CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2026 INGETROKKEN

Besluitronde (raadsvergadering) 17 december 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (herstelbesluit) (101/2025)17.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen De raad van de gemeente Nijmegen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2025; gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;

gelet op de artikelen 2.1.2, 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;

gezien het advies van de Adviescommissie Jeugd, Maatschappelijke opvang en Gehandicaptenbeleid, de RegenboogRaad Nijmegen, de Adviescommissie Kleurrijk Samenleven Nijmegen en de Seniorenraad; besluit vast te stellen de

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen

Hoofdstuk 1 Inleiding en algemene bepalingen

Dit hoofdstuk vormt de inleiding van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen (hierna: verordening). Deze verordening bestaat uit drie delen: de inhoudelijke artikelen, een algemene toelichting en een artikelsgewijze toelichting. Deze verordening bevat door de gemeenteraad vastgestelde regels in aanvulling op de wettelijke regels uit en ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. We vinden het wenselijk regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen in één verordening. In dit hoofdstuk wordt de betekenis beschreven van begrippen die vaak terugkomen in de tekst van deze verordening.

Artikel 1. Begripsbepalingen a.

Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van het college een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening levert.

b.

Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit een overige voorziening genoemd;

c.

Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

1

d.

Andere organisatie: een organisatie die het college heeft aangewezen om namens het college taken op grond van deze verordening uit te voeren.

e.

Bovengebruikelijke hulp: extra zorg en hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt.

f.

Budgethouder: cliënt die een persoonsgebonden budget op grond van de Jeugdwet of Wmo 2015 toegekend gekregen heeft;

g.

Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit de jeugdige en zijn ouders genoemd;

h.

College: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Nijmegen;

i.

Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en de personen die tot hun sociaal netwerk behoren, om de nodige hulp en ondersteuning te bieden bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.

j.

Gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp: de dagelijkse verzorging en/of opvoeding, begeleiding en toezicht die de (pleeg)ouder(s)/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen bieden. Dit gaat om hulp die naar algemene opvattingen in redelijkheid van (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers mag worden verwacht. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft;

k.

Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening;

l.

Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp volgens de cliënt;

m. Informele ondersteuning: ondersteuning door het eigen netwerk van een cliënt op basis van een persoonsgebonden budget; n.

Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit een individuele voorziening genoemd;

o.

Mantelzorg: bovengebruikelijke hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. De hulp ontstaat rechtstreeks uit een tussen personen bestaande sociale relatie en wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

p.

Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt;

q.

Ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

r.

Overtreding: een gedraging in strijd met de wet, onderliggende regelgeving of overeenkomsten ter uitvoering van de wet. Bij overeenkomsten kan ook worden gesproken van een tekortkoming;

s.

Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4 lid 4 van deze verordening;

t.

Persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden geleverd krijgt;

u.

Pgb-aanbieder: een rechtspersoon die ondersteuning verleent aan een cliënt (budgethouder), die betaald wordt met een pgb; 2

v.

Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie heeft;

w. Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015 en artikel 24 van deze verordening. De toezichthouder is belast met het houden van toezicht op de naleving van de eisen genoemd in de Wmo 2015 en de Jeugdwet op het gebied van rechtmatigheid; x.

Verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en een advies aan het college over de hulpvraag;

y.

Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening, al dan niet op grond van een andere wet, waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven;

z.

Wet: de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 en/of Jeugdwet.

Hoofdstuk 2 Procedure

Hier beschrijven we de manier waarop een cliënt een hulpvraag bij het college kan melden, welke stappen het college vervolgens zet en wat het college van de cliënt verwacht.

Artikel 2. Melding hulpvraag 1.

Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college of een andere organisatie worden gemeld.

2.

Het college of de andere organisatie bevestigt de ontvangst van de melding.

3.

Na de melding voert het college zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit zoals omschreven in de artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening. De cliënt, zijn vertegenwoordiger of mantelzorger worden hierbij betrokken.

4.

In spoedeisende gevallen verstrekt het college na de melding in afwachting van de uitkomst van het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening of vraagt het college een machtiging vrijwillig gesloten jeugdhulp aan de rechter.

5.

Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij een andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar jeugdhulp. De aanbieder beoordeelt vervolgens welke maatwerkvoorziening nodig is met een onderzoek. Dit onderzoek gaat op dezelfde manier zoals het college dit doet. In de beoordeling wordt de eigen kracht, het sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen en de goedkoopst passende voorziening betrokken.

6.

Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de cliënt verwijzen naar jeugdhulp. Als de aanbieder niet gecontracteerd is door het college of geen subsidie ontvangt van het college, wordt er geen vergoeding voor deze hulp verstrekt. Dit geldt alleen wanneer het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder

7.

Het college legt het toekennen of afwijzen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 3

Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.

Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Hierbij is het belang van de cliënt het uitgangspunt.

2.

Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon zoals bedoeld in de Jeugdwet.

3.

Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger op de mogelijkheid gebruik te maken van de cliëntondersteuning of onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 4. Vooronderzoek 1.

Het college of de andere organisatie verzamelt alle relevante gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt met hem zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek.

2.

De cliënt deelt voor het gesprek alle informatie met het college of de andere organisatie die volgens het college of de andere organisatie nodig is voor het onderzoek. Dit is de informatie waar de cliënt volgens het college of de andere organisatie in redelijkheid over beschikt of kan beschikken. Op verzoek verstrekt de cliënt een document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld, zoals een paspoort of rijbewijs.

3.

Als de cliënt voldoende bekend is bij de gemeente, of in spoedeisende gevallen, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van het vooronderzoek zoals bedoeld lid 1 en 2 van dit artikel.

4.

Het college of de andere organisatie wijst de cliënt op de mogelijkheid om een persoonlijk plan of familiegroepsplan in te dienen. In dit plan beschrijft de cliënt zijn hulpvraag, wat hij daar zelf of met zijn sociaal netwerk in kan doen en bij welke oplossingen hij ondersteuning nodig heeft.

Artikel 5. Onderzoek 1.

Naar aanleiding van de melding voert het college of de andere organisatie een onderzoek uit. Dit onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in lid 4 van dit artikel. Het college of de andere organisatie legt de cliënt de gang van zaken uit bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.

