CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Natuurtoets Waardenburg ecology_Geredigeerd

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 98-Bopa-20250807 (Spoorstraat) (10/2026)7.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toetsing t.b.v. project Spoorstraat Lent Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming Status uitgave: eindrapport Rapportnummer:

22-278

Projectnummer:

22-0761

Datum uitgave:

november 2022

Veldwerker: Projectleider: Tweede lezer: Naam en adres opdrachtgever:

Gemeente Nijmegen Postbus 9105 6500 HG Nijmegen

Referentie opdrachtgever:

VPL 311100

Akkoord voor uitgave: Datum van akkoord: Graag citeren als 2022. Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent. Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport 22-278. Waardenburg Ecology, Culemborg. Trefwoorden: Wet natuurbescherming, quickscan, Nijmegen, Lent. Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Waardenburg Ecology. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Waardenburg Ecology voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Waardenburg Ecology / Gemeente Nijmegen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Waardenburg Ecology, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Waardenburg Ecology is een handelsnaam van Bureau Waardenburg BV. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.

Waardenburg Ecology hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.

Waardenburg Ecology Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg, 0345 512710 info@waardenburg.eco, www.waardenburg.eco

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

2

Inhoud 1

2

3

4

5

6

7

8

9

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Doel

6

Toetsingskader

8

2.1

Wet natuurbescherming

8

2.2

Planologische gebiedsbescherming (niet Wnb)

10

Plangebied en omgeving

12

3.1

Beschrijving omgeving van het plangebied

12

3.2

Beschrijving plangebied

12

3.3

Voorgenomen ingreep

16

Onderzoeksmethodiek

17

4.1

Bronnenonderzoek

17

4.2

Veldbezoek

17

4.3

Toetsing Wnb

18

Onderdeel Soortenbescherming

19

5.1

Planten

19

5.2

Vogels

19

5.3

Vleermuizen

21

5.4

Grondgebonden zoogdieren

22

5.5

Amfibieën

24

5.6

Reptielen

24

5.7

Vissen

25

5.8

Ongewervelden (insecten en weekdieren)

25

Onderdeel gebiedsbescherming

27

6.1

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

27

6.2

Bepaling van effect(en)

27

6.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb

28

Onderdeel bescherming van houtopstanden

29

7.1

Ligging plangebied t.o.v. beschermde houtopstanden

29

7.2

Bepaling van effect(en)

29

7.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb

29

Planologische gebiedsbescherming (GNN/GO)

30

8.1

Ligging plangebied t.o.v. GNN/GO

30

8.2

Bepaling effect(en) en beoordeling

30

Conclusie en advies/maatregelen

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

31

4

9.1

Soortenbescherming

31

9.2

Gebiedsbescherming

32

9.3

Bescherming van houtopstanden

32

9.4

Planologische gebiedsbescherming (niet Wnb)

32

9.5

Natuurkansen

32

Literatuur

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

33

5

1 Inleiding 1.1

Aanleiding De gemeente Nijmegen is voornemens om aan de Spoorstraat in Lent nieuwbouw te realiseren. Om te bepalen of deze ingreep een negatief effect kan hebben op beschermde soorten planten en dieren, natuurgebieden en/of houtopstanden, dient de ontwikkeling getoetst te worden aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb).

1.2

Doel Deze rapportage betreft een quickscan Wet natuurbescherming zoals wordt gedefinieerd door het Netwerk Groene Bureaus (netwerkgroenebureaus.nl). In deze rapportage wordt verslag gedaan van een bronnen- en veldonderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde natuurwaarden (beschermde soorten, Natura 2000-gebieden en houtopstanden) binnen de invloedssfeer van de ingreep. Het doel is om te bepalen of de voorgenomen ingreep kan leiden tot een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Daarbij is ingegaan op de volgende vragen: • Welke beschermde soorten planten en dieren komen mogelijk of zeker voor binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep? • Welke Natura 2000-gebieden liggen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep? • Is er een houtopstand binnen het plangebied aanwezig? • Welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten/gebieden/houtopstanden? • Welke verbodsbepalingen worden (mogelijk) overtreden? • Is een ontheffing (beschermde soorten)/vergunning (Natura 2000) of melding (houtopstanden) nodig? Als toevoeging hierop is de ingreep ook getoetst aan planologische gebiedsbescherming (NNN). Voorliggende rapportage kan – bij blijk van noodzaak tot een aanvraag ontheffing Wnb en/of vergunning Wnb – een essentieel onderdeel vormen van een ontheffings- en /of vergunningsaanvraag.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

6

Een quickscan Wet natuurbescherming is altijd een momentopname. Bureau Waardenburg waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen. Het bureau is niet aansprakelijk voor waarnemingen van soorten door derden en waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt.

Omgevingswet

Naar verwachting gaat op 1 juli 2023 de Wet natuurbescherming over in de Omgevingswet. Dit kan gevolgen hebben voor de rapportage in het geval dat een vergunning-/ontheffingsaanvraag aan de orde is. Onderhavige rapportage wordt opgesteld in het kader van de Wnb. Mogelijk vindt een eventuele vervolgprocedure plaats ná inwerkingtreding van de Omgevingswet, echter kunnen wij daar vooralsnog geen rekening mee houden in onderhavige toetsing en rapportage. Het achteraf aanpassen van de rapportage in het kader van de Omgevingswet wordt beschouwd als meerwerk.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

