CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 02 Naar representatie in participatie - C. Revenberg Masterthesis

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Initiatiefvoorstel Leidende principes bij de participatieverordening: participatie als sleutel voor betrokkenheid van inwoners (07/2026)12.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Naar representatie in participatie Een onderzoek naar participatie in Nijmegen dat iedereen bereikt

Cas Revenberg Radboud Universiteit Nijmegen Faculteit der Managementwetenschappen Bestuurskunde Masterthesis Juli 2025 Begeleidend docent: dr. B. Voorn

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde

Samenvatting Ondanks dat inwonerparticipatie een steeds belangrijker onderdeel binnen overheden is, neemt vooral een selecte groep mensen deel aan die inwonerparticipatie. Het idee van participatie is dat iedereen mee kan denken en praten met het maken, uitvoeren en evalueren van overheidsbeleid. Dit zou volgens de wetenschappelijk literatuur veel voordelen opleveren voor de democratie en de participanten zelf. Aangezien veel groepen mensen ondervertegenwoordigd zijn bij participatie gaan de voordelen niet volledig

op.

Dit

onderzoek

poogt

manieren

te

vinden

hoe

de

gemeente

Nijmegen

ondervertegenwoordigde groepen wel bereid kan krijgen om deel te participeren. Om hierachter te komen, zijn voor dit onderzoek ambtenaren van de gemeente Nijmegen geïnterviewd. Zij hebben in deze interviews aangegeven wat goede manieren zijn om ondervertegenwoordigde mensen bereid te krijgen om te participeren. Uit de data-analyse blijkt dat op strategisch niveau vier manieren zijn om ondervertegenwoordigde mensen te betrekken. Deze op strategisch niveau geformuleerde manieren beschrijven wat de gemeente Nijmegen kan doen. Ook staan er in dit onderzoek tal van concrete voorbeelden die Nijmegen naast de strategische lijnen kan gebruiken bij het maken van participatieplannen. Andere gemeenten kunnen hier ook van gebruikmaken. Ook staan er in dit onderzoek inzichten over inwonersparticipatie die de huidige wetenschappelijke kennis kunnen aanvullen.

2

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde

Inhoudsopgave Samenvatting _____________________________________________________________________ 2 Inhoudsopgave____________________________________________________________________ 3 1.

Inleiding ____________________________________________________________________ 4

2.

Theoretisch kader _____________________________________________________________ 5 2.1.

Identiteiten van de niet-participanten __________________________________________ 6

2.2.

Redenen om niet te participeren______________________________________________ 8

2.3.

Hoe inwoners wel bereid te krijgen zijn ______________________________________ 10

3.

Het methodologisch kader _____________________________________________________ 13

4.

Resultaten __________________________________________________________________ 16

5.

4.1.

Inwoners bedienen _______________________________________________________ 17

4.2.

Een-op-eencontact met inwoners ____________________________________________ 18

4.3.

Gebruik externe ambassadeurs met positief imago ______________________________ 19

4.4.

Laagdrempelig informeren en participeren ____________________________________ 21

Discussie ___________________________________________________________________ 22 5.1.

Discussie ______________________________________________________________ 22

5.2.

De beperkingen _________________________________________________________ 23

5.3.

Conclusie ______________________________________________________________ 24

Literatuur _______________________________________________________________________ 25 Bijlage 1 _______________________________________________________________________ 29 Bijlage 2 _______________________________________________________________________ 30

