Bijlage 11 Quickscan Wnb Lankforst
Tekst van het document
Quick scan flora en fauna
Lankforst e.o. te Nijmegen
29 januari 2020 lid Netwerk Groene Bureaus
projectnummer: 19143
Quick scan flora en fauna
Lankforst e.o. te Nijmegen
Opdrachtgever
Stichting Woonwaarts
Contactpersoon
de heer M.P.T. de Wit
Projectnummer
19143
Datum
29 januari 2020
Auteur
ing. J.H. Gunnink
Goedgekeurd door
ing. H.H.J. van der Burtg
Wijze van citeren
Gunnink, J.H., Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen, ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2020.
Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus.
ECOquickscan ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap ’t Grieth 10 | 6924BJ Loo (Gld) | T (0316) 849390 | info@ecoquickscan.nl | www.ecoquickscan.nl
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen
2
2.
WETTELIJK KADER
3
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland
3 3 3
2.2
Soortbescherming
3
3.
TOETSING
4
3.1
Onderzoeksmethodiek
4
3.2 Beschermde gebieden 3.2.1 Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming 3.2.2 Natuurnetwerk Nederland
4 4 5
3.3 Voorkomen van beschermde soorten 3.3.1 Vaatplanten 3.3.2 Grondgebonden zoogdieren 3.3.3 Vleermuizen 3.3.4 Vogels 3.3.5 Amfibieën, reptielen, vissen, insecten en overige soortengroepen
5 5 5 6 7 9
4.
CONCLUSIE
10
4.1
Gebiedsbescherming
10
4.2
Soortenbescherming
10
4.3
Consequenties
10
4.4
Aanbevelingen
11
Bijlagen Bijlage 1
Literatuurlijst
Bijlage 2
Wet natuurbescherming
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding In Nijmegen (gemeente Nijmegen, provincie Gelderland) is aan de Lankforst 1400 t/m 1474 (even) en 4300 t/m 4699 (even en oneven) de renovatie van een 120 maisonnette woningen (inclusief garages) beoogd. Aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan is gevraagd te beoordelen of deze activiteit effect heeft op de flora en fauna op en rond de locatie. De voorliggende rapportage beschrijft de effecten op de aanwezige flora en fauna en geeft inzicht in de doorwerking van de natuurwetgeving op deze locatie.
Ligging (rood omlijnd) en indrukken van het plangebied; vijf flatgebouwen met brede groenstroken rondom de bebouwing (bron luchtfoto: Google).
Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving. Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voorliggend onderzoek is een quick scan waarin op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning uitspraken worden gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Het plangebied is beoordeeld op geschiktheid voor beschermde planten en diersoorten en de te verwachten effecten op deze soorten. Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Deze quick scan is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
1
1.2 Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen Het plangebied te Nijmegen ligt in stadsdeel Dukenburg en de wijk Lankforst. Ten noorden van de wijk loopt de N326, ten oosten het Maas-Waalkanaal en ten zuiden de A73. Ten westen ligt park Staddijk, de A73 en recreatiegebied en golfclub De Beerendonck. Lankforst ligt middenin stadsdeel Dukenburg. In het zuidelijk deel van Lankforst staan voornamelijk eengezinswoningen en in het noordelijk deel staat overwegend hoogbouw. Vooral het noordwestelijke deel van Lankforst is groen ingericht met onder andere het Uilenbosje. De wijk wordt begrensd door twee doorgaande wegen in het westen en noorden; Apelterenweg en Nieuwe Dukenburgseweg. Het Maas-Waalkanaal vormt de oostgrens en de wijk Malvert de zuidgrens. Het plangebied grenst aan de noordoostelijke punt van het Uilenbosje. Langs de westkant van het plangebied loopt een fietspad en ligt een speeltuin. Aan de zuidzijde ligt een watergang. In het plangebied staan vijf flatgebouwen van vijf woonlagen, waarvan de begane grond is opgebouwd uit garages. De vier overige woonlagen bestaan uit twee maisonnette woningen. Eén maisonnette woning bestaat uit twee woonlagen. Aan de voorzijde is een galerij en aan de achterzijde zijn balkons aanwezig, beide opgetrokken uit beton met een metalen hek. De kopgevels zijn van baksteen.
