Bijlage 5 Aanmeldnotitie Vormvrije MER-beoordeling Zwanenpark
Tekst van het document
3.8.3 Conclusie Op grond van het ontbreken van een intact bodemprofiel en het ontbreken van archeologisch relevante indicatoren adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten omtrent archeologie en cultuurhistorie.
3.9
Overige aspecten
Bezonning, winderhinder en trilling zijn allen geen standaard MER-onderwerpen, maar in een stedelijk gebied kunnen deze aspecten zeer relevant zijn voor de leefomgevingskwaliteit en daarmee samenhangend de gezondheid. Voor een volwaardige beoordeling van de te verwachten woon- en leefomgevingskwaliteit van het planvoornemen zijn deze aspecten daarom onderzocht. 3.9.1 Trillingen Toetstingskader In Nederland bestaat geen specifiek juridisch kader voor trillingen zoals geldt voor geluid met de Wet Geluidhinder. In 2019 is de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen gepubliceerd hierin is omschreven hoe binnen een zone van 100 m moet worden omgegaan en er wordt qua normstelling verwezen naar de SBR B richtlijn “hinder voor personen in gebouwen”, deze heeft betrekking op de gebruiksfase. Ook is de SBR A richtlijn “schade aan gebouwen” als normstelling te hanteren met betrekking tot de aanlegfase. De toetsing van de trillingsniveaus aan de SBR-richtlijn B betreft de zogenoemde Vmax en Vper. De Vmax betreft de maximale trillingssterkte die voorkomt. Deze wordt apart getoetst voor de dag/avondperiode en de nachtperiode. De Vper betreft de gemiddelde trillingssterkte. De streefwaarden zijn er op gericht om hinder door trillingen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De voorliggende situatie is een nieuwe situatie in het licht van de SBR-richtlijn.
In de gebouwen zijn woonfuncties aanwezig. Specifiek voor deze functies gelden de volgende streefwaarden: Gebouwfunctie Woning nieuwe situatie
A1 (dag/avond/nacht) 0.1 / 0.1 / 0.1
A2 (dag/avond/nacht) 0.4 / 0.4 / 0.2
Er wordt voldaan aan de streefwaarden als: ● de waarde van de maximale trillingssterkte in de ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als
30/37
A3 (dag/avond/nacht) 0.05 / 0.05 / 0.05
●
de waarde van de maximale trillingssterkte van een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Als er niet wordt voldaan aan de toetsingssystematiek wat betreft streefwaarden dient afhankelijk van de omstandigheden een afweging te worden gemaakt of de te beoordelen trillingssterkte al dan niet acceptabel is. Het accepteren van (matige) hinder door overschrijding van de streefwaarden kan onder meer afhankelijk zijn van de mate waarin trillingssterkte voorkomt, de aanwezigheid van andere trillingsbronnen (de achtergrondtrillingen), de mogelijkheid tot het treffen van trillingsreducerende maatregelen en de historie. Referentiesituatie Ten noorden van het plangebied ligt een aantal sporen. Van 29 april t/m 5 mei 2022 zijn trillingsmetingen op locatie verricht (bijlage 13). Er is gekozen voor 2 meetpunten om de trillingsemissie in de nabijheid van de brug (oostzijde) en van het spoor op verhoogde ligging (westzijde) in beeld te krijgen. Tijdens het veldonderzoek zijn 13 goederentreinpassages gemonitord waarbij de trillingssterkte is gemeten. Effectenbeoordeling en conclusie De maximale trillingssterkte Vmax (0,19) in de woningen ten gevolge van de passages van de treinen voldoet naar verwachting aan de streefwaarde voor de nachtperiode A2 (0,2) voor woonfunctie.
