Bijlage 20 Watertoets Zwanenpark
Tekst van het document
WATERTOETS ZWANENVELD TE NIJMEGEN
Rapportage watertoets Zwanenveld te Nijmegen Opdrachtgever
Zwanenveld Ontwikkeling bv Burgemeester van de Zandestraat 21 7051 CS Varsseveld
Rapportnummer Versienummer
18087.003 D3
Status
Eindrapportage
Datum
3 april 2023
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
De heer ing. R. van den Berg
Kwaliteitscontrole
De heer Msc. R.R.J. Jacobs
Kwaliteitszorg Voor het uitvoeren van doorlatendheidsonderzoek zijn geen wettelijke richtlijnen vastgesteld. Econsultancy voldoet voor haar overige dienstverlening ten aanzien van bodem aan alle wettelijke kwaliteitseisen. Tot aan het moment dat voor doorlatendheidsonderzoek kan worden gewerkt volgens vastgestelde protocollen en richtlijnen wordt daar waar mogelijk aangesloten aan algemene kwaliteitseisen zoals deze voor bodemonderzoek gelden. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 14001:2015. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de algemeen geldende normen en met behulp van gespecialiseerde apparatuur. Het onderzoek betreft een momentopname in de tijd en is steekproefsgewijs uitgevoerd, waardoor een beeld van de geohydrologische situatie wordt verkregen. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van 18087.003 mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
LOCATIEGEGEVENS ................................................................................................................ 2
3
WATERBELEID .......................................................................................................................... 3 3.1 3.2 3.3
4
OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
4.5 4.6 4.7 4.8
4.9 5
Uitvoering ........................................................................................................................ 15 Lokale bodemopbouw .................................................................................................... 16 Methodiek in-situ doorlatendheidsproeven ..................................................................... 16 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Beoordeling..................................................................................................................... 17
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING ........................................................................................... 18 6.1 6.2 6.3
7
Hoogteligging .................................................................................................................... 6 Bodemopbouw .................................................................................................................. 6 Hydrogeologie................................................................................................................... 7 Grondwater ....................................................................................................................... 8 4.4.1 Algemeen ........................................................................................................... 8 4.4.2 Grondwaterstandsmetingen ............................................................................... 8 4.4.3 Literatuur ............................................................................................................ 9 4.4.4 Conclusie .......................................................................................................... 10 Peilbeheer ....................................................................................................................... 11 Oppervlaktewater............................................................................................................
11 Waterveiligheid ............................................................................................................... 13 Ontwatering en drooglegging ......................................................................................... 14 4.8.1 Ontwatering ...................................................................................................... 14 4.8.2 Drooglegging .................................................................................................... 14 4.8.3 Conclusie .......................................................................................................... 14 Riolering .......................................................................................................................... 15
DOORLATENDHEIDSONDERZOEK ....................................................................................... 15 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6
Rijksoverheid .................................................................................................................... 3 Waterschap Rivierenland ................................................................................................. 4 Gemeente Nijmegen ......................................................................................................... 5
Planvoornemen............................................................................................................... 18 Verhard oppervlak .......................................................................................................... 18 Waterbergingsopgave .................................................................................................... 19
PLANUITWERKING .................................................................................................................. 20 7.1
Randvoorwaarden en uitgangspunten ........................................................................... 20 18087.003
7.2
7.3 7.4 7.5 8
Waterhuishouding ........................................................................................................... 20 7.2.1 Algemeen ......................................................................................................... 20 7.2.2 Waterberging .................................................................................................... 20 7.2.3 Ledigingscapaciteit en ledigingstijd .................................................................. 21 7.2.4 Calamiteit.......................................................................................................... 21 Kwaliteit .......................................................................................................................... 21 Keur ................................................................................................................................ 21 Riolering .......................................................................................................................... 21
CONCLUSIE ............................................................................................................................. 22
BIJLAGEN: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
- Topografische ligging - Rapportage periodiek inmeten van grondwaterstanden (10106184 NIJ.M23.BOD) - Locatieschets situering van de boor- en meetpunten - Boorprofielen - Berekende k-waarden - Resultaat digitale watertoets 18087.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Zwanenveld Ontwikkeling bv opdracht gekregen voor het opstellen van een watertoets voor een ontwikkeling op het voormalig terrein van het ROC aan het Zwanenveld te Nijmegen. De initiatiefnemer is voornemens op locatie woningen te realiseren. Voor de gronden vigeert het bestemmingsplan ‘Nijmegen Dukenburg 2021’ (ontwerp 28-10-2021). De gronden zijn bestemd als ‘Maatschappelijk‘. De ontwikkeling van woningen is niet mogelijk binnen de bestaande bestemmingsstructuur. Om het plan te realiseren is een bestemmingsplanwijziging nodig. Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies.
Om invulling te kunnen geven aan de waterparagraaf en de waterbelangen te waarborgen dient in deze situatie de watertoets-procedure te worden doorlopen. De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is géén aparte procedure, maar is een traject dat geïntegreerd is in de procedure van het ruimtelijk plan of besluit. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. In deze rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Rivierenland en de gemeente Nijmegen). De informatie over de planlocatie is onder andere gebaseerd op informatie uit de door GAIM opgestelde waterparagraaf1, het uitgevoerde doorlatendheidsonderzoek en informatie verkregen van de opdrachtgever. Als onderdeel van de watertoets is de digitale watertoets doorlopen. Het resultaat van deze digitale toets is bijgesloten in bijlage 6.
