak wordt gesteund door balken en zo nissen biedt voor een soort als de huismus om te nestelen. De houtbewerkingsplaats is vanwege een open dak constructie vrij toegankelijk. Voor gierzwaluwen is deze schuur niet geschikt. De overige bebouwing op het terrein is vanwege de afwezigheid van dakpannen en kieren ongeschikt als broedlocatie voor huismussen danwel gierzwaluwen. Bij de herinrichting blijft de houtbewerkingsplaats ongemoeid. Derhalve zijn negatieve effecten uitgesloten.
Roofvogels en ransuil De bomen op de onderzoekslocatie alsmede alle bomen in de directe omgeving zijn gecontroleerd op aanwezigheid van nesten van jaarrond beschermde broedvogels. Alle bomen waren goed te controleren op aanwezigheid van nesten. Tijdens het eerste veldbezoek zijn twee vermoedelijke eksternesten aangetroffen. Deze betreffende bomen staan binnen de perimeter van de onderzoekslocatie, aangegeven in figuur 6. Dat een ransuil, sperwer of boomvalk gebruik maakt van een eksternest is mogelijk. De initiatiefnemer is voornemens deze bomen met nesten te behouden. Tijdens het tweede veldbezoek is nog een eksternest aangetroffen buiten de onderzoekslocatie. Dat dit nest in gebruik is door een van de genoemde roofvogels of ransuil is niet aannemelijk, omdat het nest het karakteristieke ekster-dakje nog bezat. Tevens waren er veel eksters in de buurt aanwezig. Nesten van de havik en wespendief zijn evenmin aangetroffen. Negatieve gevolgen ten aanzien van een van deze soorten is daarmee uitgesloten. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat zich circa 150 meter ten noorden van de onderzoekslocatie een buizerdnest bevindt die in 2019 in gebruik is geweest. Omdat dit nest mogelijk komend broedseizoen weer in gebruik zal zijn, dient het nest niet verstoord te worden in het broedseizoen.
Het nest bevindt zich echter buiten de verstoringsafstand van 75 meter van de geplande werkzaamheden (BIJ12, 2017).
R 11228.003 versie D1
Pagina 8 van 21
Figuur 6. Eksternesten aangeduid in geel en houtbewerkingsplaats wit omlijnd.
Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van stromende beken, rivieren, het liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Het water op de onderzoekslocatie betreft een visvijver en een ondiepe paddenpoel. Geen van beiden bieden geschikte oevers of bouwsels voor een soort als de grote gele kwikstaart om te broeden. Negatieve gevolgen ten aanzien van de grote gele kwikstaart is uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten op bomen, daken, kerktorens en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen (potentiële) ooievaarsnestlocaties aangetroffen. Negatieve gevolgen ten aanzien van de ooievaar is dan ook uitgesloten. Roek De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen, sporen of kanalen. Roekenkolonies zijn makkelijk te herkennen aan de manier van nestelen in kolonies. Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie is er geen kolonie of individueel nest van de roek aangetroffen, negatieve gevolgen ten aanzien van de roek zijn uitgesloten.
R 11228.003 versie D1
Pagina 9 van 21
5.1.2
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, merel, vink, winterkoning en roodborst. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. In de bomen buiten de perimeter die gesnoeid of geveld dienen te worden is er één geringde afgestorven boom aanwezig met spechtengaten. In de bomen binnen de perimeter zijn twee potentiele eksternesten aangetroffen. In de houtbewerkingsplaats kunnen zich nesten van de zwarte roodstaart en mogelijk de spreeuw bevinden. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen in bebouwing De stenen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren. Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf-, kraamverblijf- en als paarverblijfplaats. De bebouwing blijft in de huidige hoedanigheid behouden. Tevens is de wijziging van verlichting rond het terrein getoetst op eventuele toename van lichtverstoring van potentiele vleermuisverblijfplaatsen in de bebouwing en een potentiele vliegroute langs de bosrand. Er is geen sprake van een toename van lichtverstoring waardoor een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden aan het hek zijn uitgesloten.
Verblijfplaatsen in bomen De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Buiten de perimeter staat op circa 35 meter ten noordwesten van het hek één afgestorven geringde boom die potentie biedt voor boombewonende vleermuizen, zoals te zien in figuur 7. Deze boom wordt in de huidige hoedanigheid behouden. Vanwege de afstand van de boom tot de geplande werkzaamheden aan het hek op circa Figuur 7. Boom met loshangend schors en 35 meter afstand, zijn negatieve effecten als gevolg van trillin- holtes waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. gen, geluid en licht, uitgesloten.
