CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 17 Verkennend bodemonderzoek

Besluitronde (raadsvergadering) 24 april 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021 -2 (Voormalige locatie ROC Zwanenveld) en Beeldkwaliteitsplan Zwanenpark (24/2024)5.411 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VERKENNEND BODEMONDERZOEK ZWANENVELD 4101, 4301 EN 4303 GEMEENTE NIJMEGEN

Project:

NIJ.M22.NEN

Rapportnummer:

05102470

Status:

Eindrapportage

Datum:

6 december 2005

Opdrachtgever:

MVO Projecten bv Havenstraat 128 7005 AG Doetinchem Tel. 0314 - 372850 Fax 0314 - 372851

Contactpersoon:

Dhr. J.W. Bracco Gartner

Uitvoerder:

Econsultancy bv Havenstraat 124 7005 AG Doetinchem Tel. 0314 - 365150 Fax 0314 - 365177 Mail Doetinchem@Econsultancy.nl

Opsteller:

Ing. H.J.H. Jolink Paraaf:

Kwaliteitscontroleur:

Ing. M.G.M. Hammink Paraaf:

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2.

VOORONDERZOEK................................................................................................................... 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11

Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 1 Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek ................................................................. 1 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en)................................................................................. 3 Belendende percelen ........................................................................................................ 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Informatie regionale achtergrondwaarden ........................................................................ 4 Bodemopbouw .................................................................................................................. 4 Geohydrologie .................................................................................................................. 4

3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE ...................................................................................................... 5

4.

VELDWERK ................................................................................................................................ 5 4.1 4.2

5.

ANALYSERESULTATEN ........................................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3

6.

Algemeen.......................................................................................................................... 5 Zintuiglijke waarnemingen ................................................................................................ 6 4.2.1 Grond.................................................................................................................. 6 4.2.2 Grondwater ......................................................................................................... 7

Uitvoering analyses .......................................................................................................... 8 Interpretatie analyseresultaten ....................................................................................... 10 Resultaten grond- en grondwatermonsters en asbestverdacht materiaal ..................... 11

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 13

BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 2c. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Kadastrale gegevens - Boorprofielen - Analyseresultaten - Toetsingstabellen analyseresultaten - Toetsingstabel streef- en interventiewaarden - Detectielimieten en analysemethoden - Geraadpleegde bronnen - Uitgevoerde bodemonderzoeken - Achtergrondwaarden 05102470 NIJ.M22.NEN

1.

INLEIDING

Econsultancy bv heeft van MVO Projecten bv opdracht gekregen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek aan de Zwanenveld 4101, 4301 en 4303 in de gemeente Nijmegen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen aankoop van de onderzoekslocatie, alsmede de Bouwverordening. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel vast te stellen of er op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is. Het vooronderzoek is verricht conform de NVN 5725 Bodem: "Leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek" (VROM, 1999). Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 Bodem: "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond" (VROM, 1999). Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd volgens de geldende NEN-normen en/of richtlijnen, waaronder de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek". De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (circulaire: Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering, februari 2000). Tevens is rekening gehouden met de achtergrondgehalten in de grond, zoals deze door de gemeente Nijmegen zijn vastgesteld.

2.

VOORONDERZOEK

2.1

Geraadpleegde bronnen

De informatie over de onderzoekslocatie is gebaseerd op de bij de gemeente Nijmegen aanwezige informatie (contactpersoon mevrouw A. van Eekeren), informatie verkregen van de opdrachtgever (contactpersoon de heer J.W. Bracco Gartner) en informatie verkregen uit de op 21 oktober 2005 uitgevoerde terreininspectie. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over:     

het historische, huidige en toekomstige gebruik; eventuele calamiteiten; eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken; de bodemopbouw en geohydrologie; verhardingen, kabels en leidingen.

Bijlage 8 geeft een overzicht van de geraadpleegde bronnen. 2.2

Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek

Het vooronderzoek omvat de onderzoekslocatie en de direct hieraan grenzende percelen. De onderzoekslocatie (± 3,5 ha) ligt aan de Zwanenveld 4101, 4301 en 4303, circa 4,5 km ten zuidwesten van de kern van Nijmegen, in het stadsdeel Dukenburg (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Neerbosch, sectie K, nummers 2064 en 432 (zie bijlage 2c). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 40 C, 2004 (schaal 1:25.000), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 8,5 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 183.850, Y = 426.250. 05102470 NIJ.M22.NEN

