CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Uitgangspunten Regio Rijk van Nijmegen en Regio Rivierenland VRGZ

Besluitronde (raadsvergadering) 31 januari 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerp wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (146/2023)3.063 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 2: Uitgangspunten t.b.v. implementatie WGR Regio Rijk van Nijmegen en Regio Rivierenland. Hieronder staat een overzicht van de uitgangspunten voor implementatie van de WGR m.b.t. de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Deze uitgangspunten kwamen tot tijdens een raadwerkbijeenkomst in Rijk van Nijmegen (maart 2023) onder begeleiding van de projectgroep uit Rijk van Nijmegen en i.s.m. PROOF adviseurs. Een tweede raadswerkbijeenkomst op 25 september leidde tot de uitgangspunten van Regio Rivierenland. Tijdens beide raadswerkbijeenkomsten zijn de verschillende instrumenten (zienswijze over besluiten bestuur, participatie, regionale adviescommissie, actieve informatieplicht, evaluatie en uitreding) voorgelegd. Bij elk instrument is gewerkt met drie (keuze)varianten: • Specifiek waarbij in de GR helemaal gedetailleerd is uitgewerkt hoe men te werk gaat in toekomstige situaties. Hiermee is een werkwijze toetsbaar in een GR vastgelegd; wijziging van de werkwijze vraagt dan ook wijziging van de GR en biedt minder flexibiliteit. • Dynamisch: waarbij ingespeeld kan worden op wisselende situaties. Een nadeel kan zijn dat op voorhand niet onomstotelijk vast staat hoe in toekomstige gevallen het instrument zal worden ingezet. • Minimaal: waarbij wordt voldaan aan het wettelijke vereiste voor de inzet van het instrument.

Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Uitgangspunt Rijk van Nijmegen:

Dynamische variant. In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Toelichting bij keuze variant: Deze variant geeft enige mate van flexibiliteit als dat nodig is. Variant 1 is te star en variant 3 is te beperkt.

Uitgangspunt Rivierenland

Dynamische variant. (idem). Toelichting bij keuze variant: Omdat niet altijd op voorhand duidelijk is ten aanzien van welke besluiten het vragen van zienswijze aan de raden een toegevoegde waarde heeft, heeft een dynamische variant de voorkeur. Het (algemeen) bestuur stelt bijvoorbeeld een jaarplanning met de belangrijkste besluiten op en legt deze voor aan de raden. Hierin wordt aangegeven welke besluiten voorafgaand ter zienswijze aan de raden zullen worden aangeboden (zie ook: actieve informatieplicht hierboven). Ook kunnen raadsrapporteurs worden ingezet voor het informeren van de raden, zodat het niet nodig wordt geacht op voorhand een uitputtende lijst van specifieke besluiten in GR-en op te nemen die ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd voorafgaand aan de besluitvorming.

1

Huidige GR VRGZ:

Ontwerp GR VRGZ:

In de huidige GR van de VRGZ is een zienswijzeprocedure in het kader van de begroting aan de orde (art. 32 GR VRGZ) evenals voor de jaarrekening (art. 34 GR VRGZ), het risicoprofiel (art. 15 Wvr) het regionaal beleidsplan (art 14. Wvr), het crisisplan en het regionaal beleidsprogramma (art. 30 GR VRGZ). In de praktijk wordt ook de kadernota voor zienswijze aan de gemeenteraden toegezonden.

Artikel 11a Zienswijze raden 1. Met inachtneming van artikel 10 lid 5 van de wet worden de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaand aan het nemen van het besluit in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen indien het één van de volgende besluiten betreft: a. besluit dagelijks bestuur tot vaststellen van de kadernota zoals bedoeld in artikel 34b van de wet; b. besluit algemeen bestuur tot vaststellen van de resultaatbestemming als onderdeel van de jaarrekening; c. besluit algemeen bestuur tot vaststellen van het beleidsplan zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet veiligheidsregio’s; d. besluit algemeen bestuur tot het vaststellen van een risicoprofiel zoals bedoeld in artikel 15 lid 3 van de Wet veiligheidsregio’s; e. besluit algemeen bestuur tot het vaststellen van het liquidatieplan. 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur biedt de raden een termijn van minimaal acht weken voor het schriftelijk naar voren brengen van een zienswijze. 3.

Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden van de deelnemende gemeenten, en indien het een besluit van het algemeen bestuur betreft, ook het algemeen bestuur, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Zienswijzen van de raden van de deelnemende gemeenten die worden ontvangen na de door het dagelijks bestuur gestelde termijn zoals genoemd in het tweede lid kunnen door het dagelijks bestuur buiten beschouwing worden gelaten. 5. Besluiten die naar het oordeel van het algemeen bestuur een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben, worden eveneens aan de raden van de deelnemende gemeenten voorgelegd om de zienswijze naar voren te brengen.

