CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bijlagen bij de toelichting MER bijlage 2.1 Beantwoording zienswijzen NRD

Besluitronde (raadsvergadering) 31 januari 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens -7 (Waal Energie) (128/2023)4.968 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MER Waal Energie Bijlage 2.1 - Beantwoording zienswijzen NRD (12 pagina’s)

Rev.

Datum

Locatie Centrale Gelderland Hollandiaweg 11 6541 BL Nijmegen

Status

Auteur Referentienr.

Goedgekeurd door

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V. Postbus 593 8000 AN Zwolle

+31 88 348 65 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Bijlage 2: Reactienota Zienswijzen NRD – MER Herontwikkeling Centrale Gelderland Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen heeft besloten om Notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Herontwikkeling Centrale Gelderland ter inzage te leggen. De NRD heeft van vanaf 26 september 2019 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen, op grond van artikel 7.9 Wet Milieubeheer. Tegen het plan zijn vier zienswijzen ingediend. Ook de Commissie MER is om advies gevraagd. Dit advies is integraal toegevoegd aan deze nota. Deze reactienota bevat de samenvatting en beantwoording van de zienswijzen ten aanzien van bovengenoemd plan. Achtergrond Het terrein waarop Centrale Gelderland is gevestigd, is circa 32 hectare groot en is in eigendom van ENGIE Energie Nederland N.V. Eind 2015 is de kolencentrale in Nijmegen gesloten en nu zijn de sloopwerkzaamheden in volle gang. Het slopen van de centrale, betekent dat het terrein in 2020 vrijkomt voor nieuwe ontwikkelingen. Er moet een nieuw bestemmingsplan komen dat deze herontwikkeling mogelijk moet maken. Daarvoor moet een milieueffectrapport op worden gesteld, tegelijk met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Het wordt een bijzonder bestemmingsplan om dat dit een bestemmingsplan met ‘verbrede reikwijdte’ is en vooruitloopt op de nieuwe Omgevingswet.

Het blijft 20 jaar geldig en milieunormen kunnen in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Ter voorbereiding op de herontwikkeling, is door ENGIE, in samenspraak met gemeente Nijmegen, provincie Gelderland en gemeente Beuningen, een gebiedsvisie voor Centrale Gelderland opgesteld, de Gebiedsvisie Waal Energie. De Gebiedsvisie Waal Energie is aangepast aan de zienswijzen en na de ter inzage legging van de NRD aan de gemeenteraad aangeboden ter vaststelling. Ambitie is om een landschap te creëren dat bijdraagt aan de maatschappelijke opgaves gericht op klimaat, energie, circulariteit en werkgelegenheid, waarbij gebruik wordt gemaakt van de haven en de ligging aan Waal en Maas-Waal kanaal. De Gebiedsvisie Waal Energie vormt de basis voor de milieuonderzoeken voor het MER en de ruimtelijke procedures die ten grondslag liggen aan de herontwikkeling van het terrein.

HaskoningDHV Nederland B.V. is part of Royal HaskoningDHV Trade register number: 56515154

Notitie Reikwijdte en Detailniveau De eerste stap in de procedure van het MER is de kennisgeving van het voornemen tot het opstellen van het MER en de ter inzage legging van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau geeft globaal een beschrijving voor welke activiteit het MER wordt opgesteld. Hierbij wordt aangegeven op welke manier en tot welk detailniveau de milieueffecten van dit onderwerp zullen worden beschouwd. De volgende stap is het opstellen van het MER (het feitelijke milieueffectrapport). Dit MER zal later, samen met het ontwerp van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte ter inzage worden gelegd. Overgangsfase NRD – MER: nationale discussie aanpak Stikstof Gedurende de procedure en overgangsfase van NRD naar MER ontstond er op nationaal niveau, maatschappelijk en politiek, een discussie over de stikstofaanpak in het Nederlands ruimtelijke ontwikkelingsprogramma. Er is sindsdien onderzoek gedaan naar de manier waarop stikstofdepositie als een van de deelonderzoeken in de ontwikkeling van Waal Energie kan worden ingepast. Zienswijzen Zienswijze 1: Ingediend door: GGD Gelderland-Zuid 24 oktober 2019 Samenvatting De zienswijze van GGD Gelderland-Zuid gaat in op twee zaken: 1. 2. 1.