3

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde

1. Inleiding Burgerparticipatie is hedendaags een actueel onderwerp binnen de overheid (van Eijk, 2013, p. 256; Michels, 2012, p. 285). Vooral in het lokaal bestuur komt burgerparticipatie veelvuldig voor (van Eijk, 2013, p. 256; Geurtz & van de Wijdeven, 2010, p. 533; Michels, 2012, p. 285). Dat komt volgens Van Eijk (2013, p. 256) door onder andere de concrete onderwerpen die aan bod komen. Er zijn verschillende redenen waarom participatie in positieve zin kan bijdragen aan de democratie (Michels & de Graaf, 2010, p. 481; Burby, 2003, p. 35). Echter, Michels (2011, p. 290) schrijft dat de positieve effecten alleen gelden voor zij die participeren. Ofwel, alleen zij die deelnemen aan inwonerparticipatie ervaren de positieve effecten, de anderen niet. Dat impliceert ook dat niet iedereen aan burgerparticipatie deelneemt. Michels (2011, pp. 290-291) bevestigt die implicatie door te beweren dat de participanten maar een klein deel van de bevolking vertegenwoordigen en dat sommige groepen vaak minder goed vertegenwoordigd zijn. Ook Abas et al. (2023, p. 1) schrijven dat bij participatie tegenwoordig nog steeds ongelijkheid is. Zo zijn bijvoorbeeld jonge mensen vaak ondervertegenwoordigd (Michels, 2012, p. 291). Volgens Abas et al. (2023, p. 1) bestaat de ongelijkheid op basis van kleur, leeftijd en welvaart.

Het gevolg van de ongelijkheid is dat sommige geluiden nooit gehoord worden (Michels, 2012, p. 291). Dit kan volgens Michels (2012, p. 291) leiden tot een afname van de kwaliteit van de representatieve democratie en een verminderd vertrouwen in de overheid. Het gebrek aan participatie kan leiden tot protesten en negatieve reacties (Abas et al., 2023, p. 2). Kortom, participatie werkt nog niet voor iedereen. De gemeenteraad van Nijmegen heeft middels een actieprogramma kenbaar gemaakt een nieuw participatiebeleid te willen dat iedereen bereikt (Gemeente Nijmegen, 2024, pp. 23-25). De gemeente Nijmegen zal dus meer mensen willen bereiken en laten deelnemen aan participatie, met name de groepen die ze nu het minst goed bereikt. Zowel bij de gemeente Nijmegen als in de wetenschappelijke literatuur is er beperkte kennis over hoe die mensen te bereiken zijn. Er bestaat wel kennis over wie die groepen zijn en wat hen motiveert, maar er is beperkte kennis over hoe overheden hen wel kan laten deelnemen aan burgerparticipatie. Dit onderzoek wil dan ook bijdragen aan het toevoegen van kennis over dit onderwerp, zowel voor de gemeente Nijmegen als voor de wetenschap.

Het doel van dit onderzoek is dan ook dat er meer inzicht komt in hoe niet-participanten uit ondervertegenwoordigde groepen zover te krijgen zijn om deel te nemen aan burgerparticipatie, teneinde beleidsmakers deze inzichten kunnen gebruiken om hierop in te spelen. Om dit te onderzoeken gebruikt dit onderzoek de volgende onderzoeksvraag: Hoe kan de gemeente Nijmegen ervoor zorgen dat inwoners die ondervertegenwoordigd zijn bij inwonerparticipatie deel gaan nemen aan inwonerparticipatie? Er is al wel veel onderzoek gedaan naar inwonerparticipatie en het onderwerp krijgt steeds meer aandacht binnen de bestuurskundige wetenschap (Klijn, 2008, p. 506; Ianeniello et al., 2018, pp. 22-23). Mede door de huidige tijdsgeest over de overheid, de New Public Governance, is onderzoek doen naar burgerparticipatie relevant (Jäntti & Kurkela, 2021, p. 24). Zo is er al veel onderzoek gedaan naar de 4