7

2 Toetsingskader 2.1

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel het behoud van de biodiversiteit en duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. De wet regelt strikte bescherming van aangewezen soorten, Natura 2000-gebieden en houtopstanden binnen drie onderdelen, te weten: soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden Voor soorten die geen bescherming genieten, geldt binnen de Wnb een zorgplicht. De regels die toezien op genoemde bescherming zijn opgenomen als verbodsbepalingen binnen de Wnb. De verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten planten en dieren (aspect soortenbescherming) zijn in de Wnb opgenomen in Hoofdstuk 3 en beschreven per beschermingsregime. De regels die toezien op bescherming van Natura 2000-gebieden (aspect gebiedenbescherming) zijn opgenomen in Hoofdstuk 2 van de Wnb en de regels voor de bescherming van houtopstanden (aspect bescherming van houtopstanden) in Hoofdstuk 4. De zorgplicht is beschreven hoofdstuk 1 van de Wnb. Voor een uitgebreide beschrijving van wat de Wnb inhoudt en welke verbodsbepalingen aan de orde zijn wordt verwezen naar wetten.overheid.nl. In voorliggende rapportage wordt getoetst aan de verbodsbepalingen zoals die zijn opgenomen binnen de drie hierboven genoemde onderdelen: soortenbescherming, gebiedenbescherming en bescherming van houtopstanden.

Als toevoeging hierop wordt de ingreep getoetst aan planologische gebiedsbescherming (NNN).

2.1.1

Soortenbescherming (planten en dieren) De bescherming van soorten is binnen de Wet natuurbescherming gewaarborgd in drie beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1), Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2)1 en Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). Alle inheemse (in het wild levende) vogels zijn beschermd op grond van de Wnb. Voor de meeste soorten geldt dat hun nesten alleen beschermd zijn in de periode dat ze in gebruik zijn tijdens het broedseizoen. Voor een aantal soorten heeft de provincie bepaald dat hun nesten in principe jaarrond beschermd zijn (provinciale “Lijst soorten met jaarrond beschermde nesten”). Hierbij maakt de provincie onderscheid tussen: - Categorieën 1 t/m 4 soorten (honkvast en/of afhankelijk van biotoop/bebouwing): soorten waarvan de nesten als permanente verblijfplaats kwalificeren (jaarrond beschermde nesten). - Categorie 5 soorten (redelijk flexibel m.b.t. elders kunnen vestigen): soorten waarvan de nesten als permanente verblijfplaats kunnen kwalificeren indien geen c.q. 1

Dit betreft soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn met uitzondering van vogels. Vogels vallen onder Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van EZ, versie 1.3 december 2016. Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

8

onvoldoende alternatieve locaties aanwezig zijn (mogelijk jaarrond beschermde nesten). Voor provincie Gelderland betreft dit een conform het Ministerie van EZ en zevental provincies opgestelde en goedgekeurde lijst van vogelsoorten (bron: Lijst beschermde soorten Wet natuurbescherming, opgesteld door NatuurInclusief, d.d. 24-04-2022). Voor een aantal landelijk algemeen voorkomende soorten van het Beschermingsregime andere soorten heeft de provincie Gelderland een vrijstelling van verbodsbepalingen verleend voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voor andere beschermde soorten geldt geen vrijstelling en kan een ontheffing nodig zijn als de werkzaamheden zullen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Voor bepaalde werkzaamheden die vaak voorkomen of voorspelbaar zijn, zoals groenonderhoud binnen een gemeente of de werkzaamheden van waterschappen, geldt vanuit de overheid (RVO) een vrijstelling en kan beroep gedaan worden op een reeds verleende ontheffing van de Wnb. Zowel de voorwaarden voor het gebruik van deze vrijstelling/ontheffing als de verplicht te treffen maatregelen staan beschreven in een door de RVO goedgekeurde gedragscode natuurbescherming. Een overzicht van alle bestaande goedgekeurde gedragscodes is te vinden op de website van de RVO.

Gemeente Nijmegen werkt met de gedragscode soortbescherming voor gemeenten (Stadswerk, 2020). Voor enkele gemeenten geldt dat zij een soortgelijke gebiedsgerichte ontheffing hebben verkregen voor bepaalde soorten. Hierbij is in één keer voor de gehele gemeente een ecologisch onderzoek gedaan. Zowel de voorwaarden voor het gebruik van deze ontheffing als de resultaten van het ecologisch onderzoek en de te treffen maatregelen op gebiedsniveau zijn uitgewerkt in een soortenmanagementplan (SMP). Het plangebied valt onder het SMP van Nijmegen-Noord (Martens & Krijt, 2019). Om te bepalen of sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten, dient de voorziene ingreep/ontwikkeling getoetst te worden aan het onderdeel soortenbescherming van de Wnb. 2.1.2

Gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) “Natura 2000” is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin bepaalde diersoorten, plantensoorten en (essentiële) onderdelen van hun natuurlijk/functioneel leefgebied beschermd worden om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden of verbeteren. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd met daarbij behorende doelsoorten, habitats en habitat specifieke kenmerken. Als gevolg van de voorgenomen ingreep kan zowel direct als indirect (door externe werking) sprake zijn van een al dan niet negatief effect op (de instandhoudingsdoelstellingen van) een Natura 2000-gebied. Om te bepalen of al dan niet sprake kan zijn van negatieve effecten op Natura 2000gebieden, dient de voorziene ingreep getoetst te worden aan het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

9

2.1.3

Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt houtopstanden buiten de bebouwde kom met een oppervlakte van minimaal 10 are (1000 m2) en rijbeplantingen die bestaan uit meer dan 20 bomen (art. 1.1). Deze bescherming is gericht op alle activiteiten die een boom of andere houtopstand ontsieren, ernstig beschadigen of tot de dood van de houtopstand kunnen leiden. Dit omvat kappen, rooien, verplanten en ook kandelaberen of snoeien van (een gedeelte van) de kroon of het wortelstelsel. Om te bepalen of al dan niet sprake kan zijn van negatieve effecten op binnen de Wnb beschermde houtopstanden, dient de voorziene ingreep getoetst te worden aan het onderdeel bescherming van houtopstanden van de Wnb.

