CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11. Stikstofonderzoek Hoge Bongerd

Besluitronde (raadsvergadering) 8 oktober 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd (79/2025)8.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V.

Wijchenseweg 102 (2e etage), 6538 SX, NIJMEGEN Vestigingen te Nijmegen, Rosmalen, Baexem en Voerendaal

Stikstofonderzoek Aan Van Datum Betreft Project

Gemeente Nijmegen 6 juni 2025 Stikstofonderzoek Hoge Bongerd POU240163

Inleiding De gemeente Nijmegen heeft het voornemen om aan de noordkant van de Spiegelwaal woningen te realiseren. Binnen de ontwikkeling is ook ruimte voor (andere) commerciële functies. De gemeente stelt voor de ontwikkeling Hoge Bongerd een onderbouwing voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) op. Omdat er bij de realisatie van de woningen en andere functies sprake is van een tijdelijke toename van stikstofemissies (ten gevolge van het gebruik van werktuigen en bouwverkeer) en omdat er na ingebruikname sprake is van extra stikstofemissies ten gevolge van het verkeer, kan de ontwikkeling een stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Significant nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden zijn niet toegestaan. Andere natuurgebieden zijn door provincies planologisch beschermd tegen aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken. Daarom moeten de stikstofeffecten ten gevolge van het voornemen op Natura2000-gebieden en andere voor stikstof gevoelige en beschermde natuurgebieden worden beoordeeld. Voorliggende notitie betreft een stikstofonderzoek waarin deze beoordeling wordt gedaan.

Wettelijke kader Bij het aanvragen van een BOPA moet rekening worden gehouden met de aanwijzingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden (zoals vermeld in artikel 2.44 van de Ow). Dat betekent in voorkomend geval dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen zijn op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden van de ontwikkelingen die worden mogelijk gemaakt in de BOPA. De instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld in de (relevante) aanwijzingsbesluiten. Wanneer er sprake is van voor stikstofgevoelige natuur, kan een toename van stikstofdepositie op het natuurgebied significant nadelige gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelen. Deze beoordeling ziet toe op het vaststellen of met het plan of activiteit sprake is van een Natura 2000 activiteit; een activiteit die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Daarbij wordt rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. Indien significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten of gevolgen anderszins niet

POU240163.006/ELO, pagina 2 van 42

significant zijn, is er geen sprake van een Natura 2000 activiteit. Het plan hoeft dan niet passend beoordeeld te worden. Het vaststellen of er ten aanzien van stikstof sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000 gebied gebeurt middels een voortoets. Onderstaand wordt daaraan invulling gegeven. Andere effecten Naast stikstofeffecten, kan de ontwikkeling ook andere storende effecten (bijvoorbeeld lichthinder, geluidhinder, visuele verstoring, verontreiniging) hebben op natuur in beschermde gebieden. Gezien de korte afstand tot Natura 2000 Rijntakken zijn andere verstorende effecten ten gevolge van de ontwikkeling, niet zonder meer op voorhand uit te sluiten. In de notitie ‘Ecologische verkenning stadseiland’ van Pouderoyen Tonnaer (26 november 2021), wordt ingegaan op mogelijke andere storende effecten, anders dan stikstof. In de notitie wordt geconcludeerd dat directe effecten met betrekking tot het realiseren van woningen in de gebieden Veur Lent en Hoge Bongerd op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Uit de Europese Natuurherstelwet volgt dat beschermde soorten ook buiten de Natura 2000 gebieden beschermd moeten worden. Het doel van de wet is om met herstelmaatregelen er voor te zorgen dat in 2030 ten minste 20% van de land- en zeegebieden van de EU hersteld is, en in 2050 alle aangetaste ecosystemen. Voor beschadigde ecosystemen geldt een inspanningsverplichting. Dit geldt ook voor het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is het Gelders deel van het natuurnetwerk Nederland. De regels rondom de bescherming en ontwikkeling van het GNN staan in de Omgevingsverordening Gelderland. Een nieuwe activiteit wordt alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat de activiteit geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het GNN. Hierbij moeten de verschillende natuurtypen, kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN worden betrokken. Een te hoge stikstofdepositie kan voor sommige natuurtypen nadelige gevolgen hebben. Daarom moet er ook ter plaatse van het GNN getoetst worden of er sprake is van toename in stikstofdepositie.

Ligging projectlocatie Hoge Bongerd De Hoge Bongerd ligt aan de noordkant van de Waal, tegenover het stadscentrum van Nijmegen. De Hoge Bongerd vult de agrarische percelen tussen het dorp Lent en de Waal. Aan de zuidkant van het gebied ligt de waaldijk. Ten westen van het gebied loopt de spoorlijn van Nijmegen naar Arnhem. Ten oosten van het gebied ligt het dorp Lent en de provinciale weg de Prins Mauritssingel (N325).

POU240163.006/ELO, pagina 3 van 42

Figuur 1 Ligging van het plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is Rijntakken en ligt op circa 45 meter. Andere Natura 2000 gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand (zie tabel 1). Afstand tot het Gelders natuurnetwerk (GNN) is circa 104 meter (Gelderse Poort zuid). Tabel 1 Afstand in meter van Hoge Bongerd tot Natura 2000 gebieden binnen 25 km Natura 2000 gebied

Afstand tot Hoge Bongerd (m)

Rijntakken

45

De Bruuk

11.774

Sint Jansberg

12.241

Veluwe

12.730

Oeffelter Meent

16.368

Zeldersche Driessen

20.286

Maasduinen

22.655

Binnenveld

23.936

POU240163.006/ELO, pagina 4 van 42

Figuur 2 Ligging van het plangebied ten opzichte van N2000-gebieden

Duitse Natura 2000 Binnen een straal van 25 km van het project gebied liggen naast Nederlandse-, ook Duitse Natura2000-gebieden. In Duitsland is andere regelgeving van toepassing betreft de bescherming van de natuurgebieden tegen een toename van stikstofdepositie. In Duitsland is een stikstofvergunning pas nodig als door een nieuwe activiteit meer dan 7 mol stikstof (100 gram) per hectare per jaar neerslaat in een Natura2000-gebied. Tabel 2 Duitse Natura 2000 gebieden binnen 25 km van het plangebied

Natura2000-gebied

Afstand tot projectlocatie (in meters, afgerond op 100 meter)

Wyler Meer (Teilfläche des NSG Düffel)

6.500

Vogelschutzgebiet 'Unterer Niederrhein'

6.500

NSG Kranenburger Bruch

13.200

POU240163.006/ELO, pagina 6 van 42

Het programma bestaat uit 250 woningen (circa 44.260m2 BVO), aangesloten op een warmtenet. Van de woningen is de helft een appartement, de andere helft bestaat uit verschillende soorten huizen waaronder rug-aan-rug-, hoek- en tussenwoning en stadsvilla’s. Circa 40 woningen vallen in de categorie ‘sociaal’, de overige woningen worden aangeboden als ‘dure koop’. Daarnaast is er ruimte voor overige functies (maximaal 3.000 m2 BVO), bijvoorbeeld detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport en wellness, lichte bedrijvigheid, kantoren en eventueel een kinderopvang. Voor de ontwikkeling moet ook de infrastructuur binnen het projectgebied worden aangelegd. Het gaat hierbij onder andere over de wegen horend bij het woongebied. Verder wordt er ten noorden van het plangebied een fietspad gerealiseerd (zie onderstaand figuur, zwarte contour).