Actieve informatieplicht Uitgangspunt Rijk van Nijmegen:

2

Minimale variant. Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid. Toelichting bij keuze variant: Hierbij wordt benadrukt dat onder deze variant ook de stukken vallen die een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben. Heeft een relatie met de keuzevariant over Zienswijze (bij besluiten met aanzienlijk politiek of financieel belang). Uitgangspunt Rivierenland

Dynamische variant. In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Toelichting keuze variant: Omdat op voorhand moeilijk te bepalen is welke informatie actief gedeeld moet worden met de raden wordt het wenselijk geacht flexibel in te spelen op veranderende situaties, zodat de dynamische variant daarbij past. Periodiek kunnen raden worden meegenomen bij actualisatie van het informatieprotocol op het moment dat deze aan evaluatie/actualisatie toe zou zijn. Door de raden actief te laten informeren over de te nemen besluiten in de loop van het jaar, bijvoorbeeld in de kaderbrief, worden de raden in de gelegenheid gesteld te reageren op deze voorgenomen besluiten en inspelen op de mogelijkheid om besluiten ter zienswijze voorgelegd te krijgen, bijvoorbeeld in het geval sprake is van besluiten met een aanzienlijk politiek of financieel belang.

Huidige GR VRGZ:

Artikel 19 Het algemeen en dagelijks bestuur ten opzichte van raden 1. Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd.

Ontwerp GR VRGZ:

Artikel 19 Het algemeen en dagelijks bestuur ten opzichte van de raden 1. Het algemeen en dagelijks bestuur verstrekt aan alle raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. 2. Het algemeen en dagelijks bestuur verstrekt aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. Het algemeen bestuur verstrekt de inlichtingen zoals genoemd in lid 2 onder andere door: a. het beschikbaar stellen aan de raden van verslagen en besluitenlijsten van vergaderingen van het algemeen bestuur;

3

b. het informeren van de raden over de wijze waarop het bestuur uitvoering geeft aan de openbaarmaking van informatie als bedoeld in de Wet open overheid. 4. Het algemeen bestuur kan een informatieprotocol vaststellen waarin is opgenomen welke informatie op welke wijze wordt gedeeld.

Evaluatie Uitgangspunt Rijk van Nijmegen:

Dynamische variant. Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijf jaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Toelichting keuze variant: • Geen termijn noemen in de regeling. • Verzoek om na te gaan wat wijsheid is m.b.t. het wel of niet voorleggen van de onderzoeksopdracht voor zienswijze aan de raden.

Uitgangspunt Rivierenland

Dynamische variant. (idem) Toelichting keuze variant: Evaluatie is een instrument dat flexibel ingezet kan worden. Ingeval het instrument van evaluatie wordt ingezet, gebeurt dit het liefst in het midden van een raadsperiode. Hoe beleidsrijker een samenwerkingsverband is, hoe korter een termijn tussen evaluaties zou moeten zijn. Evaluatie op verzoek van een substantieel aantal deelnemers mogelijk zou moeten zijn (twee of meer, afhankelijk van het totaal aantal deelnemers). Bij regio-overstijgende samenwerking zouden de deelnemers uit de regio Rivierenland initiatief moeten kunnen nemen voor het starten van een evaluatie.

Huidige GR VRGZ: Ontwerp GR VRGZ:

Geen.

Artikel 40a Evaluatie 1. Het algemeen bestuur kan besluiten tot evaluatie van deze regeling. Een verzoek tot evaluatie kan door twee of meer deelnemers worden gedaan. Een verzoek dient gemotiveerd te worden. Het algemeen bestuur beslist op een dergelijk verzoek. 2. De evaluatie richt zich op de inhoud van deze regeling en de ervaringen met de gehanteerde werkwijzen.

4

3. Het algemeen bestuur beslist over inhoud, proces en werkwijze van de evaluatie. 4. Als een evaluatie wordt uitgevoerd stelt het algemeen bestuur de onderzoeksopdracht vast. 5. Een besluit tot evaluatie kan door het algemeen bestuur worden genomen als sprake is van een uitgetreden gemeente zoals bedoeld in artikel 36a van deze regeling.

Uitreding Uitgangspunt Rijk van Nijmegen:

Uitgangspunt Rivierenland:

Geen keuze Toelichting bij keuze: Betreft hier een verplichte samenwerking. Nader moet worden onderzocht wat hier hierover zou moeten worden opgenomen. Dynamische variant. In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Toelichting keuze variant: Uittredingsregelingen moeten vooraf worden voorgelegd aan de raden. Er bestaat een voorkeur voor de dynamische variant, om in te spelen op de actuele situatie. In het geval toch gekozen wordt voor een meer specifieke uittredingsregeling in de GR dan kan met het inzetten van het instrument van evaluatie worden meegenomen in hoeverre en uittredingsregeling nog voldoet aan de actualiteit. Als voorbeeldbepaling voor uittredingsbepalingen kan gedacht worden aan de uittredingsregeling zoals opgenomen in GR UBR.

