CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 12 Nader onderzoek flora en fauna Lankforst

Besluitronde (raadsvergadering) 9 maart 2022, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Nijmegen Dukenburg 2021 (08/2022)4.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek flora en fauna

Lankforst e.o. te Nijmegen

27 november 2020 lid Netwerk Groene Bureaus

projectnummer: 19143

Nader onderzoek flora en fauna

Lankforst e.o. te Nijmegen

Opdrachtgever

Stichting Woonwaarts

Contactpersoon

de heer M.P.T. de Wit

Projectnummer

19143

Datum

27 november 2020

Auteur

ing. J.H. Gunnink

Goedgekeurd door

ing. D.A. Riemer

Wijze van citeren

Gunnink, J.H., Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2020.

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus.

ECOquickscan ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap ’t Grieth 10 | 6924BJ Loo (Gld) | T 026-3034219 | info@ecoquickscan.nl | www.ecoquickscan.nl | KvK: 75203901

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen

1

1.3

Leeswijzer

2

2.

WETTELIJK KADER

3

2.1

Soortenbescherming

3

3.

ONDERZOEKSMETHODIEK

4

3.1

Vleermuizen

4

4.

RESULTATEN

6

4.1 Vleermuizen 4.1.1 Foerageergedrag 4.1.2 Vaste vliegroutes 4.1.3 Kraamverblijfplaatsen 4.1.4 Zomerverblijfplaatsen 4.1.5 Paarverblijfplaatsen 4.1.6 Winterverblijfplaatsen

6 6 7 7 7 8 8

5.

CONCLUSIE

9

5.1

Beschermde soorten

9

5.2

Consequenties

9

5.3

Aanbevelingen

10

Bijlagen Bijlage 1

Literatuurlijst

Bijlage 2

Wet natuurbescherming

Bijlage 3

Gebiedsfuncties voor vleermuizen

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding In Nijmegen (gemeente Nijmegen, provincie Gelderland) is aan de Lankforst 1400 t/m 1474 (even) en 4300 t/m 4699 (even en oneven) de renovatie van 120 maisonnette woningen (inclusief garages) beoogd. In het kader van de beoogde ontwikkelingen heeft Stichting Woonwaarts, op basis van een eerder uitgevoerde quick scan flora en fauna (Gunnink, 2020), aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan verzocht een nader onderzoek uit te voeren naar vleermuizen (met name naar gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger). In het voorliggende rapport worden de resultaten en conclusies van dit onderzoek weergegeven.

1.2 Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen Het plangebied te Nijmegen ligt in stadsdeel Dukenburg en de wijk Lankforst. Ten noorden van de wijk loopt de N326, ten oosten het Maas-Waalkanaal en ten zuiden de A73. Ten westen ligt park Staddijk, de A73 en recreatiegebied en golfclub De Beerendonck. Lankforst ligt middenin stadsdeel Dukenburg. In het zuidelijk deel van Lankforst staan voornamelijk eengezinswoningen en in het noordelijk deel staat overwegend hoogbouw. Vooral het noordwestelijke deel van Lankforst is groen ingericht met onder andere het Uilenbosje. De wijk wordt begrensd door twee doorgaande wegen in het westen en noorden; Van Apelterenweg en Nieuwe Dukenburgseweg. Het Maas-Waalkanaal vormt de oostgrens en de wijk Malvert de zuidgrens.

Ligging (rood omlijnd) en indrukken van het plangebied; vijf flatgebouwen met brede groenstroken rondom de bebouwing (bron luchtfoto: Google). Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

1

Het plangebied grenst aan de noordoostelijke punt van het Uilenbosje. Langs de westkant van het plangebied loopt een fietspad en ligt een speeltuin. Aan de zuidzijde ligt een watergang. In het plangebied staan vijf flatgebouwen van vijf woonlagen, waarvan de begane grond is opgebouwd uit garages. De vier overige woonlagen bestaan uit twee maisonnette woningen. Eén maisonnette woning bestaat uit twee woonlagen. Aan de voorzijde is een galerij en aan de achterzijde zijn balkons aanwezig, beide opgetrokken uit beton met een metalen hek. De kopgevels zijn van baksteen. Op de langgevels zijn kunststof platen tussen de ramen aanwezig en kleine tegels tussen de verschillende woningen. Bij de dakrand is een boeiboord bevestigd. Voor elk gebouw is een brede groenstrook aanwezig met kort gemaaid gras en heesterborders. In het midden van het plangebied is een groot veld aanwezig met twaalf bomen.

