Bijlage 13 Plan-MER
Tekst van het document
De verlichting mag maximaal drie meter hoog zijn en moet zo geplaatst zijn dat weerkaatsing op watergangen wordt voorkomen. Bij de planning van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de kwetsbare perioden (zoals voortplanting, broedseizoen, winterrust) van soorten om verstoring te voorkomen. Dit moet nader afgestemd worden met een deskundig ecoloog. Bij voorkeur worden de werkzaamheden zoveel mogelijk geclusterd in de tijd, zodat er steeds delen van het plangebied niet verstoord worden.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
44
Bij de uitvoering van de werkzaamheden met machines dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van de bestaande infrastructuur van wegen en paden binnen het plangebied, zodat het aanrijdrisico minimaal is. Het werkterrein dient zo klein mogelijk gehouden te worden. Behoud de verbinding en doorgang naar andere leefgebieden en schuilplekken buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het behouden van stroken met ruige vegetatie die in verbinding staan met andere gebieden geven kleinere (zoog)dieren kans te vluchten naar veilige gebieden. Het eventuele kappen en rooien van struweel dient buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren. Dit betreft globaal de periode september – februari en nadat een ecologische inspectie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van broedgevallen. Het verwijderen van vegetatie mag pas plaatsvinden wanneer de ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein heeft gecontroleerd op aanwezigheid van kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen. Eventueel aangetroffen dieren worden verplaatst of verjaagt naar een gedeelte waar geen werkzaamheden plaatsvinden. Er vinden geen werkzaamheden in watergangen plaats wanneer er ijs op het water ligt, of de luchttemperatuur onder de 0° Celsius of boven de 25° Celsius ligt.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
45
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Inleiding
In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen. In deze wet zijn grenswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen. Het doel van onderzoek naar de luchtkwaliteit is om te toetsen of er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; 4. het project draagt alleen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging conform het Besluit NIBM en Regeling NIBM. Een project is twee gevallen 'niet in betekenende mate': a. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; b. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 µg /m³).
Gemeente Nijmegen heeft zich gecommitteerd aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). De volgende doelen en ambities zijn afgesproken in het SLA: 1. Partijen streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030; 2. Partijen stellen als doel om landelijk in 2030 gemiddeld minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te behalen voor de negatieve gezondheidseffecten afkomstig van binnenlandse bronnen; 3. Partijen onderschrijven de ambitie om in de sectoren (weg)verkeer, inclusief mobiele werktuigen, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens een dalende trend in te zetten van emissies van stikstofdioxide en fijn stof naar de lucht; 4. Partijen erkennen dat éénieder verantwoordelijk is voor de eigen bijdrage aan de doelstelling en dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van het akkoord en voor het bereiken van het doel.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft de gemeente Nijmegen een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de komst van de uitbreiding van het bedrijventerrein De Grift is ruim inpasbaar is binnen de wettelijke normen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en geen overschrijdingen van de richtwaarden van het WHO veroorzaakt in 2032.Voor het volledige onderzoek Luchtkwaliteit wordt verwezen naar de bijlage van dit rapport.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
46
4.5.2
Referentiesituatie
Binnen het onderhavige plan zijn voor de meest kritische locaties berekeningen uitgevoerd naar de te verwachten concentraties met behulp van rekenmodel Stacks (SRM 3). Berekeningen zijn uitgevoerd voor de jaren 2020 en 2032 zowel met en zonder realisatie van de VIA15. De plandrempel voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO 2) wordt in de huidige situatie (2020) niet overschreden. Ten gevolge van de dalende trend in de achtergrondconcentratie neemt de concentratie nog verder af in 2032. De grenswaarde voor stikstofdioxide van 40 µg /m³ wordt in de deze jaren met en zonder plan niet overschreden. In de huidige situatie (2020) wordt aan de jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof (PM10) van 40 µg /m³ in ruime mate voldaan. De etmaalgemiddelde grenswaarde voor PM10 wordt met 6 dagen eveneens niet overschreden. In 2032 wordt de jaargemiddelde concentratie in zowel de autonome als de gewenste situatie niet overschreden. In de huidige situatie (2020) wordt aan de jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) van 25 µg /m³ in ruime mate voldaan. In 2032 wordt de jaargemiddelde concentratie in zowel de autonome als de gewenste situatie niet overschreden.
4.5.3
Effecten
Het onderzoek beschrijft de resultaten van de plansituatie mét A15, omdat dat de hoogste waarden oplevert en daarmee de maximaal te verwachten situatie beschrijft. Uit de berekeningen in het luchtkwaliteitsonderzoek komende volgende resultaten naar voren voor wat betreft de ontwikkeling van de Grift: Stikstofdioxide (NO2): In 2032 bedraagt - voor de situatie inclusief de realisatie van de verlengde A15 - de toename ten opzichte van de autonome situatie maximaal 0,92 µg /m³ ter plaatse van een nieuw te realiseren ontsluiting van het bedrijventerrein. Fijn stof (PM10): In 2032 bedraagt - voor de situatie inclusief de realisatie van de verlengde A15 de toename ten opzichte van de autonome situatie maximaal 0,15 µg /m³ ter plaatse van een nieuw te realiseren ontsluiting van het bedrijventerrein. Fijn stof (PM2,5): In 2032 bedraagt - voor de situatie inclusief de realisatie van de verlengde A15 - de toename ten opzichte van de autonome situatie maximaal 0,04 µg /m³ ter plaatse van een nieuw te realiseren ontsluiting van het bedrijventerrein. Deze toenames kunnen verklaard worden doordat dit de nieuwe ontsluiting ten oosten van de Griftdijk betreft die ten aanzien van de nieuwe ontwikkeling gerealiseerd gaat worden. In de autonome situatie is hier geen weg aanwezig. De toename is zeer lokaal en vindt niet plaats in de buurt van gevoelige bestemmingen of woningen.
Omdat de toename van NO2 en PM10 minder is dan 1,2 µg /m³, draagt de ontwikkeling van de Grift in 'niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De beoogde situatie inclusief de realisatie van de VIA15 levert in de 2032 (10 jaar na start procedure bestemmingsplan) ten opzichte van het jaar 2020 een afname op van maximaal 5,45 µg/m3 van de NO2 concentraties. Ten opzichte van 2020 is binnen het hele plangebied sprake van afnames (minimaal 2,15 µg/m3). Er bevinden zich langs deze wegen geen gevoelige objecten en bijna geen woningen. Er is geen sprake van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden waardoor het plan NIBM is.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
47
In 2032 voldoen de concentraties PM10 in zowel de autonome als beoogde situatie aan de richtwaarde van de WHO van 20 µg/m3 jaargemiddeld. In 2032 voldoen de concentraties PM2,5 in zowel de autonome als de beoogde situatie aan de advieswaarde van 10 µg/m3 van de WHO. Conclusie Luchtkwaliteit De komst van de uitbreiding van het bedrijventerrein De Grift is ruim inpasbaar binnen de wettelijke normen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en veroorzaakt geen overschrijdingen van de richtwaarden van het WHO in 2032.Het effect van het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift op het milieuaspect luchtkwaliteit is Neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. De beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Bovendien is aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.