Op de langgevels zijn kunststof platen tussen de ramen aanwezig en kleine tegels tussen de verschillende woningen. Bij de dakrand is een boeiboord bevestigd. Voor elk gebouw is een brede groenstrook aanwezig met kort gemaaid gras en heesterborders. In het midden van het plangebied is een groot veld aanwezig met twaalf bomen. De precieze werkzaamheden zijn nog niet bekend. Voor de beoordeling van de effecten op flora en fauna is in deze quick scan uitgegaan van een grondige renovatie. Werkzaamheden die hier onder gerekend worden zijn onder andere (na)isolatie van gevels en dak, kozijnen vervangen en dergelijke. De groenstructuren rondom de bebouwing worden niet aangetast. De planning is om de renovatie de eerste helft van 2021 op te starten.
Links een voorbeeld van de garageboxen en rechts ingezoomd op een maisonnette woning.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
2
2.
WETTELIJK KADER Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is een uitgebreidere toelichting opgenomen bij de soort- en gebiedsbescherming zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
2.2 Soortbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogelen Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
3
3.
TOETSING
3.1 Onderzoeksmethodiek Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving (zie hoofdstuk 2). Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een veldverkenning, worden uitspraken gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Vervolgens zijn voor alle (mogelijke) aanwezige beschermde soorten de effecten en eventuele gevolgen voor de beoogde ingreep beschreven. Bij het opstellen van de quick scan flora en fauna is gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) en op websites gepubliceerde verspreidingsgegevens van bijvoorbeeld Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (RAVON, Zoogdiervereniging, etc.). Deze bronnen vermelden betrouwbare soortgegevens op basis van uurhokken (5 bij 5 kilometer), dit betekent dat het zeer globale gegevens betreft. Daarnaast is op 3 januari 2020 de NDFF geraadpleegd waarbij met name gekeken is naar het voorkomen van beschermde soorten in, of binnen de invloedsfeer van, het plangebied. Op 18 december 2019 heeft er een veldverkenning plaatsgevonden.
Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van het plangebied en haar omgeving voor de verschillende soortengroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; zowel het tijdstip (buiten het groeiseizoen van planten en deels buiten het actieve seizoen van diverse diergroepen) als het eenmalige karakter zijn hiervoor niet toereikend.
3.2 Beschermde gebieden In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 2 en de aanwijzing als Natuurnetwerk Nederland moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde habitattypen, habitatsoorten en/of kernkwaliteiten. De beoogde activiteit kan hierop effecten hebben. 3.2.1 Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming Het plangebied te Nijmegen ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied ligt op ruim 5 kilometer afstand en betreft het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. De beoogde plannen hebben betrekking op een relatief kleine oppervlakte dat in de huidige situatie intensief beheerd en gebruikt wordt. Hierdoor is een relatie met de aangewezen soorten en habitats van de beschermde gebieden afwezig. Negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ zijn dan ook uit te sluiten.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
4
3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt bovendien niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde beschermde gebied ligt op ongeveer 1,2 km afstand Park Staddijk en betreft een Groene ontwikkelzone (GO, samen met de GNN (Gelders Natuur Netwerk) vormt dit het NNN) onder de wijk Malvert. Door het intensieve beheer en gebruik van het plangebied en het bebouwde karakter van de omgeving, ontbreekt een relatie met het NNN. Negatieve effecten op de NNN worden niet verwacht. Er zijn alleen lokaal effecten op flora en fauna te verwachten.
