Bijlage 11 Bijlagen bij de toelichting MER Bijlage 7.2 Wijzigingsbesluit Instandhoudingsdoelen N2000
Tekst van het document
2.3.5.4 Toepassing exclaveringsformule Voor de begrenzing van Natura 2000-gebied Rijntakken geldt de volgende algemene exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen, waterkerende dijken en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 wordt afgeweken.29 In uitspraak nr. 201404167/1/R2 is vastgesteld dat de laad- en losfaciliteit in 2005 is aangelegd. Dit is na de hiervoor genoemde peildata. 2.3.5.5 Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijk besluit van 25 april 2003 (besluit Vogelrichtlijn) bekend. Voor zover bekend is er voor de laad- en loswal geen vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. 2.3.5.6.Conclusie Gezien de overwegingen bij lid 2.3.5.3. -2.3.5.5 valt de laad- en loswal niet onder het toepassingsbereik van de exclaveringsformule en blijft het de status houden van Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied in afwijking van uitspraak IIIf van de Raad van State.
26
Besluit Vogelrichtlijngebied Neder-Rijn, 25 april 2003, Stcrt. 19 mei 2003, nr.95. Kaart SBZ VR Gelderse Poort_25042003, zie appendix A. Kaart N2K067_HR0K_Gelderse Poort, zie appendix A. 29 Voor de complete tekst zie paragraaf 3.4 van het besluit Rijntakken van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-38. 27 28
29
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
2.3.6 Laad- en loswal Spijk (kaartblad 21) 2.3.6.1 Locatiebeschrijving De laad- en loswal ligt zuidelijk van Spijk aan de Spijksedijk in de gemeente Rijnwaarden. De laad- en loswal bestaat uit een betonnen constructie waarop vrachtwagens kunnen parkeren, zodat de laad- en loswal dient te worden aangemerkt als een verharding als bedoeld in de algemene exclaveringsformule. 2.3.6.2 Uitspraak van de Raad van State III b De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-038 voor zover: de laad- en loswal ter plaatse van de gronden van een appellant is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied. De afdeling heeft onder andere overwogen dat de laad- en loswal voor 2003 is aangelegd en bestaat uit een betonnen constructie (5.3). En dat “nu………..verder onvoldoende kenbaar is welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd, kan niet worden vastgesteld of de laad- en loswal onder het toepassingsbereik van deze formule valt. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van deze laad- en loswal deel uitmaken van het Vogel- en habitatrichtlijngebied.
Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.”(5.3.2.) 2.3.6.3 Peildatum exclaveringsformule Als gevolg van de uitspraak is vastgesteld welke peildatum gehanteerd dient te worden voor de toepassing van de exclaveringsformule voor de gronden ter plaatse van de laad- en loswal. De peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule op de genoemde locatie is 25 april 2003 voor het Vogelrichtlijngebied Gelderse Poort30 volgens de kaart Speciale beschermingszone in het kader van de Europese Vogelrichtlijn: Gelderse Poort; tekendatum 25-4-2003; schaal: 1:25.000 (de kaart is toegevoegd aan appendix A).31 En 7 december 2004 voor de beschikking van de Europese Commissie waardoor Gelderse Poort is geplaatst op de communautaire lijst als Habitatrichtlijngebied32 volgens de kaart Habitatrichtlijngebied Gelderse Poort; vastgesteld 8 april 2003; schaal 1:50.000 (de kaart is toegevoegd aan appendix A).33 De status van de locatie als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied is niet gewijzigd met het Natura 2000-besluit Rijntakken van 23 april 2014 (zie bijlage A3 en kaartblad 21 van het besluit van 23-04-2014, PDN/2014038).
2.3.6.4 Toepassing exclaveringsformule Voor de begrenzing van Natura 2000-gebied Rijntakken geldt de volgende algemene exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen, waterkerende dijken en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 wordt afgeweken. 34 Of de laad- en loswal aanwezig was op de peildatum van 25 april 2003 voor het Vogelrichtlijngebied is op het oog beoordeeld aan de hand van een digitale luchtfoto van het jaar 2003 (opname tussen 1 april-1 juli 2003). Vastgesteld wordt dat er verharding aanwezig is in de vorm van een laad- en loswal en een toegangsweg naar de Spijksedijk. 2.3.6.5 Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bekend. 2.3.6.6.Conclusie Gezien de overwegingen bij lid 2.3.6.3. -2.3.6.5 valt de laad- en loswal onder het toepassingsbereik van de exclaveringsformule conform uitspraak IIIb van de Raad van State. De verharde laad- en loswal en toegangsweg wordt geëxclaveerd.
30
Besluit Vogelrichtlijngebied Gelderse Poort, 25 april 2003, Stcrt. 19 mei 2003, nr. 95. Kaart SBZ VR Gelderse Poort_25042003, zie appendix A. Beschikking van de Commissie van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische geografische regio (PB 29.12.2004 L 387/1). 33 Kaart N2K067_HR0K_Gelderse Poort, zie appendix A. 34 Voor de complete tekst zie paragraaf 3.4 van het besluit Rijntakken van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-38. 31 32
30
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
2.3.6.7 Aan paragraaf 3.3. alinea ‘De begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden (zoals aangemeld) en de Vogelrichtlijngebieden zijn verder nog op de volgende plaatsen aangepast’ van de Nota van toelichting bij het besluit van 23 april 2014 wordt een opsommingsteken met tekst toegevoegd: Verharding in de vorm van een laad- en loswal en toegangsweg bij Spijk (Spijkse Dijk) is onttrokken aan het Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied conform de tekstuele exclavering (ca. 0,3 ha) (bijlage A3). (o)
31
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
2.3.6.8 Aan bijlage A3 van de Nota van toelichting bij het besluit van 23 april 2014 wordt een afbeelding toegevoegd: Zie volgende pagina.
32
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
33
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
2.3.6.9 Het antwoord op een zienswijze op pagina 111-112 van Bijlage C van het besluit van 23 april 2014 wordt gewijzigd en als volgt vervangen: Een inspreker verzoekt om de begrenzing rondom een bedrijfsterrein en loswal bij Spijk te wijzigen. Het terrein wordt aan weerszijden begrensd door uiterwaarden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Beide uitstulpingen ten zuiden van het terrein aan de rivierzijde komt de inspreker onlogisch voor. De inspreker voorziet hier beperkingen ten aanzien van de manoeuvreerbaarheid en aanlegmogelijkheden van schepen. De inspreker verzoekt daarom deze begrenzing lokaal te wijzigen conform de algemeen gehanteerde exclaveringsformule voor bedrijfsterreinen, bebouwing en verhardingen. Een aantal insprekers verzoekt om het oostelijke gedeelte van het Natura 2000-gebied ten zuiden van de Spijksedijk buiten de begrenzing te laten. Eén van de insprekers noemt in het bijzonder het bedrijventerrein Spijksedijk, de loswal en de kribvakken, met name de kribvakken tussen de twee kribvakken die meebegrensd zijn. Volgens de insprekers is het bedrijfsterrein Spijksedijk één van de weinige die nog kansen biedt om via water rechtstreeks te kunnen vervoeren. De aanleg van loswallen en -kaden moeten daarom volgens de insprekers mogelijk blijven, zodat de ontsluiting van het bedrijventerrein kan blijven plaatsvinden.