1

2.3

Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie

Volgens de Grote Historische Atlas van Nederland, deel 3 "Oost Nederland 1830-1855", kaartblad 40, 1990 (schaal 1:50.000) was de locatie, alsmede de omgeving ervan, destijds in agrarisch gebruik en werd extensief bewoond. Uit kaartmateriaal daterend uit het begin van de vorige eeuw blijkt dat de onderzoekslocatie reeds was bebouwd met vermoedelijk een boerderij en enkele schuren. Het noordoostelijk deel was in gebruik als boomgaard. Het westelijk deel was voornamelijk is gebruik als weide en deels in gebruik als boomgaard. In figuur I is een luchtfoto van de onderzoekslocatie opgenomen, daterend uit 1949. In de periode 1944 tot 1955 is er volgens de provincie Gelderland (VOS, 2000) vermoedelijk huishoudelijk afval en grof vuil op de onderzoekslocatie gestort. Er heeft echter nooit een veldinventarisatie plaatsgevonden. Uit de beschikbare luchtfoto's uit die periode (1937, 1949 en 1964) is niet direct een stortlocatie aan te wijzen. De onderzoekslocatie is in 1975 bebouwd met een school (Chr. Scholengemeenschap "De Klokkenberg" en een sportgebouw. In 1979 heeft een uitbreiding plaatsgevonden. De school is ingericht ten behoeve van onderwijs in bouw-, metaal-, installatie- en motorvoertuigentechniek, horeca, brood/banket en transport/logistiek. Figuur I.

Onderzoekslocatie 1949

In de huidige situatie is de locatie in gebruik door Streekschool Nijmegen (R.O.C.). Ten noorden van sector horeca en brood/banket bevindt zich een olie-/vetafscheider. Voor zover bij de opdrachtgever en de gemeente Nijmegen bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie. In figuur II is een luchtfoto van de onderzoekslocatie opgenomen, daterend uit 2002. Figuur II.

Onderzoekslocatie 2002

Uit informatie van de gemeente Nijmegen blijkt dat de huidige activiteiten op de onderzoekslocatie vallen onder de werkingssfeer van het Besluit scholen en opleidingsinstituten milieubeheer.

05102470 NIJ.M22.NEN

2

Hiertoe is op 3 juli 1996 een melding verricht. Aan deze melding zijn geen voorschriften met betrekking tot het uitvoeren van een nulsituatie-bodemonderzoek verbonden. Door de gemeente Nijmegen zijn een aantal controles uitgevoerd op naleving van de voorschriften behorende bij het Besluit. Er zijn geen tekortkomingen van bodembedreigende aard geconstateerd. 2.4

Calamiteiten

Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de gemeente Nijmegen blijkt niet dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 2.5

Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en)

In maart 2003 is door Arcadis in opdracht van de gemeente Nijmegen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk: 110301/OF3/0T4/001005/401/dh, zie bijlage 9). Op de onderzoekslocatie zijn destijds 20 boringen tot 0,5 m -mv, 4 boringen tot 2,0 m -mv en 4 peilbuizen geplaatst. Er zijn 3 mengmonsters van de bovengrond en 3 mengmonsters van de ondergrond geanalyseerd. Zintuiglijk zijn in de bovengrond plaatselijk puindelen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat bijna de gehele bovengrond licht verontreinigd is met PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met chroom en zink. Een met puindelen verontreinigd bovengrondmonster is separaat geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Er is geen asbest aangetoond. 2.6

Belendende percelen

De onderzoekslocatie is gelegen in de bebouwde kom van Nijmegen, in het stadsdeel Dukenburg. In bijlage 8 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de belendende percelen opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt:   

aan de noordzijde bevindt zich een spoorlijn; aan de oostzijde bevinden zich een openbare weg en het Maas-Waalkanaal; aan de zuid- en westzijde bevinden zich woonhuizen met tuinen (wijk Zwanenveld).

Uit de verzamelde informatie blijkt dat er vanuit de omliggende percelen geen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. Van de omliggende percelen zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend. 2.7

Terreininspectie

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 2.3. Afgezien van de potentiële bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging, welke middels het vooronderzoek zijn geïdentificeerd (zijnde de olie-/vetafscheider, de voormalige werkplaats mechanische techniek en de werkplaats motorvoertuigentechniek), zijn er tijdens de terreininspectie geen aanvullende potentiële bronnen aangetroffen. Gelet op het feit dat de situering van een eventuele voormalige stortplaats op de locatie onbekend is, alsmede het feit dat tijdens het verkennend bodemonderzoek in 2003 geen stortmateriaal is waargenomen, is de voormalige stortplaats niet als deellocatie aangemerkt.