Verduurzaming en biomassa Kwaliteit van de leefomgeving en gezondheid

Verduurzaming en biomassa

Zienswijze: De gebiedsontwikkeling biedt de mogelijkheid van de vestiging van een biomassacentrale. Verbranding van biomassa gaat gepaard met fijnstof emissies, terwijl vanuit oogpunt van de volksgezondheid verdere vermindering van fijnstof emissies zeer wenselijk is. De huidige concentraties luchtverontreiniging hebben namelijk aanzienlijk negatieve effecten op de volksgezondheid (zie ondermeer het rapport van GGD Gelderland-Midden, “naar een gezonde lucht in Gelderland – update 2017). We verzoeken dan ook te zorgen dat er geen toename van fijn stof emissies gaat plaatsvinden. Ook willen we erop wijzen dat de toepassing van biomassa niet zonder meer duurzaam is. Dit is afhankelijk van de aard en herkomst van de biomassa en de wijze van gebruik. Antwoord: In de NRD en de gebiedsvisie zijn verschillende ontwikkelingen benoemd die onderdeel uit kunnen maken van de herontwikkeling. Als gevolg van een amendement bij de vaststelling van de visie eind 2019 behoort een biomassacentrale echter niet meer tot de mogelijkheden van de Gebiedsvisie Waal Energie. Hoewel verduurzaming

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

2/12

van de energievoorziening in de gebiedsvisie voorop staat, is de praktijk echter dat voor grootschalige elektriciteitsopwekking op een duurzame manier nog veel technologieontwikkeling en innovatie nodig is. In de tussentijd zal gezocht worden naar het minst milieubelastende alternatief. Vooralsnog lijkt een moderne gasgestookte elektriciteitscentrale binnen het gebied daarbij de enige realistische mogelijkheid om grootschalig elektriciteit op te wekken. De milieugebruiksruimte van een dergelijke centrale dient daarom altijd in de onderzoeken een plaats te krijgen en als uitgangspunt te worden gehanteerd. 2.

Kwaliteit van de leefomgeving en gezondheid

Zienswijze: We adviseren de methodiek van Gezondheids EffectScreening (GES) te gebruiken om de milieu & gezondheidseffecten van de verschillende varianten in beeld te brengen en met elkaar te vergelijken. Zie hiervoor het herziene GES-handboek uit 2018: https://www.ggdghorkennisnet.nl/thema/ges/publicaties/publicatie/20513-handboek-ges. Antwoord: Er is voor gekozen om aan te sluiten bij Quick Scan Gezonde Leefomgeving. Er is een hoofdstuk gezondheid opgenomen in deel 2 van het MER waarin dat is toegelicht. Deze methode is gebruikt om een algemeen beeld te vormen van de fysieke leefomgeving in relatie tot gezondheid. Zienswijze: Voor het onderdeel luchtkwaliteit staan nu NO2 en fijnstof – PM10 als parameters vermeld. We adviseren ook fijnstof - PM2.5 mee te nemen, daar PM2.5 een meer gezondheidsrelevante en onderscheidende fractie van het fijn stof is dan PM10. Antwoord: In het hoofdstuk luchtkwaliteit, is toegelicht welke parameters zijn gehanteerd en met welke argumenten Zienswijze: Besteed in het MER ook aandacht aan de door omwonenden ervaren kwaliteit & beleving van de omgeving: het gebied rondom Industrieterrein Weurt/Energieweg kent een lange historie van bezorgdheid over de kwaliteit van het leefmilieu (vooral luchtverontreiniging en geur) en gezondheid (hinder, ongerustheid over gezondheidseffecten).

Antwoord: Hier is uitgebreid op ingegaan in de desbetreffende hoofdstukken van het MER Zienswijze: Bewoners participatie: inventariseer ook in samenspraak met de omwonenden wat de plannen kunnen betekenen voor verbetering van de leefomgeving, hoe het Engie-terrein en de bewoonde omgeving goede aansluiting op elkaar kunnen vinden. Bewonersparticipatie is ook belangrijk onderdeel van de nieuwe manier van werken van de Omgevingswet, om de kwaliteit van het planproces en van eindresultaat te verhogen. Antwoord: Het traject met omwonenden is een apart spoor dat door ENGIE in overleg met de gemeente is opgepakt.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

3/12

Zienswijze: Gelderse gezondheidswijzer: Pag 18. Gelderse Gezondheidswijzer is inmiddels opgegaan in de Quick Scan Gezonde Leefomgeving: zie www.quickscangezondeleefomgeving.nl. Deze methode kan gebruikt gebruikt worden om een algemeen beeld te vormen van de fysieke leefomgeving in relatie tot gezondheid. Antwoord: Er is voor gekozen om aan te sluiten bij Quick Scan Gezonde Leefomgeving. Er is een hoofdstuk gezondheid opgenomen in deel 2 van het MER waarin dat is toegelicht. Deze methode is gebruikt om een algemeen beeld te vormen van de fysieke leefomgeving in relatie tot gezondheid.