Op basis van de meetwaarde van de gemiddelde trillingssterkte Vper, is de verwachting dat de gemiddelde trillingssterkte Vper in dag-, avond- en nachtperiode in de woningen voldoet aan de streefwaarde voor woonfunctie (A3=0,05). Hiermee voldoen de woningen op basis van het ontwerp naar verwachting aan de beoordelingssystematiek van de SBR B richtlijn “hinder voor personen in gebouwen” op basis van de systematiek in de Richtlijn nieuwbouw en spoortrillingen is geen aanvullende maatregelen beschouwing nodig. 3.9.2 Windhinder en windgevaar Toetsingskader De effecten van wind worden bepaald in NEN 8100; een norm waarin de eisen en bepalingsmethoden voor de toetsing van het lokale windklimaat in de gebouwde omgeving staan beschreven. Van windhinder kan volgens de NEN8100 sprake zijn bij onder meer wapperende kleding, verwaaide haren en gehinderd worden bij het lopen. De mate van windhinder wordt uitgedrukt in de vorm van een oordeel over het lokale windklimaat: een goed windklimaat betekent weinig hinder, een slecht windklimaat betekent veel hinder. Het lokale windklimaat wordt beoordeeld op basis van: (1) de kans op het vóórkomen van een uurgemiddelde windsnelheid hoger dan 5 m/s, ofwel de overschrijdingskans, en (2) het soort activiteit dat op de betreffende locatie wordt verricht. De norm onderscheidt vijf kwaliteitsklassen: A tot en met E.
Klasse A komt overeen met de kleinste overschrijdingskans, klasse E met de grootste overschrijdingskans. Van windgevaar kan volgens NEN8100 worden gesproken bij het ‘optreden van een zodanig hoge windsnelheid dat bij personen in ernstige mate problemen optreden bij het lopen’. De referentiesnelheid voor windgevaar is 15 m/s (vgl. 5 m/s voor windhinder). Op basis van de overschrijdingskans van deze windsnelheid zijn in de norm twee criteria voor windgevaar geformuleerd; beperkt risico en gevaarlijk. Effectbeoordeling Door Royal Haskoning is een studie windhinder uitgevoerd (bijlage 13). Op basis van deze studie is beoordeeld of er windhinder ontstaat en welke maatregelen getroffen kunnen worden. Het gebruik is in categorieën bepaald voor het plangebied, zie onderstaand figuur.
31/37
Figuur 3-10 Codering bouwblokken en gebruikscategorie binnen het projectgebied: paars: park (langdurig zitten), blauw: entrée, openbare ruimte (slenteren), groen: straten rond het plangebied (doorlopen).
Het onderzoek concludeert dat voor de gebieden die de activiteitsklasse “doorlopen” krijgen, grotendeels een goed windklimaat verwacht wordt. Alleen in de doorgang tussen blok G en H en aan de oostzijde van blok K een matig windklimaat verwacht. Dit is in principe acceptabel voor een doorloopgebied. De looproutes zijn nog in ontwikkeling en zijn daarom nog niet aangeven in de windhinderkaart. De resultaten van het onderzoek kunnen een indicatie geven over de mogelijkheden om de looproutes verder te bepalen/ontwikkelen. Voor de gebieden die de activiteitsklasse “slenteren” krijgen, is bij de entréé van blok G en de westelijke entrée van blok K het windklimaat matig of slecht voor slenteren. Deze entrées dienen afgeschermd te worden. Bij de andere entrées wordt een goed windklimaat verwacht. In de doorgang tussen blokken A en D en tussen blokken is het windklimaat matig of slecht vo Bij de gebieden met activiteit klasse “langdurig zitten”, wordt in het park grotendeels een matig/slecht windklimaat verwacht. Hierbij kan (groenblijvende) beplanting en andere afscherming toegepast worden om het lokale windklimaat te verbeteren. De resultaten van dit onderzoek geven ook een indicatie over de locaties die ingericht zullen worden als zitgebieden: er wordt geadviseerd om de zitgedeeltes in de gebieden met een goed windklimaat te realiseren.