3.3 Voorkomen van beschermde soorten In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde activiteit kan biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. 3.3.1 Vaatplanten Het plangebied wordt intensief gebruikt en beheerd en is voor een groot deel bebouwd en verhard; begroeiing is beperkt tot solitaire bomen in de brede grasstroken voor de gebouwen, bermen van wegen, laanbomen en heesterborders. Al deze objecten worden goed en intensief onderhouden, zowel het gras rondom de gebouwen als de bermen worden beheerd als gazon. Hierin bevinden zich geen geschikte, bijzondere, groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten. Van de vaatplaten die (in de directe omgeving) aanwezig zijn overheersen naast grassen vooral grauwe abeel (Populus × canescens) en diverse gecultiveerde bomen en heesters. Van een natuurlijk ecosysteem met plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor beschermde of zeldzame soorten is als zodanig geen sprake, waardoor bijzondere groeiplaatsen niet aanwezig zijn. Beschermde vaatplanten worden binnen het plangebied niet verwacht.
Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten (in bijvoorbeeld tuinen of bermen) zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming, omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft. 3.3.2 Grondgebonden zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) en zoogdiervereniging.nl komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als woelrat (Arvicola terrestris), rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus), aardmuis (Microtus agrestis), veldmuis (Microtus arvalis), dwergmuis (Micromys minutus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), haas (Lepus europeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), egel (Erinaceus europeus), dwergspitsmuis (Sorex minutus), huisspitsmuis (Crocidura russula), vos (Vulpes vulpes) en ree (Capreolus capreolus). Omdat binnen het plangebied enkele onverharde delen en struiken aanwezig zijn en de locatie nabij het Uilenbosje is gelegen, zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten als egel en (spits)muizen niet uit te sluiten. Voor deze soorten kent de provincie Gelderland een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
Tevens komen in de omgeving de nationaal beschermde soorten voor als hermelijn (Mustela erminea), wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius), eekhoorn (Sciurus vulgaris), das (Meles meles), steenmarter (Martes foina), wild zwijn (Sus scrofa), en de internationaal
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
5
beschermde soort bever (Castor fiber). Van de voorstaande soorten wordt alleen de bever vermeld in de NDFF. De voorstaande beschermde soorten (zonder vrijstelling) worden op basis van het aanwezige biotoop (bebouwd karakter met gecultiveerd openbaar groen) niet verwacht in het plangebied. Alle voorstaande soorten zijn gebonden aan meer natuurlijke habitats in bijvoorbeeld groene delen van steden en dorpen, het buitengebied en/of natuurgebieden. Deze habitats komen niet voor in het plangebied. Direct aansluitend aan het plangebied liggen wel meer natuurlijke habitats waar marters en eekhoorn zouden kunnen verblijven en/of foerageren. Op basis van de beoogde werkzaamheden (renovatie van de gebouwen zelf) worden geen negatieve effecten verwacht op beschermde soorten. Ook de in bebouwing verblijvende steenmarter wordt niet verwacht, omdat het gebouw geen geschikte openingen bevat voor deze soort. 3.3.3 Vleermuizen Volgens de verspreidingsgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) komen in de omgeving van het plangebied gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentonii) voor.
Vleermuizen zijn aan de hand van hun voorkeur voor verblijfplaats globaal onder te verdelen in twee groepen, gebouw- en boombewonende soorten. Ook zijn er soorten die beiden gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast maken verschillende vleermuizen onderscheid tussen zomer- en winterverblijven. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn het gehele jaar overwegend gebouwbewonende soorten, terwijl de rosse vleermuis overwegend in boomholtes verblijft. Ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis maken zowel gebruik van gebouwen als van bomen in de zomermaanden. In de winter zitten deze soorten (met uitzondering van de ruige dwergvleermuis) graag in ondergrondse ruimten zoals: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Vliegroutes Vleermuizen maken vaak jarenlang gebruik maken van vaste aanvliegroutes tussen verblijfplaats en foerageergebied. Daarom kan het behoud van deze lijnelementen cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. Aantasting van vliegroutes kan leiden tot indirecte aantasting van verblijfplaatsen. De groenstructuren rondom en/of grenzend aan het plangebied kunnen een functie hebben als vliegroute voor diverse soorten vleermuizen.