Zienswijze 2: Ingediend door: Afdeling Netwerkontwikkeling en Visie(NONV) Rijkswaterstaat Oost-Nederland 4 november 2019 Samenvatting De zienswijze van Rijkswaterstaat Noord Oost betreft een ambtshalve wijziging van een tekst over externe veiligheid in de NRD. Zienswijze: De PR en GR worden berekend overeenkomstig de hiervoor geldende regelgeving en worden te samen met reeds berekende PR en GR van al bestaande en voorziene Externe Veiligheidsrisico’s in beeld gebracht, zoals van het vrachtvervoer over de Waal en in de voorhaven van het Maas-Waalkanaal en de voorziene windturbines op het terrein van Centrale Gelderland. Ik verzoek u de tekst op pagina 23 van het NRD hierop aan te passen. Antwoord: Deze inbreng is aangepast in het MER.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

4/12

Zienswijze 3 Ingediend door: Werkgroep Weurt+ 5 november 2019 Samenvatting Werkgroep Weurt+ dient een zienswijze in met betrekking tot de NRD. Zij heeft onderstaande opmerkingen over de NRD, ten dele aansluitend bij de eerder door Weurt+ ingediende zienswijze inzake de onderliggende ‘Gebiedsvisie Waalenergie’ . Wij vragen u de volgende aanpassingen op te nemen c.q. mee te nemen bij het vaststellen van de NRD om zo te komen tot een volwaardig plan van aanpak voor het MER. Zienswijze: 1. NRD vaag en algemeen versus (te) concreet De opgestelde NRD is evenals de gebiedsvisie nog zeer vaag en algemeen. Dat maakt het moeilijk om concreet op de NRD te reageren. Het ligt nog volledig open, zo wordt althans gesuggereerd, welke bedrijven zich in het gebied gaat vestigen of welke activiteiten er mogelijk gaan komen. Dit bevreemdt aangezien wij begrijpen dat Engie (als eigenaar van het gebied) wel degelijk reeds stappen heeft gezet in de richting van ‘ophalen van mogelijkheden die andere ondernemingen zien voor activiteiten / vestiging op dit terrein’. Zo zijn ondernemers uitgenodigd te komen met concrete plannen, die ter beoordeling aan Engie konden worden voorgelegd. De huidige tekst lijkt er echter nog vooral op gericht om maximale ruimte te scheppen voor een flexibele invulling. Het gebrek aan concreetheid bemoeilijkt het maken van een goede MER.

Daarentegen wordt de inzet van biomassa als duurzame energiebron voor de ontwikkeling van het energiehart (de facto de vestiging van een biomassacentrale) op het Engie terrein wel expliciet genoemd in de Gebiedsvisie. Omwonenden keren zich TEGEN het vestigen van een biomassacentrale op die plek (gezien de te verwachten negatieve consequenties voor het lokale leefmilieu – er is sprake van een grotere uitstoot van CO2 en stikstof dan bij een kolencentrale, en het niet duurzame karakter van deze energiebron) en zijn voor het overige van mening dat in deze fase het nu juist wel verstandig zou zijn om te bekijken op welke wijze het doel ‘duurzame energie-opwekking / warmteopwekking’ kan worden gehaald zonder meteen het middel al vooraf vast te leggen. Wij verwijzen u voor verdere overwegingen naar paragraaf 4 van deze zienswijze. Antwoord: In de NRD en de gebiedsvisie zijn verschillende ontwikkelingen benoemd die onderdeel uit kunnen maken van de herontwikkeling. Als gevolg van een amendement bij de vaststelling van de visie eind 2019 behoort een biomassacentrale echter niet meer tot de mogelijkheden. Hoewel verduurzaming van de energievoorziening in de gebiedsvisie voorop staat, is de praktijk echter dat voor grootschalige elektriciteitsopwekking op een duurzame manier nog veel technologieontwikkeling en innovatie nodig is.