05102470 NIJ.M22.NEN

3

Op het maaiveld op het noordoostelijk deel van de locatie (achterzijde sportgebouw) zijn enkele asbestverdachte plaatmaterialen waargenomen. Het opper2 vlak bedraagt ± 5 m . Figuur III betreft een foto van het betreffende terreindeel.

Figuur III.

2.8

Asbestverdachte materialen op het maaiveld

Toekomstige situatie

De opdrachtgever is voornemens de locatie aan te kopen en nieuwbouw met parkeerkelders op de locatie te realiseren. 2.9

Informatie regionale achtergrondwaarden

De onderzoekslocatie is gelegen binnen de zone "1965-heden", van het gebied waarvoor de gemeente Nijmegen een bodemkwaliteitskaart heeft opgesteld. Binnen deze zone komen verhoogde gehalten aan metalen en PAK voor (zie bijlage 10). Regionaal komen verhoogde concentraties van metalen in het grondwater voor. 2.10

Bodemopbouw

De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland, kaartblad 40 West, 1974 (schaal 1:50.000), uit een gooreerdgrond, welke volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit grof zand, met grind ondieper dan 40 cm beginnend. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Twente. 2.11

Geohydrologie

Tectonisch gezien ligt de onderzoekslocatie op de Slenk van Venlo. Deze slenk wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Grave breuk. De breuk is noordwest gericht. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van ± 20 m en wordt gevormd door de grove en grindrijke Formaties van Veghel, Sterksel en Tegelen. Op deze fluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Twente, met een dikte van ± 3 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door mariene afzettingen van het Plioceen en het Boven-Mioceen.

05102470 NIJ.M22.NEN

4

Deze afzettingen bestaan uit fijne, sterk slibhoudende glauconiethoudende zanden en kleien. Het bovenste deel van deze complexe eenheid bestaat uit klei met bruinkoolinschakelingen. De gemiddelde grondwaterstand van het freatisch grondwater bedraagt ± 7 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,5 m -mv zou bevinden. Zowel het freatisch grondwater als het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, kaartblad 40 West, 1978 (schaal 1:50.000), globaal in noordoostelijke richting. Op een afstand van circa 50 m ten oosten van de locatie bevindt zich het Maas-Waalkanaal. De Waal stroomt op een afstand van circa 4,5 km ten noordoosten van de locatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.

3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE

Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het vooronderzoek, een aantal deellocaties geïdentificeerd. In tabel I zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van een voormalige stortplaats is ter plaatse van deellocatie A rekening gehouden met de situering van de diepe boringen en de peilbuizen uit het verkennend bodemonderzoek uit 2003. Tabel I.

Onderzoeksstrategie Deellocatie

Oppervlakte

Verwachte stoffen

Onderzoeksstrategie

A: onverdacht terreindeel

± 3,5 ha

-

ONV

B: olie-/vetafscheider

< 10 m2

metalen, minerale olie, aromaten, oplosmiddelen

VEP

C: werkplaats motorvoertuigentechniek

375 m2

metalen, minerale olie, aromaten, oplosmiddelen

VEP

D: voormalige werkplaats mechanische techniek

270 m2

metalen, minerale olie, aromaten, oplosmiddelen

VEP

Onderzoeksstrategieën volgens NEN-5740: ONV : Onverdacht ONV-GR : Grootschalig onverdacht VEP : Verdacht, plaatselijke bodembelasting, (milieuvergunning/BSB) VEP-BO : Verdacht, plaatselijke bodembelasting, (BOOT/BSB) VED-HO : Verdacht, diffuse bodembelasting, homogene verontreiniging VED-HE : Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging NUL : Nulsituatie (milieuvergunning) NUL-BO : Nulsituatie (milieuvergunning/BOOT)

4.

VELDWERK

4.1

Algemeen

Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, welke geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de onderzoeksprotocollen, zoals weergegeven in tabel I, en de ligging van kabels en leidingen.