2.1.4

Zorgplicht Vanuit de zorgplicht geldt dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen leiden tot nadelige gevolgen op de hierboven genoemde natuurwaarden, op de eerste plaats achterwege moeten worden gelaten. Als dit (redelijkerwijs) niet mogelijk is, moeten maatregelen worden getroffen om de gevolgen te beperken dan wel ongedaan te maken.

2.2

Planologische gebiedsbescherming (niet Wnb) In de Nederlandse provincies zijn alle natuurgebieden (ook die niet vallen onder “Natura 2000”) opgenomen in het NNN (Natuurnetwerk Nederland). Voor provincie Gelderland geldt dat zij hierin nog een onderscheid maken in het GNN en GO (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones), welke zijn uitgewerkt in de Omgevingsverordening Gelderland. Het GNN is een gebied met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal (Natura 2000), nationaal (NatuurNetwerk Nederland; NNN) en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur, maar die wel ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN (bijv. voor aanleg van verbindingszones). Het NNN/GNN/GO moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten panEuropees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. In de Omgevingsverordening Gelderland zijn per natuurgebied doelstellingen/ kernkwaliteiten beschreven ten einde de kwaliteit van een natuurgebied te waarborgen. Binnen het GNN/GO moeten bestaande bestemmingen die aan locaties worden/zijn toegekend, en de bijbehorende regels zorgen voor deze waarborging.

Aan locaties binnen het GNN/GO moet, met uitzondering van agrarische gronden, in ieder geval de bestemming ‘natuur’ of iets vergelijkbaars worden toegekend. Dit betekent dus dat wanneer een nieuwe bestemming niet vergelijkbaar is met een vigerende bestemming (bijv. een wijziging van ‘natuur’ naar ‘wonen’, ‘maatschappelijk’ of industrie’) een (al dan

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

10

niet significant) negatief effect op de kernkwaliteiten niet kan worden uitgesloten en per definitie een toetsing moet worden uitgevoerd. Op basis van die toetsing wordt bekeken of het plan het GNN/GO aantast in bijvoorbeeld de oppervlakte van het GNN/GO, de kwaliteit van de natuur, de wezenlijke kenmerken ervan, of de samenhang tussen natuurgebieden. Om te bepalen of al dan niet sprake kan zijn van negatieve effecten op het GNN/GO, dient de voorziene ingreep getoetst te worden aan planologische gebiedsbescherming.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

11

3 Plangebied en omgeving 3.1

Beschrijving omgeving van het plangebied Het plangebied ligt aan de Spoorstraat in Lent ten westen van de spoorlijn NijmegenArnhem. Het plangebied wordt begrensd door de teen van het spoortalud, het fietspad ‘’het Groentje’’ en de Graaf Alardsingel. Aan de andere kant van het fietspad ‘’het Groentje’’ ligt het Citadelcollege en ten noorden van het plangebied ligt een parkeerplaats. De watergang langs het Citadelcollege is niet waterhoudend. Aan de zuidkant van de Graaf Alardsingel wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd.

Afbeelding 1.

3.2

Situatietekening en globale ligging plangebied (rood omkaderd). Esri Nederland, Community Map Contributors | Esri Nederland, beeldmateriaal.nl | Esri Nederland, Kadaster | Esri Nederland, AHN).

Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit de bebouwing aan de Spoorstraat met bijbehorende groenstructuren. De teen van het spoortalud bestaat uit grasland met jonge laanbomen (schietwilgen, esdoorns en lindes) (Afbeelding 2). Er is nauwelijks struweel aanwezig op enkele braam- en brandnetelstruwelen na. De woningen en bedrijven aan de Spoorstraat beschikken allemaal over een zadeldak met dakpannen (Afbeelding 3 en 4). Enkele woningen hebben een houten nok. De woningen bestaan voor de rest voornamelijk uit baksteen. Sommige woningen hebben open stootvoegen. De tuinen behorende bij de woningen bevatten gazons en ook ruigere delen met sierstruiken, klimop en bomen (o.a. esdoorn). In de meeste tuinen zijn kleine

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

12

(bakstenen) schuren of garages aanwezig. Achter een van de woningen ligt een vijver met karpers. Aan de achterzijde van de woningen is gazon aanwezig met enkele jonge lindes en een beukenhaag (Afbeelding 5). Aan de noordkant van de Spoorstraat staan oudere lindes (Afbeelding 6) en aan de zuidkant van de Spoorstraat is een fietsenstalling aanwezig (Afbeelding 7).

Afbeelding 2.

Spoorstraat met teen van spoortalud.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

13

Afbeelding 3.

Één van de woningen aan de Spoorstraat met bijbehorende schuur.

Afbeelding 4.

Woningen/bedrijven verderop in de Spoorstraat.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

14

Afbeelding 5.

Achterkant van woningen met gazon en enkele bomen.

Afbeelding 6.

Noordkant van de Spoorstraat met lindes.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

15

Afbeelding 7.

3.3

Zuidkant van de Spoorstraat met fietsenstalling.

