Bijlage 3 overzicht wijzigingen INGETROKKEN
Tekst van het document
Bijlage 2: overzicht van wijzigingen In deze bijlage is een overzicht opgenomen van alle wijzigingen. Het gaat hierbij om wijzigingen in de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2026 ten opzichte van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2025. Elke wijziging is toegelicht. Redactionele wijzigingen zijn minimaal opgenomen.
Locatie nieuwe verordening
Wijziging
Toelichting wijziging
Inleiding – overwegingen
Artikel 2.1.2 Wmo 2015 is toegevoegd aan de overwegingen.
Dit artikel is toegevoegd op advies van de adviescommissie JMG. Wij zijn het met JMG eens dat dit artikel goed past bij de bedoeling van de verordening. De toevoeging van dit artikel heeft geen consequenties.
Inleiding – overwegingen
De uitgangspunten uit de Wmo 2015 en Jeugdwet worden niet langer vermeld in de overwegingen.
T.b.v. de leesbaarheid herhalen wij geen wetteksten in de verordening.
H1
Er is een inleiding toegevoegd aan de verordening (hoofdstuk 1) waarin staat toegelicht wat de verordening is en hoe deze is opgebouwd.
Dit vergroot de leesbaarheid van de verordening.
Ook aan de afzonderlijke hoofdstukken is een korte inleiding toegevoegd. H1, artikel 1
Er zijn verschillende begrippen (andere voorziening, productdefinities) verwijderd uit de begripsbepalingen.
Deze begrippen komen door de herziening niet langer voor in de verordening.
Begrippen die slechts eenmalig voorkomen (draagkracht, draaglast, ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht) zijn verplaatst van de begripsbepalingen naar het artikel waarin ze worden genoemd
Dit vergroot de leesbaarheid.
Het begrip andere organisatie is toegevoegd.
Het begrip ouder is toegevoegd.
Dit begrip werd al gebruikt, maar stond niet in de begripsbepalingen. Het begrip verduidelijkt welke taken op grond van de verordening door aangewezen andere organisatie kunnen worden uitgevoerd. Dit begrip is toegevoegd om te verduidelijken dat met ouder meer personen dan alleen de biologische ouders kunnen worden bedoeld.
H2, artikel 2, lid 5
Dit artikel is gewijzigd. Was: ‘Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is.’ Wordt: ‘Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij een andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar jeugdhulp. De aanbieder beoordeelt vervolgens welke maatwerkvoorziening nodig is met een onderzoek. Dit onderzoek gaat op dezelfde manier zoals het college dit doet. In de beoordeling wordt de eigen kracht, het sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen en de goedkoopst passende voorziening betrokken.’
H2, artikel 2, lid 6
Er is een nieuw lid 6 toegevoegd. Het oude lid 6 is lid 7 geworden. Het toegevoegde lid luidt: ‘Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de cliënt verwijzen naar jeugdhulp. Als de aanbieder niet gecontracteerd is door het college of geen subsidie ontvangt van het college, wordt er geen vergoeding voor deze hulp verstrekt. Dit geldt alleen wanneer het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder’
De wijziging verduidelijkt voor inwoners dat een aanbieder bij de beoordeling van een passende maatwerkvoorziening dezelfde factoren meeweegt als de gemeentelijke verwijzer. Deze verplichting is niet nieuw voor jeugdhulpaanbieders. De verplichting is opgenomen in de landelijke contractstandaarden. Wij gebruiken deze contracten sinds 2024 voor de inkoop van jeugdhulp.
Dit lid verduidelijkt hoe wij handelen rondom de inzet van niet-gecontracteerd aanbod. Het lid is toegevoegd naar het voorbeeld van de modelverordening van de VNG en is in lijn met bestaande wet- en regelgeving.
H2, artikel 4, lid 4
In lid 4 zijn de begrippen persoonlijk plan (Wmo 2015) en familiegroepsplan (Jeugdwet) toegevoegd. De termijn ‘zeven dagen na de melding’ is verwijderd. Was: ‘Het college of de andere organisatie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding schriftelijk de hulpvraag te beschrijven wat hij daar zelf, eventueel met behulp van zijn sociale netwerk in kan betekenen en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn.’ Wordt: ‘Het college of de andere organisatie wijst de cliënt op de mogelijkheid om een persoonlijk plan of familiegroepsplan in te dienen. In dit plan beschrijft de cliënt zijn hulpvraag, wat hij daar zelf of met zijn sociaal netwerk in kan doen en bij welke oplossingen hij ondersteuning nodig heeft.’