05102470 NIJ.M22.NEN

5

Tevens is rekening gehouden met de situering van de diepe boringen en de peilbuizen uit het verkennend bodemonderzoek uit 2003, zodat meer inzicht in de kwaliteit van de ondergrond met betrekking tot het eventueel voorkomen van stortmateriaal wordt verkregen. Aan de hand van de geldende onderzoeksstrategieën zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals die in tabel II zijn vermeld. Het veldwerk is uitgevoerd op 21 en 24 oktober 2005. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Voor de geplaatste peilbuizen geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd en de ruimte tussen de wand van het boorgat en het peilfilter is opgevuld met filtergrind. Boven het filtergrind is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De peilfilters ter plaatse van de deellocatie C en D zijn snijdend aan de grondwaterspiegel geplaatst, teneinde een eventuele drijflaag te kunnen detecteren. De peilbuizen zijn direct na plaatsing afgepompt en na een week is het grondwater bemonsterd. Tabel II.

Uitgevoerde werkzaamheden

Deellocatie

Veldwerk Boringen/peilbuizen

Analyses Verharding

Grond

Grondwater

A: onverdacht terreindeel

26 (0,5 m -mv) 2 (1,0 m -mv) 2 (1,5 m -mv) 10 (2,0 m -mv) 2 (peilbuis)

klinkers, onverhard, beton (*A),

NEN-pakket (13x) (*C, 6x)

NEN-pakket (2x)

B: olie-/vetafscheider

1 (peilbuis)

onverhard

NVN-pakket ondergrond (1x)

NEN-pakket (1x)

C: werkplaats motorvoertuigentechniek

2 (2,0 m -mv) 1 (peilbuis) (*E)

klinkers, onverhard, beton (*A)

NVN-pakket ondergrond (1x)

NEN-pakket (1x)

D: voormalige werkplaats mechanische techniek

2 (2,0 m -mv) 1 (peilbuis) (*E)

klinkers, onverhard, beton (*A)

NVN-pakket ondergrond (1x)

NEN-pakket (1x)

(*A) (*B) (*C) (*D) (*E) (*F)

In verband met de aanwezigheid van betonnen vloeren, sporthalvloer, alsmede het feit dat de locatie in gebruik is als school, zijn de boringen op aangeven van de huidige eigenaar buiten de bebouwing geplaatst. Door deze verharding is geboord Inclusief organische stof en lutum (1x) Inclusief organische stof (1x) Filters snijdend aan de grondwaterspiegel Er zijn ter plaatse van deellocatie A minder peilbuizen geplaatst dan het protocol ONV voorschrijft. Echter, gelet op het feit dat de peilbuizen ter plaatse van de overige deellocaties eveneens op een NEN-pakket zijn geanalyseerd, wordt qua totaal aantal peilbuizen ten opzichte van het oppervlak van de gehele onderzoekslocatie voldaan aan het protocol ONV.

4.2

Zintuiglijke waarnemingen

4.2.1

Grond

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak humeus, zwak siltig, zwak tot sterk grindig, matig fijn tot zeer grof zand. De bovengrond is zwak tot matig humeus. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld op het noordoostelijk deel van de locatie van de onderzoekslocatie enkele asbestverdachte materialen waargenomen. In de bodem ter plaatse zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

05102470 NIJ.M22.NEN

6

Tabel III geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel III.

Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen

Boornummer

Traject

Einddiepte boring

Waargenomen verontreinigingen

A12

0,0-1,3 m -mv

2,0 m -mv

zwak puinhoudend

A14

0,0-0,5 m -mv

2,0 m -mv

brokken puin

A18

0,3-0,6 m -mv

1,5 m -mv

zwak puinhoudend, zwak kolengruishoudend

A19

0,5-1,0 m -mv

2,0 m -mv

zwak puinhoudend, matig kolengruishoudend

A26

0,3-0,6 m -mv

2,0 m -mv

zwak puinhoudend

A31

0,2-0,7 m -mv

3,0 m -mv

zwak puinhoudend

A32

0,2-0,6 m -mv

0,6 m -mv

zwak puinhoudend, zwak kolengruishoudend

A36

0,0-0,6 m -mv

1,1 m -mv

matig puinhoudend, zwak kolengruishoudend

A41

0,0-1,0 m -mv

2,0 m -mv

zwak puinhoudend

4.2.2

Grondwater

Tabel IV geeft een overzicht van de verdeling van de peilbuizen over de onderzoekslocatie en de grondwaterstanden die op 1 november 2005 zijn waargenomen. Tijdens de grondwaterbemonstering zijn er zintuiglijk géén verontreinigingen aangetroffen. De verlaagde pH en het geleidingsvermogen vertonen geen afwijkingen ten opzichte van regionaal bekende waarden. Tabel IV.