De insprekers geven hierbij aan dat Provincie Gelderland het goederenvervoer over water stimuleert, zoals vastgelegd in het Tweede Provinciale Verkeer en Vervoerplan. Tevens verwachten de insprekers niet dat zich in dit drukbevaren gedeelte van de Rijn, zeker op het punt van de losplaatsen, natuurwaarden zullen ontwikkelen. Een inspreker verzoekt om de permanente loswal van diens bedrijf in de uiterwaarden bij Spijk (gemeente Rijnwaarden) en de weg ernaartoe niet mee te begrenzen. De inspreker wil er in dat verband op wijzen dat de uiterwaarden van groot belang zijn voor de toekomstige kleivoorziening van de baksteenindustrie. Tevens geeft de inspreker aan dat blijkens het in ontwikkeling zijnde project “Huissensche Waarden”, Ruimte voor de Rivier, nieuwe natuur en de winning van zand, grind en klei hand in hand kunnen gaan. Bovendien zal het uiterwaardengebied volgens de inspreker blijvend aandacht vragen in het kader van veiligheidsdoelstellingen waardoor sediment regelmatig verwijderd dient te worden. De baksteenindustrie kan hierin structureel een rol vervullen door de uiterwaarden middels kleiwinning waar nodig te verlagen. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het besluit. De begrenzing rond het bedoelde terrein is aangepast zodat alle in gebruik zijn de terreindelen op kaart zijn uitgezonderd.
Dit aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing, waarden en doelen van het gebied. De aanwijzing betekent niet automatisch een beperking van ontgrondingen. Wel dient er bij de vergunningverlening voor ontgrondingen nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de status als Natura 2000-gebied (reeds van toepassing sinds de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied in maart 2000). Het is duidelijk dat delfstoffenwinning een belangrijke economische activiteit in de uiterwaarden is, die ook gunstig kan uitwerken voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden. De loswal en de weg ernaartoe bij Spijk (gemeente Rijnwaarden) zijn op kaart uitgezonderd. 2.3.6.10 Kaartblad 21 bij het besluit van 23 april 2014 wordt vervangen door kaartblad 21 bij dit wijzigingsbesluit (datum kaartproductie: 22-6-2016): Het nieuwe kaartblad 21 staat in een kaartbijlage bij de Nota van toelichting van wijzigingsbesluit DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijziging).
34
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
Nota van toelichting
3.
WIJZIGINGEN VAN DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN
3.1
Wijziging van de Nota van toelichting ‘paragraaf 5.6 Vogelrichtlijn: nietbroedvogels’, bijlage B.4.4 ‘Vogelrichtlijn: niet-broedvogels’ en bijlage C.4.2.1 behorend bij het besluit van 23 april 2014 voor toendrarietgans (A039), kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), en de smient (A050)
3.1.1 Uitspraak van de Raad van State IIIg en V: De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-038 voor zover: III g dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), de smient (A050) en de toendrarietgans (A039). V. De Afdeling treft de voorlopige voorziening inhoudende dat de instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld onder III, sub g, blijven gelden, met dien verstande dat tevens de foerageerfunctie van het gebied tot de instandhoudingsdoelstellingen behoort; bepaalt dat de onder V. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment waarop het door de staatssecretaris te nemen besluit in werking treedt. Voor de voorgaande uitspraak heeft de afdeling het volgende overwogen (43.4): “Uit de enkele stelling dat de vogels tevens gebruikmaken van de foerageergebieden buiten het aangewezen gebied, volgt naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat deze functie binnen het Vogelrichtlijngebied niet langer van belang is voor het behalen van een gunstige staat van instandhouding voor de genoemde vogelsoorten.
Bovendien heeft de staatssecretaris zijn stelling dat steeds meer vogels buiten het gebied foerageren en dat aanwijzing van deze functie binnen het gebied daarom niet noodzakelijk is, niet met gegevens onderbouwd. Gelet op het voorgaande is de afdeling van oordeel dat het besluit, voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), de smient (A050) en de toendrarietgans (A039), reeds daarom niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegen motivering”. 3.1.2. Uitgangspunten en conclusies bij de instandhoudingsdoelstellingen voor de foerageerfunctie De instandhoudingsdoelstellingen voor de foerageerfunctie zijn ecologisch gemotiveerd door Sovon Vogelonderzoek Nederland in Sovon-rapport 2016/291 op verzoek van het ministerie van Economische Zaken. Hierna volgt een samenvatting van belangrijke uitgangspunten voor de foerageerdoelen en conclusies daarbij: • op grond van artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn wordt verwacht dat passende acties worden ondernomen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om te garanderen dat zich geen significante verslechtering of verstoring voordoet sinds de aanwijzingen van de Vogelrichtlijngebieden binnen de Rijntakken.
Dit ‘verslechteringsverbod’ is ook uitgangspunt voor de doelformulering; • gezien overweging 43.4 van de afdeling is de verwijzing naar binnendijkse foerageergebieden geschrapt uit de toelichtingen bij de doelen. Daarbij is overwogen dat de landelijke doelen een kader vormen voor de gebiedsdoelen, waarvan de som het landelijke doel maakt, eventueel samen met een opgave buiten N2000. Buiten N2000 kunnen dat binnendijkse gedooggebieden voor foeragerende ganzen en smienten zijn. Sovon heeft aangegeven dat de binnendijkse foerageergebieden in beginsel niet nodig zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000-gebied Rijntakken.2 Daarom zijn de verwijzingen naar die opgave buiten N2000 geschrapt. Binnendijkse foerageergebieden hebben wel een ecologische relatie met die binnen het Natura 2000-gebied, namelijk dat ze een optimale benutting binnen N2000 kunnen versterken. 1
van den Bremer L., Nienhuis J., van Winden E., van Roomen M., van Winden E. & Voslamber B. 2016. Draagkracht voor foeragerende ganzen en smienten in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Sovon-rapport 2016/29. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. 2 Sovon-rapport 2016/29, pagina 5, voetnoot.