Voorgenomen ingreep De informatie in deze paragraaf is aangeleverd door de opdrachtgever. De gemeente Nijmegen is voornemens het gebied aan de Spoorstraat her in te richten. Hiervoor wordt onder andere aan de zuidkant een fietsplein ingericht. De huidige bebouwing wordt gesloopt en hier wordt nieuwbouw gerealiseerd in de vorm van hoogbouw (appartementencomplexen met starterswoningen en studentenkamers). De bomen op de teen van het spoortalud en aan de achterzijde van de woningen blijven behouden. De bomen en al het overige groen in de tuinen van de woningen worden gerooid. Het is niet bekend wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze ingreep kan omschreven worden als een ingreep in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voor de bebouwde kom van Nijmegen-Noord is een Soortenmanagementplan (SMP) opgesteld, waarbij een generieke gebiedsgerichte ontheffing is verleend voor enkele soorten (Martens & Krijt, 2019). Indien van toepassing zal hiernaar worden verwezen. Voorts geldt voor het uitvoeren van de ingreep een vrijstelling voor regels ten aanzien van een aantal door de provincie Gelderland aangewezen soorten uit het ‘Beschermingsregime andere soorten’ van de Wnb (zie Hoofdstuk 2).

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

16

4 Onderzoeksmethodiek Voorliggende toetsing is opgesteld op basis van een eenmalig veldbezoek, de huidige ter beschikking gestelde kennis/informatiebronnen en inschattingen van deskundige ecologen. Effecten zijn bepaald en beoordeeld op basis van de (mogelijke) functie van het plangebied (en/of de directe omgeving) voor beschermde soorten, gebieden en houtopstanden in relatie tot de voorgenomen ingreep.

4.1

Bronnenonderzoek Soortenbescherming Voorafgaand aan een veldbezoek heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geeft een eerste indruk van beschermde soorten die zowel in de omgeving als binnen het plangebied kunnen voor komen. Als zoekgebied is gekozen voor een gebied met een straal van minimaal 5 kilometer rondom het plangebied, waarbij is gekeken naar de beschermde soorten van het beschermingsregime Habitatrichtlijn, vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en soorten van de lijst ‘andere soorten’ die in de afgelopen 5 jaar zijn waargenomen. Gebiedsbescherming Met behulp van de website www.natura2000.nl is nagegaan wat de afstand van het plangebied is tot verschillende Natura 2000-gebieden. Voor Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de ingreep is deze website geraadpleegd voor het achterhalen van de instandhoudingsdoelstellingen (incl. doel- en habitatsoorten). Bescherming van houtopstanden Met behulp van de provinciale website is nagegaan of het plangebied is gelegen binnen een gebied/terrein dat valt onder de bescherming van houtopstanden zoals bedoelt binnen de Wet Natuurbescherming. Vervolgens is bepaald of binnen de planlocatie sprake is van een houtopstand zoals gedefinieerd in de Wet natuurbescherming.

4.2

Veldbezoek Het plangebied is op 1 november 2022 bezocht door een ecoloog. Tijdens de veldinspectie is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten/habitats en de geschiktheid van de onderzoekslocatie (dit betreft het plangebied en het gedeelte van het omringende terrein dat binnen de invloedssfeer van de voorziene ingreep valt) voor beschermde soorten/habitats. In het onderzoeksgebied is – met behulp van een verrekijker – gezocht naar nesten, holen en/of sporen (zoals uitwerpselen, braakballen, knaagsporen aan dennenappels etc.). De bomen zijn geïnspecteerd op holtes en/of loszittende schors. De woningen en schuren zijn enkel van buiten bekeken. Op basis van terreinkenmerken en ecologische expertise is beoordeeld of het onderzoeksgebied geschikt is voor de in de omgeving voorkomende beschermde soorten.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

17

4.3

Toetsing Wnb Op basis van het bronnenonderzoek en het veldbezoek is beoordeeld of bij de voorziene ingreep rekening moet worden gehouden met het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten planten en dieren in of direct nabij het plangebied. Er is beoordeeld of een negatief effect op beschermde soorten/natuurgebieden al dan niet kan worden uitgesloten. Soorten die in of nabij het plangebied voorkomen en waarvoor binnen de provincie Gelderland een vrijstelling (van verbodsbepalingen uit de Wnb) is verleend voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, worden in deze toetsing buiten beschouwing gelaten. Omdat deze soorten wel vallen onder de Zorgplicht zullen, indien van toepassing, hiervoor wel maatregelen worden beschreven om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen en beperken. Benadrukt wordt dat deze quickscan Wnb enkel een oriënterend onderzoek betreft. Wanneer geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ingreep (mogelijk) leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wnb, wordt nagegaan of dit tenietgedaan kan worden middels maatregelen of dat aanvullend onderzoek moet worden uitgevoerd en/of een ontheffing Wnb moet worden aangevraagd. De onderzoeker die het onderzoek heeft uitgevoerd is door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden.

Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

18

5 Onderdeel Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in en/of nabij het plangebied. Per soortgroep zijn de bevindingen van het bronnen- en veldonderzoek en de te verwachten effecten – van de voorziene ingreep beschreven en getoetst aan de Wnb. Vervolgens is aangegeven of, en zo ja, welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.

5.1

Planten

5.1.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied In de wijde omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de beschermde soorten akkerboterbloem, dreps, groot spiegelklokje, kartuizer anjer, kleine wolfsmelk, naaldenkervel, stijve wolfsmelk, wilde ridderspoor en wilde weit. Deze soorten zijn waargenomen langs agrarische percelen aan de oostkant van Lent. De soorten groeien op matig voedselrijke terreinen voornamelijk langs akkers, maar soms ook langs spoorbermen. Het spoortalud in het plangebied bestaat uit monotoon grasland waarin geen akkerkruiden voorkomen. Omdat akkers binnen het plangebied ontbreken, kan het voorkomen van genoemde soort binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.1.2

Bepaling van effect(en) Aangezien het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op beschermde soorten als gevolg van de voorziene ingreep worden uitgesloten.