Overzicht grondwaterstand, pH en geleidingsvermogen van het grondwater

Peilbuisnummer

Situering peilbuis

Filterstelling (m -mv)

Grondwaterstand 1 november 2005 (m -mv)

pH (-)

EGV (μS/cm)

PBA17

ter plaatse van voormalige bebouwing noordelijk terreindeel

2,0-3,0

1,48

6,6

238

PBA31

ter plaatse van voormalige bebouwing zuidoostelijk terreindeel

2,0-3,0

1,54

5,7

335

PBB01

nabij olie-/vetafscheider

2,0-3,0

1,37

6,3

296

PBC01

stroomafwaarts werkplaats motorvoertuigentechniek

1,0-3,0

1,36

6,5

416

PBD01

stroomafwaarts voormalige werkplaats mechanische techniek

1,0-3,0

1,32

6,8

352

05102470 NIJ.M22.NEN

7

5.

ANALYSERESULTATEN

5.1

Uitvoering analyses

Alle te analyseren grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan ALcontrol Laboratories. Dit laboratorium is erkend door de Stichting Raad voor Accreditatie (STERLAB). In het laboratorium zijn in totaal 13 grondmengmonsters samengesteld en zijn 3 grondmonsters separaat ter analyse aangeboden. De 16 grond(meng)monsters en de 5 grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: - NEN-pakket grond:

droge stof, metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) en minerale olie;

- NVN-pakket ondergrond:

droge stofgehalte, metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX), extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) en minerale olie;

- NEN-pakket grondwater:

metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.

Tevens is van 3 grondmengmonsters van de bovengrond en van 3 grondmengmonsters van de ondergrond het organische stof- en lutumgehalte bepaald. In afwijking op de NEN 5740 is afgezien van het bepalen van het organische stof- en lutumgehalte van ieder grondmengmonster. Dit aangezien uit het veldwerk bleek, dat er geen noemenswaardige verschillen in de samenstelling van de bodem bestaan. Er is asbestverdacht plaatmateriaal ter analyse aangeboden aan ALcontrol Laboratories. Het is geanalyseerd op de volgende componenten: - asbest (kwalitatief):

serpentijns asbest (chrysotiel), amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet) en niet-hechtgebonden asbest.

Tabel V geeft een overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel V. Grond(meng)monster

Overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten Grondmonsters (in m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

MMA1

A12 (0,0-0,5) + A18 (0,3-0,6) + A26 (0,3-0,6)

NEN-pakket

bovengrond noordelijk/centrale terreindeel (zwak puinhoudend, zwak kolengruishoudend)

MMA2

A31 (0,2-0,7) + A32 (0,2-0,6) + A36 (0,0-0,5) + A41 (0,0-0,5)

NEN-pakket + lutum en organische stof

bovengrond zuidoostelijk terreindeel (zwak tot matig puinhoudend, zwak kolengruishoudend)

MMA3

A17 (0,0-0,5) + A20 (0,0-0,5) + A27 (0,05-0,5) + A28 (0,05-0,5)

NEN-pakket

bovengrond noordoostelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

MMA4

A01 (0,0-0,5) + A06 (0,0-0,5) + A08 (0,0-0,5) + A10 (0,0-0,5) + A11 (0,0-0,5)

NEN-pakket + lutum en organische stof

bovengrond noordwestelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

05102470 NIJ.M22.NEN

8

Grond(meng)monster

Grondmonsters (in m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

MMA5

A16 (0,0-0,5) + A22 (0,0-0,5) + A30 (0,1-0,5) + A34 (0,0-0,5)

NEN-pakket

bovengrond zuidwestelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

MMA6

A35 (0,0-0,5) + A37 (0,1-0,5) + A38 (0,0-0,5) + A39 (0,0-0,5)

NEN-pakket

bovengrond centrale/zuidoostelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

A14-1

A14 (0,0-0,5)

NEN-pakket + lutum en organische stof

bovengrond westelijk terreindeel (brokken puin)

MMA7

A13 (0,5-0,9) + A20 (0,6-1,1) + A33 (0,4-0,7)

NEN-pakket + lutum en organische stof

ondergrond noordoostelijk terreindeel (oorspronkelijke bovengrond, zintuiglijk schoon)

MMA8

A20 (1,2-1,6) + A26 (1,5-2,0) + A31 (1,5-2,0) + A41 (1,5-2,0)

NEN-pakket

ondergrond oostelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

MMA9

A12 (1,6-2,0) + A17 (1,0-1,5) + A24 (1,0-1,5)

NEN-pakket + lutum en organische stof

ondergrond centrale terreindeel (zintuiglijk schoon)