Aangezien groenstructuren als gevolg van de werkzaamheden niet worden aangetast (werkzaamheden hebben alleen betrekking op de gebouwen) zijn er geen effecten te verwachten op vaste vliegroutes van vleermuizen. Foerageergebied Binnen het plangebied en de directe omgeving is voor de meeste van de genoemde soorten vleermuizen geschikt foerageergebied aanwezig. Aangezien er voldoende alternatieven zijn in de omgeving van het plangebied, hebben de werkzaamheden geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
6
Verblijfplaatsen De bomen binnen het plangebied worden als gevolg van de beoogde werkzaamheden niet aangetast. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn alle gebouwen onderzocht op mogelijke invliegopeningen. Gebouwbewonende vleermuizen maken gebruik van spleten in gevels, spouwmuren, ruimtes achter daklijsten, etc. Op straatniveau zijn open stootvoegen aanwezig en bij gebouw 44 is op 40 cm boven maaiveld een ventilatievoeg aangetroffen. Op de hoeken van kopgevels is soms een kleine opening waar de boeiboorden niet goed aansluiten. Bij enkele betonnen dragers is een kleine kier bij de aansluiting op de gevel aanwezig. De openstootvoegen op straatniveau tonen aan dat er spouw aanwezig is, maar omdat deze voegen op een paar decimeters boven de straat zitten, zijn ze niet toegankelijk voor vleermuizen. De enige geschikte openingen zijn met name de kleine openingen op de hoeken van kopgevels die zijn ontstaan door het niet goed op elkaar aansluiten van de bevestigingslat achter de boeiboorden en de kieren bij de betonnen dragers (zie onderstaande foto’s). De kieren rond de betonnen dragers zijn wel omgeven door glad tegelwerk en daardoor waarschijnlijk weinig geschikt voor vleermuizen, omdat vleermuizen dan onvoldoende grip hebben om te kunnen landen.
Hierdoor zijn de gebouwen (met name de kopgevels) geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen; met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Andere soorten worden in eerste instantie niet verwacht. De beoogde renovatie kan een negatief effect hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het plangebied is mogelijk ook geschikt als (massa)winterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis. Er kan namelijk niet uitgesloten worden dat de spouw via de boeiboorden toegankelijk is.
De kieren bij de betonnen dragers (links) en de kleine opening op de hoeken van kopgevels waar de boeiboorden niet goed op elkaar aansluiten (rechts).
3.3.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn vogels waargenomen zoals merel (Turdus merula), koolmees (Parus major), ekster (Pica pica), kauw (Corvus monedula), spreeuw (Sturnus vulgaris), zwarte kraai (Corvus corone) en nijlgans (Alopochen aegyptiaca). Daarnaast zijn er twee (oude) vogelnesten van waarschijnlijk kraaiachtigen aangetroffen; één op het veld middenin het plangebied en één langs het fietspad aan de westzijde van het plangebied. Verder blijkt uit NDFF-gegevens dat de bosuil in het Uilenbosje broedt. Alle vogelsoorten zijn beschermd tijdens het broedseizoen. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is (actieve
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
7
broedplaatsen). De meeste soorten broeden in de periode van half maart tot half juli, echter buiten deze periode kunnen ook broedende vogels worden aangetroffen. Deze zijn, onverminderd de
Links het vogelnest binnen het plangebied en rechts het vogelnest langs de westzijde van het plangebied.
periode wanneer het broedgeval is, beschermd. Jaarrond beschermde vogels De provincie Gelderland heeft het beleid van RVO, opgesteld onder de Flora- en faunawet, ten aanzien van jaarrond beschermde soorten overgenomen. Dat betekent dat van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen) het gehele jaar door beschermd zijn. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua));
2.