Huidige GR VRGZ:

Art. 36 Toetreding en uittreding: 1. Toetreding van gemeenten tot de gemeenschappelijke regeling of uittreding van gemeenten uit de gemeenschappelijke regeling is slechts mogelijk na wijziging van de verdeling van gemeenten in veiligheidsregio’s, als bedoeld in de wet- en regelgeving. 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding of de uittreding en kan voorwaarden verbinden aan de toetreding of uittreding.

Ontwerp GR VRGZ:

Artikel 36a Voorwaarden en gevolgen van uittreding 1. Uittreding uit deze regeling kan alleen na wijziging van de indeling van gemeenten in regio’s zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.

5

2. Als er geen wettelijke voorziening omtrent uittreding is vastgesteld, dan is uittreding alleen mogelijk met inachtneming van de voorwaarden die ingevolge dit artikel worden verbonden aan het uittredingsproces. 3. De deelnemende gemeenten hanteren als uitgangspunt voor de bepaling van de uittreedsom dat de uittredende gemeente over een periode van vijf jaar de eigen bijdrage moet doorbetalen, waarbij deze bijdrage ieder jaar met twintig procent afneemt, zodat de uittredende gemeente in het zesde jaar niet meer hoeft te betalen, tenzij de bevindingen van de projectgroep aanleiding vormen tot bijstelling van dat uitgangspunt. 4. De gevolgen van de uittreding worden in kaart gebracht door een projectgroep die wordt samengesteld door het dagelijks bestuur. Onder de gevolgen van de uittreding wordt in ieder geval begrepen de gevolgen voor het vermogen van deze gemeenschappelijke regeling op het gebied van personeel, contracten, huisvesting en investeringen. De projectgroep levert een eindrapport op waarin de bevindingen, de daaraan verbonden gevolgen en eventuele conclusies zijn opgenomen. 5. De projectgroep bestaat uit tenminste een afgevaardigde van het dagelijks bestuur, een afgevaardigde van de uittredende gemeente en één of meer onafhankelijk deskundigen waaronder in ieder geval een registeraccountant, in gezamenlijkheid te benoemen.

De kosten van de in te schakelen deskundigen komen voor rekening van de uittredende gemeente. 6. De projectgroep rapporteert aan het dagelijks bestuur. 7. De ondernemingsraad en/of het georganiseerd overleg worden betrokken bij het uittredingsproces en in de gelegenheid gesteld om hun bevoegdheden ten aanzien van de uittreding uit te oefenen. 8. Alvorens het algemeen bestuur de uittreedsom vaststelt, stelt het dagelijks bestuur het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over het eindrapport van de projectgroep alsmede van de eventuele conclusies die het dagelijks bestuur daaraan verbindt. 9. Het algemeen bestuur stelt de uittreedsom vast bij besluit genomen bij meerderheid van stemmen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van deze regeling. 10. De frictiekosten en desintegratiekosten maken in ieder geval onderdeel uit van de uittreedsom. De desintegratiekosten betreffen alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de veiligheidsregio die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van de risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. De frictiekosten betreffen alle incidentele kosten te maken door de Veiligheidsregio die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 11.

Het algemeen bestuur neemt het besluit tot vaststelling van de uittreedsom uiterlijk twaalf maanden na ontvangst van het gemeentelijke uittredingsbesluit als dat aan de orde is of twaalf maanden nadat de indeling in regio’s zoals

6

bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s is gewijzigd. De beslistermijn kan éénmaal worden verdaagd met zes maanden. 12. Nadat het algemeen bestuur de uittreedsom heeft vastgesteld, stelt het bestuur de gewijzigde gemeenschappelijke regeling op met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de wet. 13. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders van hun gemeente conform het bepaalde in artikel 1 van de wet hun zienswijze over het ontwerp van de regeling zoals deze eruit komt te zien na uittreding van de betreffende gemeente naar voren brengen. 14. De colleges van burgemeester en wethouders gaan niet over tot het treffen van de gewijzigde regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden conform het bepaalde in artikel 1 van de wet. 15. De uittredende gemeente blijft tot aan het moment van daadwerkelijke uittreding volwaardig deelnemer en dient tot aan dat moment al zijn verplichtingen na te komen met betrekking tot deze gemeenschappelijke regeling. 16. De aangepaste gemeenschappelijke regeling wordt bekend gemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van de wet. Toelichting op ontwerp artikel