Dit maakt duidelijker wat voor beschrijving bedoeld wordt in dit lid. Het verwijderen van de termijn biedt de verwijzer en inwoner meer mogelijkheden tot maatwerk
H2, artikel 5
De naam van het artikel is gewijzigd van ‘gesprek’ naar ‘onderzoek’. Het oude lid 4 is toegevoegd aan het nieuwe lid 1. Dit is niet meer dan een verplaatsing.
Deze naam past beter bij de inhoud.
H2, artikel 7, lid 3
Was: ‘Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 5 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 5, vijfde lid.’
Dit is duidelijker.
Wordt: Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan alleen worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet is afgerond binnen de gestelde termijn zoals vermeld in artikel 2 lid 3. H3, artikel 8, lid 1 en lid 2
Er zijn twee nieuwe, met elkaar samenhangende leden toegevoegd. ‘1. Uitgangspunt voor de ingangsdatum van een verstrekking is de datum van het besluit. 2. Van het uitgangspunt in lid 1 kan worden afgeweken als de noodzaak en de omvang achteraf kunnen worden vastgesteld en daadwerkelijk levering voor de datum van het besluit heeft plaatsgevonden. De ingangsdatum ligt nooit voor de meldingsdatum.’ Dit betekent ook dat de nummering van de overige leden is veranderd.
Met deze leden wordt verduidelijkt wat de vroegst mogelijke ingangsdatum van een verstrekking is. In de praktijk resulteerde dit regelmatig in discussies tussen gemeentelijk verwijzers en aanbieders.
H3, artikel 8, lid 3 en 4
Herhalingen uit de wet en het artikel afwijzingsgronden zijn verwijderd uit artikel 8. Afwijzingsgronden die eerder opgenomen stonden in artikel 8, zijn verplaatst naar artikel 9.
Dit maakt artikel 8, lid 3 en 4, veel beter leesbaar en beperkt herhalingen.
H3, artikel 8, lid 5
Herhalingen uit de wet zijn verwijderd uit dit artikel. Daarnaast is toegevoegd dat het uitgangspunt ‘in beginsel maximaal 1 jaar’ ook voor Wmomaatwerkvoorzieningen gericht op de ontlasting van mantelzorgers geldt.
Wij moeten de wet toepassen bij alle vormen van maatwerkvoorzieningen, ook als deze gericht zijn op ontlasting van ouders/mantelzorgers. Daarom is de herhaling uit de wet verwijderd.
Was: ‘Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot respijtzorg, geldt bovendien dat: de jeugdige de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; de jeugdige begeleiding, persoonlijke verzorging en of verpleging ontvangt; In het onderzoek is uitgesloten dat de jeugdige zorg ontvangt uit de Wet langdurige zorg of zou moeten ontvangen uit de Wet langdurige zorg maar waarvan de jeugdige (of ouders of wettelijke vertegenwoordiger) weigert mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit. In het onderzoek is uitgesloten dat verpleegkundige handelingen nodig zijn en zorg onder de Zorgverzekeringswet valt of zou moeten vallen, hierbij wordt een aanvullende zorgverzekering niet als eis gesteld voor een eventueel maatwerkvoorziening respijtzorg; Respijtzorg in beginsel een tijdelijk karakter met een maximum van 1 jaar heeft; Bij de inzet van respijtzorg altijd heldere doelen worden geformuleerd en evaluatie-afspraken worden gemaakt.’
Ook bij Wmo vinden wij het wenselijk dat ontlasting zoveel mogelijk via oplossingen in het sociale netwerk of voorliggende voorzieningen wordt gerealiseerd.
Wordt: ‘De verstrekking van de maatwerkvoorziening respijtzorg, zoals bedoeld in artikel 2.3, derde lid Jeugdwet,en artikel 1.1.1, eerste lid Wmo 2015, om de ouders, c.q. mantelzorger(s) tijdelijk te ontlasten, met als doel hen in staat te stellen om hun rol als verzorgers en opvoeders, c.q. mantelzorger te blijven vervullen is in beginsel tijdelijk tot maximaal 1 jaar.’ Artikel 8, lid 6 t/m 9
Er zijn vier, met elkaar samenhangende, leden toegevoegd: ‘6. Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek samen met de cliënt wat het beoogde resultaat is van de maatwerkvoorziening, hoe dit resultaat dient te worden bereikt en hoe de voortgang wordt geëvalueerd. De cliënt deelt deze informatie met de (pgb-)aanbieder.