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek (Corvus frugilegus), gierzwaluw (Apus apus) en huismus (Passer domesticus));
3.
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), ooievaar (Ciconia ciconia), kerkuil (Tyto alba), oehoe (Bubo bubo) en slechtvalk (Falco peregrinus));
4.
Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), sperwer (Accipiter nisus), wespendief (Pernis apivorus), zwarte wouw (Milvus migrans) en ransuil (Asio otus)).
Het gebouw is door de aanwezigheid van een goed gesloten plat dak en het ontbreken van toegangen met voldoende ruimte voor vogels onder de dakrand, op de muurplaten en grotere gaten in de muren zelf ongeschikt voor de gierzwaluw. De openingen op de hoeken van de kopgevels zijn, vanwege de grootte van de openingen en beperkte ruimte achter de boeiboorden, niet geschikt voor huismus. Daarnaast zijn er ten tijde van het veldbezoek geen huismussen in de omgeving gehoord wat duidt op de afwezigheid van een (grotere) kolonie in de buurt. Van de jaarrond beschermde vogelsoorten (LNV, 2009) kunnen verschillende soorten roofvogels, zoals boomvalk, buizerd en sperwer, ook in bomen in of aan de rand van de bebouwde kom of op binnenstedelijke locaties broeden. Binnen en direct aansluitend aan het plangebied zijn enkele
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
8
nesten van waarschijnlijk kraaiachtigen aangetroffen. Deze nesten kunnen het komend jaar (of in latere jaren) gebruikt worden door jaarrond beschermde roofvogels. Aangezien de werkzaamheden alleen betrekking hebben op de gebouwen zelf en de bomen onaangetast blijven zijn negatieve effecten niet te verwachten. Gezien het stedelijke karakter van het plangebied en de locatie van de nesten hoog in de bomen is verstoring als gevolg van de werkzaamheden ook niet te verwachten. Niet jaarrond beschermde vogels Naast de voorstaande vier categorieën is er nog een vijfde categorie (beschermde) vogels. Deze vogels beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze vogels (en hun broedplaatsen) zijn in principe buiten het broedseizoen niet beschermd. Alleen als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen zijn deze soorten wel jaarrond beschermd.
Koolmezen, op zoek naar voedsel (insecten), bij een opening op de hoek van een kopgevel.
Binnen het plangebied is de aanwezigheid van broedplaatsen van vogels uit de vijfde categorie niet uit te sluiten. Aangezien in de omgeving voldoende alternatieve broedplaatsen aanwezig zijn voor deze categorie vogels zijn er geen omstandigheden aanwezig om deze vogels jaarrond te beschermen. Negatieve effecten op vogels uit de vijfde categorie worden dan ook niet verwacht indien rekening gehouden wordt met het broedseizoen (actieve broedplaatsen). 3.3.5 Amfibieën, reptielen, vissen, insecten en overige soortengroepen Het plangebied heeft een stedelijk karakter, is grotendeels verhard en bebouwd en wordt intensief gebruikt en beheerd. Binnen het plangebied zelf ontbreken natuurlijke habitats volledig. In een dergelijke omgeving komen geen meer strikt beschermde amfibieën, reptielen, insecten en overige beschermde soorten voor. De habitateisen van beschermde soorten binnen deze soortgroepen zijn vaak zeer locatie specifiek en gebonden aan meer natuurlijke biotopen. Dergelijke biotopen komen niet in het plangebied voor. Landbiotoop van algemene amfibieënsoorten Aangezien algemene amfibieënsoorten zich waarschijnlijk wel in wateren in de nabije omgeving voortplanten, is het voorkomen van deze amfibieën niet uit te sluiten. Op basis van de NDFFgegevens is het voorkomen wel beperkt tot de bruine kikker (Rana temporaria) en gewone pad (Bufo bufo).