R 11228.003 versie D1
Pagina 10 van 21
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, de bosschage blijft behouden en ook aan overzijde van de Weg door Jonkerbos is geschikt gebied in het Goffertpark aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, omdat de bosrand die als potentiële vliegroute kan dienen, gehandhaafd blijft. Tevens is de wijziging van verlichting rond het terrein getoetst op eventuele toename van lichtverstoring van potentiele vleermuisverblijfplaatsen in de bebouwing en een potentiele vliegroute langs de bosrand. Er is geen sprake van een toename van lichtverstoring waardoor een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden aan het hek zijn uitgesloten. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en eekhoorn. Boommarter en das zijn in de kern van Nijmegen niet te verwachten. Uit de NDFF blijkt dat de das eenmalig is waargenomen op enkele honderden meters van de onderzoekslocatie, dit zal een incidenteel zwervend individu betreffen. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn de aanwezige dierenverblijven en schuurtjes binnen de perimeter goed onderzocht. Deze potentiele verblijfplaatsen worden dagelijks door de mens betreden en er zijn dan ook geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door de steenmarter.
Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Bunzing, hermelijn en wezel Volgens gegevens van de NDFF zijn er in nabijheid van Heyendaal, op circa 1,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie, waarnemigen gedaan van een wezel. Waarnemingen van een bunzing zijn op circa 1 km. naar het oosten bekend. Vanwege de groene omgeving waar de onderzoekslocatie en het Goffertpark onderdeel van uit maken, is het niet volledig uit te sluiten dat een marterachtige gebruikt maakt van de onderzoekslocatie. Echter zal het bosgebied buiten de perimeter behouden blijven en is er zodoende geen sprake van een afname in leefgebied. Potentiele verblijfplaatsen, migratieroutes en foerageergebied blijven behouden.
R 11228.003 versie D1
Pagina 11 van 21
Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen die gekapt of gesnoeid dienen te worden zijn goed onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Buiten de perimeter gaat het daarbij om algemene soorten als konijn, egel, vos en diverse muizensoorten. Binnen de perimeter zijn met name diverse muizensoorten en egels te verwachten. Buiten de perimeter zijn vossenholen aangetroffen (zie figuur 8). Met een additionele inspectie in combinatie met een cameraval op 22 en 24 januari 2021 bleek het vossenhol binnen de invloedsfeer van de ingreep niet meer in gebruik te zijn. Het vossenhol is hierop dicht gemaakt. 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Figuur 8. Vossenhol buiten de periVolgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de meter, binnen invloedsfeer van werkdirecte omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde zaamheden aan het hekwerk. reptielen waargenomen. In 2010 is een waarneming in het Goffertpark gedaan van de hazelworm. Omdat de onderzoekslocatie is omsloten door wegen is het echter redelijkerwijs uit te sluiten dat er zich een levensvatbare populatie ophoudt binnen het bosgebied waar de ingreep aan het hek gaat plaatsvinden. Binnen de perimeters van de kliniek is vanwege de afwezigheid van een strooisellaag geen geschikt habitat aanwezig. Overige soorten als de levendbarende hagedis, zandhagedis, gladde slang en ringslang komen voor in natuurgebieden rond Nijmegen, zoals in de Overasseltsche en Hatertsche Vennen 4 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Doordat de onderzoekslocatie niet binnen het kerngebied van de soorten valt en het habitat minder optimaal is, is redelijkerwijs uit te sluiten dat er een bestaande populatie op de onderzoekslocatie aanwezig is. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander en kamsalamander. Binnen de perimeters liggen drie waterlichamen (zie figuur 9).
De grootste, op het zuidwestelijk deel van de onderzoeslocatie betreft een visvijver met steile oevers, wat de aanwezigheid van (streng beschermde) amfibieën uitsluit. Binnen het terrein ligt ook een paddenpoel (aangegeven met een pijl in figuur 8). Het is op basis van een veldbezoek niet volledig uit te sluiten dat een soort als de alpenwatersalamander en/of kamsalamander hier voortplantingswater en landhabitat in de omliggende tuin heeft. In het nieuwe planvoornemen blijft deze poel en het naastgelegen groen behouden. Derhalve is er geen sprake van een negatief effect als gevolg van het planvoornemen.
R 11228.003 versie D1
Pagina 12 van 21
De paddenpoel wordt tevens gebruikt door algemene soorten als bruine kikker en gewone pad welke tevens beschutting vinden tussen de beplanting en onder de houtopslag in nabijheid van de poel. Voor algemene soorten geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, echter is de zorgplicht altijd van toepassing (zie hoofdstuk 6).
Figuur 9. Paddenpoel op de onderzoekslocatie.