Deze leden sluiten aan bij de uitvoeringspraktijk van verwijzers, de wettelijke rechten en plichten van inwoners en de gemeente en contractuele afspraken gemaakt met aanbieders.
7. De cliënt en de (pgb-)aanbieder mogen de maatwerkvoorziening niet voor andere resultaten inzetten dan in het onderzoek afgesproken. Alleen in overleg met het college of de andere organisatie kan het beoogde resultaat worden gewijzigd. 8. Indien de cliënt een verlenging van de maatwerkvoorziening wenst, dient de cliënt zich uiterlijk acht weken voor de einddatum van de maatwerkvoorziening te melden bij het college of de andere organisatie. De melding dient te zijn voorzien van een gezamenlijk met de (pgb-)aanbieder opgesteld evaluatieverslag. De termijn voor het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2, lid 3 start pas zodra het evaluatieverslag is aangeleverd. 9. De eisen uit lid 6 t/m 8 gelden voor alle maatwerkvoorzieningen op grond van de jeugdwet en voor begeleiding en beschermd wonen op grond van de Wmo 2015.’
Volgens de wet is het de verantwoordelijkheid van de inwoner om zich te melden bij de verwijzer. De gemeente heeft vanaf dit moment 8 weken om tot een besluit te komen. De aanbieder heeft contractueel de regie op het opstellen van een evaluatieverslag bij de afloop van een maatwerkvoorziening. De verwijzer heeft dit verslag nodig om het onderzoek goed te kunnen uitvoeren. Dit wordt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening ook gecommuniceerd richting de inwoner, inclusief de uiterste termijn van 8 weken voor afloop van de indicatie. Deze leden ondersteunen ook de door de raad vastgestelde ‘Leidende principes voor zorg, welzijn en ondersteuning’ (d.d. 13-11-2024): We verdelen de zorg eerlijk: in Nijmegen krijg je de hulp en ondersteuning die je nodig hebt: niet minder, maar ook niet meer; Als het aan het begin afgesproken einddoel bereikt is wordt het zorgtraject afgerond. Deze leden sluiten dus aan bij de uitvoeringspraktijk van verwijzers, de wettelijke rechten en plichten van inwoners en de gemeente en contractuele afspraken gemaakt met aanbieders.
H3, artikel 9
De inhoud van de oude artikelen 8a en 8b is verdeeld over het nieuwe artikel 9 en de vernieuwde bijlage 1 protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet. Daarbij is de gehele tekst herschreven. In artikel 9 ligt de nadruk op de uitgangspunten voor de beoordeling. De samenhang tussen de begrippen is hierbij verduidelijkt. In bijlage 1 ligt de nadruk op de uitwerking van de begrippen.
Zowel de beoordeling als ‘wat onder de begrippen wordt verstaan’ is op deze manier beter te begrijpen voor inwoners, verwijzers en zorgaanbieders.
H3, artikel 10
Er is een nieuwe afwijzingsgrond (f) toegevoegd. Deze luidt: ‘Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als niet aannemelijk is dat inzet van de voorziening in voldoende mate zal bijdragen aan een oplossing voor de hulpvraag;
Het is de bedoeling van de wet dat inzet van een maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het oplossen van de hulpvraag. Dit criteria staat ook gedefinieerd in artikel 8 lid 3 en 4. Met toevoeging van deze afwijzingsgrond geven wij verwijzers een nadrukkelijker handvat in gesprekken met inwoners over niet-nuttige inzet en het accepteren van nuttige inzet. Denk bijvoorbeeld aan een ouder die herhaalde inzet van ggz wil voor de angstproblematiek bij het kind, terwijl het gedrag van het kind wordt verklaard door financiële stress in het gezin. Andersson Elffers Felix (AEF) adviseert gemeenten ook om deze weigeringsgrond op te nemen in de verordening.
H3, artikel 11
Het woord ‘zorg’ is vervangen door ‘maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp’.