5.1.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb De voorziene ingreep leidt niet tot vernietiging van exemplaren van beschermde plantensoorten. Er is geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van beschermde plantensoorten.

5.2

Vogels

5.2.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied Vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 4 Binnen en/of direct nabij het plangebied komen diverse vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 4 voor, te weten: buizerd, huismus, ooievaar, roek, slechtvalk en sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van individuen of nesten van vogels uit de categorieën 1 t/m 4. De woningen in het plangebied zijn vanwege de

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

19

aanwezigheid van zadeldak met dakpannen waarvan de eerste rij toegankelijk is en de open stootvoegen geschikt als nestplaats voor huismus en gierzwaluw. De bomen zijn vrij jong en daardoor niet geschikt voor boombewonende vogels uit categorie 1 t/m 4. De oude lindes aan de noordkant van het plangebied, die mogelijk wel geschikt zijn, blijven ongemoeid. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van foerageergebied van enkele van genoemde vogelsoorten, echter op basis van het grote aanbod gelijkwaardig (al dan niet beter) foerageergebied in de directe omgeving (het gehele spoortalud) kan een essentiële functie als foerageergebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Vogelsoorten uit de categorie 5 Binnen en/of direct nabij het plangebied komen diverse vogelsoorten uit de categorie 5 voor zoals een aantal mezen- en spechtsoorten die voor nestlocaties afhankelijk zijn van bomen. Tijdens het veldbezoek zijn enkele foeragerende zwarte kraaien waargenomen. De bomen en struiken binnen het plangebied zijn geschikt als nestlocatie van vogelsoorten uit de categorie. Voor deze soorten geldt dat voldoende alternatieve nestgelegenheden aanwezig zijn in de directe omgeving van het plangebied (bomen en struiken langs het spoortalud), waardoor er geen sprake is van zwaarwegende ecologische omstandigheden. Deze nesten genieten daarom géén jaarronde bescherming.

Mogelijk maken diverse vogelsoorten uit de categorie 5 ook gebruik van het plangebied als foerageergebied. Echter, op basis van het grote aanbod gelijkwaardig foerageergebied in de directe omgeving (het gehele spoortalud) kan een essentiële functie als foerageergebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Algemene vogelsoorten Tijdens het veldbezoek zijn enkele individuen van de algemene vogelsoorten merel, Turkse tortel en houtduif in/nabij het plangebied waargenomen. Mogelijk broeden algemene vogelsoorten in de struiken/bomen binnen het plangebied en maken zij gebruik van de locatie om te foerageren. 5.2.2

Bepaling van effect(en) Als gevolg van de voorziene ingreep worden mogelijk jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw (beiden categorie 2) en niet jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten uit de categorie 5 en algemene vogelsoorten vernietigd/verstoord.

5.2.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb Vernietiging en verstoring (met kans op nestverlating/wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de soort) van nesten (broedgevallen) betekent een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Door te werken buiten het broedseizoen, kan dergelijke verstoring van broedgevallen – en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb – voorkomen worden. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaardperiode gehanteerd. De lengte en aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet voor het broedseizoen rekening

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

20

gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Echter, ook buiten deze periode kan sprake zijn van broedgevallen en zijn deze eveneens beschermd. Voor vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 4 (zoals huismus en gierzwaluw) geldt dat deze nesten een jaarronde bescherming genieten. Dat betekent dat vernietiging van deze nesten ook buiten het broedseizoen leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen zoals die zijn opgenomen in de Wnb (overtreding Wnb artikel 3.1 lid 2). Om overtreding te voorkomen moet voorafgaand aan de voorziene ingreep een nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van huismus en gierzwaluw worden uitgevoerd. De ingreep valt onder de gedragscode voor gemeenten (Stadswerk, 2020). Indien nesten worden aangetroffen hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als gewerkt wordt volgens de voorwaarden van de gedragscode.

5.3

Vleermuizen

5.3.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied Binnen en/of in de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de soorten baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF). Verblijfplaatsen Voor vleermuizen kunnen hoog opgaande structuren zoals bomen en/of bebouwing een functie als verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijven) vervullen. Bij de bebouwing is tussen diverse dakpannen sprake van openingen die toegang geven tot de ruimte tussen de dakpannen en dakbeschot. Daarnaast hebben verschillende woningen open stootvoegen die toegang geven tot de spouw. Hierdoor kan het voorkomen van vleermuizen in de spouw en de daken van de woningen niet worden uitgesloten. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat de aanwezige bebouwing mogelijk de functie vervult als zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijfplaats voor diverse vleermuissoorten. Een massawinter-verblijfplaats kan, gezien de afwezigheid van geschikte bebouwing met substantiële omvang en daarmee een voldoende bufferende werking, redelijkerwijs worden uitgesloten. In de bomen binnen het plangebied zijn geen holtes en/of is geen loszittende schors waargenomen.

Hierdoor kan het voorkomen van vaste verblijfplaatsen van boombewonende soorten zoals rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis worden uitgesloten. Vliegroutes/foerageergebied Hoog opgaande structuren zoals bomen en/of bebouwing maar ook watergangen kunnen voor vleermuizen belangrijke elementen binnen het functioneel leefgebied vormen als het gaat om vliegroutes en foerageergebieden. Door de aanwezigheid van bomen, struiken en gazon vormt het plangebied (gecombineerd met de omgeving) mogelijk geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Omdat in de directe omgeving diverse gelijkwaardige (al dan niet betere) foerageergelegenheden

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

21

aanwezig zijn (het gehele spoortalud), kan een functie als essentieel foerageergebied worden uitgesloten. Omdat geen sprake is van een lijnvormige (verbindende) structuur in het plangebied kan een functie als (essentiële) vliegroute eveneens worden uitgesloten. Het buiten het plangebied gelegen spoortalud is mogelijk wel onderdeel van een vliegroute voor vleermuizen, maar deze route blijft ongemoeid. 5.3.2

Bepaling van effect(en) Omdat verblijfplaatsen in het plangebied niet kunnen worden uitgesloten, kunnen negatieve effecten op (verblijfplaatsen van) vleermuizen als gevolg van de voorgenomen ingreep niet uitgesloten worden. Als verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn, kan het slopen van de woningen leiden tot vernietiging van verblijfplaatsen en het doden van individuen. Omdat in het plangebied geen essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute aanwezig is, zijn negatieve effecten hierop uitgesloten.