4.5.4
Mitigerende maatregelen
Er zijn in het kader van de conclusies van het onderzoek, geen aanvullende mitigerende maatregelen uitgewerkt voor het onderdeel luchtkwaliteit
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
48
4.6
Geluid
4.6.1
Inleiding
Het voornemen om het bedrijventerrein De Grift uit te breiden kan effect hebben op de in de nabijheid gelegen geluidgevoelige bestemmingen. Om het effect op de geluidbelasting als gevolg van de uitbreiding op de omgeving inzichtelijk te maken, wordt gekeken naar de gevolgen de van uitbreiding boven op de al bestaande bedrijvigheid. Daartoe wordt inzichtelijk gemaakt wat de ondervonden geluidbelasting ten gevolge van het bestaande bedrijventerrein is en wat de gezamenlijke activiteiten voor geluidbelasting geven als het bedrijventerrein wordt uitgebreid. De akoestische beoordeling in dit MER richt zich op het inzichtelijk maken van het effect van het inrichten van uitbreiding van het bedrijfsterrein De Grift op de woningen die in de nabijheid van de uitbreiding zijn gelegen. Daartoe worden de geluidgevoelige bestemmingen binnen het plangebied als ook de bestemmingen daarbuiten (zoals aan de Griftdijk en aan de Stationsstraat) beschouwd. Voor het volledige onderzoek Geluid wordt verwezen naar de bijlage van dit rapport. Het onderzoek beschrijft de gevolgen van de uitbreiding van het bedrijventerrein binnen een gebied waar invloed wordt verwacht van de nieuwe activiteiten van de bedrijven op het terrein. Het omvat het bestaande bedrijventerrein (figuur 1a) en het bestemmingsplangebied met de uitbreiding van het bedrijventerrein (figuur 1b).
Figuur 4.6.1 Links het bestaande bedrijventerrein De Grift (de gebieden met bedrijven zijn gearceerd weergegeven in zalmkleur) en rechts het bestemmingsplangebied voor de uitbreiding.
4.6.2
Referentiesituatie
Het onderzoeksgebied voor de MER-beoordeling bestaat uit de bestaande bedrijventerreinen en het bestemmingsplangebied. Om dit gebied is een ruime zone genomen zodat zeker gesteld wordt dat alle in de nabijheid gelegen geluidgevoelige bestemmingen worden betrokken in de beoordeling: In het onderzoeksgebied zijn 5.275 geluidgevoelige bestemmingen gelegen.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
49
Figuur 4.6.2 Het onderzoeksgebied voor de MER-beoordeling aangegeven door de overgang van het groene naar het gele gebied
In de huidige situatie wordt door 17 woningen (geluidgevoelige bestemmingen) een geluidbelasting Letmaal van meer dan 50 dB(A) ondervonden ten gevolge van het industrielawaai van het bestaande bedrijventerrein. Hiervan zijn er 7 woningen die een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A) ondervinden. Wordt uitgegaan van de maximaal planologisch toegestane milieucategorie voor het bestaande bedrijventerrein dan neemt het aantal woningen met een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) toe tot 24. Het aantal woningen hiervan met een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A) neemt met 2 toe tot 9. Het doortrekken van de A15 is niet onderscheidend op de geluidsbeoordeling. Het industrielawaai heeft betrekking op het geluid dat door activiteiten op het bedrijventerrein wordt gegenereerd. Zolang het (vracht)verkeer op het bedrijventerrein van en naar de bedrijven rijdt en toegeschreven kan worden aan een specifiek bedrijf kan dat in de milieuvergunning (omgevingsvergunning van het bedrijf) worden opgenomen en toegerekend aan de geluidproductie van het bedrijf. Het (vracht-)verkeer dat het plan genereert, gaat onderdeel uitmaken van het gehele doorgaande verkeer en kan zodoende niet meer aan specifieke activiteiten op het bedrijventerrein worden toebedeeld. Hetzelfde geldt voor het eventuele verkeer dat via de doorgetrokken A15 vanuit of in de richting Zevenaar naar het bedrijventerrein rijdt.
Zodoende is er geen verschil in het industrielawaai voor de uitbreiding van het bedrijventerrein met of zonder doorgetrokken rijksweg 15.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
50
4.6.3
Effecten
Onderstaande effectbeschrijving is de conclusie van het geluidsonderzoek dat als bijlage bij dit MER is toegevoegd. In de bijlage zijn onderstaande bevindingen onder andere gevisualiseerd en geduid vanuit de vigerende beleidskaders. In het geval dat het bedrijventerrein wordt uitgebreid dan neemt het aantal woningen met een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) van 17 tot 28 woningen toe. Hiervan is er één woning extra die een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A) ondervindt (8 totaal). Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein waarbij ook op het bestaande terrein de maximale planologisch ruimte wordt benut, worden 36 woningen geconstateerd met een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A). Hiervan zijn er 13 met een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A). Een toename ten opzichte van de huidige situatie. Absoluut is het aantal woningen met een toename van meer dan 50 dB(A) dan wel 55 dB(A) beperkt ten opzichte van de 5.275 geluidgevoelige bestemmingen in het onderzoeksgebied. Bij de uitbreiding van het bedrijventerrein treedt voornamelijk een toename op van de woningen die een geluidbelasting gaan ondervinden in de toekomstige situatie tussen 40 en 50 dB(A). Volgens het Activiteitenbesluit wordt het echter toegelaten dat de geluidbelasting vanwege het industrielawaai tot maximaal 50 dB(A) toeneemt.
Belangrijk is om op te merken dat de MER-beoordeling uitgaat van een theoretische invulling van de geluidruimte op het bestaande en nieuwe bedrijventerrein. Op het nieuwe bedrijventerrein ontbreekt nog de afschermende bedrijfsbebouwing die bij realisatie de overdracht naar de omgeving zal beperken. Net zoals nu al niet de volledige geluidruimte op het bestaande bedrijventerrein zal worden benut. Ook voor het nieuwe bedrijventerrein zal de beschikbare geluidruimte dusdanig worden gebruikt, zodat maximaal de afstraling naar de omgeving toe zo beperkt mogelijk zal zijn (inwaartse zonering). In de praktijk zullen daarmee de beschreven effecten minder duidelijk optreden. Wel moet rekening worden gehouden dat door de vestiging van bedrijven op het nieuwe terrein de geluidbelasting ten opzichte van de bestaande situatie wel zal toenemen. Ten aanzien van de cumulatie van geluid kan worden opgemerkt dat het uit te breiden bedrijventerrein De Grift gelegen is in een omgeving waar al veel geluid aanwezig is van het aanwezige weg- en railverkeer. Daarnaast is sprake van de vier windturbines waarvan drie gelegen zijn op het terrein voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Ook kan in de toekomstige ontwikkeling sprake zijn van doortrekking van rijksweg 15 van Bemmel naar Zevenaar waardoor het verkeer in 2032+ zal gaan toenemen op rijksweg 15.
