CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Cultuurhistorische analyse

Besluitronde (raadsvergadering) 9 maart 2022, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021 (08/2022)2.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage: cultuurhistorische analyse Vorming van het landschap De wijk Dukenburg heeft een complexe landschappelijke ondergrond. De wijk ligt in een lager gelegen komkleigebied tussen het Wijchense rivierduinencomplex in het westen en de spoelzandwaaier van de Nijmeegse stuwwal in het oosten. Tijdens de voorlaatste ijstijd (Saalien 200.000-130.000 jaar geleden) werden de Rijn en de Maas door de massa van het landijs gedwongen hun loop te verleggen. Hierbij werden terrasvormige afzettingen van grof zand en grind afgezet. In de laatste ijstijd (Weichselien 120.000-10.000 jaar geleden) vormden de wilde rivieren van de Rijn en Maas hier een vlechtend systeem waarbij zij hun loop steeds verlegden. Aan het einde van deze koude periode werd door de wind stuifzand afgezet in de vorm van rivierduinen. Vanaf het begin van het Holoceen (10.000 jaar geleden) werd het warmer en traden verstuivingen in de rivierduincomplexen op. Er ontstond zo een landschap met diepe kommen en hoge nieuwe stuifduinen. In de lager gelegen gebieden werd in de loop der tijden door wisselende rivierstromen en overstromingen een dik pakket komklei afgezet. Resten van het bij dit dynamische landschap horende reliëf zijn in het plangebied nog herkenbaar in het park Geologenstrook en in Sportpark Staddijk.

Plangebied en wijde omgeving (AHN2 reliëf): duidelijk zichtbaar is de ligging tussen het duinenlandschap in het westen en de spoelzandwaaier van de stuwwal in het oosten Rood omlijnd het Sportpark Staddijk en de Geologenstrook

Eerste bewoning Het plangebied is al vanaf de prehistorie een aantrekkelijk leef- en jachtgebied voor de mens geweest maar sporen van permanente bewoning zijn (tot nu toe) niet bekend. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat er in de Romeinse tijd een weg door het gebied liep die de nabijgelegen Romeinse stad Ulpia Noviomagus (Nijmegen) met de landelijke nederzetting (vicus) in Wijchen verbond. Het tracé van deze weg valt grotendeels samen met de huidige Teersdijk. Omdat het in de Romeinse tijd gebruikelijk was om langs hoofdwegen nederzettingen en grafvelden aan te leggen is het zeer denkbaar dat zich in de directe nabijheid van de Teersdijk Romeinse resten in de ondergrond bevinden. Pre-stedelijk landschap Eerste ontginningen – agrarisch gebied Het gebied waar de huidige wijk Dukenburg ligt maakt deel uit van de ontginning van het Teersbroek. Deze ontginning vond plaats in de eerste helft van de 14e eeuw. Het betreft een regelmatig

ingedeelde broekontginning op terrasvlakte (op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid met Rb1, lichtgroene vlakken). Waar de ontginningsas lag, is niet helemaal duidelijk. Dat kan de Woeziksestraat in het zuiden geweest zijn, omdat men daar vanaf de hogere gronden haakse sloten het broek in kon leggen. De ontwatering van het Teersbroek werd mogelijk gemaakt door de aanleg van de Nieuwe Wetering, ogenschijnlijk in 1321. In het grootste deel van het Teersbroek staat de verkaveling haaks op de wetering, maar in het Nijmeegse deel, dus oostelijk van de zogenaamde Palkerdijk, doorsnijdt de wetering de verkaveling diagonaal. Het heeft er alle schijn van dat de wetering ná het uitzetten van de verkaveling is verlengd naar het zuidoosten. Via een klein sluisje in de Palkerdijk waterde het Teersbroek natuurlijk op de Nieuwe Wetering af. Vanaf 1487 werd de wetering verlengd tot aan de Teersdijk, omdat men in het Teersbroek teveel wateroverlast van boven de Teersdijk ervaarde. De Teersdijk was de zuidoostelijke begrenzing van de ontginning en verbond de ontginningsas van het Neerbosch met de hogere gronden van Wijchen. Verder naar het zuidoosten zetten de ontginningen van dit type zich voort, maar in een ander patroon dan dat van het Teersbroek.