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde positieve en negatieve effecten van participatie op de democratie (Ianeniello et al., 2018, p. 21). Ook hebben veel wetenschappers concrete participatievormen onderzocht (Ianeniello et al., 2018, pp. 22-23). Echter, weinig onderzoek is gedaan naar hoe mensen wel bereid te krijgen zijn om te participeren en vooral de mensen die nu ondervertegenwoordigd zijn bij inwonerparticipatie. Dit onderzoek wil bijdragen om die kennis over hoe gemeenten mensen uit ondervertegenwoordigde groepen bij participatie wel bereid kan krijgen om deel te nemen aan inwonerparticipatie. Het veelvuldig gebruik van burgerparticipatie staat nog in de kinderschoenen, ondanks dat overheden het steeds meer met verschillende participatievormen aan het experimenteren zijn (Klijn, 2008, p. 506). Om een inclusievere inwonerparticipatie te krijgen is het voor gemeenten interessant om erachter te komen wat werkt om die inclusievere participatie te krijgen. Eventueel kunnen gemeenten barrières wegnemen of mensen op een manier te enthousiasmeren voor deelname aan burgerparticipatie. In het geval van dit onderzoek wil de gemeente Nijmegen een participatiebeleid dat iedereen weet te bereiken; de opkomst bij participatiemomenten is niet voldoende representatief (Gemeente Nijmegen, 2024, pp. 23-25).

Dit onderzoek kan de gemeente Nijmegen inzicht geven in door welke strategieën ze inwoners uit ondervertegenwoordigde groepen wel bereid kan krijgen zijn om te participeren. Dit artikel begint hierna met het theoretisch kader. Het theoretisch kader beschrijft de state of the art over wie er niet participeren, waarom niet en hoe overheden hen wel bereid kan krijgen om te participeren. Na het theoretisch kader volgt het methodologisch kader. Hierin staat beschreven hoe dit onderzoek de onderzoeksvraag wil beantwoorden en waarom deze methode werkt om de onderzoeksvraag te beantwoorden. Na het methodologisch kader staan de resultaten van het onderzoek. Als laatst volgen de discussie en de conclusie. In de discussie staat een reflectie van de resultaten van dit onderzoek ten opzichte van de literatuur, de beperkingen van dit onderzoek en aanbevelingen voor de wetenschap en de praktijk. In de conclusie staat bondig het antwoord op de onderzoeksvraag.

2. Theoretisch kader Om te weten hoe overheden meer mensen bereid kunnen krijgen om deel te nemen aan inwonerparticipatie is het eerst van belang om te weten wie die mensen zijn die ondervertegenwoordigd zijn bij inwonerparticipatie. Als dat bekend is, dan is het belangrijk om te weten waarom ze niet bereid zijn te participeren. Gemeenten kunnen met die kennis eventuele drempels weghalen of verlagen waardoor die mensen wel gaan participeren. Dat is dan de ontwerpvraag, de hoe-vraag, die centraal staat in dit onderzoek. Dit theoretisch kader zal eerst bekijken wie er ondervertegenwoordigd zijn bij inwonerparticipatie. Vervolgens staat in dit theoretisch kader waarom die mensen niet deel willen nemen. Tot slot staat in dit theoretisch kader welke oplossingen de wetenschappelijke literatuur biedt om meer mensen bereid te krijgen te participeren. Uiteindelijk geeft het theoretisch kader richting aan de dataverzameling, in die zin niet dat het er theorieën getoetst worden, maar dat dit theoretisch kader als achtergrondkennis richting geeft aan de dataverzameling en -analyse. 5

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde

2.1.

Identiteiten van de niet-participanten

Deze paragraaf kijkt naar wie die niet-participanten zijn. Welke karaktereigenschappen hebben de nietparticipanten? Hoe zijn die mensen herkennen? Als die informatie bekend is, weten gemeenten op wie ze in moeten spelen om bereid moeten krijgen om deel te nemen aan inwonerparticipatie. Hirschman heeft drie reacties van mensen op vanuit hun ogen teleurstellende resultaten van organisaties beschreven die toepasbaar zijn op het lokaal bestuur (Sharp, 1984, p. 84). Deze reacties zijn: voice, exit en loyalty (Hirschman, 1970, pp. 76-77). Exit is het weggaan als klant of het stoppen met het kopen van een product (Hirschman, 1970, p. 4). In het geval van het lokaal bestuur is dat het verhuizen naar een andere gemeente (Sharp, 1984, pp. 70-71). Voice is het uitspreken van ongenoegen (Hirschman, 1970, p. 4). Loyalty is het trouw wachten op verandering, omdat iemand de overtuiging heeft dat de gemeente iets aan het ongenoegen zal doen (Hirschman, 1970, p. 78). Rusbult et al. (1982, p. 1231) hebben het model uitgewerkt met een vierde reactie: neglect, het passief toestaan dat iets gebeurt. Sharp (1984, p. 69) heeft meerdere hypotheses op basis van het model van Hirschman (1970) getoetst binnen het lokale bestuur. Uit het onderzoek van Sharp (1984, p. 77) blijkt dat hoogopgeleide hun voice laten horen alvorens ze de exit als optie gebruiken.