Sub b is toegevoegd als uitzondering op het artikel ‘b.Het verblijf onderdeel van tijdelijke verhuur is. De verhuur moet als doel hebben de cliënt in staat te stellen zelfstandig te wonen. Het college moet hier vooraf mee instemmen. H4
De structuur/opbouw van dit hoofdstuk is herzien. Er zijn afzonderlijke artikelen voor de ‘hoogte van het pgb’, ‘weigeringsgronden pgb’ en ‘besteding en verantwoording van het pgb’ toegevoegd.
Dit is gewijzigd in reactie op advies van de adviescommissie JMG. Hierdoor is de scope van het artikel duidelijker. Deze toevoeging maakt transparant in wat voor situaties er een uitzondering geldt op de regel. Hierbij kan gedacht worden aan WBB-trajecten of Housing First. Artikelen en de inhoud daarvan is logischer geordend. Informatie is makkelijker te vinden.
Informatie uit de financiële bijlage (bijlage 2) van de oude verordening is waar noodzakelijk verwerkt in dit hoofdstuk. H4, artikel 14
Lid 1: in de oude verordening (artikel 12, lid 1) stond gedefinieerd wat de cliënt precies moet motiveren in het pgb-plan. Deze elementen zijn verwijderd in lid 1.
Toegevoegd is lid 2: ‘Voor eenmalige pgb’s zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen of eenmalige vervoersvoorzieningen, gelden de eisen uit lid 1 niet. De cliënt dient hiervoor een offerte te overleggen.’ Toegevoegd is lid 3: ‘Voor hulp bij huishouden gelden de eisen uit lid 1 niet.’ H4, artikel 15
Deze elementen zijn verwijderd, omdat het pgbplan een uitvoerend instrument is om het voldoen aan de pgb-voorwaarden te toetsen. Dat wat gevraagd wordt in het pgb-plan, kent in de praktijk ook enige variatie afhankelijk van bijvoorbeeld de kwaliteitsrisico’s van de in te kopen zorg. Met toevoeging van de leden 2 en 3 wordt verduidelijkt dat bij deze maatwerkvoorzieningen het pgb-plan niet verplicht is voor de inwoner.
In dit artikel is de systematiek waarmee de hoogtes van de pgb-tarieven worden bepaald opgenomen. Voor alle pgb-tarieven met uitzondering van woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen is de systematiek voor de hoogtes van pgb-tarieven herijkt. De tarieven voor pgb-aanbieders zijn na onderzoek bij andere gemeenten en gesprekken met interne- en externe financiële experts afgeleid van de tarieven betaald aan gecontracteerde aanbieders. Op basis van de verschillen tussen de dienstverlening van pgb-aanbieders ten opzichte van gecontracteerde aanbieders, is het pgb-tarief vastgesteld als percentage van het gecontracteerde tarief. De tarieven voor het sociale netwerk zijn gebaseerd op het van toepassing zijnde wettelijke minimumloon vermeerderd met een opslag voor vakantietoeslag en werkgeverslasten. De opslag voor werkgeverslasten is nieuw en een gevolg van de wijziging van de wet Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) die budgethouders in 2026 verplicht om in meer situaties werkgeverslasten te betalen. Het hanteren van het minimumloon als grondslag is niet nieuw, maar betekent wel een wijziging voor Wmo. Dat dit een wijziging betekent voor Wmo, is het gevolg van gerechtelijke uitspraken. Vanaf 2024 zijn wij als gevolg van een gerechtelijke uitspraak (16 augustus 2023) de Wmo-tarieven gaan baseren op de hoogste periodiek van de van toepassing zijnde cao.
Ongewenst gevolg hiervan is dat iemand uit het sociaal netwerk een hoger uurtarief kon ontvangen dan een opgeleide professional werkzaam voor een aanbieder. In een recente uitspraak (30 september 2025) is deze uitspraak gecorrigeerd en is bevestigd dat het minimumloon mag worden gehanteerd als grondslag. Dit sluit aan bij de door de wetgever voorgestane en eerder door de gemeenteraad wenselijke geachte tariefdifferentiatie tussen personen uit het sociale netwerk en opgeleide zorgprofessionals.