2.

Het gesprek vindt zo spoedig mogelijk plaats met de cliënt, diens vertegenwoordiger en/of mantelzorger(s). In het gesprek wordt voor zover nodig onderzocht: a.

de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b.

het gewenste resultaat;

c.

de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

d.

hoe de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag kan vinden;

e.

de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; 4

f.

de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of andere partijen op het gebied van publieke gezondheid een oplossing voor de hulpvraag te vinden en een mogelijk toe te wijzen maatwerkvoorziening hierop af te stemmen;

g.

de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

h.

welke bijdragen in de kosten de cliënt voor de maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn, en

i.

de mogelijkheid een pgb te verstrekken als de cliënt dit wenst, waarbij de cliënt in begrijpelijke taal wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze en de verantwoordelijkheid die daarbij hoort.

3.

Als de cliënt een persoonlijk plan of familiegroepsplan bij het college of de andere organisatie ingediend heeft, wordt dit plan bij het onderzoek betrokken.

4.

Als de hulpvraag voldoende bekend is, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag 1.

Het college of de andere organisatie zorgt voor een verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan.

2.

Het college of de andere organisatie deelt het verslag zo snel mogelijk met de cliënt.

3.

Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 7. Aanvraag 1.

Een cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk of digitaal indienen bij het college.

2.

Het college kan een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 6 lid 1 van deze verordening als aanvraag aanmerken.

3.

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan alleen worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet is afgerond binnen de gestelde termijn zoals vermeld in artikel 2 lid 3.

4.

Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af.

5.

Lid 1 tot en met lid 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op een aanvraag voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader.

5

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening

In dit hoofdstuk wordt beschreven wanneer een maatwerkvoorziening ingezet wordt en wanneer niet. De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als zorg in natura of via een persoonsgebonden budget (pgb). Zorg in natura betekent dat de zorg door het college is ingekocht bij een aanbieder.

Artikel 8. Een maatwerkvoorziening 1.

Uitgangspunt voor de ingangsdatum van een verstrekking is de datum van het besluit.

2.

Van het uitgangspunt in lid 1 kan worden afgeweken als de noodzaak en de omvang achteraf kunnen worden vastgesteld en daadwerkelijk levering voor de datum van het besluit heeft plaatsgevonden. De ingangsdatum ligt nooit voor de meldingsdatum.

3.

Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 houdt altijd rekening met de uitkomsten van het onderzoek van artikel 5 van deze verordening. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan de behoefte van beschermd wonen en opvang en/of het creëren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot:

4.

a.

zelfredzaamheid;

b.

participatie, en

c.

zo lang mogelijk blijven in zijn eigen leefomgeving.

Een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet houdt altijd rekening met de uitkomsten van het onderzoek van artikel 5 van deze verordening. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het creëren van een situatie waarin de jeugdige in staat gesteld wordt: a.

gezond en veilig op te groeien;

b.

te groeien naar zelfstandigheid, en

c.

voldoende zelfredzaam te zijn en te participeren.

Daarbij wordt rekening gehouden met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 5.

De verstrekking van de maatwerkvoorziening respijtzorg, zoals bedoeld in artikel 2.3, derde lid Jeugdwet, en artikel 1.1.1, eerste lid Wmo 2015, om de ouders, c.q. mantelzorger(s) tijdelijk te ontlasten, met als doel hen in staat te stellen om hun rol als verzorgers en opvoeders, c.q. mantelzorger te blijven vervullen is in beginsel tijdelijk tot maximaal 1 jaar.

6.

Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek samen met de cliënt wat het beoogde resultaat is van de maatwerkvoorziening, hoe dit resultaat dient te worden bereikt en hoe de voortgang wordt geëvalueerd. De cliënt deelt deze informatie met de (pgb-)aanbieder.

7.

De cliënt en de (pgb-)aanbieder mogen de maatwerkvoorziening niet voor andere resultaten inzetten dan in het onderzoek afgesproken. Alleen in overleg met het college of de andere organisatie kan het beoogde resultaat worden gewijzigd.

8.

Als de cliënt een verlenging van de maatwerkvoorziening wenst, dient de cliënt zich uiterlijk acht weken voor de einddatum van de maatwerkvoorziening te melden bij het college of de andere organisatie. De melding dient te zijn voorzien van een gezamenlijk met de (pgb6

)aanbieder opgesteld evaluatieverslag. De termijn voor het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2, lid 3 start pas zodra het evaluatieverslag is aangeleverd. 9.

De eisen uit lid 6 t/m 8 gelden voor alle maatwerkvoorzieningen op grond van de jeugdwet en voor begeleiding en beschermd wonen op grond van de Wmo 2015.

Artikel 9 Eigen kracht in de Jeugdwet 1.

Ouders zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen. Zij zetten daarvoor hun eigen kracht in

2.

Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien en voor zover de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders, al dan niet met behulp van het sociaal netwerk of andere voorzieningen, voldoende is om in de behoefte aan hulp en ondersteuning te voorzien. Dit vraagt een zorgvuldige individuele beoordeling die rekening houdt met de achtergrond van de specifieke problematiek van de jeugdige en zijn ouders.

3.

De wettelijke verzorgings- en opvoedingsplicht die ouders in relatie tot de jeugdige hebben, vormt het uitgangspunt voor de beoordeling. Deze plicht omvat de verantwoordelijkheid tot: a.

het bieden van een beschermende woonomgeving waarin de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd is;

b.

Het bieden van een bij de leeftijd van de jeugdige passende opvoeding en verzorging die bijdraagt aan de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid en de persoonlijkheid van de jeugdige, ook rekening houdend met de toenemende mondigheid van de jeugdige om zichzelf naar eigen inzicht te ontwikkelen, en;

c. 4.

het bevorderen van een relatie van de jeugdige met de andere ouder.

Bij de individuele beoordeling van eigen kracht wordt achtereenvolgens gekeken: a.

welk deel van deze hulp en ondersteuning onder de gebruikelijke hulp van ouders aan de jeugdige valt;

b.

welk deel van de hulp bovengebruikelijk is;

c.

of jeugdige en ouders over voldoende eigen kracht beschikken om de bovengebruikelijke hulp zelf, ook rekening houdend met de balans tussen de draagkracht en draaglast, of met ondersteuning van het sociaal netwerk of andere voorzieningen te bieden, en

d. 5.

of de jeugdige daarboven nog een maatwerkvoorziening nodig heeft.