Laagopgeleide mensen daarentegen neigen wel eerder de exit te gebruiken zonder eerst gebruik te hebben gemaakt van voice (Sharp, 1984, p. 78). Hierdoor ontstaat volgens Sharp (1984, p. 78) al het eerste verschil in participatiedeelname tussen de hoog- en laagopgeleide mensen: laagopgeleide mensen laten minder hun stem horen dan hoogopgeleide mensen. Een andere bevinding van Sharp (1984, p. 76) is dat hoogopgeleide mensen die loyaal blijven aan de lokale overheid substantieel vaker participeren dan laagopgeleide mensen die loyaal blijven. Ook hier lijkt educatieniveau invloed te hebben op de participatiedeelname. Rusbult et al. (1982, pp. 12391240) schrijven dat neglect vaak wordt gekozen door ontevreden inwoners. In tegenstelling tot het onderzoek van Sharp (1984) hebben Rusbult et al. (1982) geen karakterisering als voorspellende factor voor wie ontevreden zijn. Jeroense en Spierings (2022) hebben participatie vanuit een andere invalshoek bekeken. Daar waar Hirschman (1970) kijkt naar de typen reacties die mensen kunnen geven, kijken Jeroense en Spierings (2022) meer naar de typen participanten die er zijn. Jeroense en Spierings (2022, p. 17) identificeren vijf verschillende participatieprofielen en hebben van daaruit gekeken welke type persoon bij welk profiel past.

De vijf participatieprofielen zijn: de active insiders, expressive voters, expressive outsiders, inactive citizens, en de faithful voters (Jeroense & Spierings, 2022, pp. 17-18). Van deze vijf profielen nemen alleen de active insiders deel aan participatie (Jeroense & Spierings, 2022, pp. 7-8). Omdat participanten van vier profielen niet participeren, is het interessant om te zien wat de karakteristieken van die vier profielen zijn. De expressive voters zijn volgens Jeroense en Spierings (2022, pp. 8, 17) vaak hoogopgeleid. De expressive outsiders daarentegen zijn volgens Jeroense en Spierings (2022, p. 18) vaak jonge mensen. Verder schrijven Jeroense en Spierings (2022, p. 18) dat het 6

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde profiel inactive citizens vooral bestaat uit laagopgeleide mensen die uit onvrede afgehaakt zijn van de politiek. De faithful voters zijn vaak getrouwd, oud, ontvangen een hoog inkomen en hebben kinderen. Ondanks dat de insteek van Hirschman (1970) anders is dan die van Jeroense en Spierings (2022) is wel een overlap te zien tussen beide onderzoeken. Zo laat Sharp (1984) op basis van Hirschman (1970) zien dat hoogopgeleide mensen vaker participeren dan laagopgeleide mensen en geven ook Jeroense en Spierings (2022) onder andere aan dat ook laagopgeleide mensen niet participeren. Het verschil tussen de twee onderzoeken is dat Sharp (1984) opleidingsniveau als criterium stelt voor de mate van participatie, terwijl Jeroense en Spierings (2022) laten zien dat het wat complexer in elkaar zit. Het onderzoek van Jeroense en Spierings (2022) laat veel meer karaktereigenschappen zien en is daardoor gedetailleerder op dat gebied. Afijn, Jeroense en Spierings (2022) geven veel groepen aan als niet-participanten, maar dat geeft nog niet duidelijk weer wie er echt ondervertegenwoordigd zijn. Andere onderzoeken komen ook met andere bevindingen. Zo hebben Kern en Hooghe (2018, p. 729) onderzoek gedaan naar de relatie tussen participatie en de sociaaleconomische status van mensen op nationaal niveau. Kern en Hooghe (2018, p.