H4, artikel 16, lid 6
Aan dit artikel is een situatie toegevoegd waarin er ook sprake is van belangenverstrengeling en daarmee geen pgb-bekwaamheid: ‘bij jeugdhulp: als de jeugdhulp ook is gericht op de ouder die pgb-beheerder is’.
Het belang van de cliënt centraal zetten betekent voor een pgb bij jeugdhulp dat de ouder het belang van de jeugdige centraal zet en vooropstelt. Dit betekent ook dat het belang van de ouder niet mag botsen met het belang van de jeugdige. Bij jeugdhulp die (ook) gericht is op de interactie met de ouder, is hier sprake van. Denk hierbij aan hulp gericht op het doorbreken van interactie/systeemproblematiek of hulp gericht op opvoedvaardigheden. Datgene dat in het belang is van het kind, is niet per definitie in het belang van de ouder. Het vooropstellen van het belang van het kind is niet geborgd en een goede beoordeling van de kwaliteit van hulp ook niet. In dergelijke situaties kan de ouder niet voldoen aan de pgb-voorwaarden. Bovengenoemde uitwerking van dit criterium is opgenomen in de nog vast te stellen beleidsregels.
H4, artikel 18, lid 2
Er is een nieuw lid toegevoegd: ‘De persoon uit het sociaal netwerk moet minstens 18 jaar oud zijn en beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ of ‘screeningsprofiel 75’ of ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’. Deze VOG is bij de start van de hulp nooit ouder dan drie maanden.’
Deze kwaliteitseisen worden gesteld om de veiligheid van de hulp, ingekocht in het sociale netwerk, te vergroten.
H4, artikel 19, lid 3
De scope van dit lid is gewijzigd.
Deze kan-bepaling is wenselijk bij alle pgb’s. Bij een pgb is de aanname dat de budgethouder in staat is de benodigde hulp te organiseren. Als een pgb niet wordt gebruikt, kan dit erop wijzen dat dit toch niet het geval is en is zorg-in-natura mogelijk een passendere verstrekkingsvorm.
Was (artikel 12, lid 6) ‘Een pgb voor een hulpmiddel dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.’
H5
Wordt (artikel 19, lid 3): ‘Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt waarvoor het bedoeld is.’
Dit is nadrukkelijk een kan-bepaling, omdat er ook goede redenen kunnen zijn waarom een pgb nog niet gebruikt is (bijv. wachttijd).
De naam van dit hoofdstuk is gewijzigd van ‘eigen bijdrage en overige voorzieningen’ naar ‘bijdragen en tegemoetkomingen’. De structuur van het hoofdstuk is veranderd. Er is een afzonderlijk artikel toegevoegd voor de ‘berekening en hoogte bijdrage in de kosten voorzieningen (22)’. Ook is inhoud uit de financiële bijlage (bijlage 2) van de oude verordening voor zover noodzakelijk verwerkt in dit hoofdstuk. Om die reden is er bijvoorbeeld een artikel toegevoegd in het hoofdstuk voor de ‘tegemoetkoming geslachtsregistratie’ (25)
Dit dekt de inhoud van het hoofdstuk beter.
In dit hoofdstuk zijn herhalingen uit de wet verwijderd (bijvoorbeeld artikel 16, lid 2 oude verordening ‘voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden’). H5, artikel 23
Het eerste lid van dit artikel is gewijzigd. Was ‘De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers wordt vastgelegd in de financiële bijlage bij deze verordening.’ Wordt ‘1. Het college geeft in overleg met mantelzorgers en Mantelzorg Nijmegen invulling aan een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers en evalueert de tevredenheid van mantelzorgers hiermee vierjaarlijks. De jaarlijkse blijk van waardering wordt invulling gegeven middels: a. De viering van de dag van de mantelzorger met diverse activiteiten binnen de gemeente b. Het uitreiken van een presentje als waardering rond de dag van de mantelzorger.’
H5, artikel 28
De leden 1, 2 en 3 van artikel 28 zijn gewijzigd.