In bijlage 1 staat beschreven wat er onder gebruikelijke hulp en onder eigen kracht wordt verstaan in relatie tot de jeugdwet.

6.

Er wordt van ouders verwacht dat zij, voor zover binnen hun mogelijkheden, hun eigen kracht benutten om te voorzien in de behoefte aan hulp en ondersteuning. Bovengebruikelijke hulp valt onder de eigen kracht van ouders zolang de ouders in staat en beschikbaar zijn deze hulp te bieden.

7

7.

Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp, neemt het college in haar onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. De draagkracht van de ouders moet groot genoeg zijn om de draaglast aan te kunnen. Bij het vaststellen van die balans maakt het college een onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties. a.

Van een kortdurende situatie is sprake wanneer uitzicht op herstel van het probleem bestaat en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit gaat over een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat ouders alle hulp zelf bieden en dat de draagkracht en draaglast in balans zijn.

b.

Van een langdurende situatie is sprake wanneer het een chronische situatie betreft. Hierbij is de verwachting dat de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat, als zij vaststelt dat draagkracht en draaglast naar algemene opvattingen in balans zijn, ouders alle hulp zelf bieden.

Artikel 10. Afwijzingsgronden 1.

Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt: a.

als de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning kan voorzien;

b.

als de cliënt met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp of maatschappelijke

ondersteuning kan voorzien; c.

als de voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is;

d.

als de cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Nijmegen, met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang;

e.

als de jeugdige volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Nijmegen valt;

f.

als niet aannemelijk is dat inzet van de voorziening in voldoende mate zal bijdragen aan een oplossing voor de hulpvraag;

g.

als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking zelf heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

h.

als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid in het voorkomen of oplossen van de hulpvraag heeft laten zien;

i.

als er voor de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie vóór de hulpvraag;

j.

als de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst passende voorziening kan worden aangemerkt;

k.

als de voorziening niet genoeg op de cliënt als persoon is gericht;

l.

ten behoeve van het gebruik van de woning die niet het hoofdverblijf van de cliënt betreft; 8

m. 2.

als deze niet langdurig noodzakelijk is.

Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat een woonvoorziening niet wordt verstrekt: a.

wanneer de ervaren beperkingen bij normaal gebruik van de woning komen door de in de woning gebruikte materialen;

b.

voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

c.

wanneer het een voorziening betreft die aangebracht moet worden in een gebouw expliciet gericht op mensen met beperkingen of ouderen;

d.

wanneer het een voorziening betreft die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder grote meerkosten meegenomen kunnen worden;

e.

als de cliënt niet is verhuisd naar de meest geschikte woning passend bij zijn beperkingen, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend door het college.

3.

De toegang tot maatschappelijke opvang en beschermd wonen kan worden geweigerd wanneer: a.

een cliënt zich niet houdt aan de huisregels of zich ernstig misdraagt;

b.

een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt;

c.

een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;

d.

sprake is van een indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is;

e.

de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt;

f.

geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie in het geval van vrouwenopvang.

4.

Als een maatwerkvoorziening nodig is om een eerder door het college gegeven maatwerkvoorziening te vervangen, gebeurt dat alleen als de eerdere voorziening technisch is afgeschreven, a.

tenzij de eerdere voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

b.

tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de kosten voor vervanging, of

c.

als de eerdere voorziening niet langer voldoet aan de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

5. Als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen 11 en 14 t/m 20 van deze verordening, wordt geen pgb verstrekt. Artikel 11. Wonen en zorg

Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een (pgb)aanbieder waarin de maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp mede afhankelijk is van een woonruimte die door de aanbieder geboden wordt of omgekeerd, tenzij: 9

a.

Het verblijf onderdeel is van de indicatie. Dit is het geval bij de maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen intramuraal en Trainingshuis;

b.

Het verblijf onderdeel van tijdelijke verhuur is. De verhuur moet als doel hebben de cliënt in staat te stellen zelfstandig te wonen. Het college moet hier vooraf mee instemmen.

Artikel 12. Inhoud beschikking 1.

Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend of geweigerd, ontvangt de cliënt een schriftelijk besluit. Uit dat besluit blijkt of de maatwerkvoorziening toegekend of geweigerd wordt. In het besluit wordt ook opgenomen hoe bezwaar tegen het besluit kan worden gemaakt.

2.

Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend, staat in het besluit in ieder geval: a.

welke maatwerkvoorziening wordt toegekend;

b.

of deze in natura of pgb wordt verstrekt;

c.

wat het beoogde resultaat daarvan is;

d.

hoe het beoogde resultaat bereikt wordt;

e.

wat de ingangsdatum en duur van verstrekking van de voorziening is;

f.

welke andere (algemene) voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

g.

de eventueel te betalen eigen bijdrage.

Bij verstrekking in de vorm van een pgb wordt ook de manier waarop de besteding van het pgb verantwoord wordt, opgenomen. Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.

Wanneer zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen en deze van invloed kunnen zijn op de beslissing, doet de cliënt hiervan zo snel mogelijk mededeling. Deze verplichting geldt ook als er niet expliciet naar gevraagd wordt. Deze mededeling kan bij het college of de andere organisatie gedaan worden.

2.

Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat de cliënt: a.

onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en een andere beslissing was genomen bij juiste of volledige gegevens;

b.

de maatwerkvoorziening of het pgb niet langer nodig heeft of er niet langer op aangewezen is;

c.

gebaat is bij een andere voorziening, omdat de huidige voorziening niet meer passend is;

d.

zich niet houdt aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of

e.

de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt.

3.