In de tussentijd zal gezocht worden naar het minst milieubelastende alternatief. Vooralsnog lijkt een moderne gasgestookte elektriciteitscentrale binnen het gebied daarbij de enige realistische mogelijkheid om grootschalig elektriciteit op te wekken. De milieugebruiksruimte van een dergelijke centrale dient daarom altijd in de onderzoeken een plaats te krijgen en als uitgangspunt te worden gehanteerd. In het MER is hier uitgebreid op ingegaan.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

5/12

2. Alternatieven In de NRD worden de volgende alternatieven uitgewerkt. a. Referentiesituatie: autonome ontwikkeling. Een wettelijke verplichting is om in het MER in te gaan op de situatie die ontstaat indien de voorgenomen activiteit niet gerealiseerd zou worden. Het bevreemdt ons dat in de beschrijving van de autonome ontwikkeling de plaatsing van twee windturbines wordt meegenomen. Zoals bevoegd gezag weet is de vergunning van deze twee turbines op dit moment niet onherroepelijk c.q. ligt de vergunning op dit moment nog ter beoordeling bij de Raad van State. Onderdeel van die procedure is de stelling dat omwonenden het instemmen met die windturbines betwisten mede omdat er geen actueel c.q. deugdelijk milieueffectrapport ten grondslag heeft gelegen aan de afweging rondom deze specifieke vergunning. Omwonenden hebben zich vanaf het allereerste moment (vanaf de allereerste zienswijzen, in beide procedures zowel met betrekking tot de vergunning als met betrekking tot de gebiedsvisie ) op het standpunt gesteld dat er op dit moment een brede herontwikkeling plaatsvindt van het hele industriële gebied, ter grootte van ruim 30 hectare en gelegen in een binnenstedelijke omgeving, waarop deze inrichting zich bevindt. Het ‘losknippen’ van een activiteit binnen deze bredere ontwikkeling c.q.

het alvast vooraf vergunnen van de twee windturbines waarbij er noch in het kader van de vergunningverlening met betrekking tot de turbines zelf noch in het kader van de gebiedsontwikkeling aandacht wordt besteed aan de milieu-effecten van de windturbines in samenhang met alle overige voorgenomen ontwikkelingen is niet conform hetgeen is beoogd met de Wet op de Milieueffectrapportage. Wij zijn dan ook van mening dat, mochten de windturbines daadwerkelijk worden gerealiseerd (in afwachting van de definitieve vergunningverlening na een uitspraak van de Raad van State over een door omwonenden aangetekend beroep), de effecten van de turbines cumulatief moeten worden meegeteld bij de effecten van alle overige ontwikkelingen. Antwoord: De windturbines maken geen onderdeel uit van de besluitvorming, maar zijn wel betrokken in de berekening van cumulatie van geluidseffecten van de voorgenomen activiteit. b. Basisalternatief met maximale gebruiksruimte. In de concept NRD zoals voorligt lezen wij het volgende: ‘In het basisalternatief wordt gekeken naar de effecten van realistisch maximale invulling van het gebied, op basis van de gebiedsvisie en op basis van de beschikbare gebruiksruimte. Dat betekent dat in het alternatief de gebruiksruimten in het gebied maximaal worden benut.

‘ Over dit alternatief hebben we onder meer de volgende opmerkingen: Deelvraag Omwonenden hechten eraan ook in deze reactie te vermelden dat het industrieterrein waarvoor deze plannen worden uitgewerkt op slechts enkele honderden meters afstand van het historische dorp Weurt en ook op slechts een paar honderd meter van de dichtstbijzijnde nieuwe woningen in de nieuwe woonbuurten Batavia / Waalfront is gelegen, een gebied waar de gemeente Nijmegen in goede afstemming met de provincie en de regio in de afgelopen jaren meer dan 2500 woningen heeft gebouwd (cq nog zal laten bouwen) en waar duizenden gezinnen dagelijks te maken zullen krijgen met eventuele negatieve effecten van eventueel nieuw te vestigen industriële activiteiten. Aan deze activiteiten zullen daarom ten allen tijde de strengste en meest actuele milieu-eisen moeten worden gesteld passend bij de meest actuele (inter)nationale kaders, denk bijvoorbeeld aan de toepassing van Best Beschikbare Technieken (BBT). Antwoord: In het MER zijn de meest actuele milieueisen en BBT toegepast.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

6/12

Deelvraag Omwonenden wensen in dat verband ook op te merken dat zij de benaming ‘basisalternatief’ voor dit scenario slecht gekozen vinden. Onterecht zou daarmee de indruk kunnen ontstaan dat de huidige milieudruk en overlast (‘beschikbare gebruiksruimte’) voldoet aan de nieuwste en verplicht toe te passen milieunormen die dienen te worden toegepast bij de beoordeling of nieuwe activiteiten voldoen aan de BBT-normen. Daarnaast kan het in de ogen van omwonenden niet zo zijn dat de huidige overlast als het ware wordt beschouwd als ‘een acceptabel gegeven’ dat voor de komende jaren bestendigd zou kunnen worden zonder dat er een verplichting rust op de overheid als vergunningverlener en toezichthouder en de vergunninghouder om ten allen tijde te streven naar vermindering van overlast en milieuvervuiling daar waar mogelijk. Antwoord: In het MER is aandacht besteed aan vermindering en hinder van overlast voor de omgeving. Het is aan het bevoegd gezag om hier keuzes over te maken in het bestemmingsplan. Deelvraag Wij achten het van belang in te brengen dat er ook bij dit alternatief een zonering wordt toegepast, waarbij de meest milieubelastende bedrijven / de bedrijven die behoren tot de hoogste milieucategorie zodanig op het bedrijventerrein worden gelokaliseerd dat het effect op de omgeving het geringst is.