738) definiëren sociaaleconomische status aan de hand van opleidingsniveau en inkomen. Kern en Hooghe (2018, p. 738) beweren dat bij het veelvuldig gebruiken van participatie te zien is dat vooral mensen met een hoge sociaaleconomische status komen opdagen en mensen met een lage sociaaleconomische status niet. Dit lijkt enigszins overeen te komen met de bevindingen van Sharp (1984). Echter, Sharp (1984) heeft meer specifiek onderzoek gedaan naar opleidingsniveau in plaats van sociaaleconomische status. García-Espín (2025, p. 171) schrijft hierop aansluitend dat de arbeidersklasse niet goed vertegenwoordigd is bij participatie. Ook Irvin en Stansbury (2004, p. 59) verwijzen naar onderzoeken die schrijven dat mensen met een hoog inkomen oververtegenwoordigd zijn. Echter, García-Espín (2025, p. 171) definieert de arbeidersklasse op basis van de sociaaleconomische status en het opleidingsniveau. Ook het onderzoek van García-Espín (2025) geeft daarmee het opleidingsniveau een belangrijke plaats in het bepalen of iemand participeert of niet. Daarmee hebben de onderzoeken van García-Espín (2025), Kern en Hooghe (2018) en Sharp (1984) als gemene deler dat ze het educatieniveau als een belangrijke voorspeller voor de participatiedeelname zien. Ook García-Espín en Lancha-Hernández (2025, pp. 8-11) schrijven dat opleidingsniveau veel uitmaakt voor de participatiediversiteit.

García-Espín en Lancha-Hernández (2025, p. 6) hebben onderzoek gedaan naar de diversiteit van personen binnen adviesraden in Spanje. Zij concluderen dat de adviesraden erg geprofessionaliseerd zijn; het overgrote deel van de deelnemers zijn hoogopgeleid (García-Espín & Lancha-Hernández, 2025, p. 11). John (2009, p. 494) schrijft dat na decennia aan enquêteonderzoeken de betrouwbare bevinding is dat vooral zij met een hoog inkomen, zij die een baan hebben en zij die meer jaren onderwijs hebben gehad oververtegenwoordigd zijn bij inwonerparticipatie. Het onderzoek van John (2009, p. 500) zelf wijst uit dat inkomen en educatie voorspellende factoren voor de participatiedeelname zijn. 7

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde Niet alleen laagopgeleide mensen zijn ondervertegenwoordigd. Michels (2012, p. 291) concludeert namelijk na het onderzoek doen naar 39 casussen van meerdere onderzoeken dat jongeren en culturele minderheden ondervertegenwoordigd zijn. Verdere definities van die groepen beschrijft Michels (2012) niet. Ook Amnå en Ekman (2014, p. 266) schrijven dat onderzoeken van wetenschappers uitwijzen dat de betrokkenheid en de mate van participatie onder jongeren lager zijn. Dit komt volgens Amnå en Ekman (2014, p. 266) doordat jongeren heel erg ongeïnteresseerd zijn in politiek. Naast Michels (2012) en Amnå en Ekman (2014) schrijven ook Jäntti en Kurkela (2021, p. 26) dat jongeren weinig deelnemen aan burgerparticipatie. Jäntti en Kurkela (2021, p. 28) hebben onderzoek gedaan naar de participatie-ervaringen van universitair studenten bij lokale overheden. Uit de dataverzameling van Jäntti en Kurkela (2021, p. 28) blijkt dat veel studenten niet deelnemen aan participatie. De redenen die de studenten hiervoor gaven, waren dat ze vaak niet weten dat er participatiemogelijkheden zijn of ze voelen zich niet vaardig genoeg om te participeren (Jäntti & Kurkela, 2021, p. 37).