Als een cliënt een pgb of maatwerkvoorziening had, waar hij geen recht op bleek te hebben, kan het college de (waarde van de) voorziening terugvorderen van de cliënt. Dit kan alleen als de cliënt begreep of had moeten begrijpen dat hij de voorziening ten onrechte kreeg. Bij pgb kan in plaats van terugvordering verrekend worden met nog te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering. 10

4. Bij een bedrag tot €150,- wordt afgezien van terugvordering.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget (pgb)

Een maatwerkvoorziening kan in de vorm van een pgb worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke regels gelden voor een pgb en hoe de hoogte van een pgb bepaald wordt. De cliënt die een pgb ontvangt, noemen we dan budgethouder.

Artikel 14. Algemene regels voor pgb 1.

De cliënt die een pgb wil, dient een pgb-plan in te vullen. Het college of de andere organisatie geeft de cliënt een leeg plan om in te vullen.

2.

Voor eenmalige pgb’s zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen of eenmalige vervoersvoorzieningen, gelden de eisen uit lid 1 niet. De cliënt dient hiervoor een offerte te overleggen.

3.

Voor hulp bij huishouden gelden de eisen uit lid 1 niet.

Artikel 15. Hoogte van het pgb 1.

De hoogte van het pgb is nooit hoger dan de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. De hoogte: a.

is gebaseerd op het pgb-plan of de offerte aangeleverd door de cliënt;

b.

is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg/ondersteuning in te kopen.

c.

is een all-in tarief;

d.

omvat voor het product beschermd wonen intramuraal ook het schoonmaken van het appartement of de kamer en de gemeenschappelijke ruimten;

e. 2.

heeft geen bestedingsvrij deel.

De omvang van een pgb voor een hulpmiddel of traplift is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening. Het pgb is, indien van toepassing, inclusief een vergoeding voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering.

3.

De omvang van een pgb voor een woningaanpassing (niet zijnde een traplift) is gelijk aan het bedrag vermeld in offerte en factuur aangeleverd door de cliënt. De voorziening moet voldoen aan de eisen uit het onderzoek en de goedkoopst passende maatwerkvoorziening zijn.

4.

De omvang van een pgb voor een vervoersvoorziening in de vorm van een jaarlijks bedrag voor het gebruik van een (eigen) auto of (rolstoel) taxi is gelijk aan het maximaal aantal kilometers waarin de Wmo compenseert (2000km) vermenigvuldigd met een kilometervergoeding die aansluit bij de richtlijnen van de VNG. De kilometervergoeding is een forfaitair bedrag voor gebruik van eigen auto of vervoer, bedoeld voor kosten zoals brandstof, afschrijving, verzekering en onderhoud.

11

5.

Indien het pgb is gebaseerd op een bedrag per uur, dagdeel of etmaal, wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee soorten tarieven afhankelijk van het type dienstverlener: a.

voor een pgb-aanbieder geldt het professionele tarief;

b.

voor hulp geboden door een persoon uit de familie in de eerste of tweede graad of het sociale netwerk van de cliënt (informele ondersteuning) geldt het informele tarief, ook als deze persoon een professional is;

6.

De tarieven uit lid 5 staan gepubliceerd op de website van het college. Daarbij geldt dat: a.

Het professionele tarief voor hulp bij het huishouden is gelijk aan 90% van het tarief zoals door het college afgesproken met gecontracteerde aanbieders:

b.

Het professionele tarief voor begeleiding en verzorging, beschermd thuis en trainingshuis is gelijk aan 85% van het tarief zoals door het college is afgesproken met gecontracteerde aanbieders:

c.

Het professionele tarief voor behandeling (jeugdwet) en dyslexiezorg is gelijk aan 90% van het tarief zoals door het college is afgesproken met gecontracteerde aanbieders:

d.

Het professionele tarief voor locatie gebonden zorg zoals dagbesteding, logeeropvang en

(jeugdwet) dagbehandeling is gelijk aan 90% van het tarief zoals door het college is afgesproken met gecontracteerde aanbieders: e.

Het professionele tarief voor beschermd wonen intramuraal licht, middel en zwaar is gelijk aan respectievelijk 55%, 62% en 66% van het tarief zoals door het college is afgesproken met gecontracteerde aanbieders.

f.

Het professionele tarief voor vervoer is gelijk aan het tarief zoals door het college is afgesproken met gecontracteerde aanbieders;

g.

Het informele tarief voor jeugdhulp en Wmo-voorzieningen is gebaseerd op het wettelijk

minimumloon vermeerderd met een opslag van 37% voor vakantietoeslag en werkgeverslasten; h.

De tarieven worden een keer per jaar, per 1 januari, vernieuwd. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de indexaties van de tarieven van de aanbieders en het minimumloon zoals

bekend op 31 oktober jongstleden. Artikel 16. Regels voor pgb-beheer 1.

Pgb-beheer is het regie voeren over de (ingekochte) ondersteuning. De cliënt doet het pgbbeheer in beginsel zelf. Als de cliënt het pgb-beheer niet zelf uit kan voeren, kan dat gedaan worden met de hulp van iemand uit het sociaal netwerk of een professional. Voor beschermd wonen geldt dat er altijd sprake moet zijn van pgb-beheer door een ander dan de budgethouder.

2.

Van een jeugdige jonger dan achttien jaar wordt verwacht dat hij de aan het pgb verbonden taken niet op een verantwoorde wijze kan uitvoeren.

3.

De pgb-beheerder kan de cliënt (of bij jeugdhulp ouder) ondersteunen in het pgb-beheer, maar kan niet volledig in de plaats treden van de cliënt (of bij jeugdhulp ouder). Een uitzondering hierop is familie in de eerste of tweede graad of, indien de cliënt ouder is dan achttien jaar, de ouder. 12

4.

De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de cliënt en de pgb aanbieder dan wel informele ondersteuners.

5.

De professionele pgb-beheerder levert zijn diensten tegen marktconform tarief. Het college of de andere organisatie kan vragen om een bewijs van betaling.

6.

De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt en stelt het belang van de cliënt centraal en, in geval van jeugdhulp, het belang van de jeugdige. Van belangenverstrengeling mag geen sprake zijn. Hier is in ieder geval sprake van in de volgend situaties: a.

als de pgb-beheerder de pgb-aanbieder is, diens vast/flexibel personeel of op andere wijze aan de pgb-aanbieder verbonden persoon.

b. 7.

bij jeugdhulp: als de jeugdhulp ook is gericht op de ouder die pgb-beheerder is.