Met die omgeving bedoelen we zowel het dorp Weurt (westkant) als ook de Nijmeegse wijken Batavia en Waterkwartier (oostkant). Direct aan de overkant van de Waal worden aan de benedenwindse kant (noord-oosten) ook nog nieuwbouwwijken gerealiseerd waarmee rekening gehouden dient te worden. Zowel eventuele effecten met betrekking tot de lokale luchtkwaliteit en eventuele geuroverlast voor omringende wijken, als ook de eventuele geluidsoverlast op de omliggende woonwijken, zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. Ook zonering tussen bedrijven onderling kan van belang zijn (denk bijvoorbeeld aan luchtkwaliteit en geuroverlast). Antwoord: In het MER is rekening gehouden met de zonering van te vestigen bedrijven, daarbij is de methodiek Milieuzonering Nieuwe Stijl toegepast ten einde overlast op de omgeving zo veel mogelijk tegen te gaan Deelvraag Bij het Basisalternatief kan het bedrijventerrein in principe volledig worden opgevuld met categorie 5.2-bedrijven. Voor de omgeving kan dat een zware belasting tot gevolg hebben. Aandacht dient besteed te worden aan de Staat van bedrijfsactiviteiten. Dit is de lijst met bedrijfscategorieën die worden toegelaten. De gemeente Nijmegen heeft bij andere bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen het zogenaamde Nijmeegse model voor toe te laten bedrijvencategorieën toegepast. In die lijst worden bepaalde bedrijvencategorieën uitgesloten.

Van belang is om in het MER/ bestemmingsplan duidelijk aan te geven of deze lijst wordt toegepast. Antwoord: Door toepassing van milieuzonering nieuwe stijl is categorisering niet meer aan de orde en daarnaast dienen bedrijven die zich vestigen, te voldoen aan de doelstellingen voor de ontwikkeling van het terrein

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

7/12

c. Lagere impact alternatief. Aan de hand van het onderzoek naar de maximale gebruiksruimte in het basisalternatief, wordt in het lagere impact alternatief onderzocht in hoeverre een optimalisatie mogelijk is. Over dit alternatief hebben we onder meer de volgende opmerkingen: Deelvraag In paragraaf 4.3 staat aangegeven dat ‘Hoe, welke ruimte en op welke manier deze optimalisatie plaats kan vinden, wordt op basis van de ambities voor het gebied bepaald aan de hand van de milieuonderzoeken en in nauw overleg met ENGIE, de gemeente Nijmegen en de provincie Gelderland.’ Wij dringen er op aan om daarbij ook de derde belanghebbenden / omgevingspartijen zoals bijvoorbeeld de bewonersgroepen / wijkverenigingen en de lokaal actieve milieubeweging van begin af aan te betrekken. De omgevingswet i.w. voorziet immers bij het opstellen van een omgevingsvisie in een motiveringsplicht voor burgerparticipatie achteraf en voor een omgevingsplan bij kennisgeving de verplichting kenbaar te maken op welke wijze omwonenden worden betrokken. Wij willen hierbij opmerken dat de burgerparticipatie bij het opstellen van de gebiedsvisie Waal Energie in onze ogen ontoereikend is geweest. Weliswaar heeft de door Engie ingerichte klankbordgroep goed gefunctioneerd en is de inbreng goed in het de latere verslaglegging teruggekomen.

Maar de bewonersorganisaties plaatsen wel kanttekeningen bij de effectiviteit van de spaarzame info-bijeenkomsten. De opgehaalde reacties op de bewonersdag in april 2019 zijn te incidenteel om daaraan conclusies te verbinden zoals nu vermeld in de gebiedsvisie. Wij zien de bewonersverenigingen met de terugkoppeling naar hun achterban als geschikte organisatie en aanspreekpunt voor actieve participatie vanuit de bewoners. Antwoord: Het traject met omwonenden is een apart spoor dat door ENGIE in overleg met de gemeente is opgepakt Deelvraag In paragraaf 4.3 staat: ‘In het MER wordt beschreven en beargumenteerd welke optimalisaties voor dit alternatief zijn toegepast en wat hiervan de effecten zijn.’ Van belang is om vooraf aan te geven welke (milieu)criteria bij de optimalisatie worden toegepast. Wij hechten eraan te vermelden dat voor omwonenden in elk geval issues zoals externe veiligheid, lokale luchtkwaliteit en eventuele geuremissies en tevens ook geluidsoverlast belangrijke aandachtspunten zijn. Antwoord: Deze aspecten zijn meegenomen in het MER en uitgewerkt in de betreffende hoofdstukken d. Voorkeursrichting. Het onderzoek naar de alternatieven levert beslisinformatie op om tot optimalisatie van het voornemen te komen (een bestemmingsplan verbrede reikwijdte op basis van de gebiedsvisie).