1 Waterparagraaf ROC-locatie Dukenburg te Nijmegen versie 08, 56.28.03, d.d. 27 mei 2013
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 1 van 22
2
LOCATIEGEGEVENS
De planlocatie (± 40.640 m²) ligt aan het Zwanenveld, in de wijk Dukenburg te Nijmegen en is kadastraal bekend als gemeente Neerbosch, sectie K nummers 432 en 2064. De coördinaten van een centraal punt zijn X = 183.845, Y = 426.280. Op de planlocatie was in het verleden een vestiging van het ROC gelegen. In 2007 zijn de voormalige gebouwen gesloopt en het terrein is sindsdien braakliggend. Een deel van de voormalige funderingen en vloerdelen van de gesloopte bebouwing zijn in de huidige situatie nog aanwezig. In figuur 2.1 is de begrenzing van de planlocatie weergegeven. De topografische ligging is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 2.1. Ligging en begrenzing planlocatie
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 2 van 22
3
WATERBELEID
3.1
Rijksoverheid
Nationaal Water Programma 2022 - 2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken.
Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaat adaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 3 van 22
3.2
Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Versnelde afvoer van hemelwater Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat is voor plannen met een toename van verharding compenserende waterberging nodig. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Er zijn vuistregels vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergenafvoeren.
In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde: Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie; Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang); Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders). Waterberging in open water Bij waterberging in open water bedraagt de waterberging technisch gezien de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever (zie figuur 3.1). Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%. De maatgevende afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,30 meter stijgen. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau.
Figuur 3.1: voorbeeld waterberging in oppervlaktewater
Waterberging in kunstmatige bergingsvoorziening In sommige situaties kan waterbergingscompensatie niet plaats vinden in de vorm van open water. Indien het realiseren van open water niet mogelijk is kan hemelwater worden geborgen in ene alternatieve kunstmatige bergingsvoorziening. Indien compensatie plaats vind in ene kunstmatige bergingsvoorziening hanteert het waterschap de richtlijn dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 50 cm onder de bodem van de bergingsvoorziening moet liggen. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau. De ledigingstijd van het systeem bedraagt maximaal 48 uur.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 4 van 22
3.3
Gemeente Nijmegen
Het afval-, grond-, en hemelwaterbeleid van de gemeente Nijmegen is onder andere vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2017-2023 en de Nota Afkoppelen en infiltratie hemelwaterafvoer (2013). Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2017-2023 Het GRP 2017-2023 geeft invulling aan de wettelijke gemeentelijke watertaken voor stedelijk afvalwater, afstromend hemelwater en maatregelen tegen grondwateroverlast. Het GRP beschrijft de visie en ambities voor de gemeentelijke watertaken en geeft invulling aan de uit te voeren activiteiten en benodigde financiële en personele middelen. In het nieuwe GRP 2017-2023 blijft het accent liggen op duurzame ontwikkeling in combinatie met doelmatig beheer (asset-management). Dit betekent onder andere: gegevens goed op orde krijgen en houden, gericht meten aan de riolering en grondwater, en maatwerk bij het vaststellen van de juiste maatregelen op het juiste tijdstip. De belangrijkste ambities en activiteiten in het GRP 2017-2023 zijn:
Het (per stadsdeel)ontwikkelen van een strategie voor klimaatadaptatie; Effectieve samenwerking met waterpartners en buurgemeenten; Beperken van regenwateroverlast; Beperkt houden van gezondheidsrisico; Tegengaan van structurele grondwateroverlast.
Nota Afkoppelen en infiltratie hemelwaterafvoer (2013) Het gemeentelijk beleid voor het afkoppelen van hemelwaterafvoer is opgenomen en vastgesteld in de nota ‘Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer’ (2013). Deze is gebaseerd op het Bouwbesluit 2012. De beleidsnota geeft invulling aan hoe bij omgevingsvergunningen een bouwende partij aantoont dat deze naar redelijkheid regenwater op eigen terrein kan verwerken. Daarnaast geeft de beleidsnota regels voor het concrete ontwerp van infiltratievoorzieningen in de openbare ruimte. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om vuilwater en hemelwater op een verantwoorde manier te verwerken. Vuilwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet in principe op eigen terrein verwerkt worden. Bij de infiltratie van hemelwater moeten waar mogelijk conform het convenant Duurzaam bouwen in het KAN 2000 duurzame bouwmaterialen gebruikt worden. Voor plannen met meer dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied is compenserende waterberging nodig. De compenserende berging dient 10 mm te zijn over het gehele nieuw dakoppervlak en nieuw verhard oppervlak. Wanneer een dakoppervlak aangepast wordt dient hierover ook een compenserende berging gerealiseerd te worden.
Wanneer de k-waarde van de planlocatie, aangetoond middels onderzoek, een k-waarde heeft van meer dan 3 m/dag kan voldaan worden met een berging van 5 mm.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 5 van 22
4
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van de planlocatie beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer, waterveiligheid en riolering. 4.1
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland2, wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop in zuidwestelijke richting van ca. 9,10 m +NAP in het noordoosten tot ca. 8,5 m +NAP in het zuidwesten. De weg Zwaneveld ligt in het westen op een hoogte van ca. 8,25 m +NAP. Richting het oosten loopt de weg op tot ca. 9,0 m nabij de Westlanddijk.