Ontegenzeggelijk zal de uitbreiding voor meer geluid gaan zorgen, maar de maximale cumulatieve geluidbelasting (die 70 dB in de huidige situatie bedraagt) zal in de toekomstige situatie ook 70 dB blijven.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
51
Conclusie Geluid Het effect van het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift op het milieuaspect geluid is negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie, ongeacht het doortrekken van de A15. In de toekomstige situatie neemt het aantal geluidgevoelige objecten toe die een geluidbelasting Letmaal ten gevolge van het industrielawaai van meer dan 50 dB(A) ervaren. Geluid (-). Het effect van het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift op het milieuaspect geluid is negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie, ongeacht het doortrekken van de A15. In het geval dat het bedrijventerrein wordt uitgebreid dan neemt het aantal woningen met een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) en 55dB(A) toe. Bij de uitbreiding van het bedrijventerrein treedt voornamelijk een toename op van de woningen die een geluidbelasting gaan ondervinden in de toekomstige situatie tussen 40 en 50 dB(A). Volgens het Activiteitenbesluit wordt het echter toegelaten dat de geluidbelasting vanwege het industrielawaai tot maximaal 50 dB(A) toeneemt. Ten aanzien van de cumulatie van geluid kan worden opgemerkt dat het uit te breiden bedrijventerrein De Grift gelegen is in een omgeving waar al veel geluid aanwezig is van het aanwezige weg- en railverkeer.
De uitbreiding van de Grift zal voor meer geluid gaan zorgen, maar de maximale cumulatieve geluidbelasting (die 70 dB in de huidige situatie bedraagt) zal in de toekomstige situatie ook 70 dB blijven.
4.6.4
Mitigerende maatregelen
Het doel is om bij overschrijding de toekomstige geluidbelasting zo veel mogelijk terug te brengen tot de grenswaarden. Daarbij wordt eerst gekeken naar maatregelen bij de bron (bijvoorbeeld stiller wegdek) en vervolgens naar maatregelen in de overdracht (geluidschermen of -wallen). Hierbij is niet alleen van belang of het technisch mogelijk is om dergelijke maatregelen te treffen. Naast het kostenaspect kunnen bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of landschappelijke aard bestaan tegen het realiseren van bepaalde geluidmaatregelen. Als maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op bezwaren, moet een hogere grenswaarde voor de ten hoogste toelaatbare toekomstige geluidbelasting worden vastgesteld
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
52
4.7
Externe Veiligheid
4.7.1
Inleiding
Het milieuaspect externe veiligheid beschouwt de risico’s voor de omgeving die het gevolg zijn van een ongeval bij de productie, het transport en de opslag van gevaarlijke stoffen en de kans op dodelijke slachtoffers. Het planvoornemen voegt in de nabijheid van verschillende risicobronnen nieuwe populatie toe. Dit maakt het milieuaspect externe veiligheid een relevant onderwerp. Het milieuaspect externe veiligheid is beoordeeld conform de vigerende wettelijk kaders. Voorliggend hoofdstuk betreft een verkorte versie van het externe veiligheidsonderzoek dat in het kader van het MER is uitgevoerd. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat uit verschillende besluiten en regelingen. Deze besluiten regelen aan welke milieukwaliteitseisen met betrekking tot externe veiligheid moet worden voldaan. De volgende besluiten zijn van toepassing voor dit onderzoek: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)5: Inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) 6: Spoorwegen, autowegen, vaarroutes met transport van gevaarlijke stoffen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)7: Hogedruk aardgasleidingen. Voor het plangebied zijn de relevante risicobronnen in beeld gebracht met de signaleringskaart8 en is op basis van de wetgeving bepaald of een risicobron een invloedsgebied heeft over het plangebied.
Invloedsgebied: Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied is over het algemeen bepaald door voor het grootst mogelijke ongeval te berekenen op welke afstand nog 1% van de blootgestelde personen overlijdt (zogenaamde 1% letaliteitsgrens).
Toetsingscriteria vigerende wetgeving Indien een invloedsgebied over het plangebied valt, is de risicobron relevant. Deze relevante risicobronnen zijn vervolgens getoetst aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico: de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats verblijft, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een buisleiding, transportroute of binnen een inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het plaatsgebonden risico kent een harde normwaarde. Dit betreft de kans van 1*10-6 jaar dat een persoon kan overlijden ten gevolge van een ongeval. Binnen de zogenoemde PR=10 -6 per jaar contour die rond risicobronnen ligt gelden beperkingen voor het oprichten van nieuwe verblijfsfuncties, zogenoemde (beperkt) kwetsbare objecten). De definities hiervan zijn opgenomen in artikel 1 van het Bevi. Groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat een groep van ten minste tien personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron. Het groepsrisico wordt uitgedrukt ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico kent geen harde norm maar een verantwoordingsplicht. Verantwoordingsplicht groepsrisico In de genoemde besluiten is tevens vastgelegd dat het bevoegd gezag verplicht is het groepsrisico te verantwoorden.
Deze verantwoordingsplicht vindt over het algemeen plaats in het kader van de
5
Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer (Besluit externe veiligheid inrichtingen), Stb. 2004, 250, in werking getreden op 8 oktober 2004. Laatste wijziging op 18 september 2015 6 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), Staatsblad 2013, nummer 307, inwerkingtreding 1 april 2015 7 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Ministerie van VROM, Besluit van 24 juli 2010, Staatsblad 686, 17 september 2010 8 Signaleringskaart 2021; https://nl.ev-signaleringskaart.nl/ geraadpleegd op 12 maart 2021. 17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
53
bestemmingsplanprocedure. Hiervoor geldt per besluit een ander beoordelingsregime en geldt in sommige gevallen een beperkte verantwoording. Bij een beperkte verantwoording groepsrisico dient te worden ingegaan op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het bevoegd gezag heeft verplichting om de veiligheidsregio hierbij om advies te vragen. In het geval van een volledige verantwoording dient het bevoegd gezag tevens een afweging te maken in ruimtelijke maatregelen en/of te zoeken naar alternatieve locaties. Onderstaand de voorwaarden voor een beperkte verantwoording groepsrisico: Bij het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor is sprake van een beperkte verantwoording als: het plangebied buiten de 200 meter van de transportroute ligt of; het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat onder de oriëntatiewaarde blijft. Bij buisleidingen is sprake van een beperkte verantwoording groepsrisico als: het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt of; het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
Voor inrichtingen geldt conform het Bevi altijd een volledige verantwoording van het groepsrisico indien sprake is van een toename van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Overige risicobronnen Naast de risicobronnen die beoordeeld worden onder bovengenoemde besluiten vallen specifieke risicobronnen onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer en het Vuurwerkbesluit. Deze zijn ook relevant voor externe veiligheid, maar kennen geen PR, GR en verantwoordingsplicht. Deze risicobronnen worden beoordeeld op basis van vastgestelde veiligheidsafstanden. Studiegebied Het studiegebied betreft het plangebied inclusief de in de omgeving aanwezige risicobronnen die een invloedsgebied over het plangebied Vooruitblik omgevingswet In het onderzoeksrapport is vooruitlopend op de toekomstig vigerende kaders onder de Omgevingswet een beoordeling gemaakt van externe veiligheid. Hoewel de ruimtelijke procedure voor dit planvoornemen onder het huidige wet- en regelgeving valt, is het een aanbeveling om gezien de omvang van dit planvoornemen in de procedure hier wel op voor te sorteren. In het kader van de Omgevingswet is de belangrijkste verandering voor externe veiligheid het werken met aandachtsgebieden. De nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt.