Links een voorbeeld van de garageboxen en rechts ingezoomd op een maisonnette woning.

Vier van de vijf flatgebouwen zullen grondig gerenoveerd worden. Werkzaamheden die hier onder gerekend worden zijn onder andere (na)isolatie van gevels en dak, kozijnen vervangen en dergelijke. Er wordt nog gekeken naar de mogelijkheid voor sloop en nieuwbouw van één van de vijf flatgebouwen. Als dit niet doorgaat zal hier ook een grondige renovatie plaatsvinden. De groenstructuren rondom de bebouwing worden niet aangetast. De planning is om in de tweede helft van 2021 de werkzaamheden te starten.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de natuurwetgeving. Hoofdstuk 3 gaat in op de toegepaste onderzoeksmethode(s). De resultaten van het onderzoek komen aan bod in hoofdstuk 4. In de conclusies, beschreven in hoofdstuk 5, wordt duidelijk wat de consequenties zijn naar aanleiding van het onderzoek.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

2

2.

WETTELIJK KADER Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is een uitgebreidere toelichting opgenomen bij de soort- en gebiedsbescherming zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het nader onderzoek naar vleermuizen voor het project Lankforst te Nijmegen is uitgevoerd in het kader van soortenbescherming (hoofdstuk 3) van de Wet natuurbescherming.

2.1 Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogelen habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

3

3.

ONDERZOEKSMETHODIEK Het inventariseren van flora en fauna gebeurt, indien beschikbaar en toepasbaar, aan de hand van protocollen of ‘vaste’ inventarisatiemethodes. Deze methodes leiden vaak tot een goed beeld van de te onderzoeken soort of soortgroep in het plangebied. Indien mogelijk wordt dan ook volgens deze breed geaccepteerde onderzoeksmethode(s) geïnventariseerd. Hieronder wordt per soort of soortgroep de onderzoeksmethode(s) weergegeven.

3.1 Vleermuizen Het onderzoek is uitgevoerd conform het protocol voor het inventariseren van vleermuizen (afgekort “vleermuizenprotocol”) dat is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ, in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. In het vleermuizenprotocol worden verschillende onderzoeksperioden onderscheiden naar de verschillende functies (zie bijlage 3) dat een gebied kan hebben voor vleermuizen. Binnen het plangebied is onderzoek uitgevoerd naar kraam-, paar- en massawinterverblijfplaatsen. Het onderzoek naar kraam-, paar- en massawinterverblijfplaatsen geeft ook inzicht in andere mogelijk belangrijke functies van het plangebied voor vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen vindt plaats met behulp van een batdetector (een apparaat dat ultrasone vleermuisgeluiden omzet in voor het menselijk oor hoorbare geluiden). Met meerdere personen1 (uitgerust met een Petterson D240x) is op 15 mei, 18 juni, 2 juli, 19 augustus, 1 september en 22 september 2020 onderzoek gedaan naar kraam-, paar- en massawinterverblijfplaatsen. Het onderzoek heeft zowel rond zonsopgang (ochtendonderzoek) als rond zonsondergang (avondonderzoek) plaatsgevonden. ’s Ochtends wordt voornamelijk gekeken naar zwermgedrag nabij de verblijfplaats.

In de avond wordt gekeken naar uitvliegers en tijdens het paarseizoen wordt geluisterd naar roepende mannetjes vanuit of in de nabijheid van de verblijfplaats. Tijdens de avondrondes, met name op 19 augustus en 1 september 2020, is middernacht ook gekeken naar zwermgedrag als indicatie voor het voorkomen van een (massa)winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Weersomstandigheden Onderzoek naar vleermuizen is sterk gebonden aan weersomstandigheden, als het bijvoorbeeld hard waait of de temperatuur te laag is verlaten vleermuizen hun verblijfplaats niet. Hieronder staan de weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek.

1

Voor de onderzoeksinspanning en inzet van personen is rekening gehouden met de vereisten zoals

opgenomen in het Vleermuisprotocol 2017. Binnen ECOquickscan wordt de onderzoeksinspanning altijd bepaald door Haico van der Burgt, ervaren (vleermuis)onderzoeker en ondermeer een actief lid van het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

4

Datum

Tijdstip

Temperatuur

Windkracht

onderzoek

Onderzoeksomstandigheden

15 mei 2020

21:04 - 23:27

14 - 10 °C

0 - 1 Bft

Optimaal

18 juni 2020

21:54 - 00:01

19 - 17 °C

1 Bft

Optimaal

2 juli 2020

03:18 - 05:27

16,5 °C

2 Bft

Optimaal

19 aug. 2020

23:57 - 02:01

18 °C

0 - 2 Bft

Optimaal

1 sept. 2020

23:58 - 02:01

13 °C

3 - 1 Bft

Optimaal

22 sept. 2020

20:44 - 22:47

12 °C

0 - 1 Bft

Optimaal

Weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek naar vleermuizen.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

5

4.