Figuur 4.1 Uitsnede AHN
4.2
Bodemopbouw
De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een gooreerdgrond (pZn30), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zand met grind ondieper dan 0,4 m. Uit locatiespecifiek onderzoek 3 uitgevoerd op 20 oktober 2010 blijkt de bodem voornamelijk te bestaan uit zwak tot sterk grindig, matig grof tot zeer grof zand.
2 www.ahn.nl 3
Rapportage periodiek inmeten van grondwaterstanden (10106184 NIJ.M23.BOD)
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 6 van 22
Lokaal zijn op wisselende diepte en dikte zwak tot matig siltige, matig fijne zandlagen aangetroffen. Eenduidige storende lagen zijn destijds niet waargenomen. In bijlage 2 is het rapport daterend 10 januari 2011 bijgesloten. 4.3
Hydrogeologie
Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.4 model van TNO. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. In tabel 1 is de hydrogeologische opbouw van de ondergrond op schematische wijze weergegeven. Figuur 4.2 geeft de appelboring uit het REGIS II v2.2 model van TNO weer. Tabel 1. Hydrogeologie (DKL = deklaag, WVL = watervoerende laag, SDL = slecht doorlatende laag) Diepte m -mv
Formatie
Typering
Bodem
0-2,5
Boxtel Laagpakket van Wierden, Singraven en Kootwijk
DKL
Zand
2,5-20
Kreftenheye
WVL
Zand
20-22
Waalre
SDL
Klei
22-31
Peize en Waalre
WVL
zand
31-33
Waalre
SDL
Klei
33-65
Peize en Waalre
WVL
zand
65-93
Oosterhout
WVL
zand
93-200
Breda
WVL
zand
Figuur 4.2: Appelboor REGIS II v2.2
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 7 van 22
4.4
Grondwater
4.4.1 Algemeen Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). 4.4.2
Grondwaterstandsmetingen
2010 Ten behoeve van het locatiespecifiek onderzoek zijn op locatie 3 peilbuizen geplaatst waarin in oktober 2010 tot december 2010 vijf maal de grondwaterstand is gemeten. De gemeten grondwaterstanden zijn in tabel 2 weergegeven. De situering van de peilbuizen is opgenomen in de rapportage ‘periodiek inmeten van grondwaterstanden (10106184 NIJ.M23.BOD) dat is bijgevoegd in bijlage 2. Tabel 2. Grondwaterstanden 2010 Grondwaterstand m -mv Datum meting Peilbuis 01
Peilbuis 02
Peilbuis 03
28-10-2010
1,30
1,62
1,51
15-11-2010
0,98
1,39
1,32
29-11-2010
1,35
1,63
1,55
14-12-2010
1,40
1,71
1,59
28-12-2010
1,40
1,71
1,60
2022 In aanvulling op de grondwaterstanden uit 2010, is Econsultancy gevraagd om gedurende een periode van 6 maanden de grondwatertanden op locatie te meten. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van Peilbuis 02 uit het onderzoek van 2010. In aanvulling op deze peilbuis zijn op locatie twee nieuwe peilbuizen geplaatst. De grondwaterstand wordt 2 maal per maand handmatig gemeten. Om de grondwaterstandsmetingen onderling te kunnen vergelijken zijn de peilbuizen ten opzichte van NAP ingemeten. In figuur 4.3 is de situering van de peilbuizen weergeven. De peilbuis- en meetgegevens zijn opgenomen in tabel 3. Tabel 3. Grondwaterstanden 2022 Grondwaterstand m -mv
Grondwaterstand m +NAP
Datum meting Peilbuis 01
Peilbuis 02
Peilbuis 03
Peilbuis 01
Peilbuis 02
Peilbuis 03
15-03-2022
1,88
1,71
1,83
6,65
6,91
7,21
29-03-2022
1,62
1,63
1,73
6,71
6,99
7,31
14-04-2022
1,79
1,60
1,69
6,74
7,02
7,35
28-04-2022
1,76
1,55
1,59
6,77
7,07
7,45
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 8 van 22
13-05-2022
1,78
1,58
1,65
6,75
7,04
7,39
27-05-2022
1,77
1,57
1,61
6,76
7,05
7,43
14-06-2022
1,75
1,55
1,60
6,78
7,07
7,44
28-06-2022
1,76
1,55
1,60
6,77
7,07
7,44
14-07-2022
1,74
1,54
1,55
6,79
7,08
7,49
28-07-2022
1,74
1,50
1,53
6,79
7,12
7,51
15-08-2022
1,83
1,63
1,69
6,70
6,99
7,35
29-08-2022
1,90
1,76
1,90
6,63
6,86
7,14
Figuur 4.3: situering peilbuizen grondwatermonitoring 2022
4.4.3 Literatuur TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. In de directe omgeving van de planlocatie zijn enkele grondwaterpeilputten gelegen. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. In tabel 4 zijn de gegevens van de grondwaterpeilputten opgenomen. In figuur 4.4 is de situering van de grondwaterpeilputten weergegeven. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in westelijke richting.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 9 van 22
Tabel 4. Overzicht grondwaterpeilputten grondwaterpeilput
windrichting t.o.v. locatie
afstand t.o.v. midden locatie (m)
meetperiode
GLG (m +NAP)
GHG (m +NAP)
B40C0615
ZO
100
28-08-1992 tot 28-08-2000
6,80
7,30
B40C0644
Z
400
29-05-2010 tot 29-05-2018
6,85
7,00
B40C0643
ZW
435
29-05-2010 tot 29-05-2018
6,45
6,65
Figuur 4.4. Situering grondwaterpeilputten TNO
4.4.4 Conclusie Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 7,30 m +NAP in het oosten tot ca. 6,75 m +NAP in het westen. Hiermee zou de GHG zich op ± 1,5 tot 1,8 m -mv bevinden. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 10 van 22
4.5
Peilbeheer
De planlocatie ligt binnen peilvak BLM018 van het peilgebied Bloemers. In dit peilval geldt een zomeren winterpeil van 6,20 m +NAP.