Voor het volledige onderzoek Externe Veiligheid wordt verwezen naar de bijlage van dit rapport.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
54
4.7.2
Referentiesituatie
Het plangebied bestaat uit een aantal deelgebieden die op dit moment nog voornamelijk leeg zijn. Rond het planvoornemen liggen 12 risicobronnen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Onderstaande signaleringskaart-EV laat de aanwezige risicobronnen zien. De tabel geeft de resultaten van de toetsing van de risicobronnen in de referentiesituatie weer. Onder de tabel zijn de toetsingscriteria toegelicht.
Figuur 4.7.1: Overzicht ligging relevante risicobronnen ten opzichte van het planvoornemen. Tabel 4.7.1: Overzicht relevante risicobronnen en toetsingsresultaten referentiesituatie, vigerende wetgeving
NR
Risicobron
Wetgeving
1
Hogedruk aardgasleiding N-57819
Bevb
2
Windturbines
Wabo/Wm
3
LPG tankstation Total Rietgraaf
Bevi
4
Griftdijk (routering gevaarlijke stoffen)
Bevt1
Ligging binnen plangebied.
5
Autosnelweg A15 (traject Knp. Valburg - Knp. Ressen)
Bevt
6
Spoorweg Nijmegen - Ressen (route 64)
Bevt
7
Spoorweg Betuweroute Meteren – Emmerich (route 202)
Bevt
Ligging aangrenzend aan plangebied. Ligging aangrenzend aan plangebied. 230 meter ten noorden van plangebied
17 februari 2023
Ligging tov planvoornemen Ligging binnen plangebied. Ligging binnen plangebied. Ligging binnen plangebied.
Toetsingsresultaten PR=10-6/jaar: 0 meter* GR: Niet berekend. Invloedsgebied:75 meter PR=10-5/jaar: 50 meter PR=10-6/jaar: 150 meter PR=10-6/jaar: 35, 25 & 15 meter GR: Niet berekend. Invloedsgebied:150 meter PR=10-6/jaar: niet van toepassing GR: Niet berekend. Invloedsgebied:350 meter PR=10-6/jaar: 8 meter GR: Niet berekend. Invloedsgebied:880 meter PR=10-6/jaar: 0 meter GR: Niet berekend. Invloedsgebied:4000 meter PR=10-6/jaar: 30 meter GR: Niet berekend. Invloedsgebied:4000 meter
MER Bedrijventerrein de Grift
55
230 meter ten PR=10-6/jaar: 9 meter noorden van GR: Niet berekend. plangebied Invloedsgebied:4000 meter Hogedruk aardgasleiding A-524 9 Bevb 200 meter ten PR=10-6/jaar: 0 meter zuiden van GR: Niet berekend. plangebied Invloedsgebied:545 meter Hogedruk aardgasleiding A-533 10 Bevb 200 meter ten PR=10-6/jaar: 0 meter zuiden van GR: Niet berekend. plangebied Invloedsgebied:545 meter Container Uitwisselpunt 11 Bevi 2000 meter ten PR=10-6/jaar: 250 meter Betuweroute noordwesten van GR: Niet berekend. het plangebied Invloedsgebied:3000 meter 1 Beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening *De PR contour ligt deels buiten de leiding N-578-19 vanwege de aanwezigheid van de windturbines Spoorweg Elst noordwestboog – Ressen Noord (route 62)
8
Bevt
In het kader van externe veiligheid geldt voor de beoordeling van de referentiesituatie conform vigerende wetgeving dat: Plaatsgebonden risico (PR): De ligging van de PR10-6 per jaar contour is afhankelijk van het type risicobron en de aard en hoeveelheid gevaarlijke stoffen. - Voor het LPG-tankstation gelden vaste afstanden voor de PR10-6 per jaar contouren van het vulpunt, de opslagtank en het afleverpunt. Dit is gebaseerd op basis van de vergunde situatie. - Voor de spoorlijnen en de A15 gelden de afstanden conform de regeling Basisnet. - De routering heeft geen PR10-6 per jaar contour. - Voor de hogedruk aardgastransportleidingen zijn de gegevens aangeleverd door de Gasunie. Groepsrisico (GR): De hoogte van het groepsrisico is afhankelijk van het type risicobron, de aard van de gevaarlijke stoffen en de hoeveelheid plus de aanwezige bevolking binnen het invloedsgebied. Voor deze MER zijn geen risicoberekeningen uitgevoerd dus de hoogte van het GR is niet bekend. Overige zones: Naast plaatsgebonden risicocontouren kennen verschillende risicobronnen nog andere contouren/ zoneringen waar in het kader van een ruimtelijk plan rekening mee moet worden gehouden.
- Belemmeringenstrook hogedruk aardgastransportleiding: Voor de hogedruk aardgastransportleiding geldt conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) een bebouwingsvrije zone van 5 meter gemeten aan weerszijden van het hart van de leiding welke is vastgelegd in het bestemmingsplan/omgevingsplan. Dit is geen toetsingscriterium voor de MER.
4.7.3
Effecten
Beoordeling referentiesituatie algemeen In het kader van externe veiligheid is de huidige situatie beoordeeld inclusief de autonome ontwikkeling. Deze situatie is beoordeeld als referentiesituatie.
Plaatsgebonden risico: Voor het plaatsgebonden risico geldt dat de ligging van de PR=10-6 per jaar contouren enkel wijzigen wanneer de risicobron wordt aangepast, bijvoorbeeld door aanpassingen van de installaties en/of veranderingen van de activiteit of door aanpassingen van de ligging van de infrastructuur.
Groepsrisico: De hoogte van het groepsrisico verandert alleen wanneer de risicobron wordt aangepast en/of er binnen het invloedsgebied veranderingen plaats vinden ten aanzien van de
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
56
aanwezige bevolking. Alle risicoberekeningen voor het groepsrisico dienen conform het Bevi, Bevt en Bevb doorgerekend te worden met de bestemmingsplancapaciteit.
Aandachtsgebieden: de ligging van de aandachtsgebieden wijzigt alleen wanneer de risicobron wordt aangepast. Bijvoorbeeld bij een verandering aan de infrastructuur of een verandering van de inrichting. Bovendien geldt dat het aanwijzen voor voorschriftengebieden alleen geldt bij het oprichten van nieuwe (niet binnen het omgevingsplan passende) (beperkt/ zeer) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties, die mogelijk gemaakt worden door het planvoornemen.