Met de vaststelling van de stadsbegroting 20252028 heeft de gemeenteraad besloten om per 2026 te stoppen met het mantelzorgcompliment. In de verordening moet op grond van artikel 2.1.6. Wmo 2015 worden vermeld op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers. Met dit gewijzigde artikel wordt aan deze verplichting voldaan. De vierjaarlijkse evaluatie is toegevoegd in reactie op een advies van de Seniorenraad om aandacht te besteden aan een adequate evaluatie van de tevredenheid van mantelzorgers met dit gewijzigde beleid. Deze leden zijn geactualiseerd en geconcretiseerd op basis van de feitelijke
Was (artikel 21, lid 1 en 2) ‘1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. ‘ Wordt (artikel 28, lid 1, 2 en 3) 1. Het college zorgt voor een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van voorzieningen. Dit doet het college door een redelijk tarief te bepalen bij de inkoop. 2. Het redelijk tarief wordt bepaald door markt- en/of tarievenonderzoek of in overleg met de mogelijke aanbieder(s). 3. Bij de inkoop van een voorziening stelt het college, voor zover relevant, vast: a.
het tarief van het product en de installatie en het onderhoud ervan; b. het tarief van de dienst per minuut, uur, dagdeel, etmaal, traject groep of locatie; c. het tarief voor de beschikbaarheid van de dienstverlening; d. een methode voor het bepalen van het tarief per locatie, groep of dienstverlening; e. de methode om het tarief periodiek te indexeren; f. de mogelijkheden om een reëel tarief te herzien voor een actuele opdracht vanwege een ontwikkeling in kostprijselementen;
uitvoeringspraktijk in inkooptrajecten. Hierdoor is veel duidelijker hoe er invulling wordt gegeven aan een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit.
g.
de mogelijkheden om het tarief voor een aanbieder te verlagen wanneer hij niet voldoet aan de contractuele eisen.
Toelichting algemene
De herhalingen van de wet, en herhalingen binnen de algemene toelichting zelf, zijn in de algemene toelichting verwijderd.
Dit maakt het document leesbaarder en beperkt herhalingen.
Artikelsgewijze toelichting
De toelichtingen zijn passend gemaakt bij de nieuwe nummering en wijzigingen.
Dit maakt het document leesbaarder en beperkt herhalingen.
Veel herhaling van de wet zijn verwijderd. Informatie over hoe de toegang er in de praktijk precies uit ziet is verwijderd uit de verordening. In plaats daarvan wordt verwezen naar de op de doelgroep afgestemde website vraaghulp. Bijlage 1
Bijlage 1 protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet is vernieuwd. Deze bijlage vervangt bijlage 4 in de oude verordening. Deze actualisatie hangt samen met de actualisatie van artikel 9.
Zowel de beoordeling als ‘wat onder de begrippen wordt verstaan’ is op deze manier beter te begrijpen voor inwoners, verwijzers en zorgaanbieders.
Deze richtlijnen (bijlage 1 verordening) voor gebruikelijke hulp zijn geactualiseerd en er zijn richtlijnen voor eigen kracht toegevoegd. De actualisatie van gebruikelijke hulp is grotendeels gebaseerd op een rapport van het Nederlands Jeugdinstituut waarin staat beschreven welke hulp van ouders nodig is voor gebruikelijke ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en uitdagingen. De richtlijnen voor eigen kracht zijn gebaseerd op de uitvoeringspraktijk van de Buurtteams Jeugd en Gezin en de gemeente. De uitwerking is ook getoetst bij de adviescommissies. Belangrijk om op te merken dat de richtlijnen altijd door een deskundige en afgestemd op de individuele situatie worden toegepast. Bijlage 2
Bijlage 2 kwaliteitseisen pgb-aanbieders is geactualiseerd en geprioriteerd. Deze bijlage vervangt bijlage 3 in de oude verordening. De kwaliteitscriteria gesteld aan pgb-aanbieders zijn op basis van de ervaringen vanuit inkoop- en handhavingstrajecten geprioriteerd tot de belangrijkste- en meest van toepassing zijnde kwaliteitscriteria. Er wordt niet langer verwezen naar de contracten met gecontracteerde aanbieders waarin veel meer eisen staan opgenomen dan van toepassing op de pgb-aanbieder (bijv. rondom samenwerking met de gemeente). Met de actualisatie van de kwaliteitscriteria voor pgb-aanbieders ontstaat er een hanteerbaar overzicht aan eisen voor budgethouders, pgbaanbieders en de gemeente.
Overige bijlagen
De teksten uit de bijlagen 1 en 2 uit de oude verordening zijn voor zover juridisch noodzakelijk opgenomen in de tekst van de verordening zelf of de nog vast te stellen beleidsregels.