Stikstofemissie Aanlegfase Voor de aanlegfase is de inschatting van de stikstofemissie op basis van kengetallen voor vergelijkbare woningbouwprojecten en handreikingen. Hierbij wordt rekening gehouden met de het voorbereidende grondverzet, het bouwrijp maken van het terrein, de bouw van de woningen en gebouwen voor overige functies en de aanleg van de infrastructuur. De realisatie vindt plaats over meerdere jaren (woningen 2027-2029 en openbare ruimte 2027-2030). Deze fasering wordt meegenomen in de berekening.

De kengetallen die voor de aanlegfase worden gebruikt houden rekening met grondverzet en het

POU240163.006/ELO, pagina 7 van 42

bouwrijp maken van de grond. Echter is de verwachting dat voor de ontwikkeling Hoge Bongerd relatief veel grondverzet moet plaatsvinden. De stikstofemissies die plaatsvinden tijdens dat grondverzet worden in de kengetallen mogelijk niet volledig meegenomen. Het grondverzet wordt daarom in de berekening apart/aanvullend beschouwd. Grondverzet De gemeente heeft ingeschat dat er voor de ontwikkeling de volgende hoeveelheid aan te voeren grond nodig is: 42.500m3 + marge 2.500m3 = 45.000 m3 (uitgaande van worst-case). De gemeente heeft aangegeven dat de inschatting is dat de grond van het eiland Veur-Lent kan worden gehaald. Deze locatie ligt tegenover Hoge Bongerd. De grond wordt aangevoerd met vrachtwagens. Uitgaande van 15 m3 per vrachtwagen1, zijn er voor het grondverzet 3.000 vrachtwagens nodig (6.000 verkeersbewegingen). De vrachtwagens worden ingeladen op het eiland Veur-Lent. Er is ervan uitgegaan dat het inladen van de vrachtwagen 30 minuten duurt, waarbij het inladen gebeurt door een graafmachine (stageklasse IV, 20 liter per dag2 met 5% AdBlue) en de vrachtwagen stationair draait (stage-klasse IV, 2 liter per dag met 5% AdBlue). Vervolgens rijden de vrachtwagens zullen via de Oosterhoutsedijk en de Lentloper naar de Hoge Bongerd. Daar lossen de vrachtwagens hun lading, waarbij ze circa 30 minuten stationair draaien.

De grond wordt binnen het plangebied verspreid met een graafmachine (of vergelijkbaar). In de berekening wordt uitgegaan van een graafmachine van stage-klasse IV en brandstofverbruik van 20 liter per dag (5% AdBlue)2. Er wordt er van uitgegaan dat de capaciteit van een graafmachine 100 m3 per dag. Uitgaande van een werkdag van 8 uur, resulteert dit in 3.600 draaiuren voor de graafmachines. Dit komt overeen met circa 450 werkdagen. Er wordt er van uitgegaan dat er minstens 3 graafmachines aanwezig zijn voor het grondverzet. Het grondverzet bedraagt dan circa 150 werkdagen. Voor de vrachtwagens die de grond vervoeren, kan er sprake zijn van een koude start (wanneer de vrachtwagen langer dan 2 uur heeft stilgestaan) aan het begin van de werkdag. Er wordt er van uitgegaan dat er 3 vrachtwagens zijn die de grond aanvoeren. Deze vrachtwagens blijven op de locatie tijdens het grondverzet. Elke werkdag is er sprake van een koude start van de vrachtwagens. Dat resulteert in 450 koude starts. Grondverzet vindt plaats aan het begin van de realisatie en is binnen een jaar afgerond. Het grondverzet vindt daarom alleen plaats in 2027. De emissies die vrijkomen tijdens het grondverzet zijn weergegeven in onderstaande tabel 3.

1 Hoeveel m3 zand in vrachtwagen. Grondverzet https://grondverzet.nu/hoeveel-m3-zand-in-vrachtwagen/ 2 Brandstofverbruiksreductie en -monitoring van mobiele werktuigen, 2014. TNO.

https://www.tno.nl/media/3366/memo brandstofverbruik bouwmachines 2014 tm not 0100007452 tc.pdf

POU240163.006/ELO, pagina 12 van 42

Gebruiksfase Omdat de woningen en andere functies worden aangesloten op het warmtenet, vindt er in de gebruiksfase geen stikstofemissie plaats voor de verwarming van de woningen en gebouwen. Stikstofemissies in de gebruiksfase zijn alleen afkomstig van de verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling. Uitgangspunten hiervan zijn het Verkeersonderzoek Hoge Bongerd en Veur Lent (Goudappel, 21 augustus 2024). In dit onderzoek is zowel de ontwikkeling Hoge Bongerd als een ontwikkeling op Veur Lent meegenomen. Ten behoeve van de stikstofverkenning heeft Goudappel de verkeerstoename enkel ten gevolge van Hoge Bongerd aangeleverd (figuur 5). Verkeersgeneratie van het planvoornemen wordt ingeschat op 1.400 ritten op een gemiddelde werkdag door de woningen en 500 ritten per etmaal voor de overige (commerciële) voorzieningen. Dit resulteert in 1.900 extra verkeersbewegingen van/naar Hoge Bongerd ten gevolge van het planvoornemen. In de verkeerstaantallen weergegeven in figuur 5, verlaten 1.800 verkeersbewegingen het gebied, in plaats van 1.900. Dit wordt veroorzaakt door een afronding in honderdtallen. Voor het stikstofonderzoek zijn de aantallen uit figuur 5 naar verhouding gecorrigeerd, zodat er in de stikstofberekening 1.900 verkeersbewegingen worden meegenomen. Hierbij wordt uitgegaan van 4% zwaarverkeer (76), 4% middelzwaar (76) en 92% lichtverkeer (1.748) (zie tabel 7).

Inschatting type verkeer Van de 1.900 extra verkeersbewegingen is een deel lichtverkeer zoals personenauto’s, een deel middelzwaar verkeer zoals bestelbussen en een deel zwaar verkeer zoals vrachtwagens. De stikstofemissies verschillen per categorie voertuigen, waarbij in algemene zin geldt hoe zwaarder het voertuig, hoe hoger de uitstoot. Welk aandeel dit precies is, is bepaald aan de hand van de huidige verdeling tussen de categorieën. In de verkeerstellingen van juni 2024 is de huidige verdeling per meetpunt geregistreerd (zie tabel 7). In de huidige situatie is in het gebied dat de meetpunten omsluit, al een woonwijk aanwezig. In de woonwijk zijn verschillende commerciële functies aanwezig, zoals een autobedrijf, restaurant, kinderopvang. Het aandeel van middelzwaar en zwaarverkeer is daarom vergelijkbaar met de nieuwe situatie (er worden zowel woningen al een kleiner gedeelte commerciële functies gerealiseerd). Dat resulteert in de volgende verdeling: circa 4% zwaarverkeer, 4% middelzwaar en 92% lichtverkeer.

In het verkeersonderzoek is de verspreiding van het verkeer op het verkeersnetwerk in beeld gebracht voor enkele punten rondom het gebied. De toename van verkeer door de ontwikkeling is op deze punten in beeld gebracht ten opzichte van de verwachte nieuwe verkeersintensiteit. Dit is gedaan voor verschillende varianten. Er is uitgegaan van variant 1A van het verkeersonderzoek, waarin het huidige verkeersnetwerk wordt gebruikt voor de afwikkeling van het verkeer van Hoge Bongerd. De toename van het verkeer is weergegeven in onderstaande figuur 5 en tabel 7.