Het planvoornemen maakt een bedrijventerrein mogelijk. Het gebied is opgedeeld in verschillende deelgebieden voor verschillende type bedrijven met verschillende milieucategorieën, variërend van categorie 3.1, 3.2 en 4.2. Binnen milieucategorie 4.2 vallen tevens Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)-inrichtingen. Dit betekent dat het planvoornemen potentieel risicobronnen toelaat in het kader van externe veiligheid. De overige bedrijven zijn te kwalificeren als (beperkt) kwetsbare objecten/ gebouwen afhankelijk van het aantal aanwezige personen. Figuur 4.7.3 Overzicht milieucategorieën bedrijven De Grift (bron: gemeente Nijmegen)
De uitbreiding van De Grift heeft hiermee impact op de externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van de verschillende risicobronnen en als mogelijke locatie voor nieuwe risicobronnen. In deze paragraaf is in de effectbeoordeling uitgegaan van het voorkeursalternatief waarbij alle risicobronnen zoals benoemd in de referentiesituatie operationeel zijn.
Effectbeoordeling planalternatief
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
57
Tabel 4.7.3: Effectbeoordeling voorkeursalternatief vigerende wetgeving
NR 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Risicobron Hogedruk aardgasleiding N-578-19 Windturbines LPG-tankstation Total Rietgraaf Griftdijk Autosnelweg A15 (traject Knp. Valburg - Knp. Ressen) Spoorweg Nijmegen - Ressen (route 64) Spoorweg Betuweroute Meteren – Emmerich (route 202) Spoorweg Elst noordwestboog – Ressen Noord (route 62) Hogedruk aardgasleiding A-524 Hogedruk aardgasleiding A-533 Container Uitwisselpunt Betuweroute
Toetsingscriteria PR 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
GR 0 Nvt. 0 0 0 0 0 0 0 0
Plaatsgebonden risico: 1 Hogedruk aardgastransportleiding N-578-19: De PR=10-6 per jaar contour ligt deels buiten de leiding door de aanwezigheid van de windturbines. Hier dient met de ligging van bouwvlakken rekening mee te worden gehouden. Verder geldt dat er binnen 5 meter van het hart van de leiding niet gebouwd mag worden (belemmeringzone). Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 2 Windturbines: De windturbines hebben een PR=10-6 per jaar van 150 meter waarbinnen geen kwetsbare objecten/gebouwen mogen worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan tot de PR=10-5 per jaar contour (50 meter), dit dient in de bestemmingsplanprocedure te worden onderbouwd. Omdat het planvoornemen de ontwikkeling van beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen de PR 10-6 per jaar scoort dit aspect negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie. 3 LPG-tankstation Total Rietgraaf: De PR=10-6 per jaar contour liggen niet over gebieden waar nieuwe ontwikkelingen voorzien zijn. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 4 Routering gevaarlijke stoffen (Griftdijk): De routering veroorzaakt geen PR=10-6 per jaar contour. De geplande ontwikkelingen worden hierdoor niet belemmerd. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0).
5 Autosnelweg A15: De ligging van de PR=10-6 per jaar contour blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. Er zijn geen ontwikkelingen voorzien binnen de PR=10-6 per jaar contour. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 6 Spoorweg Nijmegen Ressen: De ligging van de PR=10-6 per jaar contour blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. Er zijn geen ontwikkelingen voorzien binnen de PR=10-6 per jaar contour. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 7 Spoorweg Betuweroute: De ligging van de PR=10-6 per jaar contour blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. Het planvoornemen ligt buiten de PR=10-6 per jaar contour. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 8 Spoorweg Elst noordwestboog: De ligging van de PR=10-6 per jaar contour blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. Het planvoornemen ligt buiten de PR=10 -6 per jaar contour. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 9 Hogedruk aardgastransportleiding A-524: De PR=10-6 per jaar contour ligt op de leiding. Verder geldt dat er binnen 5 meter van het hart van de leiding niet gebouwd mag worden (belemmeringzone). Het planvoornemen ligt hier buiten. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0).
10 Hogedruk aardgastransportleiding A-533: De PR=10-6 per jaar contour ligt op de leiding. Verder geldt dat er binnen 5 meter van het hart van de leiding niet gebouwd mag worden (belemmeringzone). Het planvoornemen ligt hier buiten. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0).
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
58
11 Container uitwisselpunt Betuweroute: De ligging van de PR=10-6 per jaar contour blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. Het planvoornemen ligt buiten de PR=10 -6 per jaar contour. Het PR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). Groepsrisico: 1 Hogedruk aardgastransportleiding N-578-19: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de leiding. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 2 Windturbines: De windturbines zelf veroorzaken geen groepsrisico. Hiermee is dit aspect niet van toepassing. Wel dient er bij de oprichting van nieuwe Bevi-inrichtingen in de nabijheid van de turbines rekening te worden gehouden met verhoogde risico’s. 3 LPG-tankstation Total Rietgraaf: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van het LPGtankstation. De verwachting is dat het GR toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie omdat er meer personen aanwezig zijn binnen het invloedsgebied. In het kader van het bestemmingsplan dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het GR scoort hierdoor negatief ten opzichte van de referentiesituatie (score -). 4 Routering gevaarlijke stoffen (Griftdijk): Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de routering.
De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 5 Autosnelweg A15: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de A15. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 6 Spoorweg Nijmegen Ressen: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 7 Spoorweg Betuweroute: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 8 Spoorweg Elst noordwestboog: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 9 Hogedruk aardgastransportleiding A-524: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de leiding. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie.
Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 10 Hogedruk aardgastransportleiding A-533: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de leiding. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0). 11 Container uitwisselpunt Betuweroute: Het planvoornemen ligt binnen het invloedsgebied van de inrichting. De verwachting is dat het GR niet significant toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het GR scoort gelijk ten opzichte van de referentiesituatie (score 0).
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
59
Conclusies effectbeoordeling vigerende wetgeving Het planvoornemen maakt een bedrijventerrein mogelijk bestaande uit verschillende deelgebieden. Per deelgebied geldt een andere milieucategorie. In het noordelijke deelgebied kunnen tevens Bevi-inrichtingen worden gerealiseerd. Hiermee maakt het planvoornemen in potentie risicobronnen mogelijk. De overige bedrijven zijn te kwalificeren als (beperkt) kwetsbaar object afhankelijk van de grootte. Plaatsgebonden risico: De ligging van de PR=10-6 per jaar contouren van alle aanwezige risicobronnen blijft gelijk ten opzichte van de bestaande situatie. Binnen een PR=10 -6 per jaar contour mogen geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan, dit dient in de bestemmingsplanprocedure te worden onderbouwd. Het planvoornemen maakt binnen de PR=10-6 per jaar contour van de windturbines de ontwikkeling van beperkt kwetsbare objecten mogelijk. Omdat deze keuze dient te worden onderbouwd in het bestemmingsplan in kader van externe veiligheid scoort het aspect negatief. Dit is hiermee een belangrijk aandachtspunt in de verdere planuitwerking. Groepsrisico: Het groepsrisico vormt geen belemmering voor het planvoornemen maar dient wel te worden verantwoord door het bevoegd gezag in het kader van het bestemmingsplan.