35
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
•
•
•
•
•
Nota van toelichting
de bestaande verspreidingsdoelstellingen bij de rust- en slaapplaatsfunctie zijn niet overgenomen bij de nieuw geformuleerde doelstellingen. Verspreidingsdoelen zijn uit het kader voor de doelen alleen bekend bij habitattypen en habitatsoorten. Zie verder 3.1.8.; de draagkrachtschatting voor ganzen en smienten is gebaseerd op de periode 1999/2000 tot 2003/2004 omdat de soorten een landelijk gunstige staat van instandhouding kennen en behoud van de populaties op het niveau zoals aanwezig ten tijde van de oorspronkelijke aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied voldoende is; het beleidsmatige uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ betekent dat economische overwegingen een rol mogen spelen bij een herstelopgave. Bij de ganzen en smienten is een herstelopgave niet aan de orde; volgens het Natura 2000 doelendocument (2006) is voor de kolgans, grauwe gans en smient op landelijke schaal enige achteruitgang in omvang foerageergebied toegestaan ten gunste van specifieke habitattypen of soorten. Hoewel dit op gespannen voet staat met het verslechteringsverbod (zie eerste bullet hiervoor) zou de genoemde ‘ten gunste formulering’ zijn te overwegen met een harde wetenschappelijke onderbouwing van de noodzaak. Die ecologische onderbouwing is er momenteel niet. In Sovon (2016)3 is berekend of er in de huidige situatie voldoende draagkracht is.
Dat is gedaan op basis van de ecotopenkaarten 2008 en (de verwachting voor) 2015. Daaruit blijkt dat er in 2008 modelmatig meer draagkracht was dan nodig voor het behalen van de foerageerdoelen, maar dat dat in 20154 naar verwachting niet meer het geval is. Echter, het feitelijk voorkomen van ganzen laat een ander beeld zien. De foerageercapaciteit die nodig is voor de grasetende vogels (ganzen, zwanen en eenden) met een gebiedsdoelstelling, is circa 22,9 miljoen ‘kolgansdagen’ (pagina 11). Uit het feit dat de ganzenpopulatie sinds de periode waarop de doelen zijn gebaseerd, is gegroeid, blijkt dat er meer draagkracht is dan berekend. Wanneer wordt uitgegaan van het gemiddelde seizoensgemiddelde voor de periode 2010/2011-2014/2015, blijkt het gebied gedurende een seizoen ca. 27,7 miljoen ‘kolgansdagen’ te kunnen opvangen (wat dus meer is dan benodigd voor de doelstelling). Er is dus een overschatting van de benodigde draagkracht, een onderschatting van de beschikbare draagkracht of een combinatie van beide. Tegelijk is bekend dat er inmiddels waarschijnlijk een afname van geschikt leefgebied heeft plaatsgevonden in recente jaren: een deel van het areaal productiegrasland is omgezet in natuurgrasland, dat voor ganzen minder voedzaam. Daarmee is er een einde gekomen aan de groei van de populatie in de Rijntakken.
Bij de draagkrachtberekening voor ganzen en smienten heeft Sovon overigens voorzichtigheidshalve het hele populatiedoel van 17.900 smienten meegenomen, hoewel bekend is dat een klein deel van de smienten buiten het gebied Rijntakken foerageert en ook een ander type grasland prefereert dan ganzen. Mocht er ondanks de inschatting dat er voldoende draagkracht is, toch een knelpunt ontstaan met het realiseren van andere instandhoudingsdoelstellingen, of de uitvoering van overige wettelijke verplichtingen in het rivierengebied, dan is er in de Rijntakken wel voldoende grondgebied beschikbaar om de opvang van ganzen (en andere grasetende soorten) te continueren door grasland zo te beheren dat het geschikter wordt voor ganzen (en andere grasetende) soorten. In zijn algemeenheid geldt daarom ook dat de foerageerdoelen voor kolgans, grauwe gans, brandgans en toendrarietgans haalbaar zijn. Dat betekent dat er ruimte is voor maatregelen voor habitattypen zonder een significante verslechtering voor ganzen en smienten als gevolg; de aantalsontwikkeling voor smienten is ongunstig, maar met het oog op het verslechteringsverbod van artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn, is het populatiedoel van 17.900 smienten uit de periode 1999/2000-2003/2004 ten tijde van de aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied gehandhaafd.
Daarbij is voor de smient een doelstelling voor het totale leefgebied gekozen. Er is bij deze doelstelling geen onderscheid te maken naar functies, omdat smienten op verschillende manieren gebruik maken van het gebied. Het aantal smienten in de aanwijzing heeft dus betrekking op het totaal aantal aangetroffen smienten in het gebied, die om verschillende, niet noodzakelijkerwijs overlappende redenen, gebruik kunnen maken van het
3
Sovon-rapport 2016/29, figuur 3 op pagina 17 en figuur 4 op pagina 18. Sovon- rapport 2016/29, pagina 19 eerste alinea: “Wanneer we uitgaan van de kaartbeelden uit 2015 is de beschikbare draagkracht nog steeds in gene van de scnario’s voldoende voor het behalen van de dlelen. Het is echter onduidelijk in hoeverre de verwachtingskaart voor 2015 overeenkomt met de huidige inrichting”.
4
36
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
•
Nota van toelichting
gebied. Het genoemde aantal is voor de afzonderlijke vormen van gebruik dat door smienten kan plaatsvinden dus in feite een bovengrens. Echter: de inschatting is dat hooguit een paar procent van de smienten alleen buiten het gebied foerageert (pagina 12). van kolgans en grauwe gans zijn de populatiedoelen bij de rust- en slaapplaatsfunctie gecorrigeerd voor de aantallen in Meinerswijk. Meinerswijk bij Arnhem is niet aangewezen als Natura 2000gebied. Door afrondingen zijn de kleine correcties bij toendrarietgans en brandgans niet zichtbaar geworden in de aantallen.
3.1.3
In paragraaf 5.6 Vogelrichtlijn; niet-broedvogels van de Nota van toelichting van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) wordt de instandhoudingsdoelstelling van A039 Toendrarietgans vervangen door de volgende tekst
A039 Doel
Toelichting
3.1.4
In paragraaf 5.6 Vogelrichtlijn; niet-broedvogels van de Nota van toelichting van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) wordt de instandhoudingsdoelstelling van A041 Kolgans vervangen door de volgende tekst
A041 Doel
Toelichting
3.1.5
Toendrarietgans Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 125 vogels (seizoensgemiddelde). Behoud omvang en kwaliteit van de rust- en slaapplaatsfunctie voor een populatie van gemiddeld 2.800 vogels (seizoensmaximum). Het gebied heeft voor de toendrarietgans een functie als foerageergebied, rust- en slaapplaats. De populatiedoelen in de doelstelling zijn afgeleid van de gemiddelden van de respectievelijke seizoensgemiddelden en seizoensmaxima van IJssel, Nederrijn, Gelderse Poort en Waal in de periode 1999/2000-2003/2004. De aantallen ganzen zijn van nationale en internationale betekenis. De soort neemt sinds begin jaren negentig toe. Deze toename lijkt te worden afgeremd.