POU240163.006/ELO, pagina 13 van 42

De toename in verkeer op de verschillende punten is vertaald naar de routes die het verkeer van Hoge Bongerd maakt voordat het opgaat in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval als het aan- en afvoerende verkeer zich in snelheid en rij- en stopgedrag zich niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt5. Daarbij speelt ook de verhouding tussen de hoeveelheid verkeer die door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het al aanwezige verkeer op de weg. Het verkeer moet worden meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer Het verkeer van de Hoge Bongerd is opgegaan in het heersende verkeersbeeld wanneer de provinciale weg Prins Mauritssingel is bereikt (N325). Vanuit het gebied volgt het verkeer verschillende routes. -

Het verkeer dat in noordelijke richting rijdt verlaat het gebied via punt A. Vervolgens rijdt het verkeer vanaf de Griftdijk Zuid (punt A) via het Hertog Eduardplein naar de Prins Mauritssingel (N325). Dit gaat om 422 motorvoertuigen per etmaal.

-

Richting het oosten verlaat het verkeer het gebied via de Parmasingel (punt C). Dit gaat over 1.300 motorvoertuigen per etmaal. Vanaf de Parmasingel zal verreweg het merendeel van het verkeer via de Turennesingel naar de Prins Mauritssingel rijden. Een klein gedeelte kan via de Turennesingel en de Bemmelsedijk verder naar het noordoosten rijden. Hierbij is ervan uitgegaan dat 90% naar de Prins Marutissingel rijdt, de overige auto’s rijden in noordoostelijk richting. Dat verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld bij de rotonde waar de Turennesingel kruist met de Steltsestraat.

-

In westelijke richting kunnen de voertuigen het gebied verlaten via de Parmasingel en de Oosterhoutsedijk onderdoor het spoor. Dit gaat om 100 motorvoertuigen per etmaal. Dit verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld bij de eerste kruising met de Zaligestraat. Omdat er sprake is van een 30 km/uur-weg en het verkeer vanaf die kruising zich daarom niet meer onderscheidt van het overige verkeer.

Er is uitgegaan van 10% stagnatie voor alle routes en verkeerstype. Bij het verkeer op de Oosterhoutsedijk en de Turennesingel is er rekening gehouden met een hoogteligging van een dijk van 5 meter ten opzichte van het maaiveld (AHN, 2024).

5

Instructie Gegevensinvoer AERIUS 2024, https://www.aeriusproducten.nl/documenten/publicaties/2024/10/1/instructie-gegevensinvoer-2024

POU240163.006/ELO, pagina 20 van 42

relevante toename plaatsvindt ten gevolge van het project zijn weergegeven in tabel 10. Overbelaste hexagonen Relevante hexagonen zijn de hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de Kritische Depositiewaarde (KDW). Deze hexagonen worden overbelaste hexagonen genoemd. Daarnaast is er sprake van naderende overbelaste hexagonen wanneer de achtergronddepositie hoger is dan de KDW min 70 mol N/ha/jr (marge). Deze bandbreedte wordt aangehouden om een eventuele verhoging van de achtergrond depositie door cumulatie met andere plannen/projecten in de omgeving op te vangen. Habitattypen en leefgebieden waarop ten gevolge van Hoge Bongerd een relevante toename is en waar er sprake is van een (naderende) overschrijding, zijn Lg11, Lg02, H6510A, Lg08 en H6210. Voor de habitattype H3150baz, H91E0C, H91E0B, H91F0 en H6430C is er geen sprake van een relevante toename op overbelaste hexagonen. Omdat de depositie op deze habitattype lager is dan de KDW, kan de toename in depositie ten gevolge van Hoge Bongerd geen significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen. Deze habitattypen worden in deze memo verder niet beschouwd.

Figuur 7 Mate van overbelasting voor hexagonen met relevante habitats en overbelaste hexagonen waarop een relevante toename plaatsvindt door ontwikkeling Hoge Bongerd

POU240163.006/ELO, pagina 21 van 42

Minimumoppervlak In de Handreiking Voortoets Stikstof (2021) is aangegeven dat wanneer het oppervlak waar een overschrijding van de KDW plaatsvindt kleiner is dan het minimumoppervlak van het betreffende habitat- of leefgebiedtype, er geconcludeerd kan worden dat de depositie niet leidt tot significante gevolgen. Het standaard minimumoppervlak is 100 m2. Voor H6110 Pioniervegetaties op kalk en H7220 Kalktufbronnen geldt een minimum oppervlak van 10 m2, voor bossen (H2180, H9110 t/m H19F0) geldt 1000 m2. Er is een selectie gemaakt van de hexagonen waarbij de oppervlakte aan het habitat of leefgebied hoger is dan het minimum oppervlak van het betreffende habitat- of leefgebiedtype. Voor een aantal overbelaste hexagonen met een relevante toename van de habitattypen Lg11, H6510A en H6120 (respectievelijk 10, 2 en 2 hexagonen) is het habitatoppervlakte kleiner dan het minimumoppervlak. De toename van depositie ter plaatse van deze hexagonen leidt niet tot significante gevolgen. Deze hexagonen worden daarom niet verder meegenomen in de memo. De (naderende) overbelaste habitattypen en leefgebieden van relevante grootte waarop dan een relevante toename van depositie plaatsvindt staan in tabel 2 en zijn weergegeven in figuur 8.

Figuur 8 Overzicht van de ligging van relevante habitats en overbelaste hexagonen waarop een relevante toename plaatsvindt door ontwikkeling Hoge Bongerd

POU240163.006/ELO, pagina 23 van 42

weinig informatie is over de trend en voor dit habitattype geen specifieke maatregelen zijn opgenomen. Dit habitattype komt zeer lokaal voor, met name langs de IJssel en is niet relevant voor het voornemen: er is geen sprake van toename van depositie op dit habitattype (H9120 Beuken- eikenbossen met hulst). Prognoses van stikstofdepositie in AERIUS Monitor AERIUS Monitor toont informatie over de Natura 2000-gebieden en depositiegegevens. Ook worden er prognoses getoond voor de depositie in 2025 en 2030. De gegevens zijn afkomstig uit de monitoring stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. De prognoses tot 2030 gaan uit van emissieramingen van het scenario met vastgesteld beleid uit de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 20226. In deze ramingen is het beleid meegenomen dat op 1 mei 2022 voldoende concreet is uitgewerkt (‘vastgesteld en voorgenomen beleid’) of bindend is vastgelegd (alléén ‘vastgesteld beleid’)7. Voor 2025 wordt verwacht dat de gemiddelde stikstofdepositie daalt met circa 55 mol/ha/jaar ten opzichte van 2020 (4 procent) en ongeveer 150 mol/ha/jaar tussen 2020 en 2030 (10 procent). Voor 2030 komt de gemiddelde depositie op 1.310 mol/ha/jaar.