De risico’s ten aanzien van externe veiligheid moeten worden afgewogen en waar nodig dienen er bron-, ruimtelijke of bouwkundige maatregelen te worden genomen. Daarnaast dienen de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid te worden onderbouwd. In het kader van het bestemmingsplan dient dit te worden uitgewerkt in samenwerking met de veiligheidsregio en partners als de Gasunie. Het grootste aandachtspunt is het groepsrisico ten gevolge van het LPG-tankstation.
Conclusie Externe Veiligheid voor externe veiligheid niet mogelijk een totaalsom te maken van ieder criterium. De totale beoordeling is daarom gebaseerd op de risicobron met de laagste score en daarmee met het grootste aandachtspunt. Plaatsgebonden risico: Scoort negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie ten aanzien van de bestaande windturbines. Het planvoornemen maakt beperkt kwetsbare objecten/gebouwen mogelijk binnen de PR=10-6 per jaar contouren. Dit is een belangrijk aandachtspunt in de verdere planuitwerking. Groepsrisico: Scoort negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie ten aanzien van het LPG-tankstation. In het algemeen geldt een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag in de bestemmingsplanprocedure ten aanzien van alle in dit MER benoemde risicobronnen omdat het invloedsgebied over het planvoornemen ligt waar (beperkt) kwetsbare objecten/gebouwen worden mogelijk gemaakt.
4.7.4
Mitigerende maatregelen
De inschattingen van de hoogte van de groepsrisico’s is gedaan op basis van expert judgement. In de vervolgfase dienen er risicoberekeningen te worden uitgevoerd om eventuele veranderingen in de hoogte van de groepsrisco’s te kunnen onderbouwen. Daarnaast is de positionering van beperkt kwetsbare gebouwen ten aanzien van de windturbines een belangrijk aandachtspunt.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
60
4.8
Water
4.8.1
Inleiding
Het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift kan gevolgen hebben op het grond- en oppervlaktewater in het plangebied. De komst van een groter bedrijventerrein zorgt er voor dat het bebouwde oppervlakte toeneemt en de mogelijkheid voor een natuurlijk waterverloop afneemt. Daarom moet er voldoende ruimte worden gereserveerd voor watercompensatie in het plangebied. De effecten van de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift op oppervlaktewater, hemelwater en grondwater worden in deze studie kwalitatief beschouwd, conform aanpak in de actualisatietoets die bij dit MER is opgesteld. Het MER Waalsprong 2003/2007 is de basis geweest voor een aantal keuzes die zijn gemaakt voor de inrichting van de waterhuishouding in het plangebied. Daarbij is meegenomen: de bescherming tegen wateroverlast; algemene eisen op het gebied van waterkwaliteit en waterkwantiteit; geschiktheid als zwemwater; geschiktheid voor natuur; veiligheid en gezondheid; aantrekkelijkheid voor beleving; ruimtebeslag; duurzaamheid. Voor de uitbreiding van De Grift is er besloten dat er een robuuste klimaatadaptieve structuur komt (overeenkomstig met variant 2 uit het MER Waalsprong 2003/2007). Dit hoofdstuk gaat in op: Oppervlaktewater Hemel- en afvalwaterafvoer Grondwater De aspecten water en klimaat (zie paragraaf 4.9) zijn nauw met elkaar verbonden.
Een overschot of tekort aan hemelwater is onderdeel van het aspect klimaat en waterstructuren in de omgeving kunnen worden ingezet voor klimaatadaptatie. Deze zullen daarom invloed op elkaar hebben. Het plangebied maakt deel uit van de bestaande waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Ressen. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023, het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong (2009) en de nota Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer (2013) relevant. Er vinden geen wijzingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels.
4.8.2
Referentiesituatie
Het doortrekken van de A15 heeft geen onderscheidend effect op het thema water. De conclusie is daarom gelijk aan de referentiesituatie zonder doortrekking van de A15. Oppervlaktewater Het plangebied wordt in de huidige situatie gekenmerkt door een blokverkaveling, gemarkeerd met sloten (zie Figuur 4.8.1). Het watersysteem in De Grift maakt geen onderdeel uit van het singelsysteem van de Waalsprong. De watergangen zijn grotendeels droogvallende (zak)sloten, het systeem voert af naar de Awatergang in het noorden van het gebied.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
61
Figuur 4.8.1 Bestaande watergangen in plangebied (bron: Legger Waterschap Rivierenland, 2022)
Hemel- en afvalwaterafvoer Door het overwegend groene karakter van het plangebied, bestaande uit agrarische grond, wordt hemelwater in de huidige situatie op een natuurlijke manier afgevoerd. De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de Stationsstraat. De riolering van het bestaande bedrijventerrein De Grift is uitgevoerd als een verbeterd gescheiden stelsel. Op De Griftdijk is een gemengd stelsel aanwezig. Een aantal grote(re) lozers zijn daarnaast rechtstreeks aangesloten op de aanwezige persleiding. Vanuit het Bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij de duurzame omgang met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer'. Een weergave van de aanwezige riolering is te zien in de onderstaande afbeelding.
Figuur 4.8.2 Bestaande riolering in plangebied (bron: Legger Waterschap Rivierenland, 2022)
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
62
Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwin- of grondwaterbeschermingsgebied. Er is in de referentiesituatie geen grondwaterverontreiniging in het gebied (Kaartviewer gemeente Nijmegen, 2022). De grondwaterstand ten opzichte van maaiveld ligt op de meeste plaatsen waar gebouwd gaat worden tussen nul en twee meter. De grondwaterstand is van belang voor de eventuele bouw van een kelder of een verdiepte parkeervoorziening en het (tijdelijk) lozen van het bronneringswater.
Figuur 4.8.3 Grondwaterstand t.o.v. maaiveld (bron: Kaartviewer gemeente Nijmegen, 2022)
4.8.3
Effecten
Het watersysteem in De Grift maakt geen onderdeel uit van het singelsysteem van de Waalsprong. De watergangen zijn grotendeels droogvallende (zak)sloten, het systeem voert af naar de A-watergang in het noorden van het gebied. In het kader van deze ontwikkeling zullen wijzigingen worden aangebracht in het watersysteem. Er zal extra oppervlaktewater worden gerealiseerd. De vormgeving en toekomstige status van de verschillende watergangen zal worden uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan voor de uitbreiding van De Grift. Uitgangspunt hierbij is dat de ontwikkeling geen negatieve impact mag hebben op de waterhuishouding in het gebied. Oppervlaktewater Op ‘verhard oppervlak’ (daken, bestrating en overige terreinverhardingen zoals grote kunstwerken) kan hemelwater niet vrij in de bodem infiltreren, maar wordt versneld afgevoerd naar de aangrenzende watergangen of de riolering. Een toename van verhard oppervlak leidt tot een verminderde grondwateraanvulling en een grotere belasting van riolering, en/of het oppervlaktewaterstelsel en moet worden gecompenseerd door het aanleggen van extra waterberging. Bij de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift is er voor gekozen het oppervlaktewater in het gebied uit te breiden (zie Figuur 4.8.4). Dit wordt verder uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan specifiek voor dit plangebied.