Kolgans Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 35.400 vogels (seizoensgemiddelde). Behoud omvang en kwaliteit van de rust- en slaapplaatsfunctie voor een populatie van gemiddeld 180.100 vogels (seizoensmaximum). Het gebied heeft voor de kolgans een functie als foerageergebied, slaap- en rustplaats. De populatiedoelen in de doelstelling zijn afgeleid van de gemiddelden van de respectievelijke seizoensgemiddelden en seizoensmaxima van IJssel, Nederrijn, Gelderse Poort en Waal in de periode 1999/2000-2003/2004. De aantallen ganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Sinds begin jaren negentig is de populatie sterk toegenomen. Deze toename lijkt enigszins te stabiliseren. De genoemde aantallen zijn lager dan de actueel aanwezige aantallen. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.
In paragraaf 5.6 Vogelrichtlijn; niet-broedvogels van de Nota van toelichting van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) wordt de instandhoudingsdoelstelling van A043 Grauwe gans vervangen door de volgende tekst
A043 Doel
Toelichting
Grauwe gans Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 8.300 vogels (seizoensgemiddelde). Behoud omvang en kwaliteit van de rust- en slaapplaatsfunctie voor een populatie van gemiddeld 21.500 vogels (seizoensmaximum). Het gebied heeft voor de grauwe gans een functie als foerageergebied, slaap- en rustplaats. De populatiedoelen in de doelstelling zijn afgeleid van de gemiddelden van de respectievelijke seizoensgemiddelden en seizoensmaxima van IJssel, Nederrijn, Gelderse
37
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
Nota van toelichting
Poort en Waal in de periode 1999/2000-2003/2004. De aantallen ganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Sinds begin jaren negentig is de populatie sterk toegenomen. Deze toename lijkt enigszins te stabiliseren. De genoemde aantallen zijn lager dan de actueel aanwezige aantallen. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. 3.1.6
In paragraaf 5.6 Vogelrichtlijn; niet-broedvogels van de Nota van toelichting van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) wordt de instandhoudingsdoelstelling van A045 Brandgans vervangen door de volgende tekst
A045 Doel
Toelichting
3.1.7
Brandgans Behoud omvang en kwaliteit van het foerageergebied met een draagkracht voor een regionale populatie van gemiddeld 920 vogels (seizoensgemiddelde). Behoud omvang en kwaliteit van de rust- en slaapplaatsfunctie voor een regionale populatie van gemiddeld 5.200 vogels (seizoensmaximum). Het gebied heeft voor de brandgans een functie als foerageergebied, slaap- en rustplaats. De populatiedoelen in de doelstelling zijn afgeleid van de gemiddelden van de respectievelijke seizoensgemiddelden en seizoensmaxima van IJssel, Nederrijn, Gelderse Poort en Waal in de periode 1999/2000-2003/2004. De aantallen ganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Sinds begin jaren negentig is de populatie sterk toegenomen. Deze toename lijkt enigszins te stabiliseren. De genoemde aantallen zijn lager dan de actueel aanwezige aantallen. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.
In paragraaf 5.6 Vogelrichtlijn; niet-broedvogels van de Nota van toelichting van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) wordt de instandhoudingsdoelstelling van A050 Smient vervangen door de volgende tekst
A050 Doel Toelichting
Smient Behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 17.900 vogels (seizoensgemiddelde). Het gebied heeft voor de smient een functie als foerageergebied, slaap- en rustplaats. . De doelstelling is afgeleid van de gemiddelden van de respectievelijke seizoensgemiddelden van IJssel, Nederrijn, Gelderse Poort en Waal in de periode 1999/2000-2003/2004 en betreft het totaal aantal aangetroffen smienten in het gebied, die om verschillende, niet noodzakelijkerwijs overlappende redenen, gebruik kunnen maken van het gebied (foerageren, slapen, drinken). De aantallen smienten zijn van nationale en internationale betekenis. Sinds begin jaren negentig is de populatie sterk toegenomen. Deze toename heeft zich na 2000 niet voortgezet en lijkt zelfs een negatieve trend te worden. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.
3.1.8 Aan bijlage B4 Toewijzing in standhoudingsdoelstellingen (hoofdstuk 5) van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) wordt op pagina 58 de volgende definitie toegevoegd Door de samenvoeging van vier gebieden is een Natura 2000-gebied ontstaan van grote omvang. Voor het behoud van de variatie aan kwaliteit van habitattypen en het functioneren als leefgebied voor soorten, is het noodzakelijk om in de instandhoudingsdoelstelling voor habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn ook het aspect ‘verspreiding’ te noemen. Met behoud van verspreiding wordt bedoeld dat de betreffende waarden behouden moeten blijven op het geografische niveau van de deelgebieden (in de indeling zoals gehanteerd in het besluit) waar ze ten tijde van de inwerkingtreding van het besluit voorkwamen. Verspreiding is geen onderdeel van de instandhoudingsdoelstellingen voor vogels omdat behoud van verspreiding, lager dan op het geografische niveau van speciale beschermingszones, geen afzonderlijke doelstelling is volgens de Vogelrichtlijn en daarom ook niet in
38
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
Nota van toelichting
het Natura 2000 Doelendocument. Overigens kan een zekere mate van behoud van verspreiding indirect wel van belang zijn als middel om het behoud van draagkracht en populatieomvang te garanderen, omdat ganzen bij voorkeur dicht bij slaapplaatsen foerageren en het gebruik van die slaapplaatsen sterk historisch bepaald is. 3.1.9 In B.4.4. Vogelrichtlijn van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068): niet broedvogels wordt de tabel ‘Overige niet-broedvogelsoorten’ vervangen door de volgende tabel Overige niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie Vogelsoort A005 Fuut
(a);(i)
A017 Aalscholver
(g)
Aantal gebieden
Landelijke doelstelling
Populatie Rijntakken (max)
Relatieve bijdrage *
21
10.900
570
sf, B1
doel aangepast (k)
Besluit
23
24.500
1.300
sf, B1
doel aangepast (k)
A037 Kleine zwaan (b)
26
4.820
100
sf, C
doel aangepast (k)
A038 Wilde zwaan (c)
4
360
30
sf, B2
doel aangepast (k)
125 (gem) 2.800 (max)
f, C s
wijzigingsbesluit (l)
35.400 (gem)
f, A1 s
wijzigingsbesluit (l)
f, B2 s
wijzigingsbesluit (l)
f, C s
wijzigingsbesluit (l)
(g)
A039 Toendrarietgans
12
34.100
A041 Kolgans (g);(h)
33
218.300
A043 Grauwe gans (g);(h)
28
86.300
A045 Brandgans (g);(h)
26
140.900
A048 Bergeend (g)
15
48.900
120
sf, B2
doel toegevoegd
A050 Smient (g);(h)
43
258.200
17.900
fs, B2
wijzigingsbesluit (l)
A051 Krakeend (g);(h)
32
10.200
340
f, C
doel aangepast (k)
A052 Wintertaling (d)
23
21.000
1.100
f, C
doel aangepast (k)
13
128.000
6.100
f, C
doel aangepast (k)
A053 Wilde eend A054 Pijlstaart
(g)
(c)
180.100 (max) 8300 (gem) 21.500 (max) 920 (gem) 5.200 (max)
22
7.850
130
f, C
doel aangepast (k)
A056 Slobeend (g);(i)
36
5.750
400
f, C
doel aangepast (k)
A059 Tafeleend (e)
15
20.900
990
f, B1
doel aangepast (k)
A061 Kuifeend
(c);(i)
19
75.700
2.300
f, C
doel aangepast (k)
A068 Nonnetje
(a)
15
690
40
f, B1
doel aangepast (k)
A125 Meerkoet
(g);(i)
20
89.700
8.100
f, B2
doel aangepast (k)
A140 Goudplevier (j)
12
32.300
140
f, C
doel toegevoegd
A142 Kievit (c)
8
75.500
8.100
f, B2
doel aangepast (k)
A151 Kemphaan
6
39.500
1000
B1
doel toegevoegd
A156 Grutto (f)
20
6.000
690
C
doel aangepast (k)
A160 Wulp (g)
14
101.100
850
sf, C
doel aangepast (k)
A162 Tureluur (c)
9
18.480
65
sf, C
doel aangepast (k)
(b)
(*) Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). De relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde). (a) Fuut en nonnetje: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soorten vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006). (b) Kleine zwaan en kemphaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006). (c) Wilde zwaan, pijlstaart, kuifeend, kievit en tureluur: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).