5.3.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb Mogelijk worden bij de sloop van de woningen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen vernietigd/verstoord en mogelijk dieren gedood. Zowel vernietiging/verstoring van essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied van vleermuizen als het doden van individuen betekent een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb (overtreding Wnb artikel 3.5 lid 1 en 4). Daarom dient een nader onderzoek naar vleermuizen (conform het Vleermuisprotocol 2021) uitgevoerd te worden: om daarmee de aan- of afwezigheid van vaste verblijfplaatsen te kunnen vaststellen. De ingreep valt onder de gedragscode voor gemeenten (Stadswerk, 2020). Indien enkel zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis of gewone grootoorvleermuis worden aangetroffen hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als gewerkt wordt volgens de voorwaarden van de gedragscode. Voor het opheffen van een winter- of kraamverblijfplaats van deze soorten of verblijfplaatsen van andere soorten dient wel een ontheffing aangevraagd te worden.

5.4

Grondgebonden zoogdieren

5.4.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied Op basis van verspreidingsgegevens komen de beschermde bever, otter, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel in de omgeving van het plangebied voor. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van deze soorten of sporen van deze soorten gedaan. Bever en otter komen met name langs de Waal voor en zijn voor hun leefgebied afhankelijk van water en overgangsgebied tussen water en land. In het plangebied is (op de vijver na) geen oppervlaktewater aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van (knaag)sporen, holen of burchten van bever of otter in en nabij het plangebied gedaan.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

22

Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en sporen van bever en otter in (de omgeving van) het plangebied wordt een functie van het plangebied voor deze soorten uitgesloten. In de bomen in het plangebied zijn geen holtes aanwezig die geschikt zijn als verblijfplaats voor boommarter. Een functie van het plangebied voor boommarter is uitgesloten. Het spoortalud is geschikt leefgebied voor das. Hier zijn geen holen, burchten of andere sporen van das waargenomen. Een functie van het plangebied voor das is uitgesloten. In de bomen in het plangebied zijn geen nesten of holtes die geschikt zijn voor eekhoorn waargenomen. De bomen betreffen ook geen eikenbomen (de voorkeursboom van eekhoorn). Daarnaast ligt het plangebied te geïsoleerd om van belang te zijn voor eekhoorn. Een functie van het plangebied voor eekhoorn is uitgesloten. In het plangebied zijn allerlei schuilplaatsen aanwezig zoals braamstruweel, struiken en schuurtjes. Hier kunnen kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarter een verblijfplaats hebben. Het plangebied heeft mogelijk ook een functie als foerageergebied voor beschermde zoogdieren zoals steenmarter en kleine marterachtigen. Omdat in de directe omgeving diverse gelijkwaardige (al dan niet betere) foerageergelegenheden aanwezig zijn (het gehele spoortalud), kan een functie als essentieel foerageergebied worden uitgesloten.

Op basis van het bronnenonderzoek en het veldbezoek (waarnemingen en biotoop) wordt de aanwezigheid van andere (niet vrijgestelde) beschermde zoogdieren in en nabij het plangebied uitgesloten. 5.4.2

Bepaling van effect(en) Als gevolg van de geplande ingreep worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarter vernietigd. Ook kan als gevolg van de voorziene ontwikkeling sprake zijn van verstoring (door licht, trilling, geluid en verwijdering/aantasting groenstructuren) voor genoemde beschermde soorten.

5.4.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb Als bij de voorziene ingreep vaste rust- en/of verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en steenmarter vernietigd/verstoord worden, is sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb (overtreding Wnb artikel 3.10 lid 1b). Kleine marterachtigen zijn opgenomen in het SMP-N (Martens & Krijt, 2019). Mitigerende maatregelen uit het SMP-N zijn van toepassing bij het bouwrijp maken van het gebied. Steenmarter is niet opgenomen in het SMP-N. Om te bepalen of, en zo ja wat de functie van het plangebied is, dient voorafgaand aan de ingreep een nader onderzoek naar steenmarter te worden uitgevoerd. De ingreep valt onder de gedragscode voor gemeenten (Stadswerk, 2020). Indien essentieel leefgebied van steenmarter wordt aangetroffen hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als gewerkt wordt volgens de voorwaarden van de gedragscode.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

23

5.5

Amfibieën

5.5.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van boomkikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en alpenwatersalamander. In het plangebied en de directe omgeving hiervan is (op de vijver met karpers na) geen oppervlaktewater aanwezig. Doordat de vijver vol met karpers niet geschikt is als voortplantingswater, is de aanwezigheid van voortplantingswater in het plangebied uitgesloten. Omdat in de omgeving van het plangebied ook geen geschikt voortplantingswater aanwezig is en het plangebied wordt omgeven door (spoor)wegen en fietspaden is het plangebied niet geschikt als essentieel landhabitat voor amfibieën. Op basis van het bronnenonderzoek en het veldbezoek (waarnemingen en biotoop) wordt de aanwezigheid van andere beschermde amfibiesoorten in het plangebied uitgesloten.