Advies ecologische autoriteit: De ecologische autoriteit heeft een advies uitgebracht over de NDA Rijntakken. Hierin is getoetst of de NDA een goede basis kan vormen voor de bepaling van de maatregelen die in het gebiedsprogramma zullen worden genomen. De ecologische autoriteit maakt kanttekeningen bij de conclusies die worden getrokken in de NDA. De autoriteit geeft aan dat er niet genoeg wordt ingegaan op de verschillen tussen locaties of deelgebieden en dat bestaande informatie onvoldoende is benut. Ook wordt er aangegeven dat de andere functies van het gebied beter moeten worden betrokken, met name als het gaat om het vergroten van de rivierdynamiek. Een aantal conclusies vindt de ecologische autoriteit niet voldoende onderbouwd. De Ecologische Autoriteit is van oordeel dat bestaande plus aanvullende maatregelen zicht geven op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitats en soorten. Wat betreft stikstof is er aangegeven dat de verlaging van de stikstofbelasting nodig is. De stikstofbelasting is met name bij de droge bossen te hoog. Voor de stroomgraslanden is de stikstofbelasting uit de lucht niet te hoog, maar kan een verlaging wel degelijk gunstige effecten hebben. De ecologische autoriteit geeft aan welke aanvullende maatregelen er nog moeten worden genomen. Deze maatregelen gaan betreft de graslanden en leefgebieden voor vogels over

6

Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2023 – Monitoring van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. RIVM 2023. DOI 10.21945/RIVM-2023-0239 7 De doelen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied en gebiedsplannen van de provincies, Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus), afbouw van derogatie zijn niet meegenomen.

POU240163.006/ELO, pagina 24 van 42

het beheer van de gebieden. Er is aangegeven dat verslechtering van de graslanden vooral komt door inadequaat beheer. Urgentietabel: Voor een groot aantal stikstofgevoelige habitattypen in Nederland wordt de KDW al decennialang overschreden. Door de cumulatieve effecten worden de negatieve gevolgen van stikstof groter bij een langduriger en/of hogere stikstofbelasting. Bij een voortdurende overschrijding van de KDW is niet uit te sluiten dat habitats en soorten verder achteruitgaan. Bij het nemen van stikstofreductie maatregelen is het belangrijk om de hoogste prioriteit te geven aan de habitattypen waar (het risico op) verslechtering het grootste is. Onderzoekcentrum B-WARE heeft voor een groot aantal stikstofgevoelige habitattypen de urgentie voor stikstofreductie ingeschat . Hierbij is een urgentietabel opgesteld waarin per habitattype de urgentie is opgenomen. Deze tabel is in februari 2024 geactualiseerd, met depositiegegevens uit 2021 en de aangepaste KDW-waarden van 2023. De urgentie voor reductie van de stikstofdepositie (zeer hoog: 2025 of hoog: 2030) werd bepaald op basis van de combinatie van het oppervlak met overschrijding (%), de mate van overschrijding en de herstelbaarheid van een habitattype/leefgebied.

De hoogste urgentie (rood) wordt gegeven aan habitattypen waarbij het oppervlak met overschrijding van de KDW groot is, de mate van overschrijding hoog is én het habitattype met maatregelen lastig of niet te herstellen is. Wanneer er wel effectieve herstelmaatregelen beschikbaar zijn, is het urgentieniveau (ongeacht de omvang en mate van overschrijding) minder hoog (oranje). Bij een geringe omvang en/of mate van overschrijding is de directe urgentie voor stikstofreductie het laagste (geel). De rode en oranje habitattypen betreffen met name waardevolle habitat(sub)typen in het heide-, hoogveen- en stuifzandlandschap van de Nederlandse zandgebieden. Voor deze urgente habitats is de verlaging van de stikstofdepositie met het beoogde regeringsbeleid te gering en te langzaam om het risico op achteruitgang voldoende in te perken. Voor deze gebieden is de gewenste stikstofreductie 2025 (zeer urgent) en 2030 (urgent). Voor de habitattypen met een lager urgentieniveau betekent het niet dat de stikstofdepositie voor deze typen niet gereduceerd hoeft te worden. Om het risico op verslechtering van habitattypen en leefgebieden te voorkomen moet voor het hele gebied de stikstofdepositie gereduceerd worden tot onder de KDW. Voor deze gebieden is echter meer tijd beschikbaar voor reductie.

De mate van urgentie voor de habitattypen en leefgebieden in Rijntakken is weergegeven in onderstaand figuur 9. Voor de leefgebieden Lg11, Lg08 en Lg02 en habitattype H6510A is geen urgentie. Habitattype H6120 wordt beoordeeld als ‘urgent’, met een gewenste stikstofreductie van 2030.

POU240163.006/ELO, pagina 26 van 42

stikstofgevoelige leefgebied Lg11 in Rijntakken. De instandhoudingsdoelstelling voor de kwartelkoning is de uitbreiding en/of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 60 paren. Voor het leefgebied (Lg11) van de Kwartelkoning wordt gesteld dat met het huidig vastgesteld beleid de gemiddelde depositie in het leefgebied tussen 2020 en 2030 naar verwachting daalt van 1235 naar 1068 mol/ha/jr. Het areaal met een overschrijding neemt bij uitvoering van bestaand beleid af van 4% in 2020 naar 1% in 2030. De bestaande bronmaatregelen leiden tot de realisatie van het doelbereik voor de Kwartelkoning. Er wordt in de NDA gesteld dat er geen sprake meer is van een potentieel effect van stikstofdepositie. Lg11 is ook niet opgenomen in de urgentietabel voor depositiereductie. De Ecologische Autoriteit (EA) is het eens met de conclusie uit de NDA dat voor de kwartelkoning door ander beheer doelen haalbaar zijn. Wel geeft de EA aan dat beheermaatregelen niet voldoende zijn geconcretiseerd. Er is aangegeven dat met beheermaatregelen, zoals grootschalig laat maaibeheer (maaien op 1 september of niet maaien), de instandhoudingsdoelen kunnen worden gehaald. Een kleine toename van stikstofdepositie ten gevolge van Hoge Bongerd resulteert daarom niet in een significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen.

Het behalen van de instandhoudingsdoelen is en blijft binnen bereik. Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland Dit leefgebied betreft nat, matig voedselrijk grasland, voor zover die graslanden niet overlappen met het sterk verwante Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, grote vossenstaart (H6510B). Het leefgebied ontwikkelt zich op plaatsen die in de winter en het voorjaar langdurig onder water staan dan wel door overstromend oppervlaktewater of door onderdijkse kwel. Lg08 is het leefgebied van de vaatplant Kruipend Moerasscherm en 13 soorten van de Vogelrichtlijn, waaronder de Blauwe kiekendief, Kemphaan, Grutto, Kwartelkoning, Scholekster en de Watersnip. Het gebied wordt gebruikt als foerageergebied en als voorplantingsgebied. Geen van de soorten is strikt aan het leefgebied gebonden. Echter is het leefgebied voor de Kemphaan, Kwartelkoning en Watersnip wel een belangrijk biotoop . Het leefgebied is stikstofgevoelig. De toevoer van stikstof in natte graslanden leidt tot een verhoogde productie van vooral hoge grassoorten (verruiging). Effecten van stikstofdepositie op de beschermde soorten zijn, een lichte concurrentie door hogere vegetatiestructuur (Kruipend moerasscherm), een afname van prooibeschikbaarheid en een koeler en vochtiger microklimaat. Stikstof wordt aangevoerd door de overstroming met voedselrijk rivierof beekwater en via atmosferische depositie.