De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van melding van de hulpvraag tot evaluatie van de zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is integraal aanspreekpunt voor zowel de gemeente als de pgb-aanbieder dan wel de informele ondersteuners.

8.

De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.

9.

De budgethouder dient de pgb-administratie 7 jaar te bewaren.

Artikel 17. Regels voor de pgb-aanbieder 1.

Dit artikel geeft regels voor de pgb-aanbieder en zijn eventuele onderaannemer die wordt gefinancierd uit het pgb.

2.

De pgb-aanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in bijlage 2 van deze verordening en de productbeschrijving van de toegekende maatwerkvoorziening.

3.

Het college kan een aanbieder in een aanbestedingstraject al op kwaliteit beoordeeld hebben. Wanneer het college de kwaliteit van die aanbieder negatief beoordeelde, worden 1 jaar na die beoordeling geen pgb’s aan een cliënt toegekend voor deze aanbieder. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit van de aanbieder zodanig verbeterd is of aan de kwaliteitseisen voldaan wordt, kan de aanbieder bij het college het verzoek indienen om opnieuw beoordeeld te worden.

4.

Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen een gevolg is van verwijtbaar handelen of wanneer er is sprake van voortdurende wanprestatie, kan het college een waarschuwing geven en/of de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.

Artikel 18. Regels voor pgb informele ondersteuning 1.

Een cliënt met een pgb kan jeugdhulp en beschermd wonen alleen in zijn sociaal netwerk afnemen als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt. Het besteden binnen het sociaal netwerk moet doelmatiger zijn dan besteding daarbuiten.

13

2.

De persoon uit het sociaal netwerk moet minstens 18 jaar oud zijn en beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ of ‘screeningsprofiel 75’ of ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’. Deze VOG is bij de start van de hulp nooit ouder dan drie maanden.

Artikel 19 Weigeringsgronden pgb 1.

De wet bevat voorwaarden en weigeringsgronden om een pgb wel of niet te verstrekken. Aanvullend daarop wordt een pgb niet of niet langer verstrekt wanneer: a.

de Wet Schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) op een cliënt van toepassing is en/of de cliënt onder bewind is gesteld;

b.

op grond van aanwijzingen uit het onderzoek in artikel 5 van deze verordening het ernstige vermoeden is ontstaan dat de cliënt problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb. Dit is onder andere het geval wanneer de cliënt last heeft van verslavings- of schuldenproblematiek of een verleden kent van misbruik van en/of fraude met een pgb;

c.

er sprake is van maatschappelijke opvang;

d.

er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen verstrekking van een pgb.

e. 2.

er niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in deze verordening

Aanvullend daarop wordt een pgb in het sociaal netwerk alleen verstrekt wanneer: a.

de persoon uit het sociaal netwerk aantoonbare deskundigheid/bekwaamheid heeft voor

de te bieden hulp; b.

de persoon uit het sociaal netwerk inkomstenderving lijdt omdat diegene minder is gaan werken om (meer) mantelzorg te kunnen blijven bieden. Dit geldt ook voor het moeten organiseren van extra oppas voor andere kinderen, zodat aan het betreffende kind intensieve mantelzorg geboden kan worden;

c.

het kind dat zorg ontvangt is niet van schoolgaande leeftijd, behalve wanneer de zorg ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is en/of er sprake is van (veelvuldige) schooluitval door de ziekte of beperking;

d.

het niet in het belang van de ontwikkeling van het kind is dat er sprake is van

professionele distantie 3.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt waarvoor het bedoeld is.

Artikel 20 Besteding en verantwoording van het pgb 1.

De cliënt stemt in met en houdt zich aan de regels van de gemeente zoals opgenomen in deze verordening, de beschikking en het pgb-plan.

2.

De cliënt met een pgb is een budgethouder. Budgethouders mogen het pgb niet gebruiken voor: a.

kosten voor tussenpersonen, belangenbehartigers of bemiddeling;

b.

kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb; 14

c.

huur, eten en drinken;

d.

bijdrage in de kosten;

e.

contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo

f.

kosten voor het volgen van cursussen over het pgb of het bestellen van informatiemateriaal;

g. 3.

kosten voor ondersteuning bij het inkopen van zorg buiten EU-landen.

De budgethouder verantwoordt zijn uitgaven in het pgb aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Wanneer sprake is van maandbedragen, moeten de budgethouder en de pgb-aanbieder de geleverde zorg kunnen verantwoorden in uren en/of dagdelen. Bij een eenmalige pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of vervoersmiddelen verantwoordt de budgethouder de uitgaven door op verzoek een factuur te overleggen aan het college of de andere organisatie.

Hoofdstuk 5 Bijdragen en tegemoetkomingen

Dit hoofdstuk gaat over de verplichte eigen bijdrage voor een algemene of maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Ook worden eventuele tegemoetkomingen in kosten van de inwoner behandeld.

Artikel 21. Bijdrage in de kosten Wmo 2015 1.

Een cliënt betaalt in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als de aanbieder die bijdrage vraagt.

2.

Een cliënt betaalt in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een maatwerkvoorziening. Het betalen van de eigen bijdrage hoeft niet voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a.

dagbesteding (arbeidsmatig, ontwikkelingsgericht of voor ouderen);

b.

eenmalige tegemoetkoming meerkosten;

c.

handbike;

d.

pendel;

e.

rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning);

f.

vergoeding voor de wijziging van geslachtsregistratie (artikel 25 van deze verordening);

g. 3.

woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n).

Bij een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing voor een minderjarige wordt de bijdrage in de kosten betaald door: a.

de onderhoudsplichtige ouders, en

b.

degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige.

15

De bijdrage hoeft niet betaald te worden als de ouders geen gezag meer hebben over de minderjarige. 4.

Een cliënt betaalt een bijdrage in de kosten voor het gebruik van de algemene voorziening en maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. Het vaststellen en innen van de eigen bijdrage voor de voorziening maatschappelijke opvang vindt plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt, tenzij het college in de afspraken met de aanbieder hiervan afwijkt. Voor de (tijdelijke) uitbreiding van de opvangcapaciteit met een voorziening, waar zowel maatwerkvoorzieningen opvang worden geboden, als eerste opvang (zonder beschikking) na beoordeling van de Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang (GGD) geldt een afwijkende eigen bijdrage van 12 euro per dag.