Als universitair studenten ook niet participeren, dan schept dat de vraag of opleidingsniveau er wel toe doet als bepalende factor voor de participatiedeelname of dat andere factoren bepalender zijn. Afijn, niet opleidingsniveau maar leeftijd is in ieder geval voor Michels (2012), Amnå en Ekman (2014) en Jäntti en Kurkela (2021) bepalend voor de participatiedeelname. Te zien is dus dat de wetenschap niet een specifiek type persoon kan aanwijzen als nietparticipant. Waar García-Espín (2025), García-Espín en Lancha-Hernández (2025), John (2009), Kern en Hooghe (2018) en Sharp (1984) aangeven dat opleidingsniveau bepalend is voor de mate van participatie, zeggen Michels (2012), Amnå en Ekman (2014) en Jäntti en Kurkela (2021) dat leeftijd bepalend is. Het onderzoek van Jeroense en Spierings (2022) laat zien dat de niet-participant uit verschillende typen mensen bestaat, van zowel jong als oud, hoog- en laagopgeleid. Omdat jonge mensen en laagopgeleide mensen sterker verankerd zijn in de wetenschappelijke literatuur als nietparticipanten zal dit onderzoek vooral kijken naar hoe gemeenten hen bereid kunnen krijgen zijn om te participeren.

2.2.

Redenen om niet te participeren

Deze paragraaf kijkt vooral naar waarom jongeren en laagopgeleide mensen niet bereid zijn deel te nemen aan inwonerparticipatie. Door inzicht te hebben in de motieven van die mensen, kan een overheid kijken of ze tegemoet kan komen aan die mensen, zodat ze toch wel bereid worden om deel te nemen aan inwonerparticipatie. Jäntti en Kurkela (2021, p. 29) hebben drie factoren gevonden die iemands bereidheid tot participatie verklaren. Deze drie zijn: maatschappelijke, persoonlijke en instrumenteel-procesmatige factoren (Jäntti & Kurkela, 2021, p. 29). De maatschappelijke factor gaat volgens Jäntti en Kurkela (2021, p. 30) bijvoorbeeld over de tevredenheid van iemand richting de politiek. De persoonlijke factor gaat volgens Jäntti en Kurkela (2021, p. 31) over iemands ervaren competenties, middelen en voorkeuren. De instrumenteel-procesmatige factor gaat over de instrumenten die overheden hebben om 8

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde participatie te faciliteren (Jäntti & Kurkela, 2021, p. 34). Jäntti en Kurkela (2021, pp. 36-37) geven aan dat de overheid voornamelijk invloed kan hebben op de instrumenteel-procesmatige factoren en weinig op de persoonlijke en maatschappelijke factoren. Turnhout et al. (2010) hebben een case study gedaan naar de soorten participanten in een participatieproces. Turnhout et al. (2010, p. 11) onderscheiden daaruit twee typen passieve inwoners: de ongeïnteresseerde en de teleurgestelde inwoner. De teleurgestelde inwoners uit het onderzoek van Turnhout et al. (2010, p. 12) zijn in eerste instantie wel bereid deel te nemen aan inwonerparticipatie, maar ze haken af doordat zij het idee hebben dat alles van tevoren al besloten is en gemeenten niks met hun inbreng gedaan doen (Turnhout et al., 2010, p. 8). Ook het onderzoek van Lowndes et al. (2001) heeft dit als bevinding. Lowndes et al. (2001, p. 450) schrijven dat de belangrijkste reden van nietparticipanten om niet te participeren is dat inwoners het gevoel hebben dat de overheid niets met hun inbreng doet. Beide onderzoeken geven aan dat inwoners niet tevreden zijn over de mogelijkheid dat hun inbreng beslissingen kan beïnvloeden.