De KDW van het zoekgebied leefgebied ‘Nat, matig voedselrijk grasland’ is 1571 mol N/ha/jaar. Stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkeling vindt plaats op zeven overbelaste hexagonen. De maximale depositietoename is 0,05 mol N/ha/jaar. In de NDA Rijntakken wordt gesteld dat de niet-broedvogels die gebruik maken van Rijntakken niet gevoelig zijn voor stikstofdepositie (niet als bij Lg11). De broedvogels Kwartelkoning en de Watersnip maken binnen Rijntakken van Lg08 gebruik en zijn wel stikstofgevoelig. De gemiddelde

POU240163.006/ELO, pagina 27 van 42

stikstofdepositie in het leefgebied neemt met het huidige vastgesteld beleid naar verwachting af van 1242 naar 1068 mol N/ha/jaar tussen 2020 en 2030. De overschrijdingen van de KDW is in 2020 1% van het areaal, in 2030 is dit 0%. De al bestaande en geplande maatregelen leiden dus tot de realisatie van het doelbereik voor de Kwartelkoning en de Watersnip. Er wordt gesteld dat er geen sprake is van een potentieel effect van stikstofdepositie. Het leefgebied is niet opgenomen in de urgentietabel. De Ecologische Autoriteit oordeelt dat de instandhoudingsdoelen voor de Kwartelkoning kunnen worden gehaald met de juiste beheermaatregelen (zie ook Lg11). Ook voor de Watersnip stelt de Autoriteit dat er kansen liggen met nieuwe natte natuur en goed beheer, maar dit is nog niet voldoende onderbouwd in de NDA. Er zijn in Nederland al goede voorbeelden van herstel van de populatie na het nemen van (beheer en inrichtings)maatregelen. Er wordt gesteld dat deze voorbeelden kunnen gebruikt voor het bepalen van de nieuwe inrichtingsmaatregelen. Een toename van stikstofdepositie ten gevolge van Hoge Bongerd resulteert daarom niet in een significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen.

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat Geïsoleerde meander en petgat is een leefgebied voor de beschermde soorten Drijvende waterweegbree, Platte schijforen, Gevlekte witsnuitlibel, Bitternvoorn en Kamsalamander. Het leefgebied is een matig groot, min of meer langwerpig gevormd, vrij ondiep, stilstaand, zoet water met weelderige waterplanten- en verlandingsgemeenschappen in de min of meer geïsoleerde delen van het Rivierengebied of het Laagveengebied . Het leefgebied in Natura 2000-gebied Rijntakken is gelegen op de locatie van plassen en wateren liggend aan weerszijde van de Neder Rijn, Waal en de IJsel. In Rijntakken zijn de Bittervoorn en de kamsalamander afhankelijk van het leefgebied. Het leefgebied is stikstofgevoelig, door de toevoer kunnen waardevolle onderwatervegetaties verdwijnen waardoor deze ongeschikt worden voor de genoemd soorten. De KDW van het leefgebied ‘geïsoleerde meander en petgat’ is 2143 mol N/ha/jaar. De maximale depositietoename op dit leefgebied is 0,05 mol/ha/jaar. De depositie vindt op twee hexagonen plaats. In de NDA Rijntakken wordt gesteld dat zowel in de huidige situatie als in 2030 geen sprake is van een overbelasting van stikstofdepositie en dat stikstofdepositie daarom geen knelpunt is voor het leefgebied. Echter blijkt uit de AERIUS berekening dat er wel twee overbelaste hexagonen met het Lg02 aanwezig zijn.

Dat komt omdat er met een andere versie van AERIUS wordt gerekend en een andere jaar (en dus andere stikstofdeposities). Er wordt verder ingezoomd op de twee hexagonen waarop overbelasting zou plaatsvinden. Hexagoon 3774574: De berekende achtergronddepositie op dit hexagoon is 2472 mol/ha/jr. Er vindt een overschrijding van 330 mol/ha/jr plaats. Het hexagoon is gelegen op het midden van de Ooijse Bandijk. Dat betekent dat het grootste gedeelte van het hexagoon bestaat uit de dijk en de

POU240163.006/ELO, pagina 28 van 42

weg. In het noorden van het hexagoon is circa 0,2 ha Lg02 aanwezig (circa 20% van het hexagoon). Het rekenmodel AERIUS rekent de stikstofdepositie voor het hexagoon uit, met het rekenpunt dat midden in het hexagoon ligt. Hexagoon 3774574 lijkt niet representatief voor de depositie die plaatsvindt op Lg02. Dit is zichtbaar in de deposities van de omliggende hexagonen (figuur 10).

Figuur 10 Achtergronddeposities per hexagoon (2024) en ligging van hexagoon 3774574

Hexagonen ter plaatse van het Lg02 geven allemaal een lagere achtergronddepositie weer, van maximaal 1454 mol N/ha/jr. Daarnaast geven ook de andere hexagonen die op het grensgebied van het leefgebied en de dijk liggen een (veel) lagere depositie weer (maximaal 1744 mol N/ha/jr). De lokale piek in achtergronddepositie wordt niet verklaard door een verschil in ruwheid of landgebruik, omdat deze parameters voor andere hexagonen op de dijk een verglijkbare waarde hebben. Mogelijke oorzaak is de ligging van de melkveehouderij binnen/nabij het hexagoon, al zijn effecten daarvan niet om andere omliggende hexagonen zichtbaar. Het is daarom hoogstwaarschijnlijk dat de stikstofdepositie ter plaatse van het leefgebied lager is dan de achtergronddepositie zoals opgenomen voor het hexagoon in AERIUS. Bij naastgelegen hexagonen is de achtergronddepositie aanzienlijk lager dan de KDW. Bovendien zal een lokale depositie in het leefgebied zich over het leefgebied via het water zich verspreiden. Van een overschrijding van de KDW binnen het gehele leefgebied is daarmee geen sprake.

POU240163.006/ELO, pagina 29 van 42

Hexagoon 4049812: Voor dit hexagoon geldt hetzelfde als voor hexagoon 3774574. De berekende achtergronddepositie op dit hexagoon is 2180 mol/ha/jr. De depositie ligt 37 mol/ha/jaar hoger dan de KDW. Ook dit hexagoon is gelegen op de dijk (Stadsdam) en bevat circa 30% Lg02. De rest van het hexagoon bestaat uit bebouwing en wegen. Naastgelegen hexagonen hebben een aanzienlijke lagere achtergronddepositie die veel lager is dan de KDW (figuur 11).

Figuur 11 Achtergronddeposities per hexagoon (2024) en ligging van hexagoon 4049812

Het hexagoon heeft een vergelijkbare depositie met de hexagonen die in het bebouwd gebied liggen (AERIUS 2020 en 2022). De achtergronddepositie van het hexagoon is daarom niet representatief voor de achtergronddepositie ter plaatse van Lg02. De achtergronddepositie zal lager liggen (orde van grote van de andere hexagonen ter plaatse van het leefgebied (maximaal 1740 mol N/ha/jaar). Er vindt daarmee geen overschrijding van de KDW plaats. Bovendien blijft de verwachting volgens AERIUS Monitor (en NDA Rijntakken) dat met het huidige beleid de stikstof depositie in 2030 onder de KDW ligt. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten die gebruik maken van dit leefgebied is geborgd met de uitgevoerde en geprogrammeerde maatregelen. Stikstofdepositie is daarom geen knelpunt. De beperkte toename in depositie ten gevolge van Hoge Bongerd heeft daarom geen negatieve effecten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

POU240163.006/ELO, pagina 30 van 42

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Dit habitattype bestaat uit soortenrijke, bloemrijke hooilanden op tamelijk voedselrijke doorgaans kleinhoudende gronden. De hooilanden liggen onder andere in de uiterwaarden en komgronden van het rivierengebied. Het habitattype waarop een toename van depositie plaatsvindt betreft glashaver (H6510A). Dit type is aanwezig in hoge delen van de uiterwaarden, op dijken, op oeverwallen langs beken en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. De soorten Sikkelklaver, Gewone Veldbies en Rietzwenkgras komen in dit habitattype voor. Het type is afhankelijke van hooilandbeheer (vegetatie wordt jaarlijks een of twee keer gemaaid en afgevoerd, eventueel met nabeweiding). Het subtype is gevoelig voor stikstofdepositie. Ten gevolge van Hoge Bongerd is de grootste toename op het habitattype 0,06 mol/ha/jr. In de NDA Rijntakken wordt gesteld dat in 2030 bij geborgd beleid, stikstofdepositie geen knelpunt meer is voor H6510A. De gemiddelde depositie op H6510A Glanshaverhooilanden daalt tussen 2020 en 2030 naar verwachting van 1230 naar 1069 mol/ha/jaar. In 2020 vond op 2% van het areaal overschrijdingen van de KDW plaats. Dit zal afnemen tot (afgerond) 0% van het areaal in 2030, bij uitvoering van bestaand beleid. De gemiddelde depositie is dan ruim 350 mol lager dan de KDW.