Deze soorten gaan na de metamorfose op het land naar voedsel zoeken. Hierbij kunnen ze grote afstanden afleggen. Omdat de dieren op het land overwinteren, is het ook mogelijk dat er dieren in de winterperiode binnen het plangebied aanwezig zijn (bijvoorbeeld onder blad in de heestersborders). Voor deze soorten geldt binnen de provincie Gelderland een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
9
4.
CONCLUSIE Het plangebied aan de Lankforst e.o. te Nijmegen betreft 120 maisonnette woningen. Beoogd is om deze grondig te renoveren.
4.1 Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op beschermde gebieden. Het plangebied te Nijmegen ligt niet in of binnen de invloedsfeer van NNN (GNN of GO) of een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming is op deze locatie niet aan de orde.
4.2 Soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkelingen kunnen biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten zoals bruine kikker, gewone pad, egel en, algemeen voorkomende, (spits)muizen zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Gelderland. Voor deze soorten geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. De zorgplicht (zie bijlage 2) blijft onverminderd van toepassing. Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn meer strikt beschermde soorten, soorten waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats, en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn soorten uit de soortgroep vleermuizen niet uit te sluiten binnen het plangebied.
4.3 Consequenties De verkennende quick scan flora en fauna kan, op basis van het eenmalige veldbezoek, de aanwezigheid van huismus en vleermuizen niet op voorhand uitsluiten. Daarom moet nader onderzoek gedaan worden naar: •
Vleermuizen, gebouwbewonende soorten; met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger (bescherming conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming), onderzoeksperioden: een volledig onderzoek naar vleermuizen bestaat uit twee onderzoeksperiodes; van half mei tot half juli (kraam- en zomerverblijfplaatsen) en van half augustus tot eind september (paar- en winterverblijfplaatsen). Beide onderzoeken dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van het gebouw voor vleermuizen. Daarnaast dient op basis van het type bebouwing ook onderzoek gedaan te worden naar (massa)winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (onderzoek naar
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
10
middernachtzwermen: begin augustus tot 10 september). Gedurende het nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten wordt gelijktijdig ook onderzoek gedaan naar foerageergedrag en eventuele andere functies van het plangebied en de nabije omgeving; Het gebruik van het plangebied door deze soorten kan door middel van nader onderzoek in beeld worden gebracht zodat het werkelijke effect van de ingreep op (het leefgebied van) daadwerkelijk aanwezige soorten kan worden bepaald. Pas dan kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Bij een dergelijke ontheffing worden vaak mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Verder is er een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 altijd van toepassing: •
In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd. Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan.
•
Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Daarnaast moeten dieren de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: •
Voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken;
•
Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;
•
Het eventueel rooien starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen.
4.4 Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming zijn er ook een aantal vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting van het plangebied, zoals: •
Voor vleermuizen kunnen open stootvoegen aangebracht worden in muren, of vleermuiskasten worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte;
•
Er kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van de huismus en gierzwaluw op >2,5 meter hoogte in de muur. Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. De huidige bebouwing is voor deze soort niet of nauwelijks geschikt;
•
Het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse (autochtone) bes- en bloemdragende struiken en planten.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
11
BIJLAGE 1 Literatuurlijst Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden, 2016. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill. Vleermuizen, alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion natuur, Utrecht, 2011. Meijden, R. van der, Heukels’ flora van Nederland, 23e druk, uitgeverij Wolters Noordhof, Groningen, 2005. Ministerie van LNV, Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, 2009.