39
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
(d) (e) (f) (g) (h) (i) (j)
(k) (l)
Nota van toelichting
Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatieafname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006). Tafeleend: ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de tafeleend geformuleerd, vanwege slecht stuurbare oorzaken en enige compensatie door toename in de randmeren (Natura 2000 doelendocument, 2006). Grutto: de grutto heeft gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding op landelijk niveau een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. Aangezien deze opgave niet te realiseren is binnen het Natura 2000netwerk is in alle gebieden een behoudopgave voor de grutto geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006). Aalscholver, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wilde eend, slobeend, meerkoet en wulp: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.5 Kolgans, grauwe gans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.
Fuut, slobeend, kuifeend en meerkoet: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar. Goudplevier: de goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen het Natura 2000-netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevolg van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 2000-netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006). De aantallen in de doelstelling zijn opnieuw berekend en hebben betrekking op het gehele Vogelrichtlijngebied Rijntakken. De aantallen zijn afgeleid van de notitie “Informatie over vogelsoorten in N2000 gebieden Rijntakken” (SOVON 2012). Toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient: de instandhoudingsdoelstellingen van besluit PDN/201438|038/066-068 Rijntakken van 23 april 2014 zijn aangepast.
Door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behoort de foerageerfunctie van het gebied tot de instandhoudingsdoelstellingen.6 De populatiedoelen voor de foerageerfunctie zijn afgeleid van de seizoensgemiddelden in de periode 1999/2000-2003/2004 voor de Rijntakken.7 De populatiedoelen voor de slaapfunctie van toendrarietgans, kolgans, grauwe gans en brandgans zijn afgeleid van SOVON (2013)8 en gecorrigeerd voor de aantallen in Meinerswijk. Dit deelgebied behoort niet tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. In samenhang met de wijziging van de doelstelling voor ganzen en de smient is de doelcomponent ‘verspreiding’ van de slaap- en rustfunctie uit de doelstelling verwijdend.
3.1.
In Bijlage C, paragraaf 4.2.1 Rijntakken, pagina 136 (vijfde alinea en verder)-138 (tot en met de 4e alinea) van het besluit van 23 april 2014 (PDN/2014-038|038/066-068) worden de zienswijzen en antwoorden over de instandhoudingsdoelen voor ganzen en smienten vervangen door de volgende tekst
Enkele insprekers zijn van mening dat de aanwijzing van de buitendijkse gebieden overwegend gebaseerd zijn op bestaande natuurwaarden, waardoor onvoldoende ruimte dreigt te ontstaan voor natuurontwikkeling (natte riviernatuur) in combinatie met grondstoffenwinning zoals kleiwinning. In dit verband is de inspreker vooral bezorgd over het overwegende belang dat wordt toegedicht aan agrarische graslanden ten behoeve van foeragerende en rustende watervogels, met name ganzen. Volgens de insprekers foerageren ganzen niet alleen buitendijks, maar vooral ook binnendijks. Deze binnendijkse gebieden worden door het ministerie van LNV onvoldoende in de rekenmodellen betrokken en daardoor suggereren de rekensommen een grote mate van afhankelijkheid van de ganzen van het buitendijkse gebied, aldus de insprekers. Enkele andere insprekers plaatsen vraagtekens bij de sterk op behoud van bestaande natuurwaarden gerichte gebiedsaanwijzing bijbehorende bij de instandhoudingsdoelstellingen. Juist voor het rivierengebied zou naar mening van de insprekers veel meer ingezet moeten worden op een veel robuuster en dynamisch ontwikkelingsperspectief. Met name de hoge waardering die wordt meegegeven aan graslandvegetaties voor foeragerende en rustende watervogels, zoals ganzen, achten de insprekers contraproductief en ondoelmatig.
Volgens de insprekers dreigt dit de goede kansen voor grootschalige, verdergaande natuurontwikkeling in combinatie met kleiwinning te frustreren.
5
De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006) (onder andere aanwijzingsbesluit IJsselmeer, Stcrt. 2010, 2212). 6 Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 10 februari 2016, nr. 201404167/1/R2 . 7 Roomen van M., E. van Winden, D. Zoetebier en A. Boele. SOVON-notitie 14-09-2012. Informatie over vogelsoorten in N2000 gebieden Rijntakken. 8 Klaassen O., van Winden E., van Roomen M. & Schoppers J. 2013. Aantallen van ganzen op slaapplaatsen in toekomstig Natura 2000-gebied Rijntakken in 1999-2004 en 2007-2013. Sovon-rapport 2013/46. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
40
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
Nota van toelichting
Een andere inspreker is van mening dat de wetenschappelijke basis waarop de instandhoudingsdoelstellingen voor vogels zijn gebaseerd zeer beperkt is. Volgens de inspreker is er geen rekening gehouden met het feit dat de grasetende watervogels vooral buiten de Natura 2000gebieden en in de binnendijkse gebieden foerageren. Hierdoor worden volgens de inspreker deze soorten te zwaar beschermd, waardoor andere soorten, zoals de zwarte stern, geen ontwikkelingsruimte krijgen. De inspreker verzoekt om bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen een duidelijke keuze te maken tussen de ontwikkelingen in het kader van het Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier en het behoud van foerageergebied binnen het Natura 2000-gebied. Een andere inspreker geeft aan dat in het kader van de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier het Rijnstrangengebied gekwalificeerd is als retentiegebied en de Deltacommissie heeft recent geadviseerd om de rivier aanpassingswerken versneld uit te voeren. De inspreker kan niet overzien in welke mate dit de geformuleerde instandhoudingsdoelen beïnvloedt. Een andere inspreker wil dat er voor het rivierengebied nadrukkelijke keuzes worden gemaakt die gericht zijn op de versterking en ontwikkeling van nattere riviernatuur.