Vissen Het aanwezige water op de onderzoekslocatie ligt dusdanig geïsoleerd binnen de kern van Nijmegen dat de aanwezigheid van een beschermde vissoort uitgesloten is. Bij het eventuele dempen van de visvijver is derhalve geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarbij dient vermeld te worden dat kweekvissen niet in natuurlijke wateren mogen worden uitgezet, dit betreft faunavervalsing en is schadelijk voor de in het wild levende inheemse soorten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens gegevens van de NDFF komen de iepenpage en de grote weerschijnvlinder in de omgeving van Nijmegen voor. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen geschikte waardplanten voor de iepenpage (de iep) aanwezig, of deze worden niet gesnoeid of gekapt. De grote weerschijnvlinder komt voor in (ouder) vochtig bosgebied, wat evenmin op de onderzoekslocatie aanwezig is. Het is derhalve uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Buiten de perimeter zijn in het bosgebied drie mierenhopen aangetroffen, waarvan er twee zich binnen de scope van de werkzaamheden aan het hek bevinden. Mierenhopen genieten geen bescher-
R 11228.003 versie D1
Pagina 13 van 21
ming middels de Wet natuurbescherming, echter is de zorgplicht altijd van toepassing (zie hoofdstuk 6). Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
De onderzoekslocatie bestaat uit gras, een aangeplante tuin maar ook natuurlijk beheerde ingezaaide plantstukken waar soorten staan als wilde reseda, klaprozen, slangenkruid en grote teunisbloemen. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
R 11228.003 versie D1
Pagina 14 van 21
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien nesten buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het onmogelijk blijkt werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, dan dient een additionele broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
Met betrekking tot soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper wordt geadviseerd om, indien de bomen met holtes en nestkastjes worden gekapt, elders op de onderzoekslocatie nestkasten voor dergelijke soorten te plaatsen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Verblijfplaatsen in bebouwing De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Ten tijde van onderhavige quickscan zijn werkzaamheden met betrekking tot de bebouwing niet aan de orde. Mocht in de toekomst onverhoopt sprake zijn van ingrepen aan de bebouwing dan is aanvullend onderzoek naar zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger noodzakelijk.
R 11228.003 versie D1
Pagina 15 van 21
6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het dempen van de paddenpoel, het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Bij ingrepen aan de paddenpoel dienen maatregelen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. Bij werkzaamheden buiten de perimeter voor start van de werkzaamheden wordt aanbevolen de hier aanwezige mierenhopen te verplaatsen naar een plek buiten het verstoringsgebied.
R 11228.003 versie D1
Pagina 16 van 21
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 10).
Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling. licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen (kap bomen en verplaatsen van toenaderingshek) op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 4 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (kap van bomen en plaatsen van hekwerk) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Mochten er in de toekomst meer ingrijpende werkzaamheden aan de orde zijn bij de herinrichting van het binnenterrein met gebruik van zware machinerie of een wijziging van de functie van het terrein, dan is een onderzoek naar effecten van stikstofdepositie mogelijk aan de orde.
R 11228.003 versie D1
Pagina 17 van 21
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 11 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is gelegen op 1,5 kilometer afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk gelegen. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN of GO niet aan de orde.
R 11228.003 versie D1
Pagina 18 van 21
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Er is sprake van een gemeentelijke verordening, zoals verder is onderbouwd in rapport 11228.004.
R 11228.003 versie D1
Pagina 19 van 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Pro Persona een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Weg door Jonkerbos 55 te Nijmegen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van het (ver)plaatsen van een hekwerk (toenaderingshek). De initiatiefnemer is voornemens het toenaderingshek circa 3 meter naar buiten te verplaatsen. Hiertoe worden enkele bomen gekapt en een aantal gesnoeid (zie rapport 11228.004, d.d. 26 juni 2020). De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of voor werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
ja
nee
nee
mogelijk
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
vliegroutes
ja
nee
nee
mogelijk
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
Broedvogels
Vleermuizen
Bijzonderheden / opmerkingen*
verlichtingsonderzoek uitgevoerd verlichtingsonderzoek uitgevoerd vossenhol ongeschikt gemaakt buiten kwetsbare periode aandacht voor zorgplicht ten aanzien van muizen, egel, konijn en vos
Amfibieën
ja
nee
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker en gewone pad
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
ja
nee
nee
nee
mierenhopen aangetroffen
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
4 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
1,5 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
zie rapport 11228.004
Gebiedsbescherming
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
R 11228.003 versie D1
Pagina 20 van 21
Conclusie Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voor start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit te voeren. Nesten mogen buiten het broedseizoen worden verwijderd. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van beschermde houtopstanden en gebieden worden evenmin overtredingen verwacht, ingrijpende wijzigingen met betrekking tot het planvoornemen binnen de perimeter daar gelaten. Aanbevelingen Bij het kappen van bomen met nestkasten deze nestkasten buiten het broedseizoen elders op het perceel terughangen om broedmogelijkheden voor mezen en boomkruipers te behouden. Bij werkzaamheden buiten de perimeter voor start van de werkzaamheden de hier aanwezige mierenhopen verplaatsen naar een plek buiten het verstoringsgebied.
R 11228.003 versie D1
Pagina 21 van 21
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017). Kennisdocument Buizerd. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Nijmegen, periode 2010-2020 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
www.eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.gelderland.nl (GNN en beschermde gebieden in Gelderland) www.gelderland.nl/Kaartenencijfers
R 11228.003 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
R 11228.003 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
R 11228.003 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.