De ongeïnteresseerde inwoners participeren niet omdat zij andere probleemdefinities hanteren dan de initiatiefnemers of ze vinden de plannen niet relevant (Turnhout et al., 2010, p. 12). Dit sluit aan bij onderzoek van Tadili en Fasly (2019). Tadili en Fasly (2019, p. 3) hebben een enquête over inwonerparticipatie uitgeschreven aan mensen in verschillende belangrijke posities vanuit meerdere steden van over de hele wereld. De uitkomst van het onderzoek van Tadili en Fasly (2019, p. 4) is dat de respondenten zeggen dat voor inwoners het van belang is dat inwoners het onderwerp interessant vinden om te participeren. Op basis van de onderzoeken van Turnhout et al. (2010) en Tadili en Fasly (2019) is wel te zeggen dat zowel inwoners als experts het belangrijk vinden dat het participatieonderwerp interessant moet zijn voor de inwoners. Verder hebben volgens Lowndes et al. (2001, p. 450) in algemeenheid ‘gewone’ inwoners en jongeren een negatief beeld over de politiek en over politici. Daarom willen de ‘gewone’ inwoners en jongeren niet naar participatiebijeenkomsten komen (Lowndes et al., 2001, p. 450). Het onderzoek van Gherghina en Geissel (2018) daarentegen beschrijft het tegengestelde. Volgens Gherghina en Geissel (2018, p.

233) zijn inwoners die negatief tegen de instituties van de representatieve democratie aankijken juist wel voorstanders van vormen van directe democratie waar inwoners besluiten mogen nemen. Zij voelen zich niet vertegenwoordigd en willen daarom directe invloed (Gherghina & Geissel, 2018, p. 234). Holum (2022, p. 922) schrijft dat gemeenten niet goed genoeg hun best doen om inwoners te informeren over participatiemomenten. Inwoners weten dan helemaal niet dat de mogelijkheid tot participeren er is. Lowndes et al. (2001, p. 451) herkent dit doordat veel inwoners in hun onderzoek aangeven dat ze niet weten dat er participatiemomenten zijn. Verder zeggen inwoners dat ze niet weten hoe ze de gemeenteraad kunnen beïnvloeden (Lowndes et al., 2001, p. 451). Ook Jäntti en Kurkela (2021, p. 34) zeggen dat onwetendheid over de participatiemogelijk een reden is voor het niet participeren. Zij hebben onderzoek gedaan naar participatie onder universitair studenten, waarbij de 9

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde universitair studenten aangeven vaak niet te weten wat de participatiemogelijkheden zijn (Jäntti en Kurkela, 2021, p. 34). Volgens deze auteurs is onwetendheid over de participatiemogelijkheden een reden waarom men niet participeert. Er zijn ook onderzoeken die aangeven dat mensen zich niet geschikt achten voor inwonerparticipatie. Volgens Callahan (2007, p. 1180) hebben burgers niet de kennis en persoonlijke motivatie om te participeren. Lowndes et al. (2001, p. 453) schrijven dat respondenten vaak zeiden dat participatie niks voor hen is. Sommige respondenten vinden dat participatie iets is voor specifieke mensen waar ze zichzelf niet onder scharen (Lowndes et al., 2001, p. 453). Turnhout et al. (2010, p. 5) schrijven dat bij participatiebijeenkomsten de deelnemers vaak ook vaardigheden nodig hebben om mee te doen. Deelnemers moeten bijvoorbeeld duidelijk hun mening kunnen uiteenzetten (Turnhout et al., 2010, p. 5). Het onderzoek van Turnhout et al. (2010, p. 5) wijst uit dat inwoners zonder geschikte participatievaardigheden afhaken vanwege de technische en wetenschappelijke discoursen in sommige participatiebijeenkomsten. Ook Jäntti en Kurkela (2021, p. 32) ondervinden bij veel universitair studenten de houding dat zij zich niet competent genoeg achten om te participeren.