Figuur 4.5. Uitsnede peilgebieden waterschap Rivierenland
4.6
Oppervlaktewater
Voor het waterschap en Rijkswaterstaat is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaarten van waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Ten oosten van de planlocatie is een Awatergang (code: 095667) gelegen. Direct ten westen van de planlocatie aan de overzijde van de Westerkanaaldijk ligt het Maas-Waalkanaal. In figuur 4.6 is een uitsnede van de leggerkaart van het waterschap weergegeven. Figuur 4.7 omvat de leggerkaart van Rijkswaterstaat. Op basis van de leggerkaart van Rijkswaterstaat is het noordoostelijke deel van de planlocatie gelegen binnen de kernzone en grens waterstaatkundig beheer. Binnen dit deel van de planlocatie zijn geen ontwikkelingen beoogt en blijft de huidige situatie ongewijzigd.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 11 van 22
Figuur 4.6. Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Rivierenland
Figuur 4.7: Uitsnede legger Rijkswaterstaat
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 12 van 22
4.7
Waterveiligheid
Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader is door het de gemeente Nijmegen een gestandaardiseerde klimaattest voor wateroverlast uitgevoerd. Via deze klimaatatlas kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. Voor het inzichtelijk maken van potentiële wateroverlastlocaties die kunnen ontstaan na een extreme bui is gebruik gemaakt van een bui situatie van 70 mm/uur. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De kaart in figuur 4.8 laat voor de planlocatie en de directe omgeving het resultaat van de klimaattest zien voor een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur. De test laat zien dat een deel van de planlocatie als ook de straten rondom de planlocatie gevoelig kunnen zijn voor wateroverlast. Hier dient bij het toekomstige plan en bepalen weg- en bouwpeilen rekening mee gehouden te worden.
Figuur 4.8. Klimaattest gemeente Nijmegen, bui 70 mm in 1 uur
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 13 van 22
4.8
Ontwatering en drooglegging
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.
Figuur 4.9. Ontwatering en drooglegging
4.8.1 Ontwatering De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Normen voor de ontwateringsdiepte zijn:
Woningen met kruipruimte: Woningen zonder kruipruimte: (Vloerpeil van woningen 0,30 m + maaiveld) Tuinen en openbare groenvoorzieningen: Primaire wegen: Secundaire wegen en woonstraten:
0,7 m 0,3 m 0,5 m 1,0 m 0,7 m
4.8.2 Drooglegging De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) wordt mede bepaald door de drooglegging van een gebied. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m. 4.8.3 Conclusie Het huidige maaiveld is gelegen op een hoogte van ca. 9,1 m +NAP in het oosten en noordoosten tot 8,5 m +NAP in het westen en zuidwesten. De GHG is ingeschat op een verhang van 7,3 m +NAP in het oosten tot 6,75 m +NAP in het westen. De ontwatering is ten aanzien van het huidige maaiveldniveau voldoende. De drooglegging bedraagt, uitgaande van zomer- en winterpeil van 6,2 m +NAP, minimaal 2,3 m. Om oppervlakkige instroom van regenwater in panden te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen ca. 20 tot 30 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil of maaiveldniveau.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 14 van 22
4.9
Riolering
In de rondom de planlocatie gelegen wegen is een gescheiden rioolstelsel gelegen. In figuur 4.10 is de ligging van het riool aangegeven.
Figuur 4.10 Situering riool (bron: gemeente Nijmegen)
5 5.1
DOORLATENDHEIDSONDERZOEK Uitvoering
Voor het uitvoeren van een doorlatendheidsonderzoek gelden geen richtlijnen. De onderzoeksstrategie is in overleg met de opdrachtgever vastgesteld en betreft maatwerk. Ten aanzien van de uitvoering is aangesloten op het SIKB-protocol 2001 "Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen". Het veldwerk is uitgevoerd op 2 maart 2022 en omvatte het zintuiglijk beoordelen van aanwezige bodemlagen door middel van het handmatig opboren van bodemmateriaal. De aanwezige bodemlagen zijn hierbij nauwkeurig beschreven en de posities van de betreffende boorpunten zijn op kaart vastgelegd. In totaal zijn met behulp van een edelmangrondboor (diameter 10 cm) 6 boringen geplaatst. De boringen zijn tot maximaal 3,75 m -mv doorgezet teneinde een duidelijk beeld van de bodemopbouw te verkrijgen. Twee boringen zijn afgewerkt met een peilfilter. Na het verrichten van de boringen zijn de in-situ doorlatendheidsmetingen uitgevoerd en is het grondwaterniveau in de aanwezige en geplaatste peilbuizen gemeten (zie paragraaf 4.4.2).