Onderaan pagina 15 staat het volgende aangegeven: ‘Afweging van de invulling vindt niet uitsluitend plaats op grond van milieucriteria, maar ook op basis van bijdrage aan energietransitie, bijdrage aan het terreinconcept(synergie) en werkgelegenheid, zoals voorgenomen in de gebiedsvisie.’ Wij merken hier over op dat een houtgestookte warmtecentrale als warmtebron geen bijdrage levert aan de klimaataanpak. Een biomassacentrale verergert juist de klimaatverandering door onder meer de opbouw van een CO2-schuld. Wij achten het van belang om naast de energietransitie ook klimaataanpak als criterium mee te nemen. Een biomassacentrale dient op basis daarvan in het bestemmingsplan te worden uitgesloten. Kortheidshalve verwijzen wij voor een nadere

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

8/12

onderbouwing van die stellingname ook naar onze eerder ingebrachte zienswijze op de Gebiedsvisie en naar hetgeen daaromtrent wordt ingebracht door de milieubeweging (waaronder Leefmilieu) waarnaar we graag verwijzen. Antwoord: Zie beantwoording van vraag 1 van de zienswijze.

3. Specifieke gevolgen met mogelijk milieu-effecten Milieu-effecten die voor het op te stellen MER vanuit bewoners- en milieuorganisaties van belang zijn en die in elk geval dienen te worden meegenomen, zijn de volgende: 3.1 PAS Elke bron vergunningplichtig in kader van Natuurbeschermingswet Uitstoot van NOx valt vanaf 2016 onder het zogenaamde Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 oordeelde de Raad van State dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer gebruikt mag worden als basis voor toestemming voor activiteiten2. Volgens de Raad van State is ‘de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS in strijd met Europese Habitatrichtlijn’. De uitspraak stelt daarnaast dat elke bron die mogelijk effect heeft op een Natura-2000 gebied vergunningplichtig is. In het MER dienen daarom alle Natura-2000 gebieden die van belang zijn, nationaal zowel als internationaal, in kaart te worden gebracht. Evenals het effect van de te verwachten stikstofuitstoot op deze natuurgebieden van alle tijdelijke of permanente activiteiten die mogelijk gemaakt worden op het bedrijventerrein. Antwoord: Stikstofdepositie is in het MER meegenomen conform de afspraken die hierover met de gemeente en provincie zijn en op basis van het actuele beleid.

Geen besluitvorming mogelijk zonder nieuw goedgekeurd landelijk stikstofkader Vergunningen in het kader van de Natuurbeschermingswet worden vanaf eind mei 2019 in principe niet meer afgegeven bij gebrek aan juridisch kader. Zonder een nieuw goedgekeurd (landelijk) kader voor de noodzakelijke terugdringing van stikstofemissies kan er ook geen besluit over het MER en het bestemmingsplan worden genomen. Antwoord: In het MER zijn de effecten van het voornemen bepaald. De besluitvorming is aan het bevoegd gezag in het kader van het bestemmingsplan. 3.2 Luchtuitstoot biomassacentrale ten opzichte van gascentrale Een gasgestookte warmtecentrale is qua luchtuitstoot beduidend schoner ten opzichte van een warmtecentrale die biomassastromen inzet. Denk bijvoorbeeld aan de uitstoot van fijnstof, NOx en SO2; maar ook bijvoorbeeld aan de mogelijke uitstoot van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), mede afhankelijk ook van de te kiezen brandstofinzet / biomassastroom en/of de verbrandingstemperatuur. Ook de GGD`en en het RIVM hebben inmiddels hun zorgen geuit over de achteruitgang van de luchtkwaliteit door de toename van het aantal biomassacentrales in Nederland. Antwoord: Zie beantwoording van vraag 1 van de zienswijze.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