De VRGZ heeft navraag gedaan bij het ministerie van BZK m.b.t. het verplicht opnemen van een bepaling omtrent uitreding bij gemeenschappelijke regelingen die wettelijk verplicht zijn. Het ministerie antwoordde dat ook bij wettelijk verplichte gemeenschappelijke regelingen, en dus veiligheidsregio’s, de Wgr verplicht tot het maken van afspraken over de uittreding/verdeling vermogen etc. Het ministerie redeneert hierbij als volgt: - Bij herindelingen kan het voorkomen dat de oude gemeente uit een bepaalde veiligheidsregio treedt en de nieuw gevormde gemeente aan een andere veiligheidsregio deelneemt dan de rechtsvoorgangers. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de herindeling Vijfheerenlanden en de herindeling Amsterdam/Weesp. Bij welke veiligheidsregio een gemeente hoort kunnen gemeenten niet zelf bepalen (dat volgt uit de bijlage bij de Wet veiligheidsregio’s). - De Wet Algemene regels herindeling (Wet arhi) regelt e.e.a. over de gevolgen van herindelingen voor gemeenschappelijke regelingen (art. 41; eventuele verrekening in artikel 50). Deze bepalingen zijn echter niet van toepassing op wettelijke samenwerkingsverbanden (art. 41:7 Wet arhi). In de casus van de herindeling Vijfheerenlanden en Amsterdam/Weesp zijn in de herindelingswetten de regelingen van art. 41 en 50 van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwerkingsverbanden.

Deze bepalingen regelen niet de

7

daadwerkelijke inhoud van de voorzieningen (verdeling vermogen e.d.); die afspraken moeten ingevolge de Wgr worden gemaakt. M.a.w. de Wgr verplicht tot het maken van afspraken over de uittreding/verdeling vermogen etc. en op basis van die afspraken kunnen de deelnemers aan het wettelijk verplichte samenwerkingsverband de uit de herindeling voortvloeiende voorzieningen treffen.

Participatie Uitgangspunt Rijk van Nijmegen:

Dynamische variant. Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Toelichting keuze variant: Het regionaal belang komt hiermee het beste tot zijn recht, op lokaal niveau zijn er genoeg instrumenten

Uitgangspunt Rivierenland:

Dynamische variant. (idem) Toelichting keuze variant: Ten aanzien van participatie is aangegeven dat maatwerk per GR gewenst is. Aan het (algemeen) bestuur van een samenwerkingsverband kan overgelaten worden voor welke onderwerpen participatie ingezet wordt. Dit betekent dat een voorkeur voor de dynamische variant uitgesproken is. De raden dienen voorafgaand bij de keuzes voor inzet van participatie betrokken worden.

Huidige GR VRGZ:

Geen

Ontwerp GR VRGZ:

Artikel 11b Participatie 1. Participatie verloopt via de colleges van de deelnemende gemeenten, die deze inbreng mee kunnen nemen in een zienswijze of mee kunnen geven aan hun vertegenwoordiger in het algemeen bestuur, tenzij het gaat om de besluiten zoals genoemd in artikel 11a van deze regeling waar de gemeenteraden om hun zienswijze wordt gevraagd. In die gevallen verloopt participatie via de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten. 2. In afwijking van lid 1 kan het algemeen bestuur besluiten wanneer en voor welke onderwerpen een participatie-instrument voor ingezetenen en andere belanghebbenden wordt ingezet.

8

Gemeenschappelijke adviescommissie Uitgangspunt Rijk van Nijmegen:

Minimale variant. Huidige situatie laten voortbestaan. Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen. Toelichting keuze variant: Deze regeling is (ook op wat meer afstand) heel goed te volgen. Er is geen behoefte aan het instellen van een Adviescommissie

Uitgangspunt Rivierenland:

Minimale variant. Huidige situatie laten voortbestaan: informatieprotocol en afhankelijk van uitkomst PvA griffiers Toelichting keuze variant: Vanwege het uitgesproken vertrouwen in het traject Plan van Aanpak – Regionale Samenwerking van de Kring van Griffiers is aangegeven dat een gemeenschappelijke adviescommissie vooralsnog achterwege kan blijven bij de verschillende GR-en. Overigens laat dit de mogelijkheid vrij om per GR maatwerk te leveren als op een later moment ten aanzien van een samenwerkingsverband alsnog besloten wordt tot de inzet van een gemeenschappelijke adviescommissie.

Huidige GR VRGZ:

Ontwerp GR VRGZ:

Artikel 16 Commissies van advies Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, met inachtneming van artikel 24 van de wet.

Artikel 16 Commissies van advies Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, met inachtneming van artikel 24 van de wet.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=1896c757-4507-43a7-9883-43b58b12ed93