RESULTATEN Het nader onderzoek voor het project Lankforst e.o. te Nijmegen heeft het onderstaande resultaat opgeleverd.

4.1 Vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen bestaat uit twee delen. Op de eerste drie onderzoeksmomenten is het voorkomen van kraamverblijfplaatsen onderzocht. Dit onderzoek heeft ook inzicht gegeven in het voorkomen van zomerverblijven, vliegroutes en het foerageergedrag van vleermuizen. De drie onderzoeksmomenten in augustus en september hebben inzicht gegeven in het voorkomen van paar- en massawinterverblijfplaatsen.

Weergave van de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen. De nummers corresponderen met de tekst over paarverblijven in paragraaf 4.1.5.

Op de bovenstaande afbeelding zijn de waarnemingen van alle zes de onderzoeksmomenten bijeengebracht. De kaart geeft op het gebied van het foerageergedrag vooral weer welke elementen (regelmatig) gebruikt worden. Het aantal vleermuizen dat gebruik maakt van het gebied is hieronder tekstueel uitgelegd. 4.1.1 Foerageergedrag Tijdens het onderzoek zijn vier vleermuissoorten waargenomen, namelijk gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en rosse vleermuis (Nyctalus noctula). Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

6

De laatvlieger is alleen op 15 mei 2020 foeragerend waargenomen boven de waterpartij ten zuiden van het plangebied en bij de bomen langs het pad ten (noord)westen van het plangebied. De rosse vleermuis is op 2 juli 2020 foeragerend waargenomen op twee verschillende plekken ten westen van het plangebied; vlak langs de langgevel van de noordwestelijke flat en bij de bomen langs het pad. Ruige dwergvleermuis is zowel tijdens zomerrondes als tijdens paarrondes foeragerend waargenomen bij de waterpartij ten zuiden van het plangebied en de straat Lankforst ten (noord)oosten van het plangebied. Gewone dwergvleermuis is tijdens alle rondes foeragerend aanwezig in en rondom het plangebied. Bomen langs wegen en paden en de waterpartij ten zuiden van het plangebied zijn de elementen waar exemplaren voornamelijk zijn waargenomen. Met name ten zuiden en westen was veel activiteit. In totaal zijn ongeveer vijf tot tien dieren gelijktijdig in en om het plangebied aanwezig. 4.1.2 Vaste vliegroutes Binnen en direct aansluitend aan het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes waargenomen. 4.1.3 Kraamverblijfplaatsen Binnen en direct aansluitend aan het plangebied zijn geen kraamverblijfplaatsen aangetroffen.

4.1.4 Zomerverblijfplaatsen In het plangebied zijn op 15 mei, 18 juni en 2 juli 2020 vier locaties waargenomen waar vleermuizen in of uit het gebouw vlogen (één tot drie exemplaren) en één locatie waar mogelijk een vleermuis het gebouw is uitgevlogen. Het betreffen allen zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Eén verblijfplaats bevindt zich achter een boeiboord op de langgevel, de andere verblijfplaatsen bevinden zich op de kopgevel achter boeiboorden. Bij de vermoedelijke verblijfplaats was niet duidelijk te zien waar de vleermuis vandaan kwam. Mogelijk kwam deze van onder het boeiboord op de hoek van de kopgevel vandaan, maar het kan ook een foeragerend exemplaar zijn geweest dat van langszij kwam.