5.

Voor het gebruik van collectief vervoer betaalt de cliënt een vergoeding in de kosten die vergelijkbaar is met de kosten van het openbaar vervoer.

Artikel 22. Berekening en hoogte bijdrage in de kosten voorzieningen (Wmo 2015) 1.

De bijdrage in de kosten is nooit hoger dan de maximale bijdrage die op grond van wet mag worden gevraagd en nooit hoger dan de kostprijs van de voorziening. Die kostprijs is gelijk aan de goedkoopst passende voorziening. Dit geldt ook voor het pgb.

2.

De kostprijs van de voorziening die wordt gebruikt voor de berekening van de bijdrage in de kosten wordt als volgt bepaald: a.

De kostprijs van een voorziening kan per periode ofwel eenheid worden bepaald; b.

De kostprijs voor een voorziening in natura is gelijk aan de vergoeding die het college moet betalen aan de aanbieder.

3.

De kostprijs voor een maatwerkvoorziening in pgb is gelijk aan de hoogte van het aan de cliënt verstrekte pgb.

Artikel 23. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders 1.

Het college geeft in overleg met mantelzorgers en Mantelzorg Nijmegen invulling aan een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers en evalueert de tevredenheid van mantelzorgers hiermee vierjaarlijks. De jaarlijkse blijk van waardering wordt invulling gegeven middels: a.

De viering van de dag van de mantelzorger met diverse activiteiten binnen de gemeente

b. 2.

Het uitreiken van een presentje als waardering rond de dag van de mantelzorger.

Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders.

Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten inwoners met een beperking of chronische problemen 1.

Sommige inwoners hebben een beperking of chronisch psychische of psychosociale

problemen. Deze inwoners kunnen daardoor aannemelijke meerkosten hebben. Het college kan in dat geval een tegemoetkoming hiervoor verstrekken.

16

2.

De tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.500. Dit bedrag is bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.

3.

De maximale tegemoetkoming voor meerkosten voor het logeerbaar maken van een woning is € 5.000,-.

4.

De maximale tegemoetkoming voor meerkosten voor een woningsanering is: a.

voor zeil, linoleum of rolstoelvast tapijt € 53,- per meter (kamerbreed) inclusief egalisatiekosten;

b. 5.

voor gordijnen €15,- per meter.

De maximale tegemoetkoming voor meerkosten voor huurderving is gelijk aan de tegenwaarde van zes maanden de netto (kale) huurprijs. De tegemoetkoming wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan €4.628,56.

6.

Het college kan een eenmalige tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken aan inwoners die meerkosten hebben voor hun huisvesting tijdens de realisatie van een verstrekte of te verstrekken woningaanpassing. De tegemoetkoming voor meerkosten voor tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van de kosten per maand van een sociale huurwoning met een maandelijkse huur van maximaal de huurgrens zoals vastgesteld door de Rijksoverheid.

7.

Het college kan nadere regels opstellen over de manier van aanvragen, voorwaarden om in aanmerking te komen, de manier van beoordeling en uitbetaling van de tegemoetkoming.

Artikel 25 Tegemoetkoming geslachtsregistratie 1.

Het college kan aan inwoners een tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een wijziging van de geslachtsregistratie in de basisregistratie personen (BRP).

2.

Een inwoner kan een aanvraag pas indienen nadat de wijziging van de BRP is aangevraagd.

3.

Een inwoner kan een tegemoetkoming aanvragen voor de volgende kosten: a.

kosten voor de deskundigenbeoordeling- en/of verklaring in het kader van de wijziging geslachtsregistratie van man naar vrouw of andersom, of

b.

een gedeeltelijke vergoeding voor de eigen bijdrage van rechtbankkosten voor het wijzigen van de geslachtsregistratie van man of vrouw naar geslacht onbekend. De eigen bijdrage is gebaseerd is op het tarief lage inkomens van de Raad voor de Rechtsbijstand; en

c.

legeskosten voor de aanpassing van de inschrijving in de BRP, een (nieuw) rijbewijs en identiteitsbewijs.

17

4.

Voor wat betreft het identiteitsbewijs wordt alleen het paspoort of de identiteitskaart vergoed. Er is geen vergoeding mogelijk voor beide documenten.

5.

Alleen eerdergenoemde kosten gemaakt vanaf 1 januari 2022 kunnen worden vergoed.

6.

De maximale hoogte van de tegemoetkoming is 520 euro.

Hoofdstuk 6 Kwaliteitseisen

In dit hoofdstuk komen kwaliteitseisen voor de (pgb-)aanbieder aan bod. Artikel 26. Kwaliteitseisen 1.

De aanbieder dient te voldoen aan kwaliteitseisen. Deze zijn in ieder geval dat de aanbieder: a.

goed samenwerkt en afstemt met andere professionals en het sociaal netwerk van de cliënt;

b.

zelfregie en samenredzaamheid stimuleert;

c.

bijdraagt aan een inclusieve samenleving;

d.

invulling geeft aan diversiteitsbeleid, cultuursensitief en LHBTIQ+ sensitief werken;

e.

zorgt voor een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundige beroepskrachten door: voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en andere vormen van zorg af te stemmen en toe te zien dat het personeel tijdens het leveren van voorzieningen handelen volgens de professionele standaard.

2.

Het college kan verdere kwaliteitseisen aan voorzieningen bepalen.

3.

Het college controleert naleving van de kwaliteitseisen door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Indien nodig controleert het college met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen.

4.

Als de aanbieder een onderaannemer wil inschakelen, vraagt hij het college eerst om toestemming. De oorspronkelijke aanbieder is verantwoordelijk voor de (gedeeltelijke) uitvoering door de onderaannemer. Het college kan hierover nadere regels opstellen.

Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.

Wanneer calamiteiten of geweld bij het verstrekken van een voorziening door de aanbieder plaatsvinden, moet de cliënt hierover melding kunnen doen. Het college treft hiervoor een regeling. Ook wijst het college een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen.