Uitgangspunt hierbij is dat de ontwikkeling geen negatieve impact mag hebben op de
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
63
waterhuishouding in het gebied. Deze uitbreiding van het watersysteem is onderdeel van de wateropgave op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)9.
Figuur 4.8.4 Oppervlakte water in uitbreiding van bedrijventerrein De Grift (bron: SO Stedenbouwkundig plan De Grift, 2022)
Hemel- en afvalwaterafvoer Veranderingen aan de riolering zijn aan de orde als deze nieuw wordt aangelegd. De schoon(hemelwater)en vuilwaterstromen veranderen voor wat betreft de volumes en daaraan gerelateerd wijzigingen kunnen optreden in de hoeveel vuil- en hemelwater dat wordt overgestort op oppervlaktewater. Voor toekomstige ontwikkelingen in het gebied geldt dat vanuit het bouwbesluit 2012 de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Voor het plangebied zal een nieuwe DWA-structuur ontworpen worden. Deze maakt onderdeel uit van het waterhuishoudkundig plan. Om wateroverlast en overbelasting van het riool te voorkomen dient berging van hemelwater in beginsel op eigen terrein plaats te vinden. De benodigde waterberging kan onder meer een plek krijgen in de groene kavelranden. De realisatie en instandhouding van deze groene kavelranden is verankerd in de bestemmingsplanregels en daarmee gewaarborgd. Om tot een toekomstbestendig en klimaat robuust bedrijventerrein te komen dient 35 mm berging ten opzichte van het bebouwde oppervlak (footprint gebouw) en 70 mm berging voor overige verhardingen te worden gerealiseerd op het eigen perceel. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de realisatie van wadi's, maar ook aan het toepassen van (extensieve) groene daken.
Bergende voorzieningen mogen met een maximum van 0,5 liter/sec per hectare afvoeren richting de openbare ruimte. Om dit af te kunnen dwingen is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor de openbare ruimte geldt dat de waterberging bij neerslag >30 mm, zal worden gerealiseerd in de vorm van oppervlaktewater.
9
In het NBW akkoord leggen de overheden vast op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdspad zij gezamenlijk de grote wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Het akkoord benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. 17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
64
Figuur 4.8.5 Klimaat adaptief hemelwaterafvoersysteem (Regionale inbedding en Stedenbouwkundig raamwerk De Grif, 2021)
Grondwater Door uitloging van bouwmaterialen, een calamiteit, bedrijfswerkzaamheden of door het vrijkomen van schadelijke stoffen vanaf voertuigen kunnen verontreinigingen in de bodem en het grondwater terecht komen. Op basis van expert judgement is kwalitatief bepaald hoe de hiervoor genoemde bronnen de grondwaterkwaliteit beïnvloeden. Bij de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift is het doel om grondwaterneutraal te bouwen. In principe zal de grondwaterstanden en -stromen daarom niet wijzigen. Dit kan op verschillende manieren gedaan worden: Een aan grondwater gerelateerde keuze van de locatie, bijvoorbeeld geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden; Maatregelen tijdens bouwrijp maken en bouw, bijvoorbeeld ophogen, goede structuur van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur, en; Een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen, bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen. Conclusie Water Het effect van het uitbreiden van bedrijventerrein De Grift, is ongeacht het doortrekken van de A15, op de onderzochte milieuaspecten met betrekking tot water Neutraal (0). Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het stedenbouwkundig plan voorziet erin dat er als gevolg van de uitbreiding geen belemmeringen ontstaan inzake oppervlaktewater, hemel- en afvalwaterafvoer.
Bij uitvoering van- en conformering aan- beleidsregels die in het kader van de ontwikkeling van De Grift vigeren, neemt ten opzichte van de referentiesituatie het behoud van gronden oppervlaktewater daardoor niet af en is sprake van een goede afvoer van hemel- en afvalwater in het plangebied.
4.8.4
Mitigerende maatregelen
Van belang is te vermelden dat het zich voordoen van kansen nog niet betekent dat deze ook daadwerkelijk worden benut. Echter door het gestelde in het gemeentelijk rioleringsplan en de eisen die het waterschap tegenwoordig stelt aan de waterhuishouding bij nieuwe ontwikkelingen is het aannemelijk dat de waterhuishouding sterk verbetert op alle aspecten. De voorgenomen omgang en benoemde maatregelen ten aanzien van de wateraspecten moeten bij de uitwerking van het plangebied wel voldoende zijn geborgd.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
65
4.9
Klimaat en energie
4.9.1
Inleiding
Klimaat en energie zijn belangrijke speerpunten voor de Gemeente Nijmegen. Duurzame gebiedsontwikkeling is daar onderdeel van en dit is ook het doel voor de uitbereiding van bedrijventerrein De Grift. De gemeente Nijmegen streeft ernaar om als stad energieneutraal en aardgasvrij te zijn in 2045. In dit onderdeel vindt een kwalitatieve beschouwing van klimaat en energie als omgevingsaspect bij de uitbreiding van het bedrijventerrein plaats. Rekening houdend met de gunstiger situatie op het gebied van energiegebruik sinds het MER Waalsprong 2003/2007 en met de ontwikkeling van windturbines en een zonnepark in en aangrenzend aan het plangebied. Klimaat Het effect op het omgevingsaspect klimaat en energie wordt beoordeeld aan de hand van de factoren klimaatmitigatie en -adaptatie. Mitigatie is het tegengaan en verminderen van negatieve effecten op het klimaat. Adaptatie is het vermogen tot aanpassen aan de wijzigende omstandigheden zoals extremere weersomstandigheden zoals klimaatbuien en hittegolven. Het doel van klimaatadaptie is het voorkomen van oververhitting, aandacht voor windklimaat en het realiseren van grotere piekbergingen voor neerslag, maar ook aandacht voor droge omstandigheden. Energie Bij het onderdeel Energie wordt nagegaan met welke maatregelen de ontwikkeling al dan niet bijdraagt aan de verduurzaming van energieopwekking in het gebied.
Dit kan door energiegebruik te beperken en/of duurzame energiebronnen te gebruiken en door gebruik te maken materialen uit hernieuwbare bronnen. Het doortrekken van de A15 heeft geen effect op klimaat en energie. De conclusies zijn daarom gelijk aan de situatie zowel mét als zonder doortrekking van de A15.