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 15 van 22
Op de locatieschets in bijlage 3 is de situering van de boor- en meetpunten aangegeven. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt (zie bijlage 4). 5.2
Lokale bodemopbouw
De bodem bestaat tot ca. 0,8 a 1,4 m -mv voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn zand. De bovengrond is daarbij bovendien zwak humeus. Beneden de matig fijn zandige deklaag bestaat de bodem verder uit zwak tot matig grindig, matig grof tot grof zand. De ondergrond is daarnaast zwak kiezel houdend. Er zijn geen eenduidige storende lagen aangetroffen. 5.3
Methodiek in-situ doorlatendheidsproeven
Op basis van de profielbeschrijvingen en de actuele grondwaterstand zijn de te onderzoeken bodemlagen vastgesteld. Vervolgens is in de directe nabijheid van de referentieboring, per meting, een nieuwe boring verricht tot in de te onderzoeken homogene bodemlaag. Bij de keuze van de te onderzoeken bodemlaag is rekening gehouden met de doelstelling van het onderzoek. De doorlatendheid (k-waarde) van de bodem is bepaald met behulp van de Falling head-methode (omgekeerde Hooghoudt-methode). Bij de Falling headmethode wordt na eenmalig opbrengen van een waterkolom de zaksnelheid van het water gemeten. Om instorting van het boorgat te voorkomen, is in het boorgat een filterbuis aangebracht die aan de onderzijde geperforeerd. Na plaatsen van de filterbuis is water opgebracht. Voor het meten van de waterstandsdaling is gebruik gemaakt van een digitale drukopnemer (Diver). De doorlatendheidsmeting is een aantal malen herhaald teneinde verzadigde doorlatendheid te verkrijgen en een gemiddelde te kunnen berekenen. Aan de hand van de zaksnelheid is vervolgens met behulp van de formule van Hooghoudt de gemiddelde doorlatendheid (k-waarde) berekend.
5.4
Resultaten
Tabel 5 geeft een overzicht van het uitgevoerde veldwerk en de bodemlaag waarin een in-situ doorlatendheidsmeting is uitgevoerd. Tevens zijn in de tabel de resultaten van de berekende k-waarden weergegeven en is de doorlatendheid van de bodem per boring en traject beoordeeld conform de classificatie uit tabel 6. Bijlage 5 bevat de grafische uitwerking en de berekening van de k-waarden.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 16 van 22
Tabel 5.
Overzicht k-waarde per meting
Boring
Aantal Metingen (*A)
Onderzochte bodemlaag (cm -mv)
Textuur
Opmerkingen
K-waarde (m/dag)
Beoordeling doorlatendheid
01
3
40-90
Zand, matig fijn, zwak siltig
Zwak grindig
0,8
Vrij goed
03
3
100-130
Zand, matig grof, zwak siltig
Matig grindig, zwak kiezel houdend
6,5
Goed
04
3
50-100
Zand, matig grof, zwak siltig
Zwak grindig
2,1
Goed
05
3
70-130
Zand, matig tot zeer grof, zwak siltig
Matig grindig, zwak kiezel houdend
2,8
Goed
06
3
20-70 Zand, matig fijn, zwak siltig
matig humeus, zwak grindig, zwak baksteenhoudend
4,0
Zand, matig fijn, zwak siltig
matig humeus, zwak grindig
2,6
07
(*A)
3
25-75
Classificatie doorlatendheid
K-waarde (m/dag)
Classificatie (*A)
< 0,1
slecht doorlatend
0,1-0,5
matig doorlatend
0,5-1,0
vrij goed doorlatend
1,0-10
goed doorlatend
> 10
5.5
Goed
De meest representatieve meting is gebruikt voor het berekenen van de (verzadigde) doorlatendheid.
Tabel 6.
(*A)
Goed
zeer goed doorlatend Classificatie k-waarde (m/d) (bron: Cultuurtechnisch Vademecum, 2000)
Beoordeling
De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën). Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide kwaarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde. Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,8 en 6,5 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van 1,6 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,54. 4 Bron: stichting Rioned
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 17 van 22
6 6.1
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING Planvoornemen
Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van 460 woningen in combinatie met de realisatie van de ontsluiting en de openbare ruimte. In figuur 6.1 is een verbeelding van het planvoornemen weergegeven. Dit betreft een voorlopig ontwerp.