Een andere inspreker is van mening dat het huidige Natura 2000-beleid een belemmering is voor de ontwikkeling van gewenste nieuwe natuur. De overmaat van grasetende watervogels zoals de kolgans (A041), grauwe gans (A043) en smient (A050) wordt volgens de inspreker op dit moment te zwaar beschermd terwijl de populatieontwikkeling hiertoe geen aanleiding geeft. Volgens de inspreker is dit in het nadeel voor de te ontwikkelen habitattypen ten gunste van zeldzame soorten als de roerdomp (A021), woudaap (A022) en zwarte stern (A197). Tevens wordt er volgens de inspreker geen rekening gehouden met het feit dat grasetende watervogels vooral buiten de Natura 2000-gebieden foerageren. De inspreker verzoekt daarom om nogmaals kritisch te kijken naar de aanwijzing van grasetende watervogelsoorten. Een andere inspreker verzoekt om achteruitgang in omvang van het foerageergebied van de kolgans (A041), grauwe gans (A043) en smient (A050) mede ten gunste van de moerasvogelsoorten roerdomp (A021), woudaap (A022) en/of grote karekiet (A0298) toe te staan in het aanwijzingsbesluit. De inspreker is van mening dat de activiteiten van diens bedrijf mogelijkheden biedt om bij te dragen aan de vergroting en kwalitatieve verbetering van het leefgebied van deze moerasvogelsoorten.
Een andere inspreker is van mening dat de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Waal en dan met name de Oosterhoutsche Waarden meer ontwikkelingsgericht worden vastgesteld passend bij het dynamische karakter van het gebied. Daarbij verzoekt de inspreker om de aanwijzing als foerageer- en rustgebied meer in overeenstemming te doen zijn met het werkelijke foerageergedrag van de watervogels. Dat wil volgens de inspreker zeggen dat ook de binnendijkse foerageergebieden in de afwegingen betrokken worden. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het besluit. De foerageerfunctie van de uiterwaarden voor grasetende watervogels behoort tot de instandhoudingsdoelstellingen. Uit de enkele stelling dat de vogels tevens gebruik maken van de foerageergebieden buiten het aangewezen gebied volgt naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter niet dat deze functie binnen het Vogelrichtlijngebied niet langer van belang is voor het behalen van de gunstige staat van instandhouding voor de genoemde vogelsoorten.6 Op landelijke schaal is enige afname van de foerageercapaciteit door extensivering (onder andere door natuurontwikkeling) toelaatbaar.
Er zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor de kolgans, grauwe gans en smient omdat de vier deelgebieden in 2000 voor deze soorten zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Met het samenvoegen van de vier gebieden in het rivierengebied zijn de doelstellingen voor de vogelsoorten tevens van toepassing geworden op de voorkomens van de soorten binnen de als Vogelrichtlijn aangewezen delen van het Natura 2000-gebied Rijntakken. In het beheerplan worden deze doelen verder uitgewerkt. De (concept)maatregelen uit de Planologische Kernbeslissing ‘Ruimte voor de Rivier’ tasten het Natura 2000-netwerk niet aan en bieden kansen voor versterking van de Natura 2000-waarden. De genoemde ontwikkelingen met betrekking tot de genoemde habitattypen en broedvogels passen bij de desbetreffende instandhoudingsdoelstellingen. De ruimtelijke uitwerking daarvan vindt plaats in het beheerplan.
41
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
Nota van toelichting
Een inspreker is het niet eens met de limieten voor achteruitgang van de foerageergebieden van de kolgans (A041), grauwe gans (A043) en de smient (A050), omdat er volgens de inspreker in het kader van de passende beoordeling doorgaans geen significante effecten te verwachten zijn en er ook anderszins voldoende uitruilmogelijkheden voor handen zijn. De inspreker is van mening dat de ten gunste formulering geschrapt dient te worden en per geval of project te toetsen of een eventuele achteruitgang van het foerageergebied al dan niet acceptabel is. Deze toetsing kan via het reguliere vergunningstraject in het kader van de Natuurbeschermingswet plaatsvinden. Een andere inspreker verzoekt om de wetenschappelijke basis van de aanwijzing en de instandhoudingsdoelstellingen, en in het bijzonder de ten gunste formulering nog eens kritisch te beoordelen. De inspreker voegt hieraan toe dat de ten gunste formulering van de kolgans (A041), grauwe gans (A043) en smient (A050) compleet wordt opgeslokt door ingrepen die gerelateerd zijn aan projecten in het kader van de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier, het project Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) en het koepelplan. Nieuwe ontwikkelingen met een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen, hoe klein ook, worden volgens de inspreker uitgesloten. De inspreker meent dat dit niet de bedoeling kan zijn.
Een inspreker geeft aan dat voor de kolgans (A041), grauwe gans (A043) en smient (A050) in Uiterwaarden Waal alleen een achteruitgang van 16% van het foerageergebied ten gunste van de habitattypen slikkige rivieroevers (H3270), stroomdalgraslanden (H6120) en vochtige alluviale bossen (H91E0A) is toegestaan. Dit zijn volgens de inspreker echter niet de habitattypen welke van belang zijn voor verbetering van de gunstige staat van instandhouding van het porseleinhoen (A119), kwartelkoning (A122) en zwarte stern (A197). De inspreker wil dat kritisch de instandhoudingsdoelstellingen en de tegenstrijdigheden daarin kritisch worden beoordeeld en worden opgelost in het beheerplan. In het aanwijzingsbesluit wordt ten aanzien van de kolgans (A041), de grauwe gans (A045) en de smient (A050) een achteruitgang in omvang van het foerageergebied toegestaan van maximaal 16%. Het is een inspreker onduidelijk waar die 16% op gebaseerd is en waarover die 16% berekend dient te worden. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het besluit. De ten gunste formulering en de procentueel toegestane achteruitgang van het foerageergebied zijn verwijderd uit de doelen van kolgans, grauwe gans en smient in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Zie ook reactie op voorgaande zienswijzen.