De geborgde maatregelen leiden volgens de prognose in AERIUS Monitor 2022 dus tot realisatie van het doelbereik voor H6510A Glanshaverhooilanden, voor betreft de invloed van stikstofdepositie. Er is daarom geen sprake meer van een potentieel effect van stikstofdepositie. In de NDA wordt verder geconcludeerd dat de aanzienlijke onderschrijding van de KDW in 2030 leidt tot verdere verbetering van de condities voor het habitattype, waardoor de ingezette daling bijdraagt aan de effecten van andere maatregelen voor het habitattype. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor H6510A is geborgd met de uitgevoerde en geprogrammeerde maatregelen (waaronder ook maatregelen zoals extra maaien/hooien, uitbreiding en kwaliteitsverbetering van diversie gebieden, realisatie GNN). De Ecologische Autoriteit stelt dat er veel kansen zijn voor het verbeteren van beheer en dat beheersmaatregelen (verhogen van de beheerintensiteit) kunnen worden ingezet om het verruigen als gevolg van stikstofdepositie tegen te gaan. De kleine toename van stikstofdepositie ten gevolge van (de ontwikkeling van) Hoge Bongerd heeft geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De toename heeft daarom geen significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van H6510A.

H6120 Stroomdalgraslanden Stroomgraslanden zijn soortenrijke, relatief open tot tamelijk gesloten, grazige begroeiingen op droge, relatief voedselarme, zandige tot zavelige en meestal kalkhoudende standplaatsen langs de grote en kleinere rivieren. Typische plantensoorten die voorkomen in dit habitattype zijn onder andere Brede ereprijs, Cipreswolfsmelk, Rivierduinzegge, Veldsalie, Wilde averuit en Sikkelklaver . Het habitattype wordt incidenteel overstroomt (minder dan 1 keer per jaar), waarbij basenrijk water en vers zand en zavel wordt aangevoerd. Belangrijkste sturende processen bij ontstaan en behoud van het habitattype zijn de rivierdynamiek (overstroming, afzetting van zand), winddynamiek (nodig voor rivierduinvorming) en het beheer. Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie. Ten gevolge van de ontwikkeling Hoge Bongerd vindt er een maximum toename

POU240163.006/ELO, pagina 31 van 42

van 0,01 mol/ha/jr plaats op dit habitattype. Het oppervlak aan habitattype waarop een toename van depositie plaats neemt is circa 2,7 ha. Het habitattype is opgenomen in de urgentietabel als ‘urgent’, dit betekent dat stikstofreductie tot onder de KDW voor 2030 noodzakelijk is. Uit de NDA Rijntakken (Arcadis, 2023) blijkt dat in 2030 bij geborgd beleid, stikstofdepositie geen knelpunt meer is voor H6120. De gemiddelde depositie op H6120* Stroomdalgraslanden daalt tussen 2020 en 2030 naar verwachting van 1244 naar 1068 mol/ha/jr. Bij uitvoering van bestaand beleid neemt het areaal van overschrijding tussen 2020 en 2030 af van 22% naar 1% van het areaal. Het gebied waar in 2030 nog sprake is van een lichte overschrijding ligt in de Duursche Waarden bij Wijhe (dit is geen onderdeel van het gebied waarop Hoge Bongerd een toename van stikstofdepositie heeft). De al bestaande en geplande maatregelen leiden volgens de prognose wat betreft stikstofdepositie, tot de realisatie van het doelbereik voor H6120. De onderschrijding van de KDW in 2030 draagt ook bij aan de effecten van andere maatregelen voor het habitattype. De mogelijkheden in de Rijntakken voor een toename van het habitattype met goede kwaliteit zijn gunstig bij uitvoering van de geborgde herstelmaatregelen.

Er is ook nu al sprake van een positieve trend in de kwaliteit en oppervlakte van het habitattype en er zijn voldoende herstelmaatregelen mogelijk met bewezen effectiviteit. Stikstof is geen relevante drukfactor meer. De Ecologische Autoriteit geeft aan dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen de pioniervorm van stroomdalgraslanden en de oudere gesloten graslandvormen van dit habitattype. De kwaliteit van de pioniervorm is toegenomen, maar dat dat voor de oudere graslanden niet het geval is. Daarnaast stelt de Autoriteit dat naast stikstofaanvoer vanuit lucht, ook de aanvoer vanuit overstromingen en grondwater een belangrijke invloed hebben. Er wordt gesteld dat het halen van de doelen (voor de verschillende stadia) niet voldoende is geborgd in de NDA. Dit komt doordat er niet in beeld is waar de optimale omstandigheden zijn en waar de stroomdalgraslanden kunnen uitbreiden. Verder is een deel van het habitattype in eigendom van particulieren, waardoor een afname van het areaal kan plaatsnemen door ontoereikend beheer, inclusief bemesting. Ook neemt areaal af door dijkverzwaringen. Als laatst geldt voor oudere stroomdalgraslanden dat ze niet gebaat zijn bij jaarrond begrazing door grote natuurlijke kuddes. Door deze factoren vindt de Ecologische Autoriteit dat een verslechtering niet kan worden uitgesloten.

Door het opstellen van concrete maatregelen om bovengenoemde drukfactoren te beperken is belangrijk voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ondanks dat stikstof een van de drukfactoren is, is de verwachting dat met het huidige beleid de stikstofdepositie op de relevante hexagonen voor het project, in 2030 onder de KDW ligt. Dit is in overeenstemming met de mate van urgentie die het habitattype heeft gekregen. De kleine tijdelijke en zeer beperkte toename stikstoftoename op een klein gebied ten gevolge van de ontwikkeling Hoge Bongerd heeft daarom geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van H6120. De kleine toename ten gevolge van de ontwikkeling van Hoge Bongerd heeft daarom geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van H6120.

POU240163.006/ELO, pagina 33 van 42

stedelijke ontwikkelingen en glastuinbouw. Ook een ecologische verbindingszone tussen de Veluwe, Nijmeegse stuwwal en de Gelderse Poort is onderdeel van de kernkwaliteiten. Verder worden de droog essen-iepenbossen genoemd en plaatselijk kleinschalige landschappen met vroegere strangen en stroomruggen en ook enkele landgoederen. De cultuurhistorische waarden van de stroomruggen, landgoederen, oude kavelpatronen, doorbraakkolken en waterstaatwerken moeten worden behouden. Onder de kernkwaliteiten vallen ook de leefgebieden van de kamsalamander, steenuil en das, maar ook de abiotiek van het gebied (aardkundige waarden, kwel, bodem, waterreservoir). Noordoever Waal Lent – Echteld (nr. 157): dit gebied is een dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied. Bovendien is het de verbinding tussen Midden-Europa en de Noordzeekust. De noordoever is variabel, grotendeels agrarisch, maar is ook een cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen. Onder de kernkwaliteiten vallen ook de cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, dooorbraakkolken, waterstaatswerken en kleiwinningen. Kernkwaliteiten zijn waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bevers. De leefgebieden van de steenuil, kamsalamander zijn kernkwaliteiten.

Plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos moeten worden behouden. De onbebouwdheid van de uitwaarden zijn belangrijk. Ook de rust, ruimte en duisternis zijn kernkwaliteiten van dit gebied, evenals de abotiek (aardkundige waarden, kwel, bodem). Gelderse Poort Zuid (nr. 146): dit gebied vormt de verbinding tussen Midden-Europa en de Noorzeekust en bevat een dynamische rivier met geologische en geomorfologische dynamiek, water-, sediment, en diasporentransport. Ook is het een ecologisch kerngebied (N2000). Onderdeel van het gebied zijn de uitwaarden van de Waal met vooral agrarische, industrieel en recreatieve functies. Onder de kernkwaliteiten vallen verschillende natuurcomplexen, parels en a-locatie Colenbrandersbos. Ook waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bevers zijn onderdeel van de kernkwaliteiten, net als de leefgebieden voor de das, steenuil en kamsalamander. Verder zijn de plaatselijke kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en kleine ooibosjes van belang. Verschillende cultuurhistorische waarden, waaronder van de uiterwaarden en oude kavelpatronen, behoren tot de kernkwaliteiten. De rust, ruimte en duisternis wordt beschermd, net als de aardkundige waarden, kwel en bodem. Groot Nijmegen (nr.

59): het stadslandschap rond Nijmegen met bosrestanten (parken) op de stuwwal, wielen en moerassen en bossen en kleinschalig cultuurlandschap. Het gebied is de ecologische verbinding Teerse Sluispolder. Kernkwaliteiten zijn de parel Personnenbos (zeer oude boslocatie) en elementen van de stuwwal en het rivierenlandschap.

Dichtbijgelegen natuurtypen zijn Rijke graslanden akkers, zoete pas, droge bossen en rivieren- en moeraslandschap. Voor een deel van deze natuurtypen zijn stikstofdeposities uit de lucht geen knelpunt. Bijvoorbeeld de rijke graslanden en zoete plassen. De planten in de Rijke graslanden zijn

POU240163.006/ELO, pagina 34 van 42

merendeels algemenere soorten die weinig specifieke eisen aan de abiotische omgeving stellen. Met beheermaatregelen kunnen de kernkwaliteiten van het beheertype worden behouden. Stikstofdepositie is geen knelpunt. Knelpunten voor de zoete plassen zijn troebel water en een zeer hoog aanbod van voedingsstoffen. Het hoge aanbod van voedingsstoffen is afkomstig uit vermesting van landbouwgebieden, lozingspunten of bij het inlaten van gebiedsvreemd water. Omdat stikstofdepositie uit de lucht een (zeer) beperkte invloed heeft op de voedingstoffen in de zoete plassen, tast een beperkte stikstofdepositie kernkwaliteiten van het gebied niet aan. Voor andere type kan stikstofdepositie wel een knelpunt zijn (bijvoorbeeld droge bossen en rivieren- en moeraslandschap). Bovendien vindt er ook stikstofdepositie plaats op natuurtypen verder gelegen. De kernkwaliteiten van de GNN gebieden richten zich onder andere op de kwaliteit van de bestaande natuur. Stikstofdepositie kan daar een effect op hebben. Echter is de prognose dat de stikstofdepositie met het huidige beleid tussen 2025 en 2030 zal dalen6. De verwachte gemiddelde stikstofdepositiedaling betreft 150 mol/ha/jaar tussen 2020 en 2030 (10 procent).

De beperkte stikstofdepositie ten gevolge van Hoge Bongerd (maximaal 2,28 mol N/ha/jaar(op rijke graslanden)) is daarbij verwaarloosbaar en tast de kernkwaliteiten van de gebieden daarom niet aan.

POU240163.006/ELO, pagina 35 van 42

Conclusie Op basis van deze analyse en volgens bovengenoemde argumentatie kan met zekerheid worden gesteld dat significante effecten van stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelen van de habitat- en vogelrichtlijnsoorten in Natura2000-gebieden op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten. Een nadere beoordeling (een passende beoordeling) is niet nodig. Ook zijn er geen nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het GNN.

POU240163.006/ELO, pagina 36 van 42

Bijlagen

Kengetallen stikstofemissie Instandhoudingsdoelstellingen Rijntakken AERIUS berekeningen Kaarten inclusief kaarten met toename van > 0,005 mol N/ha/jaar op (naderend) overbelast hexagoon per habitattype/leefgebied

POU240163.006/ELO, pagina 37 van 42

Kengetallen stikstofemissie Kengetallen en referentieprojecten Woningbouw: de stikstofemissie van woningbouw is afhankelijk van veel factoren waaronder de hoeveelheid woningen die in het project wordt gerealiseerd, de hoeveelheid grondwerk dat nodig is, wijze van bouwen en welke werktuigen worden ingezet. Verschillende onderzoeken en partijen hebben een inschatting gemaakt van de stikstof die bij de bouw van een woning. -

In de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ (2019) wordt uitgegaan van 3 kg NOx/ woning.

-

De stikstofemissies van woningbouw in het rapport ‘De emissies van mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase’ van Sweco (2019) varieert voor 5 verschillende projecten tussen de 1 en 50 kg NOx per woning, afhankelijk van de hoeveelheid grondwerk, wijze van bouwen en emissiestandaard van het gebruikte materieel.

-

Een inventarisatie van stikstofemissies bij woningbouwprojecten door bureau Waardenburg in de rapportage ‘Woningbouw en Natura 2000; Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie’ (2019) resulteert in een uitstoot van 42 kg NOx/ woning, op basis van een project van 5 grondgebonden of gestapelde woningen. Dit is inclusief verkeersbewegingen.

-

Door W/E en Weltevreden is onder meer een inventarisatie gemaakt van de berekende uitstoot in 9 projecten. Gemiddeld is de uitstoot in de bouwfase 1,7 kg/woning (‘Quickscan stikstof en de bouw’, 2020). Uitstoot verschilt per ondergrond (veen/klei/zand) en per bouwmethode (traditioneel/combinatie/prefab) tussen de 0,2 en 3,6 kg.

-

In het TNO-rapport ‘Een vergelijking tussen de uitstoot bij de bouw van nieuwe woningen en die van mobiele bronnen buiten de bouw’ (2023) is de Nox-emissie uitgerekend voor de bouw van woningen waarbij gebruik wordt gemaakt van oude (‘vieze’), medium en nieuwe (‘schone’) werktuigen. De NOx-uitstoot per woning wordt ingeschat tussen de 21 en 76 kg NOx. Daarbij is aangegeven dat bij de inzet van nieuw materiaal (Stage IV/V) de emissies mogelijk ongeveer kunnen worden gehalveerd, wat neerkomt op circa 10 kg NOx per huis.