Figuur 6.1. Planvoornemen (bron: Ten Brinke)
6.2
Verhard oppervlak
Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van de situatietekening zoals weergegeven in figuur 6.1. In het kader van de watertoets zijn de (wandel)paden buiten beschouwing gelaten omdat de openbare ruimte vanuit het plan zal worden uitgewerkt in waterdoorlatende bestrating (graskeien) en halfverhardingen. Daarnaast wordt ervanuit gegaan dat de paden van nature kunnen afstromen naar het naastgelegen groen. In het kader van de watertoets wordt vooralsnog uitgegaan van een toekomstig verhard oppervlak van ca. 15.000 m2. Dit komt op basis van het totale plan oppervlak (40.640 m2) overeen met een verhardingspercentage van ca. 40 %. In figuur 6.2 is de verdeling van het berekende verhard oppervlak weergegeven.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 18 van 22
Figuur 6.2 Verhard oppervlak
6.3
Waterbergingsopgave
Conform het beleid van waterschap rivierenland is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ca. 995 m3 (1,5 ha x 664 m³).
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 19 van 22
7 7.1
PLANUITWERKING Randvoorwaarden en uitgangspunten
In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets gevolgd moet worden volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in bijlage 6. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. De wateropgave baseren op het daadwerkelijk toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 15.000 m2. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 664 m3/ha verhard oppervlak. Wateropgave 995 m3. Rekenwaarde infiltratiecapaciteit 1,6 m/dag; Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. GHG ingeschat op ca. 7,30 m +NAP in het oosten tot ca. 6,75 m +NAP in het westen. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe
7.2
Waterhuishouding
7.2.1 Algemeen In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt. Hierdoor wordt water bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en wordt hemelwater op een duurzame wijze verwerkt. 7.2.2 Waterberging Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van meerdere "groene" bovengrondse voorzieningen, wadi’s. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Hemelwater wordt, indien mogelijk, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd moeten plaatsvinden. In totaal dient in de wadi’s ca. 995 m3 water geborgen te worden. Vanuit de gemeente Nijmegen is aangegeven dat het niet wenselijk is de wadi’s te diep aan te leggen. Als uitgangspunt dient uitgegaan te worden van een diepte van 0,4 meter en een waterhoogte van 0,3 m (waking 0,1 m) en een talud van minimaal 1:3.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 20 van 22
7.2.3 Ledigingscapaciteit en ledigingstijd Op basis van de bodemopbouw, textuur en de resultaten van het uitgevoerde waterdoorlatendheidsonderzoek worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is. De ledigingstijd mag niet meer bedragen dan 48 uur. 7.2.4 Calamiteit Bij een berging van 995 m3 is het systeem dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 66,4 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water overstorten richting het hemelwaterriool in het Zwanenveld. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende particuliere percelen dient ten allen tijde te worden voorkomen. 7.3
Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. 7.4
Keur
Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: 7.5
Toename verhard oppervlak; Tijdelijke grondwateronttrekkingen5; Tijdelijke lozingen van bemalingswater6. Riolering
Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
5
Een watervergunning moet worden aangevraagd indien er meer dan 100m3/h wordt onttrokken en/of de onttrekking langer dan een half jaar en/of op meer dan 9 meter diepte plaatsvindt.
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 21 van 22
8
CONCLUSIE
In onderhavige rapportage zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan gegeven. Deze rapportage vormt de basis voor invulling van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan. Hiermee is invulling gegeven aan de verplichte watertoets en is gegarandeerd dat specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudkundig(inrichtings)plan worden opgesteld. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure.
Econsultancy Boxmeer, 3 april 2023
Rapport 18087.003 versie D3
Pagina 22 van 22
Bijlage 1
Topografische ligging
Schaal 1:10.000 Deze kaart is noordgericht
Bijlage 2 Rapportage periodiek inmeten van grondwaterstanden (10106184 NIJ.M23.BOD)
al kana
spoorlijn
st ra at
bosschage
51
e
01
wo
on
hu
ize n
Zw an en ve l
d
foto 1
wo
on hu ize
foto 2
n
(nr. 4301)
st ra at
02
51 e
03 foto 3
Zw an en ve l
d
gasmeter
(nr. 4101)
locatiegrens
vml. fietsenstalling
Zw an e
nv eld
41 e
st
woonwijk
ra at
LEGENDA:
43e nveld Zwane
peilbuis
straat
asfalt beton gras
0m
klinkers
TITEL:
50 m
locatieschets
A3
vml. bebouwing bebouwing
standplaats + richting fotoname
woonwijk
woonwijk
PROJECT: NIJ.M23.BOD
NUMMER: 10106184
SCHAAL: 1:1000
DATUM: 07-01-2011
GETEKEND: MKr
BIJLAGE: 1
Bijlage 2
Boorprofielen
Pagina 1 van 1
Boorprofielen
Boring:
01
Boring: 0
0
braak Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin
02
0
0 7
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, bruinbeige
40
50
50
60
70
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, bruinbeige 100
90
100
150
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, bruinbeige Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, beigegeel
120
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, licht beigegrijs
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
140
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, grijsbeige
150 180
200
Zand, matig grof, zwak siltig, sterk grindig, zwak keienhoudend, beigegrijs
200 230
250 270
Zand, zeer grof, zwak siltig, sterk grindig, zwak keienhoudend, lichtgrijs
250
250
Zand, matig fijn, matig siltig, matig grindig, lichtgrijs
300 330
Zand, zeer grof, zwak siltig, sterk grindig, zwak keienhoudend, lichtgrijs
350 375
Boring:
03
0
0 7
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, licht beigebruin
50
60 70 90
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, lichtbruin
100
150
130
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, bruinbeige
160
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak keienhoudend, grijsbeige
180
Zand, matig grof, zwak siltig, sterk grindig, zwak keienhoudend, beigegrijs
200
250
300
Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin
230
Zand, zeer fijn, sterk siltig, zwak leemhoudend, lichtgrijs
260
Zand, matig grof, zwak siltig, sterk grindig, matig keienhoudend, beigegrijs
305
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak grindig, grijsbeige
Projectcode: 10106184
Opdrachtgever: Zwanenveld bv
Boormeester:
Projectnaam: NIJ.M23.BOD
Locatie: Zwanenveld vml 4101 en 4301, Nijmegen
Getekend volgens NEN 5104
A.G.C. Rondeel
Bijlage 3
Foto's onderzoekslocatie
Foto 1.