Websites: www.zoogdiervereniging.nl www.gelderland.nl www.rijksoverheid.nl www.ndff.nl (uitvoerportaal)
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
BIJLAGE 2 Wet natuurbescherming Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming is hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming bepalend. Indien gebiedsbescherming aan de orde is, zijn er verschillende stappen in onderzoek te onderscheiden; Voortoets en afhankelijk van de conclusie in de Voortoets een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling. Bij een Voortoets komen de volgende onderdelen aan bod: •
Beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In het geval van een wijziging van bedrijfsactiviteiten het in beeld brengen van de bestaande situatie en gewijzigde bedrijfsactiviteiten;
•
Welke milieueffecten deze (bedrijfs)activiteiten hebben op de omgeving;
•
Welke van de soorten en habitats waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden, schade ondervinden;
•
Welke (bedrijfsmatige) activiteiten kunnen leiden tot effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling: Indien uit de Voortoets blijkt dat een ruimtelijke ingreep geen negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied dan is het onderzoek gereed. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied, maar zeker niet significant negatief dan moet een Verstorings- en Verslechteringstoets worden opgesteld. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft en mogelijk ook een significant negatief effect dan moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling is de basis voor de aanvraag van een vergunning. Wet natuurbescherming – soortenbescherming Voor soortbescherming is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, verdragen van Bern en Bonn) en nationaal beschermde soorten. Er zijn verbodsbepalingen opgenomen, bepalingen voor algemene vrijstelling en projectspecifieke ontheffingen en de belangen die aangetoond dienen te worden om een ontheffing te verkrijgen.
Verbodsbepalingen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden, te vangen of opzettelijk te storen (tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort). Ook is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze vogels te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen of eieren te rapen en deze eieren onder zich te hebben.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Het is verboden in het wild levende dieren (waaronder diverse vogelsoorten) van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen of voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Ook is het verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel A, opzettelijk te doden of te vangen, of vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Ook is het verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Zorgplicht Naast de bovenstaand beschreven verboden kent de Wet natuurbescherming ook een zorgplicht. In artikel 1.11 is opgenomen dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat schadelijke handelingen achterwege blijven, dan wel noodzakelijke maatregelen getroffen worden om die schadelijke gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt worden. Procedurele consequenties Voor ruimtelijke ingrepen is het van belang te toetsen of er allereerst sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten is het bijvoorbeeld van belang te beoordelen of een verstoring van wezenlijke invloed is. Voor de nationaal beschermde soorten zijn er per provincie lijsten opgesteld met soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Over het algemeen zijn dit de meer algemeen voorkomende soorten zoals het konijn of de vos.
Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming, hoofdstuk 3. Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen) van leefgebieden van beschermde soorten, is ontheffing ex. artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 van de Wet natuurbescherming nodig van Gedeputeerde Staten. Het uitvoeren van een ruimtelijke ingreep, indien er sprake is van een overtreding van één van de bovenstaand beschreven verbodsbepalingen, kan door middel van een goedgekeurde gedragscode of een verkregen ontheffing. Een gedragscode geldt voor zowel de internationaal beschermde soorten als de nationaal beschermde soorten.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen
In een gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd. Voor een ontheffing zijn procedurele consequenties afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Er zijn drie soorten verbodsbepalingen en gekoppeld aan deze bepalingen zijn er ook drie verschillende beschermingsregimes: •
Soorten van de Vogelrichtlijn;
•
Soorten van de Habitatrichtlijn, verdrag van Bern en/of Bonn;
•
Nationaal beschermde soorten.
Voor het verkrijgen van een ontheffing moet als eerste een belang worden aangetoond op grond waarvan een ontheffing kan worden verkregen voor het overtreden van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten moet een belang worden aangetoond zoals opgenomen in de Vogelrichtlijn. Voor ruimtelijke ingrepen zijn dat: •
Volksgezondheid of openbare veiligheid;
•
Veiligheid van het luchtverkeer;
•
Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
Ter bescherming van flora of fauna.
Voor Habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn: •
Bescherming van de wilde flora of fauna, of instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
•
Volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.
Voor nationaal beschermde soorten: •
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
Quick scan flora en fauna Lankforst e.o. te Nijmegen