MMA10

A04 (1,0-1,5) + A14 (1,5-2,0)

NEN-pakket

ondergrond westelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

MMA11

A14 (1,1-1,5) + A39 (1,5-2,0)

NEN-pakket

ondergrond zuidwestelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)

A19-2

A19 (0,5-1,0)

NEN-pakket + lutum en organische stof

ondergrond noordoostelijk terreindeel (zwak puinhoudend, matig kolengruishoudend)

B01-3

B01 (1,0-1,5)

NVN-pakket ondergrond

ondergrond olie-/vetafscheider (zintuiglijk schoon)

MMC1

C01 (1,0-1,5) + C02 (1,5-2,0) + C03 (0,7-1,2)

NVN-pakket ondergrond

ondergrond werkplaats motorvoertuigentechniek (zintuiglijk schoon)

MMD1

D01 (1,0-1,5) + D02 (1,5-1,8) + D03 (1,7-2,0)

NVN-pakket ondergrond

ondergrond voormalige werkplaats mechanische techniek (zintuiglijk schoon)

Na bekend worden van de analyseresultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit de grondmengmonsters MMA3, MMA6 en MMA11 zijn samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameters koper, lood en zink en/of PAK. Dit met als doel vast te stellen welke deelmonsters gehalten aan PAK, koper, lood en zink bevatten die zich al dan niet boven de voor het gebied geldende achtergrondwaarde bevinden. Tabel VI geeft een overzicht van de betreffende grondmonsters en de analysepakketten. Tabel VI. Grond(meng)monster

Overzicht van de grondmonsters en de analysepakketten Grondmonsters (in m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

A17-1

A17 (0,0-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA3 (zintuiglijk schoon)

A20-1

A20 (0,0-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA3 (zintuiglijk schoon)

A27-1

A27 (0,05-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA3 (zintuiglijk schoon)

A28-1

A28 (0,05-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA3 (zintuiglijk schoon)

A35-1

A35 (0,0-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA6 (zintuiglijk schoon)

A37-1

A37 (0,1-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA6 (zintuiglijk schoon)

A38-1

A38 (0,0-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA6 (zintuiglijk schoon)

05102470 NIJ.M22.NEN

9

Grond(meng)monster

5.2

Grondmonsters (in m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

A39-1

A39 (0,0-0,5)

PAK

uitsplitsing MMA6 (zintuiglijk schoon)

A14-3

A14 (1,1-1,5)

PAK, koper, lood en zink

uitsplitsing MMA11 (zintuiglijk schoon)

A39-4

A39 (1,5-2,0)

PAK, koper, lood en zink

uitsplitsing MMA11 (zintuiglijk schoon)

Interpretatie analyseresultaten

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (circulaire: Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering, februari 2000). Het toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: - streefwaarde:

deze waarde geeft het milieukwaliteitsniveau aan waarbij als nadelig te waarderen effecten voor de functionele eigenschappen van de bodem verwaarloosbaar worden geacht;

- tussenwaarde:

deze waarde is de helft van de som van de streefwaarde en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;

- interventiewaarde:

deze waarde geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.

In bijlage 6 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de streef- en interventiewaarden, alsmede de berekeningswijze die moet worden gevolgd om de streefen interventiewaarden naar grondsoort te differentiëren. In dit onderzoek is voor de grond uitgegaan van 6 reeksen streef- en interventiewaarden. De streef- en interventiewaarden voor de grond zijn berekend met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte. Bijlage 7 geeft een overzicht van de gehanteerde analysetechnieken en bijbehorende detectielimieten. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:

gehalte/concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; gehalte/concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; gehalte/concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte/concentratie > interventiewaarde.

Tevens is aan de achtergrondwaarden getoetst zoals die door de gemeente Nijmegen voor de zone "1965-heden", zijn vastgesteld (zie bijlage 10).

05102470 NIJ.M22.NEN

10

5.3

Resultaten grond- en grondwatermonsters en asbestverdacht materiaal

Tabel VII geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel VII.