Foto 2. 10106184 NIJ.M23.BOD
Bijlage 3
Foto's onderzoekslocatie
Foto 3.
10106184 NIJ.M23.BOD
Bijlage 4
Boorprofielen
Pagina 1 van 2
Profielen boringen
01
Boring: Datum veldwerk:
Boring:
2-3-2022
0
0
gras
40
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donkerbruin, Edelmanboor
50
Datum veldwerk:
02 20-10-2010 0 7
0
40
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, beigebruin, Edelmanboor
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, zwak kiezel houdend, bruinbeige, Edelmanboor
100
70
90
100
110
150
150
200
210
90
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, grijsbeige, Edelmanboor Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, beigegrijs, Edelmanboor Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, zwak kiezel houdend, grijsbeige, Zuigerboor
250
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, bruinbeige Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, bruinbeige Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, beigegeel
140
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, grijsbeige
150 180
Zand, matig grof, zwak siltig, sterk grindig, zwak keien, beigegrijs
200
250
250
Zand, matig fijn, matig siltig, matig grindig, lichtgrijs 300
300 330 340
Zand, zeer grof, zwak siltig, sterk grindig, zwak keien, lichtgrijs
350 375
03
Boring: Datum veldwerk:
Boring:
2-3-2022
0
0
gras
Datum veldwerk: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donkerbruin, Edelmanboor 50
50
80
100
150
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, zwak kiezel houdend, bruinbeige, Edelmanboor
150
180
200
250
100
150 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, zwak gleyhoudend, beigebruin, Edelmanboor Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, beigebruin, Zuigerboor
0 8
40
50
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, bruinbeige, Edelmanboor
04 2-3-2022
klinker Edelmanboor Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, bruinbeige, Edelmanboor
60
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker beigebruin, Edelmanboor
100
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, grijsbeige, Edelmanboor
160 180
200
Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, beigegrijs, Edelmanboor Zand, matig fijn, matig siltig, zwak grindig, zwak kiezel houdend, zwak leemhoudend, neutraal, Edelmanboor Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, licht beigegrijs, Zuigerboor
250
300
300
300
320
Projectcode: 18087.003 Getekend volgens NEN 5104
Pagina 2 van 2
Profielen boringen
05
Boring: Datum veldwerk:
Boring:
2-3-2022 0
0
30
50 80
100
100
150
150
180 200
200
braak
Datum veldwerk: 0
06 2-3-2022 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, bruingrijs, Edelmanboor, geroerd Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, matig grindig, zwak kiezel houdend, donker, Edelmanboor
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak grindig, zwak baksteenhoudend, donkerbruin, Edelmanboor
50 70
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, grijsbeige, Edelmanboor
100
Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, beigegrijs, Edelmanboor
150
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, zwak kiezel houdend, beigegrijs, Edelmanboor
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak grindig, zwak roesthoudend, grijsbeige, Edelmanboor
140
200
Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, licht beigegrijs, Edelmanboor 190 200
Zand, matig fijn, matig siltig, matig grindig, neutraalgrijs, Edelmanboor Zand, matig grof, zwak siltig, sterk grindig, beigegrijs, Zuigerboor
250
300
300
Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak leemhoudend, bruingrijs, Zuigerboor Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak grindig, bruingrijs, Zuigerboor
250 270
300
300
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, beigegrijs, Edelmanboor
07
Boring: Datum veldwerk:
gras
2-3-2022
0
0
braak Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak grindig, donkerbruin, Edelmanboor
50 75
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, beigegrijs, Edelmanboor
100
150
150
Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, neutraal beigegrijs, Edelmanboor 200
200
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht beigegrijs, Zuigerboor 250 280
300
300
Zand, matig grof, zwak siltig, matig grindig, zwak kiezel houdend, grijsbeige, Zuigerboor
Projectcode: 18087.003 Getekend volgens NEN 5104
Bijlage 5
Berekende K-waarden
Bijlage 5
Berekende K-waarden
Bijlage 5
Berekende K-waarden
Bijlage 6 Resultaat digitale watertoets
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Normale procedure
Op basis van onderstaande locatie
03-04-2023 15:12
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte?
nee
Is het totale plangebied groter dan 3500 m² ?
ja
Gaat het plan over activiteiten die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater? (Bij twijfel: vink 'ja' aan)
nee
a_watergangen
nee
a_watergangen_zone
nee
b_watergangen_met_zonering
nee
c_watergang
nee
buitenbeschermingszone_waterkering
nee
kern_en_beschermingszone_waterkering
nee
persleidingen
nee
rioolgemaal
nee
rioolwaterzuivering
nee
Boringsvrije_zone_GLD
nee
Grondwaterbescherming_GLD
nee
Koude_Wateropslagvrije_zone
nee
Waterwingebieden_GLD
nee
Wegen
nee
03-04-2023 15:12
2
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Normale procedure Wat moet ik doen?