Voorbeeld van de boeiboorden waarachter de verblijfplaatsen van vleermuizen zich bevinden.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

7

4.1.5 Paarverblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn op 19 augustus, 1 september en 22 september 2020 in het plangebied zes paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waargenomen (zie afbeelding). Drie paarverblijfplaatsen konden gekoppeld worden aan een zomerverblijfplaats (nummer 1 t/m 3). Verder was er elke najaarsronde baltsactiviteit bij het groepje bomen tussen de gebouwen. Daarbij was er een binding met de zuidgevel van één van de flatgebouwen (nummer 4). Ter plaatse van het potentiële zomerverblijf is op 19 augustus 2020 een paarverblijf vastgesteld (nummer 5). Bij paarverblijf nummer 6 is op 19 augustus en 22 september 2020 baltsgedrag waargenomen. De vleermuis leek hierbij gebonden aan de oostelijke kopgevel van dit gebouw. Op 1 september 2020 is bij dit gebouw een roepend mannetje vanaf de gevel waargenomen. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om hetzelfde individu dat op twee locaties zijn territorium bekend maakt. Alle paarverblijfplaatsen worden verwacht onder het boeiboord, aangezien dit de enige zichtbare geschikte openingen zijn. 4.1.6 Winterverblijfplaatsen Aangezien tijdens het najaarsonderzoek geen zwermactiviteiten zijn waargenomen, zijn er geen aanwijzingen dat grote groepen vleermuizen overwinteren in de gebouwen binnen het plangebied.

Kleine winterverblijfplaatsen van soorten die in gebouwen (woningen) overwinteren, zoals de gewone dwergvleermuis, zijn niet tot nauwelijks te onderzoeken. De aanwezigheid van paarverblijfplaatsen is voor de gewone dwergvleermuis vaak een indicatie dat gebouwen ook geschikt zijn als winterverblijfplaats voor een kleine groep of solitair overwinterde gewone dwergvleermuizen. Afhankelijk van het type bebouwing zijn deze winterverblijfplaatsen alleen geschikt in milde winters of ook tijdens strenge vorst (vaak alleen als vleermuizen gebruik kunnen maken van ruimtes in de spouw of op zolder). Aangezien zes paarverblijfplaatsen zijn aangetroffen in het plangebied is het niet geheel uit te sluiten dat de woningen ook gebruikt worden als winterverblijfplaats. Op basis van het type bebouwing is het mogelijk dat de winterverblijfplaatsen bij strenge vorst ook geschikt zijn. Er kan namelijk niet uitgesloten worden dat de spouw via de boeiboorden toegankelijk is.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

8

5.

CONCLUSIE Uit de resultaten voor het project Lankforst e.o. Nijmegen kunnen de onderstaande conclusies getrokken worden.

5.1 Beschermde soorten In het plangebied is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. Vleermuizen Tijdens het nader onderzoek zijn in het plangebied de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waargenomen: •

Drie zomer- en paarverblijfplaatsen;

•

Eén paar- en (vermoedelijke) zomerverblijfplaats;

•

Eén zomerverblijfplaats;

•

Twee paarverblijfplaatsen.

De paarverblijfplaatsen zijn ook geschikt voor overwintering van één of enkele vleermuizen. Al deze verblijfplaatsen zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming.

5.2 Consequenties In het plangebied zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen zijn, bij de renovatie van gebouwen, niet uit te sluiten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient voor de gewone dwergvleermuis een ontheffing ex. artikel 3.5 aangevraagd te worden bij de Gedeputeerde Staten van de provincie. In het kader van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming zal een activiteitenplan opgesteld moeten worden. In het activiteitenplan zal onder andere ingegaan moeten worden op mitigerende maatregelen en een onderbouwing van het wettelijk belang van de aanvraag. Mitigerende maatregelen hebben betrekking op de werkzaamheden (werkwijze), tijdelijke effecten en definitieve maatregelen om het plangebied opnieuw geschikt te maken voor soorten. Verder is er een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 altijd van toepassing: •

In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie en bosjes in het plangebied niet worden verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd. Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

9

•

Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: •

Voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken;

•

Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;

•

Het slopen (en eventueel rooien) starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen.

5.3 Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming zijn er ook een aantal vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting van het plangebied, zoals: •

Voor vleermuizen kunnen open stootvoegen aangebracht worden in muren, of vleermuiskasten worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte;

•

Er kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van de huismus en gierzwaluw op >2,5 meter hoogte in de muur. Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. De huidige bebouwing is voor deze soort niet of nauwelijks geschikt;

•

Het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse (autochtone) bes- en bloemdragende struiken en planten.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

10

BIJLAGE 1 Literatuurlijst Gunnink, J.H., Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen, ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2020. Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ, (destijds; eerste versie van het protocol) in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuizenprotocol, versie 2017.