Overschrijdingen toetsingskaders grond

Grond(meng)monster

Traject (m -mv)

Gehalte > streefwaarde

Gehalte > achtergrondwaarde

MMA1

A12 (0,0-0,5) + A18 (0,3-0,6) + A26 (0,3-0,6)

PAK

-

-

-

MMA2

A31 (0,2-0,7) + A32 (0,2-0,6) + A36 (0,0-0,5) + A41 (0,0-0,5)

PAK EOX

-

-

-

MMA3

A17 (0,0-0,5) + A20 (0,0-0,5) + A27 (0,05-0,5) + A28 (0,050,5)

PAK

PAK

-

-

A17-1

A17 (0,0-0,5)

PAK

PAK

-

-

A20-1

A20 (0,0-0,5)

PAK

-

-

-

A27-1

A27 (0,05-0,5)

PAK

PAK

-

-

A28-1

A28 (0,05-0,5)

-

-

-

-

MMA4

A01 (0,0-0,5) + A06 (0,0-0,5) + A08 (0,0-0,5) + A10 (0,0-0,5) + A11 (0,0-0,5)

zink PAK

-

-

-

MMA5

A16 (0,0-0,5) + A22 (0,0-0,5) + A30 (0,1-0,5) + A34 (0,0-0,5)

PAK

-

-

-

MMA6

A35 (0,0-0,5) + A37 (0,1-0,5) + A38 (0,0-0,5) + A39 (0,0-0,5)

PAK

PAK

-

-

A35-1

A35 (0,0-0,5)

-

-

-

-

A37-1

A37 (0,1-0,5)

PAK

-

-

-

A38-1

A38 (0,0-0,5)

PAK

-

-

-

A39-1

A39 (0,0-0,5)

-

-

-

-

A14-1

A14 (0,0-0,5)

koper lood zink PAK

koper lood PAK

-

-

MMA7

A13 (0,5-0,9) + A20 (0,6-1,1) + A33 (0,4-0,7)

-

-

-

-

MMA8

A20 (1,2-1,6) + A26 (1,5-2,0) + A31 (1,5-2,0) + A41 (1,5-2,0)

-

-

-

-

MMA9

A12 (1,6-2,0) + A17 (1,0-1,5) + A24 (1,0-1,5)

-

-

-

-

MMA10

A04 (1,0-1,5) + A14 (1,5-2,0)

-

-

-

-

MMA11

A14 (1,1-1,5) + A39 (1,5-2,0)

koper lood zink PAK

koper lood zink PAK

-

-

(licht verontreinigd)

Gehalte > tussenwaarde

Gehalte > interventiewaarde

(matig verontreinigd)

(sterk verontreinigd)

05102470 NIJ.M22.NEN

11

Grond(meng)monster

Traject (m -mv)

Gehalte > streefwaarde

Gehalte > achtergrondwaarde

(licht verontreinigd)

Gehalte > tussenwaarde

Gehalte > interventiewaarde

(matig verontreinigd)

(sterk verontreinigd)

A14-3

A14 (1,1-1,5)

koper lood zink PAK

koper lood zink PAK

A39-4

A39 (1,5-2,0)

-

-

-

-

A19-2

A19 (0,5-1,0)

zink PAK

zink PAK

-

-

B01-3

B01 (1,0-1,5)

-

-

-

-

MMC1

C01 (1,0-1,5) + C02 (1,5-2,0) + C03 (0,7-1,2)

-

-

-

-

MMD1

D01 (1,0-1,5) + D02 (1,5-1,8) + D03 (1,7-2,0)

-

-

-

-

Tabel VIII geeft een overzicht van de parameters in het grondwater die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel VIII. Grondwatermonster

Overschrijdingen toetsingskaders grondwater Situering peilbuis

Concentratie > streefwaarde

Concentratie > tussenwaarde

Concentratie > interventiewaarde

(licht verontreinigd)

(matig verontreinigd)

(sterk verontreinigd)

PBA17

ter plaatse van voormalige bebouwing

kwik

-

-

PBA31

ter plaatse van voormalige bebouwing

kwik

-

-

PBB01

nabij olie-/vetafscheider

arseen

-

-

PBC01

stroomafwaarts werkplaats motorvoertuigentechniek

chroom

-

-

PBD01

stroomafwaarts voormalige werkplaats mechanische techniek

chroom zink

-

-

Tabel IX geeft de analyseresultaten van het asbestverdachte materiaal weer. Tabel IX. Monster

ASB-1

Resultaten asbestverdacht materiaal Situering

noordoostelijk terreindeel

Soort asbest (m/m%) chrysotiel 10-15%

Hechtgebondenheid

hechtgebonden

De tabellen I t/m XVI van bijlage 5 geven een overzicht van de analyseresultaten van de grond(meng)monsters, de grondwatermonsters en het asbestverdachte materiaal. Bijlage 4 bevat de door het laboratorium aangeleverde resultaten.