5.5.2

Bepaling van effect(en) Aangezien het voorkomen van beschermde amfibiesoorten in het plangebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op deze soortgroep – als gevolg van de voorziene ingreep – eveneens worden uitgesloten.

5.5.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb De voorziene ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verstoring/vernietiging van verblijfplaatsen (essentieel leefgebied/biotoop) of het doden van individuen van beschermde soorten amfibieën, waardoor geen sprake zal zijn van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb.

5.6

Reptielen

5.6.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied Er zijn geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde soorten reptielen in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten waargenomen en deze worden op basis van biotoop (woningen met tuinen) ook niet verwacht. Hierdoor kan het voorkomen van beschermde reptielen binnen/direct nabij het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.6.2

Bepaling van effect(en) Aangezien het voorkomen van beschermde soorten reptielen in en direct nabij het plangebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op deze soortgroep – als gevolg van de voorziene ingreep – eveneens worden uitgesloten.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

24

5.6.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb De voorziene ingreep zal niet leiden tot verstoring/vernietiging van verblijfplaatsen (essentieel leefgebied/biotoop) of het doden van individuen van beschermde soorten reptielen, waardoor geen sprake zal zijn van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb.

5.7

Vissen

5.7.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van gestippelde alver en grote modderkruiper. In het plangebied is (op de vijver met karpers na) geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor kan het voorkomen van beschermde vissen binnen/direct nabij het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.7.2

Bepaling van effect(en) Aangezien het voorkomen van beschermde vissoorten in het plangebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op deze soortgroep – als gevolg van de voorziene ingreep – eveneens worden uitgesloten.

5.7.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb De voorziene ingreep zal niet leiden tot verstoring/vernietiging van verblijfplaatsen (essentieel leefgebied/biotoop) of het doden van individuen van beschermde soorten vissen, waardoor geen sprake zal zijn van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb.

5.8

Ongewervelden (insecten en weekdieren)

5.8.1

Beschermde soorten en functie(s) van het plangebied Op basis van verspreidingsgegevens komen de beschermde soorten rivierrombout, teunisbloempijlstaart en grote vos in de omgeving van het plangebied voor. Tijdens het veldbezoek zijn geen individuen van genoemde soorten waargenomen. Op basis van het aanwezige biotoop (ontbreken van oppervlaktewater en waardplanten van beschermde ongewervelden) wordt geconcludeerd dat het plangebied geen betekenis heeft voor genoemde beschermde soorten ongewervelden.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

25

5.8.2

Bepaling van effect(en) Een (essentiële) functie van het plangebied voor beschermde ongewervelden wordt uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden – als gevolg van de voorziene ingreep – zijn daarom niet aan de orde.

5.8.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb De voorziene ingreep zal niet leiden tot vernietiging/doden/verstoring van individuen/potentieel geschikt habitat van beschermde soorten ongewervelden. Er is geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

26

6 Onderdeel gebiedsbescherming 6.1

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op een afstand van circa 600 m van het Natura 2000-gebied “Rijntakken”. Andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op meer dan 10 km afstand van het plangebied. Voor een weergave van het Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied zie Afbeelding 8.

Afbeelding 8.

6.2

Natura 2000-gebied “Rijntakken” aangegeven met lichtgroene kleur en de ligging van het plangebied (rood omkaderd). Esri Nederland, Community Map Contributors | Esri Nederland, beeldmateriaal.nl | Esri Nederland, Kadaster | Esri Nederland, AHN).

Bepaling van effect(en) In algemene zin kan als gevolg van werkzaamheden/herontwikkeling (tijdens zowel de aanlegfase als de permanente fase gebruiksfase) direct en indirect (door externe werking) sprake zijn van een (al dan niet) negatief effect op (de instandhoudings-doelstellingen van) een Natura 2000-gebied. Effecten kunnen van ruimtelijke (oppervlakteverlies, versnippering), fysische (bijv. verdroging, vernatting), mechanische (bijv. verstoring door betreding, trillingen, geluid en licht) en/of chemische (bijv. stikstofdepositie, verontreiniging) aard zijn (bron: Effectenindicator). Gezien de aard van de werkzaamheden en de ontwikkeling van nieuwbouwwijken in het gebied tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kunnen effecten van ruimtelijke Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

27

en fysische aard op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied ‘’Rijntakken” redelijkerwijs worden uitgesloten in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype bevindt zich op 600 meter van het plangebied. Gezien de relatief korte afstand tussen het plangebied en dit habitattype kan een negatief chemisch effect als gevolg van depositie van stikstof op dit habitattype tijdens de aanleg- en de gebruiksfase niet worden uitgesloten.

6.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb De ingreep zorgt mogelijk voor extra stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Rijntakken. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase wordt daarom geadviseerd om de hoeveelheid stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te berekenen met behulp van de AERIUS-calculator. Op basis van deze berekening kunnen effecten worden bepaald en beoordeeld.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

28

7 Onderdeel bescherming van houtopstanden 7.1

Ligging plangebied t.o.v. beschermde houtopstanden Binnen het plangebied bevinden zich bomen/struiken. Echter, omdat het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom, valt deze begroeiing daarmee niet onder een binnen de Wnb beschermde houtopstand.

7.2

Bepaling van effect(en) Als gevolg van de voorziene ingreep zullen géén houtachtige gewassen worden geveld die onderdeel uitmaken van een Wnb beschermde houtopstand.