9/12

3.3 Praktijkmetingen zijn leemten in kennis Het feit dat er nog weinig praktijkmetingen aan de luchtuitstoot van biomassacentrales zijn verricht en daardoor ook geen gezondheidskundige evaluatie heeft plaatsgevonden, is een belangrijke leemte in kennis voor het MER. Praktijkmetingen naar de uitstoot van fijnstof, NOx, SO2, koolmonoxide, koolwaterstoffen, zware metalen en dioxinen zijn noodzakelijk. Ook praktijkmetingen bij het opstarten en uitschakelen van de biomassacentrale. Antwoord: Zie beantwoording van vraag 1 van de zienswijze. 3.4 Fijn stof Bij fijnstof (pagina 19 van de NRD) vinden wij het van belang dat PM2,5 (fijnstof kleiner dan 2,5 μm) ook wordt meegenomen in het MER. Dit vanwege de grote gezondheidsimpact van PM2,5. In het onderdeel luchtkwaliteit (pagina 19) van het NRD staat het volgende: “Voor het aspect luchtkwaliteit dienen ten behoeve van het MER de effecten van de bedrijvigheid en de ontsluitingsstructuur binnen het beoordelingsjaar (naar huidig inzicht 2029) inzichtelijk te worden gemaakt.” Wij vragen ons af waarom het jaar 2029 als beoordelingsjaar is gekozen. Antwoord: In het hoofdstuk luchtkwaliteit, is toegelicht welke parameters zijn gehanteerd en met welke argumenten. 3.5 Laagfrequent geluid en geluidsruimte Bij het onderdeel geluid (pagina 18 en 19) ontbreekt de aandacht voor Laagfrequent geluid (LFG).

Wij achten het van belang dat dit onderwerp goed aan de orde komt in de NRD en het MER. Het huidige bedrijventerrein heeft een zeer grote geluidruimte vanwege de vergunning van de oude steenkolencentrale (600 MW). Wij achten het van belang dat er alternatieven worden meegenomen waarbij deze geluidsruimte wordt beperkt cq kan worden overgegaan tot het terugleggen van de bestaande geluidscontour van het geluid-gezoneerde industrieterrein. Antwoord: LFG heeft betrekking op onderzoek vanuit de windturbines en is daarin aan de orde geweest. Het is geen onderdeel van ontwikkeling van het bedrijventerrein. 3.6 Externe veiligheid Een nadere zonering dient te worden toegepast voor het Engieterrein waarbij de meest milieubelastende bedrijven, i.e. de bedrijven met de hoogste milieucategorie inclusief extern veiligheidsrisico zodanig op het terrein worden gelokaliseerd dat het effect op de omgeving het geringst is. Deze bedrijven komen dan veelal in het midden van het Engie-terrein cq het verst af van de dichtstbevolkte aangrenzende woongebieden. Het gaat daarbij onder meer om het dorp Weurt (westkant) en de Nijmeegse wijken Batavia en Waterkwartier (oostkant). Direct aan de overkant van de Waal worden aan de benedenwindse kant (noordoosten) ook nieuwbouwwijken gerealiseerd. Geuroverlast voor omringende wijken is ook een belangrijk aandachtspunt.

Ook milieuzonering tussen bedrijven onderling is mogelijk van belang. Antwoord: Zie hoofdstuk Externe Veiligheid in het MER waarin uitgebreid is ingegaan op veiligheidsrisico’s en methodiek van zonering.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

10/12

3.7 Cumulatieve effecten In de NDR staat op blz 18 In het MER wordt gezondheid zo integraal mogelijk meegenomen door de onderlinge samenhang van separate milieuaspecten te beschouwen die van belang zijn voor een gezonde leefomgeving, zoals o.a. geluid, luchtkwaliteit en veiligheid. In het MER dient dit expliciet te worden gemaakt door aan te geven op welke wijze in het MER de invloed op de leefomgeving van de gestapelde effecten van de afzonderlijke voorgenomen activiteiten en ontwikkelingen in beeld wordt gebracht. Antwoord: Zie hoofdstuk gezondheid in het MER waarin uitgebreid is ingegaan op bovenstaande inbreng. 3.7 Duurzame inrichting Met betrekking tot duurzame inrichting moet in het MER ook de groene inrichting van het terrein worden meegenomen, zoals aanleg bossages, heggen en groene corridors, aanplant bomen, en vergroening van het terrein in zijn geheel, door middel van en goed onderbouwd en uitgewerkt groenplan. De tekst van het onderdeel ‘Duurzaam ruimtegebruik’ op pagina 21 is in zijn geheel niet duidelijk. Wij vragen om dit onderdeel helder te maken. Antwoord: Vanwege de gewenste flexibiliteit bij de inrichting van het terrein zijn hier uitgangspunten voor gehanteerd, die uiteindelijk ook terug gaan komen in de stedenbouwkundige visie behorende bij het bestemmingsplan.