Aan de zuidzijde van het park, tussen blokken C en G, aan de westzijde van blok E en F en aan de oostzijde van blok B wordt een goed windklimaat verwacht. Bij de entrée van de commerciële ruimte wordt eveneens een goed windklimaat verwacht. Op basis van toetsing van de berekende resultaten wordt geconcludeerd dat in de straten in het plangebied de kans op windgevaar onder de grens van 0.05% is. Hier is er geen windgevaar te verwachten. Alleen op de west zuidelijke gebouwhoek van blok H is een beperkt risico op windgevaar mogelijk. Conclusie Het windklimaat ter plaatse is voor grootste deel van goede kwaliteit, behalve in het midden van het park. Hierbij kunnen (groenblijvende) beplanting en andere afscherming toegepast worden om het lokale windklimaat te verbeteren. In het plangebied de kans op windgevaar onder de grens van 0.05% is, er is geen windgevaar te verwachten.
32/37
3.9.3 Bezonning Toetsingskader Binnen Nederland zijn er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen, bouwwerken of percelen. Er is geen wet die het recht op uitzicht of bezonning regelt. Wel bestaat er voor bezonning van woonkamers de zogenaamde ‘lichte’ en ‘strenge’ TNO-norm, op basis van het woonwaarderingsstelsel uit 1962. Volgens de TNO-norm is er sprake van voldoende bezonning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Beoordeling effecten Vera Yanovshtchinsky Architecten heeft de bezonning en schaduwwerking op de omliggende omgeving/woningen inzichtelijk gemaakt (bijlage 14). Hieruit blijkt dat in de zomer geen sprake is van significante invloed als gevolg van de bezonning op de omliggende woningen.
In de lente, winter en herfst is enkel in de achtertuinen van de woningen gelegen aan de 51e straat (nummers 516 t/m 5156) sprake van een beperkte mate van schaduwwerking in de ochtend. In de lente- en herfstmaanden is rond het middaguur en de rest van de dag geen sprake meer van schaduwwerking. In de wintermaanden trekt de schaduwwerking gedurende de middag weg. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de huidige schaduwwerking die wordt veroorzaakt door de bestaande bomen (in alle periodes) buiten beschouwing is gelaten.
33/37
Conclusie Op basis van deze resultaten kan gesteld worden dat er geen onaanvaardbare schaduwwerking optreedt door de nieuwbouw en er dus vanuit het oogpunt van bezonning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De schaduwwerking in de hoven, binnen het nieuwbouwplan, worden meegenomen in de verdere uitwerking/invulling van het plan. 3.9.4 Energie en circulariteit Nijmegen heeft de ambitie om uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Daarnaast zitten er kansen in het opwekken van hernieuwbare energie en in aardgasvrij bouwen. Hier dient bij de toekomstige uitwerking van het plan rekening mee gehouden te worden. Onderstaande doelen en maatregelen dienen zoveel mogelijk toegepast te worden. Energiebehoefte gebouw Vanaf 1 januari 2021 is bijna energie neutrale bouw (BENG) de norm. De energiebehoefte van een gebouw bestaat uit de warmte- en koudevraag en kan in kaart worden gebracht met een energiescan. De energiebehoefte wordt bepaald door een samenspel van factoren, zoals de verhouding glas ten opzichte van dichte gevel, de mate van isolatie, de mate van kierdichting, de aanwezigheid van koudebruggen, de vorm (geometrie), de ligging en de bezonning van een gebouw.
Hierbij kan ook onderzocht worden of oververhitting in een gebouw een probleem kan zijn en hoe de ventilatie geoptimaliseerd kan worden. Hernieuwbare energie opwekken De resterende energiebehoefte kan (deels) worden opgewekt met zonne-energie. Nijmegen heeft de ambitie dat alle geschikte daken vol liggen met zonnepanelen. Naast de standaard zonnepanelen komen er steeds meer opties op de markt, denk aan geïntegreerde zonnedaken en -gevels en zonnedakpannen.