2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthoudend ambtenaar.

3.

De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning. Daarnaast

18

adviseert de toezichthoudend ambtenaar het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.

Het college kan nadere regels stellen over de eisen bij het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen 1.

Het college zorgt voor een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van voorzieningen. Dit doet het college door een redelijk tarief te bepalen bij de inkoop.

2.

Het redelijk tarief wordt bepaald door markt- en/of tarievenonderzoek of in overleg met de mogelijke aanbieder(s).

3.

Bij de inkoop van een voorziening stelt het college, voor zover relevant, vast: a.

het tarief van het product en de installatie en het onderhoud ervan;

b.

het tarief van de dienst per minuut, uur, dagdeel, etmaal, traject groep of locatie;

c.

het tarief voor de beschikbaarheid van de dienstverlening;

d.

een methode voor het bepalen van het tarief per locatie, groep of dienstverlening;

e.

de methode om het tarief periodiek te indexeren;

f.

de mogelijkheden om een reëel tarief te herzien voor een actuele opdracht vanwege een ontwikkeling in kostprijselementen;

g.

de mogelijkheden om het tarief voor een aanbieder te verlagen wanneer hij niet voldoet aan de contractuele eisen.

4.

Bij het vaststellen van het tarief voor het leveren van een voorziening houdt het college ieder geval rekening met de kosten verbonden aan: a.

kosten voor materialen;

b.

kosten voor productieve uren van het benodigde personeel;

c.

kosten voor niet-productieve uren van het personeel vanwege verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

5.

d.

redelijke overheadkosten;

e.

kosten voor indexering.

Het college spreekt met aanbieders af dat het verlenen van voorzieningen alleen uitbesteed mag worden aan een onderaannemer als zij die onderaannemer een reële prijs betalen.

6.

In afwijking van lid 4, wordt het tarief voor woningaanpassingen vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte, voor zover deze voldoet aan de eisen bepaald in het onderzoek.

7.

Het college kan nadere regels opstellen voor de invulling van dit artikel en de wijze waarop deze worden gewogen.

8.

Het college kan de reële prijs buiten beschouwing laten. Dit kan alleen wanneer bij de inschrijving op de aanbesteding een prijs voor de dienst te vragen die gebaseerd is op het 19

bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 29. Klachtregeling en medezeggenschap 1.

Het college zorgt voor een klachtregeling. In deze regeling wordt opgenomen hoe klachten van cliënten over het melden en aanvragen van voorzieningen afgehandeld worden.

2.

Aanbieders van voorzieningen zorgen voor een klachtregeling. In deze regeling wordt opgenomen hoe klachten van cliënten afgehandeld worden.

3.

Aanbieders van voorzieningen zorgen voor de mogelijkheden tot medezeggenschap door cliënten Deze medezeggenschap richt zich op voorgenomen besluiten van de aanbieder die van belang kunnen zijn voor cliënten.

4.

Het college controleert de naleving van de klachtregelingen en de mogelijkheid tot medezeggenschap door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college periodieke gesprekken met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Hoofdstuk 7 Controle, toezicht en handhaving Paragraaf 7.1 Reikwijdte Artikel 30. Controle en onderzoek 1.

Dit hoofdstuk gaat over controle, toezicht en handhaving op de ondersteuning die op grond van de wet, nadere regelgeving, afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. Deze ondersteuning kan een maatwerkvoorziening zijn of een pgb.

2.

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt voor of besteed aan het doel waarvoor ze zijn verstrekt. Het college kan hierover nadere regels opstellen.

3.

Het college ziet toe op de naleving van de Wmo 2015 (op het gebied van kwaliteit en rechtmatigheid) en Jeugdwet (op het gebied van rechtmatigheid). Ook let het college op de naleving van de op basis van de wet opgestelde overeenkomsten of subsidiebesluiten. Hiervoor wijst het college toezichthouders aan.

Paragraaf 7.2 Onderzoeksfase Artikel 31 Toezicht 1.

De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden volgens de regels in de wet. In het onderzoek komt de werkwijze, kwaliteit en rechtmatigheid van de ondersteuning aan bod.

2.

Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden.

20

3.

Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten.

4.

De volgende typen onderzoek kunnen worden ingezet: a.

kwaliteitscontrole: een onderzoek of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is;

b.

materiële controle: een onderzoek of de door de aanbieder gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze prestatie past bij de indicatie;

c.

formele controle: een onderzoek of het door de aanbieder gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de wet, overeenkomst of het subsidiebesluit;

d.

detailcontrole: onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens van

cliënten. Met de uitkomsten van die onderzoek kan een materiële controle of fraudeonderzoek uitgevoerd worden; e.

fraudeonderzoek: onderzoek waarbij nagegaan wordt of fraude in de vorm van valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering gepleegd is of wordt. Met de fraude wordt een betaling of een ander voordeel verkregen waarop iemand geen recht heeft of kan hebben. Fraude kan gepleegd worden door de (pgb-)aanbieder en de pgb-budgethouder.

5.

De typen onderzoek uit lid 4 van dit artikel worden proportioneel ingezet. Om dit te borgen stelt het college een controleplan op. Daarin wordt een escalatieladder opgenomen.

Artikel 32 Bevel 1.

Als de toezichthouder oordeelt dat een situatie zo ernstig is dat het nemen van maatregelen niet kan wachten, kan de toezichthouder namens het college een schriftelijk bevel met maatregelen sturen aan een aanbieder. Wanneer dit om een pgb-aanbieder gaat, stelt de toezichthouder de budgethouder zo snel mogelijk op de hoogte van het bevel.

2.

Als volgens de toezichthouder een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan zij het bevel mondeling geven. Daarna stelt de toezichthouder zo snel mogelijk het schriftelijk bevel op.

3.

De toezichthouder stuurt een kopie van het bevel naar het college.

4.

Het bevel van de toezichthouder geldt voor maximaal 7 dagen. Daarna kan het college het bevel verlengen.

5.

De aanbieder neemt de maatregelen uit het bevel binnen de gestelde termijn. Wanneer de maatregelen volledig zijn uitgevoerd, meldt de aanbieder zich bij de toezichthouder. Bij een pgb-aanbieder doet de budgethouder dit.