3.8 Verkeer en vervoer In het NRD missen wij op dit moment voldoende aandacht voor de gevolgen van eventuele nieuwe activiteiten in het gebied op het vlak van de vervoersstromen in de omgeving. Wij geven in overweging dat de vestiging van bedrijven en het opstarten van nieuwe activiteiten en het daarbij mogelijk van toepassing zijnde woon- werkverkeer of aan- en aftransport van goederen problematisch zou kunnen worden en dient te worden afgezet tegen de volgende (autonome) ontwikkelingen: • Het feit dat de A73 en de N325/A15 (in tegenstelling tot hetgeen de voorliggende conceptversie van de NRD beweert!) slecht te bereiken zijn vanaf het terrein door gebruik te maken van de S100 • Het feit dat conform modelberekeningen die ten grondslag liggen aan ander gemeentelijk beleid zoals vastgesteld (denk aan de mobiliteitsvisie Nijmegen) als autonome ontwikkeling wordt uitgaan van een sterke groei van het verkeer op de S100 (tot 50% in 2030 ten opzichte van de status quo!) hetgeen grote risico’s in zich bergt door eventuele congestie (filevorming) en consequenties daarvan voor de lokale luchtkwaliteit.

• Het feit dat de toekomstige woningbouw en andere gebiedsontwikkelingen (zoals aanleg evenemententerrein) in de gebieden plaatselijk bekend als NYMA / Mercuriuspark/ Batavia /Waalfront / Waalsprong nog niet zijn afgerond (en in de komende jaren alleen nog maar geïntensiveerd zullen worden) hetgeen eveneens mogelijk een extra beroep zal doen op de capaciteit van de wegen in de directe omgeving van de inrichting / het gebied waarvoor nu een bestemmingsplan wordt voorbereid. Antwoord: In het MER is ingegaan op de gevolgen van de toename van het verkeer als gevolg van de herontwikkeling, daarbij zijn ook ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied opgenomen.

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

11/12

4. Biomassacentrale uitsluiten en vol inzetten op échte duurzame alternatieven Op basis van bovenstaande bezwaren met betrekking tot een biomassacentrale (zie paragraaf 1d) stellen wij dat in het bestemmingsplan de benutting van biomassa als duurzame energiebron voor zowel grootschalige als kleinschalige energieopwekking moet worden uitgesloten.. Als oplossing stellen wij voor om sterk in te zetten op het onderzoeken en lokaal ontwikkelen van andere technieken zoals geothermie / bodemwarmte, aquathermie, inzet van andere energiedragers en energieopslag, en benutting van waterstof,. Deze technieken worden ook voorgesteld in paragraaf 4.1 van de Gebiedsvisie Waal Energie. Wij stellen voor om de inzet van deze technieken in de tijd naar voren te halen en te versnellen. Ook de toepassing van lage temperatuurwarmtevoorziening en -warmtenetten in plaats van hoge temperatuur warmtenetten past daarbij. Nieuwbouwwoningen dienen sowieso all-electric te worden uitgevoerd en niet op een warmtenet te worden aangesloten. All-electric nieuwbouwwoningen zijn veel beter geïsoleerd ten opzichte van nieuwbouwwoningen aangesloten op een warmtenet (EPC woningisolatie 0.4 beter).

Nog steeds worden in Nijmegen nieuwbouwwoningen op het hoge-temperatuurwarmtenet aangesloten; dat past niet bij de constatering dat hoge-temperatuurwarmte (onafhankelijk van de energiebron / techniek) maar in beperkte mate beschikbaar is en zal zijn in de toekomst. Hoge-temperatuurwarmte dient daarom enkel te worden ingezet voor toepassingen waar lage-temperatuurwarmte technisch of economisch niet tot de mogelijkheden behoort; te denken valt dan aan de vraag naar hoogwaardige (proces)warmte in de industrie of gebouwverwarming van monumenten en andere gebouwen die niet in voldoende mate (na)geïsoleerd kunnen worden. Nieuwbouw hoort daar niet bij, gezien ook de mogelijkheden en eisen die vandaag de dag gesteld kunnen en mogen worden aan nieuwe woningen (o.a. BENG). Bovenstaande inzet op échte duurzame technieken sluit overigens ook goed aan bij de status ‘Europese Groene Hoofdstad’ die de gemeente Nijmegen in 2018 heeft verworven. Antwoord: Zie beantwoording van vraag 1 van de zienswijze

18 februari 2022

T&PBH5225P001F2.0

12/12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=372f4db6-7c1b-45f2-aa13-e3f898ecf3f1