05102470 NIJ.M22.NEN

12

6.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy bv heeft in opdracht van MVO Projecten bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Zwanenveld 4101, 4301 en 4303 in de gemeente Nijmegen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen aankoop van de onderzoekslocatie, alsmede de Bouwverordening. Afgezien van de potentiële bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging, welke middels het vooronderzoek zijn geïdentificeerd (zijnde de olie-/vetafscheider, de voormalige werkplaats mechanische techniek en de werkplaats motorvoertuigentechniek), zijn er tijdens de terreininspectie geen aanvullende potentiële bronnen aangetroffen. In de periode 1944 tot 1955 is er volgens de provincie Gelderland (VOS, 2000) vermoedelijk huishoudelijk afval en grof vuil op de onderzoekslocatie gestort. Er heeft echter nooit een veldinventarisatie plaatsgevonden. Gelet op het feit dat de situering van een eventuele voormalige stortplaats op de locatie onbekend is, alsmede het feit dat tijdens het verkennend bodemonderzoek in 2003 geen stortmateriaal is waargenomen, is de voormalige stortplaats niet als deellocatie aangemerkt. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld op het noordoostelijk deel van de locatie van de onderzoekslocatie enkele asbestverdachte plaatmaterialen waargenomen. In de bodem ter plaatse zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.

De aangetoonde asbestsoort betreft chrysotiel (10-15%) en is hecht-gebonden. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak humeus, zwak siltig, zwak tot sterk grindig, matig fijn tot zeer grof zand. De bovengrond is zwak tot matig humeus. Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: A: onverdachte terreindeel De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig puin- en kolengruishoudend. Ter plaatse van boring 14 zijn in de bovengrond brokken puin aangetroffen. De bovengrond en de ondergrond ter plaatse van boring 14 is licht verontreinigd met koper, lood, zink en PAK. In de bovengrond bevinden de gehalten aan koper, lood en PAK zich boven de voor het gebied geldende achtergrondwaarde. In de ondergrond bevinden de gehalten aan koper, lood, zink en PAK zich boven de voor het gebied geldende achtergrondwaarde. De bovengrond van nagenoeg het gehele terrein is licht verontreinigd met PAK en plaatselijk tevens licht verontreinigd met EOX en zink. Ter plaatse van boring A17 en A27 bevindt het PAK-gehalte zich boven de voor het gebied geldende achtergrondwaarde. In de ondergrond van het gehele terrein zijn geen verontreinigingen aangetoond, met uitzondering van de ondergrond ter plaatse van boring 14 en 19. Ter plaatse van boring 19 is in het traject 0,5-1,0 m -mv een licht verontreiniging met zink en PAK aangetoond.

Het zink- en PAK-gehalte bevindt zich boven de voor het gebied geldende achtergrondwaarde. In het opgeboorde materiaal zijn geen aanwijzingen gevonden welke duiden op de aanwezigheid van stortmateriaal op de onderzoekslocatie. Het grondwater is licht verontreinigd met kwik.

05102470 NIJ.M22.NEN

13

B: olie-/vetafscheider In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met arseen. De aangetoonde lichte metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan het regionaal voorkomen van verhoogde concentraties van metalen in het grondwater. C: werkplaats motorvoertuigentechniek In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met chroom. De aangetoonde lichte metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan het regionaal voorkomen van verhoogde concentraties van metalen in het grondwater. D: voormalige werkplaats mechanische techniek In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met chroom en zink. De aangetoonde lichte metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan het regionaal voorkomen van verhoogde concentraties van metalen in het grondwater. Resumé De onderzoeksresultaten komen grotendeels overeen met de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek in 2003.

Destijds bleek bijna de gehele bovengrond eveneens licht verontreinigd te zijn met PAK. In de ondergrond werden geen verontreinigingen aangetoond. In het opgeboorde materiaal werd geen stortmateriaal waargenomen. Destijds zijn 4 peilbuizen op de onderzoekslocatie geplaatst. Het grondwater bleek plaatselijk licht verontreinigd met chroom en zink. Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de onderzoekslocatie vastgelegd. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als "onverdacht" kan worden beschouwd, wordt op basis van de lichte verontreinigingen verworpen. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van de deellocaties B, C en D als "heterogeen verdacht" kan worden beschouwd, wordt eveneens verworpen. Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek in het kader van de Wet bodembescherming en bestaan er géén milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Bouwstoffenbesluit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Econsultancy bv Doetinchem, 6 december 2005 05102470 NIJ.M22.NEN

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=641494e6-d8c6-40ed-aa30-9ecc24dd1e52