Artikel 33 Inspectierapport 1.

De toezichthouder stelt naar aanleiding van zijn onderzoek een inspectierapport op. In het inspectierapport neemt hij zijn bevindingen en oordeel op.

2.

Als de toezichthouder oordeelt dat de regels uit de wet niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het inspectierapport. 21

3.

De toezichthouder stuurt de aanbieder het conceptrapport. De aanbieder kan binnen 14 dagen op feitelijke onjuistheden in dat conceptrapport reageren. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage of past het rapport hierop aan.

4.

De toezichthouder stuurt het definitieve inspectierapport aan de aanbieder en het college. Het college zorgt voor verzending naar eventuele budgethouders.

5.

De toezichthouder maakt het inspectierapport openbaar, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten.

Paragraaf 7.3 Herstelfase Artikel 34 Aanwijzing 1.

Als blijkt dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen uit de wet, onderliggende regels of de overeenkomst, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op het eindigen van de tekortkoming(en) en het voorkomen van herhaling.

2.

Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de ernst en omvang van de tekortkoming zich daartegen verzet. Bij fraude kan het college vanwege het doelbewust onrechtmatig handelen direct sancties opleggen, de overeenkomst ontbinden en het subsidiebesluit intrekken.

3.

4.

In de aanwijzing uit lid 2 van dit artikel geeft het college onderbouwd aan: a.

welke eisen niet of onvoldoende worden nageleefd,

b.

de in verband daarmee te nemen maatregelen;

c.

de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen.

Het college kan tijdens het hersteltraject andere maatregelen zoals een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit neemt het college op in de schriftelijke aanwijzing. Andere maatregelen worden alleen ingesteld als de situatie daar aanleiding toe geeft.

5.

Het college kan besluiten onderdelen van het hersteltraject over te slaan of te herhalen. Dit kan alleen wanneer de tekortkoming hiertoe aanleiding geeft.

Artikel 35 Hersteltermijn 1.

De hersteltermijn duurt als uitgangspunt 12 weken.

2.

Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de tekortkoming binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 36 Cliëntenstop en verscherpt toezicht 1.

Tijdens het hersteltraject of bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat: a.

geen nieuwe cliënten aan de aanbieder worden toegewezen;

22

b.

geen nieuwe pgb worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

c.

geen nieuwe indicaties of verlengingen van indicaties aan de aanbieder worden toegewezen, geen pgb worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

d.

de aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een pgb ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder.

2.

De aanbieder of de budgethouder wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

3.

Tijdens het verscherpt toezicht houdt de aanbieder of de budgethouder de toezichthouder met een rapportage periodiek op de hoogte over de verbeteringen.

Artikel 37 Vervolgonderzoeksrapport 1.

Na de hersteltermijn uit artikel 30 van deze verordening toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw.

2.

De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Dit gaat op dezelfde wijze zoals beschreven in artikel 28 van deze verordening.

Paragraaf 7.4 Handhavingsfase Artikel 38 Handhavingsmaatregelen 1.

Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder kan het college herstelsancties opleggen. Deze sancties zijn:

2.

a.

(opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven;

b.

een last onder bestuursdwang opleggen;

c.

een last onder dwangsom opleggen.

Het college kan daarnaast: a.

de aanbieder verbieden de levering van de voorziening voort te zetten wanneer hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt;

b.

de toekenning van het pgb aan de budgethouder intrekken, waarbij recht op ondersteuning in natura of van een andere pgb-aanbieder niet aangetast wordt.

Artikel 39 Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling 1.

Naast sancties op grond van deze verordening kunnen privaatrechtelijke maatregelen genomen worden. Dit kan alleen op grond van contractuele afspraken tussen het college en de aanbieder.

2.

Een privaatrechtelijke maatregel is ingebrekestelling. Wanneer een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten over te gaan op schriftelijke ingebrekestelling. 23

3.

Na de hersteltermijn uit de ingebrekestelling, kan het college de overeenkomst ontbinden. Dit kan alleen wanneer de contractuele afspraken na die termijn nog niet (volledig) zijn nagekomen.

4.

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken de betaling van het pgb geheel of gedeeltelijk te beëindigen, weigeren of uit te stellen.

5.

De maatregelen die het college neemt staan in redelijke verhouding tot de vorm of ernst van de overtreding of melding.

Paragraaf 7.5 Overige bepalingen Artikel 40 Register 1.

Het college publiceert een actueel register met gecontracteerde aanbieders.

2.

Een cliëntenstop bij de aanbieder wordt in het register vermeld.

Artikel 41 Meldingsplicht 1.

Een aanbieder of budgethouder is verplicht zo snel mogelijk bij het college te melden dat niet langer aan de eisen uit de wet of de overeenkomst voldaan kan worden.

2.

Na deze melding treedt het college in overleg met de aanbieder of budgethouder. In het overleg wordt besproken op welke manier en binnen welke termijn aan de eisen uit de wet of de overeenkomst kan worden voldaan.

Hoofdstuk 8 Overig Artikel 42. Betrekken van inwoners bij het beleid 1.

Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Ook raadpleegt het college cliënten of hun vertegenwoordigers. Dit doet het college op de manier omschreven in artikel 150 van de Gemeentewet.

2.

Inwoners kunnen tijdig voorstellen voor het beleid uit lid 1 doen en deelnemen aan periodiek overleg. Hierbij kunnen zij zelf onderwerpen aanmelden voor de agenda. Daarnaast zorgt het college ervoor dat inwoners tijdig advies kunnen uitbrengen over de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen. Inwoners worden ondersteund om deze rol effectief te kunnen vervullen. Het college kan hierover nadere regels vaststellen.

Artikel 43. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2025 wordt ingetrokken.

2.

Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2025. Dit geldt totdat het

24

college een nieuw besluit heeft genomen en het voorgaande besluit waarmee de voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken. 3.

Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening.

4.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2025, wordt beslist volgens het bepaalde in die verordening. Dit geldt niet wanneer dat voor de bezwaarmaker nadelig is in vergelijking met deze verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=22a29893-6e7f-4fe3-86c2-b79dd82bb930