4.9.2
Referentiesituatie
In het MER Waalsprong 2003/2007 is het onderdeel klimaat en energie benoemd onder de deelaspecten energie en waterhuishouding. Hierbij lag voor het deelaspect energie de nadruk op CO 2-reductie die vooral in de wijken in de Waalsprong zelf kon worden behaald door toepassing van een warmtenet en door energiebesparende maatregelen. Dit principe geldt in de referentiesituatie nog steeds, waarbij opgemerkt moet worden dat ten opzichte van de situatie in 2003 de energievraag van woningen en ook bedrijven sterk is teruggedrongen en de toepassing van aanvullende duurzame energiebronnen (zonne-energie) energetisch en financieel rendabeler geworden is. Zonnepanelen op daken zijn dan ook onderdeel van het stedenbouwkundig plan. Klimaat In de huidige situatie heeft het gebied waar bedrijventerrein De Grift wordt uitgebreid geen specifieke klimaatadaptieve functie en autonome ontwikkelingen hebben hier voor het plangebied geen invloed op. Omdat het een groen gebied is, is het adaptief vermogen van het gebied groter dan wanneer het gebied een bebouwd gebied is en daarom is het gebied in de huidige staat beter voorbereid op perioden van extreme regenval. Wateroverlast In onderstaande afbeelding is te zien welke plekken van het bedrijventerrein kwetsbaar zijn voor wateroverlast (hoe donkerder blauw, hoe kwetsbaarder).
Het kaartbeeld geeft een indicatie weer van overlast bij 60 mm regen in uur, waarbij het riool al vol zit en waarbij infiltratie in de bodem niet is meegenomen. Dit type extreme buien zal in de toekomst steeds frequenter vallen. 17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
66
Figuur 4.9.1 kwetsbare plekken in het plangebied voor wateroverlast
Droogte Naast wateroverlast wordt droogte ook een steeds groter probleem. Ook dit gebied is hier gevoelig voor. De gemeente wil daarom het water dat valt zo lang mogelijk vasthouden en ten goede laten komen aan het groen in dit plangebied. Hemelwater wordt in eerste instantie afgevoerd naar het groen op het eigen perceel. Tevens wordt geadviseerd bij de plant- en boomkeuze en de bijbehorende groeiplaatsen rekening te houden met het toekomstig klimaat. Hittestress In dit plangebied is hittestress tevens een aandachtspunt. Bedrijventerreinen bestaan vaak uit grote vlakken verharding dat in de zomer flink opwarmt en nauwelijks afkoelt. Op het bestaande bedrijventerrein in De Grift kan de in de zomer temperatuur oplopen. Op de niet-ontwikkelde gebieden is daar vanzelfsprekend geen sprake van, maar is het onderwerp wel een nadrukkelijk aandachtspunt. Groendaken, gevelgroen en groen op parkeerterreinen verminderen de hittestress in de gebouwen én de omgeving. Ook kleur en materiaalgebruik kunnen een positief effect op de omgevingstemperatuur en hebben in potentie een positieve meerwaarde, zoals betere isolatie, en verhoogde vastgoedwaarde. Ook schaduw door bomen kan een belangrijke bijdrage zijn aan de koelte in dit gebied. Koele plekken dragen bij aan een aangenaam leefen werkklimaat.
Figuur 4.9.2 Uitsnede kaartbeeld hittestress 17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
67
In het kaartbeeld op figuur 4.9.2 is te zien dat het aangrenzende bestaande bedrijventerrein veel warmer is dan het aangrenzende buitengebied. De afbeelding laat het verschil in gevoelstemperatuur zien bij het huidige klimaat. In het toekomstige klimaat zal lange periodes van hitte frequenter voorkomen en de extremen verder toenemen. Energie Nijmegen-Noord, de locatie van de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift, staat al bekend om het energiebewust karakter door de aanwezigheid van vier windturbines langs de A15, die van ver te zien zijn (zie Figuur 4.9.3). In verlenging hiervan is de keuze gemaakt om een zonnepark aan te leggen in De GriftOost. In 2022 is dit zonnepark met 11.000 zonnepanelen geopend. Hiermee wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een energielandschap. Daarnaast is een groot deel van de daken van bestaande bedrijvigheid in het gebied reeds voorzien van zonnepanelen. Figuur 4.9.3 Windmolens langs de A15 in het plangebied (Cyclomedia)
Door de ontwikkelingen in Nijmegen-Noord zit het huidige transformatorstation, dat hier elektriciteit levert, aan de maximale capaciteit. In korte tijd zijn er in dit gebied veel woningen en voorzieningen gerealiseerd. Een nieuw transformatorstation is in aanbouw. Deze draagt bij aan de plannen van de Gemeente Nijmegen op het gebied van energie in het gebied. Binnen het beoogde uitbreidingsgebied van het bedrijventerrein De Grift bevindt zich de bovengrondse hoogspanningsverbinding Nijmegen-Elst 150 kV en en aangrenzend aan het gebied bevindt zich de bovengrondse hoogspanningsverbinding Dodewaard – Doetinchem 380 kV die onderdeel uitmaken van het landelijk hoogspanningsnet en die in beheer en eigendom zijn van TenneT. Daarnaast valt het in aanbouw zijnde transformatorstation binnen het gebied. Met het oog op de energietransitie kunnen er de komende jaren diverse netuitbreidingen/wijzigingen plaatsvinden om de klimaatdoelstellingen te kunnen nakomen. Een stabiel en toekomstbestendig elektriciteitsnetwerk wordt nog meer noodzakelijk vanwege de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen en de opkomst van nieuwe energiebronnen.
Door de aanwezigheid van verschillende hoogspanningsverbindingen vormt TenneT een van de ruimtevragers en belanghebbenden, waarbij de bescherming van de veiligheid en leveringszekerheid van de hoogspanningsverbinding beperkingen op kan leveren voor het gebruik van de betreffende gronden.
17 februari 2023
MER Bedrijventerrein de Grift
68
4.9.3
Effecten
De Grift wordt ingericht als energielandschap; er zijn al 4 windturbines gerealiseerd. De Grift biedt goede kansen als energie-opwekkend bedrijventerrein. Een minimumambitie hierbij is het benutten van beschikbare dakvlakken voor zonne-energie en het gebruik van duurzame energie en duurzame mobiliteit door de te vestigen functies. Voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift zijn vijf kernwaarden voor klimaat en energie bepaald waaraan de ontwikkelingen worden getoetst. Deze kernwaarden zijn: Klimaatadaptief; openbare ruimte en uitgeefbare grond vormen een harmonieuze hemelwatercascade. Hierin staat bergen, opvangen en vertraagd afgeven van hemelwater centraal. Slimme mobiliteit; de ligging van De Grift en de benodigde infrastructurele ingrepen zullen zo gepositioneerd worden dat de afvang van grote vrachtwagens binnen de Knoop 38 gebeurt. Hierdoor hebben personenauto’s en stadsdistributie meer ruimte en biedt de kans tot afschaling in modaliteit en verduurzaming zich aan. De Grift als energiebron; De Grift heeft zijn herkenbaarheid als energielandschap door de reeds aanwezige energievoorzieningen. Met de ontwikkeling van de nieuwe delen van het bedrijventerrein wordt ingezet op het extra winnen van elektriciteit. Ook wordt het uitwisselen van warme en koude gestimuleerd.