03-04-2023 15:12
3
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets Deze uitgangspuntennotitie vormt de start voor uw overleg met het waterschap. De notitie is automatisch opgesteld op basis van uw antwoorden en uw ingetekende plangebied. Waterschap Rivierenland geeft in deze uitgangspuntennotitie aan welke wateraspecten van belang zijn voor uw ruimtelijke plan. De gemeente draagt ook zorg voor aspecten van de waterhuishouding. Daarom is het belangrijk om uw plan ook met hen af te stemmen. U kunt contact opnemen met uw accountmanager van Waterschap Rivierenland voor overleg. U vindt deze contactgegevens hier: https://www.waterschaprivierenland.nl/accountmanagers-waterschap-rivierenland-gemeente
Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheerprogramma is bepalend voor het beleid van Waterschap Rivierenland en wordt iedere zes jaar geactualiseerd. Het plan omvat alle watertaken van het waterschap op gebied van waterveiligheid, afvalwaterzuivering, schoon en voldoende water. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: de Keur. In de Keur staan regels voor de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijhorende kunstwerken. In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden beheert het waterschap ook wegen buiten de bebouwde kom (geen Rijks- of provinciale wegen). Hier is de Keur ook op van toepassing. De werkzaamheden in of nabij de watergangen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waterschap worden getoetst aan de regels in de Keur. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn.
Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden steeds vaker afgewisseld met perioden van droogte. We blijven ernaar streven om voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar te hebben. Het waterschap heeft samen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Dit kunnen we niet alleen. U kunt een bijdrage leveren door uw plan zo klimaatbestendig mogelijk in te richten. Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers. De kwaliteit van de leefomgeving of de biodiversiteit kan zo worden vergroot. Op de website https:// bouwadaptief.nl/ kunt u zich laten inspireren door klimaatadaptatieve projecten en vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen.
Grondwater Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in sloten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlast door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel.
Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. We adviseren voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo voorkomt u overlast door grondwater. We adviseren om onderzoek te doen in gebieden waar overlast door grondwater bekend is of waar hoge grondwaterstanden voorkomen. U kunt maatregelen nemen om overlast te voorkomen. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte.
Infiltreren Het is wenselijk dat uw plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te infiltreren. U houdt zo water vast voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Onze accountmanager kan u hierover adviseren. Met een infiltratieonderzoek kunt u (laten) onderzoeken of en op welke wijze infiltratie kan plaatsvinden. 03-04-2023 15:12
4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het is mogelijk dat u voor een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Zo voorkomen we dat individuele bewoners moeten compenseren voor voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, etc. Op sommige locaties is het onwenselijk om de vrijstelling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuishoudkundige situatie dan zou verslechteren. Compenserende waterberging is dan wel nodig. Bespreek dit met de betreffende accountmanager van het waterschap.
Is de toename in verharding groter dan 500 m² in stedelijk gebied of groter dan 1500 m² in landelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Neemt in uw plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in stedelijk gebied, dan hoeft u met de vrijstelling maar voor 100 m² te compenseren. We gaan ervan uit dat gemeenten en organisaties deze vrijstelling op een eerder moment binnen ons beheergebied hebben ingezet. Zij hebben hier dan geen recht meer op hebben. U kunt contact opnemen met de afdeling vergunningen (vergunningen@wsrl.nl) van het waterschap om deze vrijstelling aan te vragen. U moet compenserende maatregelen nemen als u niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of als u de vrijgestelde oppervlaktes overschrijdt. U zult daarover nadere afspraken moeten maken. Bespreek dit met uw accountmanager van het waterschap.
Berekenen benodigde watercompensatie De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peilstijging bedraagt 0,20 meter in het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. In de rest van het beheergebied van Waterschap Rivierenland geldt een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. De vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen sprake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel).
In stedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealiseerd via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1500 m2 komen hiervoor in aanmerking.
Voor plannen met meer dan 5000m² extra verharding wordt een aparte berekening gevraagd. Dit geldt ook voor plannen die waterhuishoudkundig complex zijn. Hierbij worden de volgende berekeningsuitgangspunten gehanteerd: • De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/u. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net aankunnen. • Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen inundatie optreden. • Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het straatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil.
Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren:
• Hergebruik en/of vasthouden Hierbij wordt het hemelwater binnen het plangebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi’s. Het ontwerp-, beheer- en onderhoudsaspect spelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealiseerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaterstand heeft infiltratie onze voorkeur. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) komt niet hoger dan 50 cm onder het maaiveld. U kunt de attentiekaart infiltratie met daarop kansrijke gebieden voor infiltratie bij onze accountmanager opvragen. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogste grondwaterstand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. In kwelgevoelige gebieden hanteren we de gemiddeld hoogste stijghoogte, omdat het grondwater in de winter (als de rivierstanden hoog zijn) hoger onder het maaiveld komt. De gemiddeld 03-04-2023 15:12