De ontginningen zijn hier duidelijk vanaf de Teersdijk uitgevoerd; de verkaveling staat haaks op de Teersdijk, en omdat die enige bochten kende, waaiert de verkaveling hier wat uit. Een deel van deze ontginning is op een zeker moment ingenomen door de buitenplaatsen Dukenburg en Hulsen en de bijbehorende bossen. Door een combinatie van de natte omstandigheden en de nabijheid van deze buitenplaatsen bestond de broekontginning van het Hoogbroek in de 19e eeuw overwegend uit bos. Een klein gedeelte van het plangebied hoort bij de onregelmatige ontginning in rivierterrasgeul (op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid bij Rb2). Als relict van het pleistocene rivierenlandschap dat de basis voor dit gebied gevormd heeft, lag langs de rand van de hogere gronden nog een geul waardoor het gebied op natuurlijke wijze afwaterde. Deze geul lag over de gehele lengte van de gemeente, van Hatert in het zuidoosten tot Bijsterhuizen in het westen. Bij de ontginning van het gebied in de 14e eeuw bleef deze laagte in gebruik als afwateringsstructuur. Doordat de strokenverkaveling niet werd doorgetrokken in de laagte, bleef deze als een smalle, onregelmatig verkavelde strook herkenbaar.

Bij de ontwikkeling van de wijken is de zone bij de wijkinrichting getrokken, maar is plaatselijk nog enigszins herkenbaar aan de functie van stadspark, zoals ter hoogte van de wijk Zwanenveld, waar het park met de naam Geologenstrook nog door een meanderende (sic!) watergang wordt dooraderd. Het park dankt zijn ontstaan aan de inzet van enkele geologen uit de academische wereld. Uitgerekend dit stuk, waar een laagte met veen was opgevuld, was van wetenschappelijk belang vanwege het pollenarchief in de bodem. Ook toen het land ontgonnen was woonde er slechts een beperkt aantal mensen. De bebouwing was verbonden met het agrarisch gebruik van de grond en ontstond in de vorm van ver uit elkaar staande boerderijen aan de Teersdijk, Staddijk en de Vossendijk. Aan de Staddijk bevindt zich nog een aantal historische boerderijen: Staddijk 2, 41 en 81 en aan de Teersdijk ligt nog de als gemeentelijk monument gewaardeerde boerderij met het adres Zwanenveld 3202. Deze laatste boerderij was waarschijnlijk een pachtboerderij van landgoed Dukenburg. Op onderstaande luchtfoto uit 1949 is goed te zien hoe leeg het gebied tot ver in de 20ste eeuw is geweest.

Luchtfoto 1949 (Historische Atlas Gemeente Nijmegen)

Het plangebied en omgeving (richting zuid) op de kaart van I.H. van Suchtelen en S.I. Hollandt uit 1755. In blauw de Staddijk, oranje de Teersdijk, lichtgroen de weg naar Hatert. De broeklanden zijn al grotendeels ontgonnen en blokvormig verkaveld. Rechtsboven het Wijchens Ven, op de voorgrond het landgoed Dukenburg. Ontsluitingswegen In het door broeklanden omringde gebied liepen tot in de twintigste eeuw slechts enkele wegen. Behalve als waterkering diende de Teersdijk als de belangrijkste verbindingsweg tussen Nijmegen en Grave en was daarmee de hoofdverbinding door het gebied. De door bomen geflankeerde weg was oorspronkelijk onverhard, maar kreeg vanaf de 19e eeuw een verharding van grind. Vanaf 1838 kreeg Nijmegen van het rijk toestemming om aan de Teersdijk tol te heffen. Ten behoeve hiervan werd door de toenmalige stadsarchitect Pieter van der Kemp een tol(wachters)huisje

gebouwd, dat in 1853 met een verdieping werd verhoogd. Tot 1908 werd hier tol geheven. Toen er vanaf 1920 vanwege de aanleg van het Maas-Waalkanaal een nieuwe weg tussen Nijmegen en Grave werd aangelegd verloor de weg definitief zijn functie. Tegenwoordig loopt over de Teersdijk een voetpad. Ook de Staddijk was, behalve een noord-zuid lopende verbindingsweg, een belangrijke waterkering in het gebied. Vanuit het toenmalige dorp Hatert sloot de Vossendijk hierop aan.

Het Tolhuis aan de Teersdijk vandaag de dag (foto Hylke Roodenburg)

De betekenis van de Teersdijk als belangrijkste verbinding tussen Nijmegen en Grave wordt goed zichtbaar op bovenstaande kaart uit 1827 van Beijerinck waarop het tracé van de dijk tussen links de vesting Grave en rechts de vesting Nijmegen uiterst gedetailleerd is weergegeven.