7.3

Beoordeling van effect(en) t.a.v. Wnb Aangezien er geen sprake is van “vellen” (alle activiteiten bedoeld die een boom of andere houtopstand ontsieren, ernstig beschadigen of tot de dood van de houtopstand kunnen leiden) van een of meer houtachtige gewassen uit een binnen de Wnb beschermde ‘houtopstand’ wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming uitgesloten.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

29

9 Conclusie en advies/maatregelen 9.1

Soortenbescherming Op basis van onderhavig onderzoek kan niet worden uitgesloten dat de geplande ingreep leidt tot vernietiging/verstoring van vaste verblijfplaatsen en jaarrond beschermde vogelnesten van de volgende beschermde soorten: huismus, gierzwaluw, vleermuizen, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter. Vernietigen/verstoren betekent een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor kleine marterachtigen geldt het SMP-N (Martens & Krijt, 2019), een ontheffing is niet nodig. Mitigerende maatregelen uit het SMP-N zijn van toepassing bij het bouwrijp maken van het gebied. Nader onderzoek Om de aan- dan wel afwezigheid van verblijfplaatsen/jaarrond beschermde vogelnesten van huismus, gierzwaluw, vleermuizen en steenmarter te bepalen dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden volgens de soortspecifieke protocollen. Dergelijk onderzoek vindt plaats in de periode maart-juni voor huismus, in de periode juni-juli voor gierzwaluw, in de periode mei-juli en augustus-september voor vleermuizen en in de periode maart-mei voor steenmarter. De ingreep valt onder de gedragscode voor gemeenten (Stadwerk, 2020). Voor huismus, gierzwaluw en steenmarter hoeft voor het opheffen van een nest- of verblijfplaats geen ontheffing te worden aangevraagd indien gewerkt wordt volgens de voorwaarden in de gedragscode.

Voor vleermuizen is, afhankelijk van de functie en de soorten, mogelijk wel een ontheffing nodig. Maatregelen Voorafgaand/tijdens de werkzaamheden moeten de volgende maatregelen te worden nageleefd om een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen: § Werken buiten het broedseizoen. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaardperiode gehanteerd. De lengte en aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet voor het broedseizoen rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Echter, ook buiten deze periode kan sprake zijn van broedgevallen en zijn deze eveneens beschermd. § Voor kleine marterachtigen dient gehandeld te worden conform SMP-N en de voorschriften uit de ontheffing. § Voor huismus, gierzwaluw, vleermuizen en steenmarter worden op basis van de resultaten van veldonderzoek de benodigde randvoorwaarden en maatregelen bepaald. Zorgplicht Omdat vanuit de zorgplicht algemene en vrijgestelde soorten bescherming genieten, moet met de geplande ingreep rekening gehouden worden met soorten zoals egel en muizen die zich mogelijk in het plangebied bevinden. Verstoring kan voorkomen worden door het

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

31

plangebied kort voor de ingreep te maaien en schuilplaatsen te inspecteren. Daarnaast worden de werkzaamheden bij voorkeur aaneengesloten, bij daglicht en vanuit één rijrichting uitgevoerd zodat dieren kunnen vluchten.

9.2

Gebiedsbescherming Mogelijk leidt de geplande ingreep (zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase) tot extra depositie van stikstof in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hierdoor kan een negatief chemisch effect op Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase.

9.3

Bescherming van houtopstanden Aangezien er geen sprake is van “vellen” (alle activiteiten bedoeld die een boom of andere houtopstand ontsieren, ernstig beschadigen of tot de dood van de houtopstand kunnen leiden) van een of meer houtachtige gewassen uit een binnen de Wnb beschermde ‘houtopstand’ kan een overtreding van de Wet natuurbescherming m.b.t. bescherming van houtopstanden worden uitgesloten. Een ontheffing Wnb is dan ook niet noodzakelijk.

9.4

Planologische gebiedsbescherming (niet Wnb) Er geldt géén belemmering tegen de voorziene ingreep met betrekking tot planologische gebiedsbescherming, waardoor een aanvullende toetsing (aan het verbod op ‘onevenredig’ of ‘significant’ aantasten van het GNN/GO (“Nee, tenzij-toets”) niet noodzakelijk wordt geacht.

9.5

Natuurkansen Om de natuurwaarden in het plangebied te verbeteren wordt aanbevolen om bij nieuwbouw verblijfsvoorzieningen voor vleermuizen en vogels te realiseren. Verblijfplaatsen kunnen o.a. gerealiseerd worden in gevels en daken. Het weglaten van hekken in de rondom de nieuwbouw zorgt ervoor dat er geen barrières in en rondom het plangebied zijn. Daarnaast wordt geadviseerd om kruidenrijke groenstroken en voedselbomen zoals hazelaar te planten. Ook kunnen takkenrillen of struiken worden aangelegd/geplant om meer dekking in het gebied te creëren. Voor meer informatie over het creëren van verblijfplaatsen in nieuwbouw wordt verwezen naar de checklist groen bouwen: https://www.checklistgroenbouwen.nl/.

De in dit rapport gepresenteerde gegevens over beschermde soorten zijn houdbaar tot drie jaar na afronding van het veldonderzoek. Indien de in dit rapport beschreven (en getoetste) ingreep wijzigt dan wel wordt uitgevoerd na verloop van de geldende houdbaarheidstermijn van onderhavig onderzoek, kan een actualisatie van het onderzoek nodig zijn.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

32

Literatuur Martens, T. & N. Krijt, 2019. Soortenmanagementplan Nijmegen – De Waalsprong. Kenmerk D190080965. 4 februari 2019. Gemeente Nijmegen. NDFF, 2021 (i), Nationale database Flora en Fauna, geraadpleegd op 31-10-2022. Stadswerk 2020, Gedragscode soortbescherming voor gemeenten.

Quickscan t.b.v. project Spoorstraat Lent

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=28bcfbf8-6bc0-45aa-b07b-2531f68cdc52