Het porseleinhoen en de kwartelkoning hebben een herstelopgave voor het leefgebied conform de ontwerp besluiten voor de afzonderlijke deelgebieden. De opgave voor het leefgebied van de zwarte stern is gewijzigd. Zie daarvoor de toelichting bij de tabel van deze soort in bijlage B.4. Zie ook het antwoord op de zienswijze hiervoor. Meerdere insprekers merken op dat in het Natura 2000 doelendocument wordt gesteld dat er een ten gunste formulering is in het nadeel van ganzen, kolganzen (A041), grauwe ganzen (A043) en smienten en ten gunste van glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510). De insprekers willen weten of en in hoeverre deze keuze in overeenstemming is met de eerdere aanwijzing van Natura 2000-gebieden op grond van de Vogelrichtlijn en de internationale verantwoordelijkheid die Nederland draagt voor de opvang van een groot aantal (niet-) broedvogels. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het besluit. De ten gunste formulering waar in de zienswijzen naar wordt verwezen is verwijderd uit de doelformulering van betreffende soorten in het aanwijzingsbesluit. Er is geen aantoonbare ecologisch gemotiveerde noodzaak om het verslechteringsverbod ter zijde te stellen. Zie ook het antwoord op de zienswijzen hiervoor.
42
Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2017-038_066-068 | 038_066-068 Rijntakken (wijzigingsbesluit)
appendix A
Appendix A Oudere kaarten Vogel- en Habitatrichtlijngebieden binnen Rijntakken die gebruikt zijn voor toepassing van de exclaveringsformule
43
&
,
&'0)&
2
6 '&'
+
$7
#
$
2
'
8'0
)
(
$$
$"
$%$
)'0
!
$!"
$
$!
!
7
0<
$2
$"
-'
$"
-0
,
/ 1
3 -0'
/
0 '
%7
1)
%
,
7
*+
, '
2
(
$(
$2
$%
$(
'
$"
',
.
0 1
$2
$7
-
-0'
+
4 5
$!"
#
'' &
A+
$
0
3 *
+
/+
/
2
'
.
&
*"
1 00
0
+ ' '
'
$%"
$7
$"
$$
$
1
'
-
,
+
-) -
0
$
0
0
&)
$
/0
.
!
1
0
1 1
"
/
0<
'
-
$
0
8
%
)
"
7
%
#
1
.
$""
$%7
0
''
"
.
&+ ,
0)
$$
1
!
'
0
&
;+
6
%
1
&
+ - 0
( 7
0
$
2
(
*
A )
# $
&
' "
-
-0 +
1'
2"
;'0 ,
<
,
6&
2
!"
8
6,,
"
& # "
1 '
/ "
("
/%2"F
$
/%2"
" ("
2
!
&
/%2$H
$2
!"
"
! *
/
,
7
0
*
/%2 /%2$E
(
7"
!7
, '
$"
&'
&'
!7
.
2
0
/%2(
7"
2"
1
7
0
/
*8,,
/%2(F
/%2(G
$2"
.
!2
1
, ("
- ,
!$
"
$$"
-' 0
,
-
' 0
!(
!(
. & '
- ,
$""
.+
&
-
/%22
(
/%22F
("
,
+
1
(
"
!"
$"
+
8
-' 0
3 ;
2
!
/%27
,
4-05
"O7
7
!
"
'
&'
*
%
&&'
#%
'
-
/%2
$
$
- ),
/#%7"
$$
&'
/#%7"C#D /#%7"F#G /%2 /#%2F /%7"E
* ,
'0'
'
'
.
-0'0
,
/
6 ,
I&
%
/%2!F
/#%2!
%
3 & &'
1 &
.&,,
< '
$O7
1 ,
$"(
,
.+
&'
$"
$(
/
+
.+
.
-
.
/ *
$
1'
$""
)
*
*
!
.00
,
0
+
( $"
%
0 <
- ,
!"
/
%
,
'
1 & ,
%
$ -0
2
!"
1
),
!$
$$"
- 00
/
$"
90
3
$(
!
. 0 1 '
$
?. 7""""
/#%2%
* -*
-' 0
-0
?
$"
"
,
!$
$
/%27G
%
1
' ,
/ 1
0)
.
!
!
!"
"
' , *8 , ,
/%22G
!
/%27F
)
+
$ "
/ &'
'
1)'0
!
$""
--
*
6
'
$"$
9
$(!
,
$
+=*
0
,
- 8
&
$!
%
*
/>
+
*+
,
$(%
$!
-'0 '
!
$("
.
/%2(H
&
& '
)
+
2
!
.
3 -
&
2"
.
1
/+
7
&'+
'
& '
$
,
'
''
0
$(7
+
.+
$%
7
!(
.
(
/)
, '
"
68
. ,
,
- 8,
/
/
-
.,
1
(
$7"
. ,
,
$%
0
0
&
$7
-
&'
/)
1 '
.
=
1 '
, '
&'
. ''
,
' ,
%"
$%"
$"
+
& ' : ;
:; &'
00 '
1 ,
:; ::
$7
!%
!%
!!
.)
'0
$"
0
<
$"
"" !
0
,
!
&
9
- ,
&'
&
$
0
-
1
9 ,
',
%"
-00 &'
.
/
1 ,
.+
1 ,
$
:; :;
$"
'
:; '
"
!
*+ !
,
%
:;
$2
1+&
/%2$
!0 $ "
"
/
+
/#%2$F#G
+
!
& '
.
!!
3 1 ' '
&
-
1 )
*+
-
0
/
!
) $ "
$""
$(
2"
0 '
$
!
'0
- &
& +
/ =,
-*6
(
+
-,
$(
-'+
- ''
$$"
6 & ''
-0 +
2
$
$
*
*+ '0
-1
'',
*,
7"
$("
3 -'
,&
'
'
2
$
& '
+
"
)
/
100
/ 1
, '
(
- 41 5
.
2
1
)
%"
.
7
:00
$2"
/ 8)
:00 '
.
2
1
A
,
9
!"
"
'
""
( 7
100 = / = 6& &'
-
+
-
9,
$
3 ,
/
. +
.
&
0
1
$$
)
-
0
$
+
-''
$"
1
+
;< $7"
- 0
-
&
""
/
'
.
"
""
/%7"
%!
,
$
6=
(
$2"
-&,
/#%7" ' I0
"
&&'
,
%"
/%7" M (
/%7"
+ +
!
/#%7
+
"$
%%
7"
/
!
3
2
"
,
#
%7
/
100
+
'
1
!
!
%2
1
*
2 $"!
$!
%(
- ,
"2
7"
,,
%7
9
.& 0
/ %%
. ,
,
' ,
%"
3 =/ +
!"
%
%
$$
=
$"
. &
"7
/
"
%$
2
("
.
,
0
%"
/
&
K
!
,
0
(!
B
1
0
)
$"
<
$$
'
0
2
%
7
7
/#%%" I0M
- '
/'0
7!
7!
8'
/% /# % I0
/%! /%!F
' ,
(
A, ,
'
1 8'
!
(
3
+,
$2
2
%%
-''
(
$
,
'
;
',&
%
!
. '
2
$$
'
$(
/ !"" I0&
3 '
- 8
(
/!""