Landgoed de Dukenburg De ontwikkeling van landgoed Dukenburg vond plaats op de overgang van de erosiewaaier naar het pleistocene rivierenlandschap tussen Neerbosch en Hatert. De oude kastelen Dukenburg, Hatert en Hulsen werden gebouwd in of aan de rand van de venige geul door het rivierterras. Kasteel Dukenburg wordt aan het einde van de 14e eeuw voor het eerst genoemd in een charter, waarin sprake is van een ridder Lambert Zebars gehuwd met vrouwe Johanna van Duyckenborch. Het omgrachte middeleeuwse kasteel, met een duidelijke verdedigingsfunctie, is herhaaldelijk belegerd geweest en verwoest. Eén van de eigenaren, Willem van Schuylenburg, was rond 1690 begonnen met de aanleg van een parkachtig landgoed naar voorbeeld van de tuinen van Versailles. Hij liet rond het kasteel siertuinen in Franse stijl aanleggen, een sterrenbos met acht lanen aanplanten en, meest opvallend en bijzonder, een ruim 600 meter lang en 30 meter breed kanaal graven, het zogenaamde Grand Canal. Hierdoor werd een zichtas gecreëerd die de diepte en de grootsheid van het landgoed benadrukte. Op historische kaarten is te zien dat dit Grand Canal begeleid werd door een dubbele bomenrij. Rond de siertuinen lagen uitgestrekte (productie)bospercelen waar lange, rechte lanen, geflankeerd door

bomen, doorheen liepen. Het landgoed is gedetailleerd weergegeven op de kaart van M.J. de Man uit 1806-1810.

Streefbeeld Grand Canal

Dukenburg kende buiten de landgoedkern al vroeg een uitgebreid landgoedbos met rechte lanen. In de nieuwe tijd nam het ruimtebeslag van de buitenplaatsen, anders dan regulier cultuurland, enorm toe. Zo werden in de broekontginning van het Hoogbroek uitgebreide (broek)bossen aangeplant, waardoor als uiting van de landgoedcontext lanen werden gelegd. De meest uitgesproken laan was die van Dukenburg, die van noord naar zuid van de Teersdijk naar het bos liep. Aan het begin van de 18e eeuw wordt het inmiddels ruïneuze kasteel gesloopt en wordt de Orangerie tot buitenhuis verbouwd. De grachten zijn daarna gedempt, het terrein geëgaliseerd. In 1972 zijn bij het bouwrijp maken van het terrein ten behoeve van de bouw van een flat funderingen van het kasteel aangetroffen en heeft er een noodonderzoek plaatsgevonden, dat een globale indruk van het gebouw heeft opgeleverd. Het zuidwestelijke deel van de funderingen, buiten de bouwput, is waarschijnlijk in de bodem bewaard gebleven. De tot buitenhuis verbouwde Orangerie blijft tot 1930 bewoond. Wanneer de laatste bewoners het landgoed hebben verlaten, raakt het landgoed meer en meer versnipperd en in verval. Van het huis worden zelfs bouwmaterialen los verkocht. Tegenwoordig heeft de Orangerie en horecafunctie en is als gemeentelijk monument beschermd.

Huize De “Dukkenburg” prent door Cornelis Pronk (1732-1745)(Afbeelding Gelders Archief inv.nr. GM 101815) De Orangerie is al tot woonhuis verbouwd, rechts op de voorgrond en geheel links restanten van het middeleeuwse kasteel, die op een verhoging in het landschap lijken te liggen

De tuinen van het landgoed Dukenburg op een kaart van de Man uit 1806-1810 (kaarten van het Rijk van Nijmegen door M.J. de Man, uitsnede uit blad 9, Nationaal Archief Den Haag) Links van het sterrenbos ligt landgoed De Hulzen.

Een gedeelte van het Grand Canal in 1900 (Fotograaf onbekend, Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen) met volgroeide bomen aan weerszijden

Het westelijke uiteinde van het Grand Canal in 1980 (Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen) Ten behoeve van de flat zijn de bomen gekapt

Op de topografische kaart uit 1910 is te zien dat het gebied aan het begin van de 20steeeuw bijna helemaal uit (productie)bos bestaat. Van het landgoed resten verschillende lanen. Het gaat om het huidige Oude Dukenburgseweg, Orangeriepad, Geologenlaantje, Zegerspad, Valkenaerpad, Duckenburgpad, Snouckaert van Schauburgpad en Schlingemannpad. Een deel van de huidige Oude Dukenburgseweg was een pad van het landgoed Dukenburg naar landgoed Winkelsteeg. Ook zijn enkele bospercelen (Douglasbos en Uilenbosje) en het nu in tweeën gesneden Grand Canal bewaard.

Uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart, met daarop (delen van) lanen van het landgoed aangegeven met de huidige, moderne benamingen: 1.Orangeriepad, 2.Geologenlaantje, 3.Zegerspad, 4.Valkenaerpad, 5.Duckenburgpad, 6.Snouckaert van Schauburgpad, 7.Schlingemannpad, 8. Oude Dukenburgseweg, 9. Oude Dukenburgseweg (pad tussen Dukenburg en Winkelsteeg)

Ten zuiden van de voormalige Vossendijk, in het Hatertse Broek, lag een omvangrijk productiebos dat hoorde bij landgoed Dukenburg, het huidige natuurgebied Vogelzang. Het bos werd als hakhoutbos (berk, els en es) beheerd en had een planmatige opzet, met lange doorgaande lanen met daarop dwarslanen. De lanen waren licht verhoogd ten opzichte van de omliggende, nattere gronden, op dijkjes aangelegd. Houtwallen en heggen vormden de scheidingen tussen de percelen.

Vogelzang op de kaart van De Man uit 1806 richting zuiden: de ook tegenwoordig nog aanwezige, planmatige aangelegde laanstructuur is al helemaal aanwezig

20e eeuwse ontwikkelingen – een nieuw stadsdeel Om de routes naar het Duitse achterland voor de scheepvaart te bekorten werd vanaf 1920 het Maas-Waalkanaal aangelegd. Zo kreeg het gebied aan de oostzijde een duidelijke, scherpe begrenzing waarover, ter ontsluiting, een aantal nieuwe wegen met bruggen werd aangelegd. De structuren van de landgoederen Dukenburg en Winkelsteen/De Hulsen werden hierdoor doorsneden. Na de Tweede Wereldoorlog maakte Nijmegen een enorme groei door. Aan de basis van uitbreidingsplannen staan het wederopbouwplan uit 1946 (met een zware focus op woningbouw in Hees 103) en vervolgens het structuurplan uit 1951, waarin het stadsbestuur de ambitie uitsprak vóór 1975 tot minstens 150.000 inwoners te groeien. In een uitgewerkt ‘uitbreidingsplan op hoofdlijnen werd Neerbosch opgedeeld in drie toekomstige stadsuitbreidingen, het latere Hatert/Neerbosch-Oost, Brakkestein en Lindenholt/Dukenburg. Later werd de groeiverwachting naar boven bijgesteld vanwege hogere inwoneraantallen en minder mensen per woning. Dukenburg is ontworpen naar de ideeën van de Engelse tuinstad-gedachte: een min of meer onafhankelijke, nieuwe stad die op afstand van de bestaande stad is gesticht. De twee belangrijkste concepten van de moderne stadsplanning, functionalisme en tuinstad, werden hierin verenigd. Dukenburg werd ontworpen als een woonstad in het groen.

De functionalistische principes van het Congrès Internationaux d'Architecture Moderne (CIAM) leidde tot een strikte scheiding van woon-, werk- en recreatieve functies. Het verkeer werd langs brede wegen om de woonwijken geleid. Het toepassen van groen was voor het creëren van licht, lucht en ruimte. Bestaand groen en bestaande

waterpartijen werden uitgebreid tot recreatieve elementen. Daarnaast waren de verschillende buurten omzoomd met groenstroken. De eerste wijken van Dukenburg, zoals Aldenhof en Lankforst, kennen de kenmerkende stempelstructuur van de CIAM-principes. Deze wijken hebben een interne rondweg in de wijk die via een T-splitsing aansloot op de hoofdverkeersader van het stadsdeel, dit om veel verkeer in de wijken te vermijden. Maar Dukenburg is niet volledig volgens de CIAM-gedachte opgezet, maar meer volgens de wijkgedachte, zoals ontwikkeld door de groep Opbouw direct na de Tweede Wereldoorlog. In Dukenburg is namelijk in mindere mate sprake van hoogbouw en er is meer uitgegaan van de sociale cohesie van wijken en buurten. Bij stedenbouwkundige ontwerpen volgens de wijkgedachten is de grootte van een wijk bepaald door het gebied dat één basisschool kon bedienen. School, kerk en buurt- of wijkcentrum werden gegroepeerd rondom een centraal punt. Dit centrale punt was hiermee het gemeenschappelijke middelpunt van de wijk. Een stadsdeel bestaat uit wijk, die vervolgens weer uit buurten bestaan. De latere wijken, zoals Zwanenveld en Tolhuis, werden ontworpen volgens de voor die tijd kenmerkende ‘bloemkoolstructuur’ met een hiërarchisch wegennet van ringwegen met daarvan aftakkend, kronkelige, zich telkens vertakkende, bochtige zijwegen waaraan de woningen lagen.