Websites: www.vleermuis.net www.vleermuizenindestad.nl www.rijksoverheid.nl

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

BIJLAGE 2 Wet natuurbescherming Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming is hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming bepalend. Indien gebiedsbescherming aan de orde is, zijn er verschillende stappen in onderzoek te onderscheiden; Voortoets en afhankelijk van de conclusie in de Voortoets een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling. Bij een Voortoets komen de volgende onderdelen aan bod: •

Beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In het geval van een wijziging van bedrijfsactiviteiten het in beeld brengen van de bestaande situatie en gewijzigde bedrijfsactiviteiten;

•

Welke milieueffecten deze (bedrijfs)activiteiten hebben op de omgeving;

•

Welke van de soorten en habitats waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden, schade ondervinden;

•

Welke (bedrijfsmatige) activiteiten kunnen leiden tot effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling: Indien uit de Voortoets blijkt dat een ruimtelijke ingreep geen negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied dan is het onderzoek gereed. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied, maar zeker niet significant negatief dan moet een Verstorings- en Verslechteringstoets worden opgesteld. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft en mogelijk ook een significant negatief effect dan moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling is de basis voor de aanvraag van een vergunning. Wet natuurbescherming – soortenbescherming Voor soortbescherming is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, verdragen van Bern en Bonn) en nationaal beschermde soorten. Er zijn verbodsbepalingen opgenomen, bepalingen voor algemene vrijstelling en project-specifieke ontheffingen en de belangen die aangetoond dienen te worden om een ontheffing te verkrijgen.

Verbodsbepalingen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden, te vangen of opzettelijk te storen (tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort). Ook is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze vogels te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen of eieren te rapen en deze eieren onder zich te hebben. Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Het is verboden in het wild levende dieren (waaronder diverse vogelsoorten) van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen of voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Ook is het verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel A, opzettelijk te doden of te vangen, of vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Ook is het verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Zorgplicht Naast de bovenstaand beschreven verboden kent de Wet natuurbescherming ook een zorgplicht. In artikel 1.11 is opgenomen dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat schadelijke handelingen achterwege blijven, dan wel noodzakelijke maatregelen getroffen worden om die schadelijke gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt worden. Procedurele consequenties Voor ruimtelijke ingrepen is het van belang te toetsen of er allereerst sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten is het bijvoorbeeld van belang te beoordelen of een verstoring van wezenlijke invloed is. Voor de nationaal beschermde soorten zijn er per provincie lijsten opgesteld met soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Over het algemeen zijn dit de meer algemeen voorkomende soorten zoals het konijn of de vos.

Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming, hoofdstuk 3. Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen) van leefgebieden van beschermde soorten, is ontheffing ex. artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 van de Wet natuurbescherming nodig van Gedeputeerde Staten. Het uitvoeren van een ruimtelijke ingreep, indien er sprake is van een overtreding van één van de bovenstaand beschreven verbodsbepalingen, kan door middel van een goedgekeurde gedragscode of een verkregen ontheffing. Een gedragscode geldt voor zowel de internationaal beschermde soorten als de nationaal beschermde soorten. In een gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd. Voor een ontheffing zijn procedurele consequenties afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Er zijn drie soorten verbodsbepalingen en gekoppeld aan deze bepalingen zijn er ook drie verschillende beschermingsregimes: •

Soorten van de Vogelrichtlijn;

•

Soorten van de Habitatrichtlijn, verdrag van Bern en/of Bonn;

•

Nationaal beschermde soorten.

Voor het verkrijgen van een ontheffing moet als eerste een belang worden aangetoond op grond waarvan een ontheffing kan worden verkregen voor het overtreden van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten moet een belang worden aangetoond zoals opgenomen in de Vogelrichtlijn. Voor ruimtelijke ingrepen zijn dat: •

Volksgezondheid of openbare veiligheid;

•

Veiligheid van het luchtverkeer;

•

Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

Ter bescherming van flora of fauna.

Voor Habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn: •

Bescherming van de wilde flora of fauna, of instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

•

Volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

Voor nationaal beschermde soorten: •

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

BIJLAGE 3 Gebiedsfuncties voor vleermuizen De onderstaande definities zijn overgenomen uit het vleermuisprotocol. Verblijfplaatsen Alle typen verblijfplaatsen zijn beschermd. •

Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is.

•

Kraamverblijfplaats: Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen.

•

Paarverblijfplaats: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.)

•

Winterverblijfplaats: Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden.

Overige elementen Indien aantasting van de onderstaande elementen het functioneren van een verblijfplaats aantast is bescherming aan de orde. •

Vliegroute: Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa.

•

Migratieroute: Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa.

•

Foerageergebied: Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

Nader onderzoek flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=627bf205-24cc-4ba5-b76d-80aa2b07f752