/#% I0&
2
/#%7%%
/#%2 I0
/%2
$
1'
0
/#%% I0
/%(
+ '
-
3 '
1' 1 '
1 ')
(
2$
,
-
- - , '
-,
$"
$
/% /# % I0
/%$ /% , /#%
/%$
/%"
/#% @
'
-*K '
%!
(
/#%
1'
-'
7
0
0
(
$(
1&+'
/
0
1+
"
-
1
+
3 ;
<
- ' & '
0
-
2
- ,
-0
)< 0
4*'): 5
/,
/
3 1 '
$"
1
.
/ !"$ I0
.,
:,
/,
(
!
9,=
7
-
$$
%2
3
'
-0
'
6
((7
. ,
0
1
2%
2!
2
2
2("
2($
2(
2((
2(2
2(7
2(%
2(!
2(
2(
22"
22$
22
22(
-'
$
- +
7
-
1 ')
1 ''
0
/#!"
$
''0
&
1' 0 '
-
(
/ 1
-
0
1
/!"
-'
$
1 ')
&
$2
/ . '
-.0'
*
)
!
+
0
'
%7
,
8
$$
0
(
'
$7
-0
'
- =
/!"$
1
0-0
2"
3
*+
/ <'''0
<'''0
-
0 1 4O &, = '+ 5 + & 0' + 0
'
#%%"
2
1
/'0
/ *K '
)
(
/#%%"
/#%%$ $ /%%$
$
/#%%$ & I0
-0
,
$
<
.
/#%
I0,
/%
-
/ % /# %!
/%%$
/#%%
1
1
$
'
" 1', .
)1&+'
'0
1
$7"
'
/#%%$ & I0
*+
(%
2(
,
!
-0
'0
,)0
,
"
/#%%
%
9K,
/ '
/%2 /#%7L%%%%
=
/# %2 I0,
'
'
1
=&'
)
$2
&'
$
.
/#%2 /% /#%$
/%(
),
*
+
!
-,
" '
1'
%
+ $%
!"
7
7
/# %%( I0
"!
1&
"
/%$ /#%"
<
/#%%( /#%%(
2
22
'
.
/%%(
/%%2
/%%( ,
!$
$"
/#%%2 I0+
/%%7
/%%( I0
$
/%%% /#%%7 I0
/# %%% I08
%"
-
.
$2
0
'
)
$(
)
1 '0
4-05
.
/
1
3 .0
/%" /#%! %"
/#%%! I0 /%%!
+
"!
- 0
.
&' & '
9
0,
'
/%%
/#%% I0M
1 ,
/#%!%!
(
$$$ /%! /#%!
7
- 6=&'
#,)
"%
/
K,
$2!
27
1 '
6=&'
1 0
1'
/%!
$"
3 + &
3 ,.
&
&'
6+
.
9
9
"%
/%! /#%!
, '
/ ,
/#%!!
'
%$
.,
$$"
,
'
6
&'0 ,
/%%
-'
,
/#%!!
/#%!%%!!
- '&'
00
3
2%
3 +
? +
$2%
0
!
+
6 0 &
) 1
/%!7 /%!2
2
3
- '+
' )
2"
,
/)
,
0 ,
&' 6
/%!2
8'
"
'
. ,
/%!( / %!
/%! /%!$
8'+
$"
2!
$27
1
'&'
1
&
/%!"
' +
"
6+ ("
.8
'0
1
'+
/ ,,'0
-
'0
/%!"
/ ,
(
)
?08
+
$"
10
9'0
,
*
"
2
2
+
9
9,
,
$22
<@
.
1 '
"7
0N ""( 0N $%== ""( OO & = < $77""" < 2%(""" ? O 7L(!%( . , O7 L$7%$%$ A 0 , "L"
"(
-,
%7
*
)
#
-0
1
("
2"
7"
'
<@+
6
-
"2
/ ,,'0
1! "2
%(
.
%2
*(
!
0
/
&
:
6
+
1 '
'
0
%"
+
-
'
-'
&'
0 '0
*+
9
$2(
-:
1 '
<@+1
"(
/0 ,
6*+
*+
$2
# 0
,
/
*'
*'
1 +
.
1 '
/
& '
%7
7"
1 ,
!"
. 0
-
-
0
/#%72 I0%7
3 )
-
& '
,
, ,
/
/#%7( /#%7(
' ,
/#%7$%7$
,
/%7$
/#%7
1
&'
9
68
$"7
1
"
6 1
*0
/ /
6 8
J&
%!
0
$2$
6
- 1
-
6
1
10 1
'
'
&'
6
-&'+
"$ '
100
.
'
$"2
&, *
- '
%"
00
)
+
&,
* 1
+ 1
+
44
? ,N L? 0 /=, 0 9 , N96$"+ L9L00
$
$%2
, !
$$"
-''
0
6&
$""
$
$ "
''
$("
0 &
100
'
&'
1
"
-
/ 0
$%"
-
''
:;/
$2"
-
1
0
1 )
$%(
1 '
+
/
$7" (
,
$%
#
$!
1 '
$
$
6+ 0
-0
+
2
$"
/. 669
1:99:?9.:;/1:
6 + N + .L &L O , 0 + 0 8 ) /0 ) .& 0
$"
-
'
$%
'/,,
%2
/
,
%
!
!
(
/,
6
''
+ +
'
'
9,
.
8 ,
+'0
0 10
$"
$
,
+
' ?
!
$"
-
8
6
) $
2
3
+
$
$7
%(
* ''
"
)
6
("
$(
1+
,
1 +
+
3 &
1
+
""
+
4/, 5
1 '0
'0
.&
/ '0
+ 1
*'0
)
$!
.
*
2%
2!
2
2
2("
2($
2(
2((
2(2
2(7
2(%
2(!
2(
2(
22"
22$
22
$"
"
)
$%
& '
%
!
22(
/
*
0
-
*
#
& '
1
1 &'
6 &
!
,
+ "
+ #
-
' - '
$7
' &
'
/ ! =N ."$" 2
!
-
/
'
&
-
&' , ,
&' .
' /
00
&'
("
!
1
&
*
3
'
B
' 0
*8, ,
on
#
,
!
-
0 +
-
?
!
0
!
!
/ +
#
#
1
""
&'
+
+
,
0
/
&
1
'
, !
0
&'
'
,3
)
+
1
+
&
'
1 .
,
.
/
# ""
+***
/
0
/ +
3
1
.
,
, 1
0
%
)
'
* 0
'
-
*
0 '
/
'
(
6
*
+
6
1
'
'
&' &
& .
,
.
'
6
+ 1
1
'
+ "
.
. '
'
'
'
-
DN&B/2017-038_066-068 Rijntakken wijziging bijlage A
DN&B/2017-038_066-068 Rijntakken
wijziging
bijlage A
45
DN&B/2017-038_066-068 Rijntakken
wijziging
bijlage A
46
DN&B/2017-038_066-068 Rijntakken
wijziging
bijlage A
47
DN&B/2017-038_066-068 Rijntakken
wijziging