-

Uit recente berekeningen van projecten van één bouwer is een inventarisatie gemaakt en blijkt de ordegrootte van een gemiddelde woning tussen de 2,5 en 5,0 kg stikstofuitstoot. (Stichting W/E adviseurs - Open norm ‘stikstofemissie bouw- en sloopwerkzaamheden’ – 30809)

Bouw overige functies: -

In het rapport ‘Open norm stikstofemissie op de bouwplaats’ (september 2022, Rijksoverheid) zijn de resultaten weergegeven van een inventarisatie van AERIUS-

POU240163.006/ELO, pagina 38 van 42

berekeningen. Er worden 30 berekeningen met elkaar vergeleken. Het gewogen gemiddelde van de stikstofuitstoot van 36 gram NOx/m2 GO (tussen 10 – 40 gram NOx/m2 GO, met een uitschieter van 240 gram NOx/m2 GO). -

In een groot woningbouwproject in Nijmegen waarbij ook commerciële functies zijn gerealiseerd (Winkelsteeg), is voor de stikstofuitstoot uitgegaan van 5,5 kg NOx per 100 m2 BVO + 3% NH3 voor andere functies dan woningbouw.

-

De gemeente Utrecht en ingenieursbedrijf LBP|SIGHT hebben kengetallen opgesteld voor bouwprojecten (Toelichting kengetallen aanlegfase, september 20238). Dit zijn voornamelijk woningbouwprojecten met een gedeelte kantoor en utiliteit. De kengetallen komen voort uit de regressie en extrapolatie van gegevens van concrete bouwprojecten. Hieruit volgt een kengetal van 7,5 kg NOx/1.000 m2 bvo en 0,2 kg NH3/1.000 m2 bvo voor de bouw.

-

Doorgaans wordt de bouw van overige functies vergelijken met de bouw van woningen. Daarbij wordt ingeschat de overige functie, vaak op basis van gemiddelde oppervlakte van woningen. Een voorbeeld is waarbij voor de bouw van een schoolgebouw van 2.100 m2 ervan uit wordt gegaan dat dit gelijk staat aan de bouw van 30 appartementen.

Grondverzet/bouwrijp maken: grondverzet voor de bouw van woningen betreft het ophogen of afgraven van de grond om het benodigde profiel te krijgen dat geschikt is voor het woningbouwplan. Het ophogen en afgraven van grond vraagt veel inzet van zware machines. Onderdeel hiervan is bijvoorbeeld ook de aan- en afvoer van grond. In veel kengetallen voor de bouw van woningen (zie hierboven) is het grondverzet al meegenomen.

8

-

In het TNO-rapport ‘Een vergelijking tussen de uitstoot bij de bouw van nieuwe woningen en die van mobiele bronnen buiten de bouw’ (2023) is ingegaan op de inzet van machines voor grondverzet. Uitgaande van 1 meter ophoging, de standaard inzet van materiaal voor het grondverzet van een woning (150 m2) is 10 kiepwagens aanvoer van grond (300 ton grond) en de inzet van één machine voor twee dagen (8 uur per dag) (met 30% motorlast is dit 5, 2,5 en respectievelijk 0,8 kg NOx per woning voor oud, nieuwer en de nieuwste machines). Er wordt in het rapport dus er vanuit gegaan dat een graafmachine 150 m3 grond in 16 uur kan verwerken (circa 10 m3 per uur).

-

Kengetal van de gemeente Utrecht en LBP|SIGHT voor grondverzet is 41,5 kg NOx/ha en 1,55 kg NH3/ha bouwrijp maken. Voor het bouwrijp maken wordt 58,9 kg NOx/ha en 1,78 kg NH3/ha aangehouden.

-

Verschillende bouwbedrijven vermelden de capaciteit van een graafmachine. Deze

https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.1783.NWKANJERLN49pbpON01/b_NL.IMRO.1783.NWKANJERLN49pbp-ON01_tb14.pdf

POU240163.006/ELO, pagina 39 van 42

varieert tussen de 300 en 600 m3 per dag.91011 Uitgaande van een werkdag van 8 uur, ligt de capaciteit van een graafmachine tussen de circa 40 en 80 m3 grond/uur. Deze gegevens zijn veelal gebaseerd op het afgraven van gronden. Aanleg infrastructuur: -

In het TNO-rapport ‘Een vergelijking tussen de uitstoot bij de bouw van nieuwe woningen en die van mobiele bronnen buiten de bouw’ (2023) wordt er van uitgegaan dat de emissies voor de aanleg van wegen en voorzieningen van dezelfde orde zijn als het bouwrijp maken van het projectgebied.

-

Bij een groot woningbouwproject Winkelsteeg , waarbij grote aanpassingen moesten worden gedaan aan de bestaande infrastructuur en aan de aanleg van nieuwe infrastructuur, is er uitgegaan van 2/5 van piekvracht. Waarbij de piekvracht de emissie is van de bouw van woningen en overige functies.

Bouwverkeer: voor de bouw van de woningen, de overige functies en de aanleg van infrastructuur moeten materialen, machines en werknemers naar de locatie worden gebracht. Dit heeft verkeersbewegingen tot gevolg. Doorgaans zijn de meeste verkeersbewegingen van licht verkeer voor werknemers en kleinere materialen.

9

-

Door de gemeente Utrecht en LBP|SIGHT zijn ook kengetallen opgesteld voor het bouwverkeer van woningbouwprojecten met aanvullend kantoren en utiliteitsgebouwen (op basis van 17 projecten). Vastgestelde kengetallen zijn 183 vrachtwagenbewegingen/ 1.000 m2 BVO en 1.039 personenwagenbewegingen/1.000 m2 BVO.

-

In een Antea group rapportage (0469825.100, Antea group, april 2024) wordt voor de realisatie van een woningbouwproject uitgegaan van een kengetal van 0,004 motorvoertuigbewegingen per m2 per etmaal, waarvan 75% lichtverkeer en 25% zwaar verkeer.

-

Bij een groot woningbouwproject Winkelsteeg waarin circa 6300 woningen en 25 ha BVO voor bedrijven en voorzieningen, heeft het bouwbedrijf de benodigde voertuigbewegingen ingeschat. Daarbij is uitgegaan van circa 5.400 lichte, 140 middelzware en 8.000 zware voertuigbewegingen. Woningen in dit project waren

https://www.eaglepowerandequipment.com/blog/2022/03/how-much-can-an-excavator-dig-ina-day-includes-formula/ (500 m3 per dag) 10 https://emis.vito.be/nl/bbt/bbt-tools/techniekfiches/techniekontgraven#:~:text=Resultaten,dag%20per%20kraan%20te%20verwerken (300-500 m3 per dag) 11 https://www.bouwtotaal.nl/2014/08/bouwkosten-ontgraven-bouwput-ofkelder/#:~:text=Kraaninzet%20en%20grondwerker&text=Van%201.000%20%E2%80%93%201.600 %20m2%20is,kraantijd%20een%20grondwerker%20aanwezig%20is. (80 m3 per uur)

POU240163.006/ELO, pagina 40 van 42

hoofdzakelijk appartementen. -

In een stikstofbeoordeling van TAUW worden kengetallen genoemd voor bouwverkeer. Het project betreft de bouw van 3330 woningen en een school. Kengetal voor het bouwverkeer is 46.200 verkeersbewegingen voor lichtverkeer en 17.700 zwaar verkeer.

POU240163.006/ELO, pagina 42 van 42

A249

Oeverzwaluw

+

B1

=

=

680

A272

Blauwborst

+

C

=

=

95

A298

Grote karekiet

--

B1

>

>

70

Landelijke staat van instandhouding: -- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig Relatieve bijdrage aan landelijke situatie: A4 = >75%, A3 = 50-75% A2 = 30-50%, A1 = 15-30%, B2 = 6-15%, B1 = 2-6% en C = <2% Doelstelling: = Behoud; > Uitbreiding of verbetering

Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 voorwaarden van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=103d7ecb-bd32-4ad0-97d0-91093682db26