34/37
Aardgasvrij Per 1 juli 2018 moeten nieuwbouwwoningen aardgasvrij zijn. Het gaat om alle nieuwbouwwoningen die op of na 1 juli 2018 worden ingediend voor een omgevingsvergunning. Alternatieven voor verwarmen met aardgas zijn aansluiten op het warmtenet (indien mogelijk) of verwarmen met een warmtepomp of infraroodpanelen. Het gebied is onder voorwaarden geschikt voor een Warmte-Koude opslagsysteem. Voor het bepalen van deze voorwaarden zal afstemming gezocht moeten worden met eventuele nabijgelegen andere gebruikers van bodemwarmte en zal de milieu hygiënische situatie van de bodem in ogenschouw genomen moeten worden. Een bijkomend voordeel van een WKO is dat de woning hiermee in de zomer kan worden gekoeld.
35/37
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De locatie betreft een binnenstedelijk gebied met een hoge geluidbelasting. Door gebouwen op een bepaalde positie te plaatsen kan met maateregelen een acceptabel binnenklimaat worden behaald. Daarnaast zal de positionering van de geplande woonblokken positief bijdragen aan de geluidbelasting op bestaande woningen. Verder wordt in de wijk relatief veel groen toegevoegd en is de parkachtige opzet een uitnodiging tot ontmoeten en bewegen. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, mits de onderstaande mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Daarnaast zijn in de onderzoeken een aantal randvoorwaarden opgenomen waarmee nadelige effecten kunnen worden voorkomen. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.procedure niet noodzakelijk. Uit de voorgaande paragrafen komen de volgende randvoorwaarden en mitigerende maatregelen naar voren: ● Geluid Voor een deel van de woningen zal een geluidluwe gevel noodzakelijk zijn om het binnenklimaat tot een aanvaardbaar niveau te brengen, hiervoor moeten extra afschermende en geluidsabsorberende maatregelen aan borstweringen van balkons, loggia’s en de kopgevel van te worden getroffen.
● Niet gesprongen explosieven In het kader van niet-gesprongen- explosieven moet er volgens de huidige regelgeving worden gewerkt. ● Externe veiligheid Ten aanzien van de externe veiligheidssituatie zijn bouwkundige maatregelen niet verplicht vanwege de relatief lage ongevalskansen. Bij het bouwblok langs het spoor worden wel maatregelen geadviseerd. In samenhang met akoestische effecten worden gelaagde ruiten voorgesteld. Gebouwen minstens 6 meter van het kaststation plaatsen, indien deze in werking blijft. ● Soortenbescherming Ter bescherming van de vleermuis; verstoring door een toename van verlichting dreigt, dient een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige te worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te latenvoeren door een ter zake kundige. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Ter bescherming van de steenmarter; Indien de begroeiing op de spoordijk (grenzend aan het plangebied) wordt verwijderd en/of aangepast, dienen maatregelen te worden genomen om de functionaliteit van de verblijfplaats te behouden en de gunstige staat van instandhouding van de steenmarter te garanderen.
36/37
BIJLAGEN Bijlage 1 Oplegnotitie verkeersonderzoeken – Gemeente Nijmegen Bijlage 2 Parkeren Ontwikkeling Zwanenveld - Goudappel BV Bijlage 3 Akoestisch Onderzoek – Royal Haskoning DHV Bijlage 4 Memo geluidbelasting bestaande woningen incl. bouwplan – Royal Haskoning DHV Bijlage 5 EV-onderzoek Zwanenpark Nijmegen - DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin- Econsultancy Bijlage 7 Detectierapportage Explosievenonderzoek Zwanenveld NijmegenTen Brinke Vastgoedontwikkelaars Bijlage 8 Watertoets – Econsultancy Bijlage 9 Aerius-Berekening en bijbehorende Memo Bijlage 10 Ecologische Soortenonderzoek - Econsultancy Bijlage 11 Boom Effect Rapportage – Ormel Boomverzorging Bijlage 12 Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek – Econsultancy Bijlage 13 Onderzoek trillingen- Royal HaskoningDHV Bijlage 14 Onderzoek windhinder- Royal HaskoningDHV Bijlage 15 Bezonningsstudie - Vera Yanovshtchinsky Architecten
37/37