Deze stedenbouwkundige opzet was een reactie op de onmenselijke maat van het functionalisme en betekende een terugkeer naar kleinschalige bouw in de vorm van woonerven. Het verkeer werd op deze manier nog meer uit de woonbuurten geweerd. De combinatie van de CIAM-principes met de kijk op de meer menselijke schaal van de wijkgedachte en het feit dat bij de stedenbouwkundige opzet al bij de oudste wijken rekening werd gehouden met het zoveel mogelijk weren van verkeer in de woonbuurten maakt dat het stedenbouwkundige plan van Dukenburg voor zijn tijd vooruitstrevend was. Het was ook de tijd waarin de gewenste maakbaarheid van het landschap op zijn het hoogtepunt was. Dat betekende direct ook dat men met veel van de bestaande structuren niet veel kon aanvangen, en een nieuw idioom op een gebied losliet. Met betrekking tot het historische groen zien we in de uitwerking van het stadsdeel eigenlijk een tweeledige benadering. Enerzijds werd er terdege rekening gehouden met de oude buitenplaatskern rond de oranjerie, de resterende landgoedbosjes en enkele markante lanen, en ook werd een park ingericht naar aanleiding van een verzoek van academici voor behoud van veenbodems in het gebied voor studiedoeleinden (de Geologenstrook). In Sportpark Staddijk is bij de inrichting van het terrein een visualisatie van het fossiele landschap aangelegd.

Vrij gebaseerd op de resultaten van geologisch onderzoek is hier een reconstructie van meanderende Maasarmen gegraven en kan een indruk worden gekregen van het verdwenen landschap. Veel van de oude landgoedstructuur werd echter ook niet ingepast in de orthogonale stempelverkavelingen. Het meest opvallende voorbeeld is wel dat waar men moeite deed het Grand Canal als een vijver in de wijk in te passen, men op twee plaatsen door haaks staande bebouwing de verbinding tussen het huis en het Canal onderbrak. Wel handhaafde men zoveel mogelijk oude bomen. In de deelwijken Zwanenveld en Tolhuis werden delen van de Teersdijk behouden en ingepast, terwijl in het westelijke deel van Tolhuis de Teersdijk verdween. Er heeft nog geen inventarisatie van waardevolle architectuur in het plangebied uit de periode Post 65 plaatsgevonden. Enkele bekende architectonisch interessante gebouwen zijn: • Meijhorst 6010, ontwerp Pieter Dijkema • Weezenhof 40e-48e straat: Hippe Hoogbouw. Dit woningbouwcomplex heeft het predicaat experimentale woningbouwproject gekregen. Het betreft daarbij de indeling van de woningen zelf, de koppeling tot `drei-spanner’, de schakeling daarvan, de wisselende bouwhoogte en ook de totale stedenbouwkundige groepering. Tijdens de bouw ontstond

een extra experiment: van ruimten op de begane grond waren gemeenschappelijke ruimten gemaakt. Een crèche waar voornamelijk kinderen uit de wijk naartoe gingen en een ontmoetingsruimte waar de bewoners zich in de eerste jaren actief voor hebben ingezet. De gebouwen zijn in 2013 ingrijpend gerenoveerd.

Luchtfoto uit 1970. Bovenaan het kanaal met de nieuwe bruggen van de Graafseweg (links) en de Hatertseweg(rechts). Goed te zien is dat de daartussen gelegen Teersdijk (loopt van boven naar beneden en wordt geflankeerd door bomen) zijn functie als doorgaande weg heeft verloren en aan weerszijden van het kanaal doodloopt. Midden op de foto is de Geologenstrook, met de resten van een kreekbedding, zichtbaar.

Geologische kaart gebaseerd op geologisch booronderzoek voorafgaand aan de aanleg van de wijk Dukenburg met hierop weergegeven de resten van de fossiele rivierbeddingen in de ondergrond en enkele grote moderne structuren plus het landgoed Dukenburg (Afbeelding ontleend aan D. Theunissen, De geologie van de Duckenburg, 1966).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=cb3c8814-332e-4788-bcd0-30b7ad2b19c3