Callahan (2007), Jäntti en Kurkela (2021), Lowndes et al. (2001) en Turnhout et al. (2010) geven dus meer de geschiktheid voor participatie aan als reden om niet te participeren. Omdat Jäntti en Kurkela (2021, pp. 36-37) schrijven dat gemeenten vrijwel alleen kunnen sturen op instrumenteel-procesmatige factoren, vallen meerdere redenen om niet te participeren weg voor dit onderzoek. Het zijn wellicht wel geldige redenen, maar niet passend bij dit onderzoek om de onderzoeksvraag te beantwoorden, aangezien dit onderzoek kijkt naar wat gemeenten wel kunnen doen. Daarom zal dit onderzoek vooral focussen op de instrumenteel-procesmatige factoren. Dat inwoners het gevoel hebben dat er niks met hun inbreng gedaan wordt, valt binnen de definitie van een persoonlijke factor. Dit geldt ook voor de redenen dat inwoners een onderwerp niet interessant vinden en dat inwoners zich niet geschikt achten voor participatie. Deze redenen om niet te participeren vallen dus af voor dit onderzoek. Het negatieve beeld dat inwoners over de politiek hebben, is te definiëren als een maatschappelijke factor. Ook deze valt af. De onwetendheid over de participatiemogelijkheden is de enige instrumenteel-procesmatige factor. Deze reden uit deze paragraaf wordt daarom als enige meegenomen in de volgende paragraaf.

2.3.

Hoe inwoners wel bereid te krijgen zijn

Deze paragraaf kijkt naar hoe de niet-participanten wel over te halen zijn om deel te nemen aan inwonerparticipatie. Deze paragraaf sluit dan aan op paragraaf 2.1, omdat deze paragraaf de daar gevonden niet-participanten hier toepast op wanneer ze wel willen participeren. Verder gaat deze paragraaf onder andere in op de gevonden reden in paragraaf 2.2 waarom die niet-participanten niet willen participeren. Zoals beschreven in paragraaf 2.2. kijkt deze paragraaf naar de instrumenteelprocesmatige factoren als beschreven in het onderzoek van Jäntti en Kurkela (2021, pp. 31-33), omdat gemeenten hier wél invloed op hebben. 10

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde Agger (2012) heeft in Denemarken onderzoek gedaan naar hoe gemeenten mensen kunnen betrekken bij inwonerparticipatie. Agger (2012, p. 41) komt in dat onderzoek tot de conclusie dat voor een inclusief participatieproces de gemeente een op maat gemaakt participatieplan moet hebben. Dit op maat gemaakte participatieplan bestaat dan uit meerdere manieren hoe verschillende groepen mensen benaderd moeten worden (Agger, 2012, p. 41). Agger (2012, p. 42) heeft geen onderzoek gedaan naar hoe niet-participanten wel te bereiken zijn. Wel beweert Agger (2012, p. 41) dat het gebruik van sociale media en het internet potentiële oplossingen zijn om die groepen wel te laten participeren. Agger (2012) zelf heeft die twee potentiële oplossingen niet onderzocht. Ook Jäntti en Kurkela (2021) zien potentie in digitale participatievormen. Om zo veel mogelijk mensen deel te laten nemen aan inwonerparticipatie, zouden de participatie-invullingen zo eenvoudig mogelijk moeten zijn (Jäntti & Kurkela, 2021, pp. 37-39). Hiermee bedoelen Jäntti en Kurkela (2021, pp. 37-39) schrijven dat participatiemethoden easy-to-access en easy-to-use moeten zijn. Participatiemethoden die easy-to-use zijn zouden volgens Jäntti en Kurkela (2021, p. 34) vooral voor voormalige passieve inwoners en jongeren de drempel tot participeren verlagen.

Een voorbeeld van easy-to-use is het gebruik van internetplatforms, ofwel de digitale participatie (Jäntti & Kurkela, 2021, p. 34). Ook Holum (2022, p. 922) schrijft dat het gebruik van digitale participatie een verbetering zou kunnen zijn om wie dan ook te betrekken bij inwonerparticipatie. Eerder constateerde Holum (2022, p. 922) dat gemeenten niet genoeg hun best doen om inwoners te bereiken. Met de constatering dat slechts veertien procent van de ondervraagde gemeenten digitale vormen van participatie gebruikt, ligt hier een potentieel op het bereiken van meer mensen (Holum, 2022, p. 922). Van den Berg et al. (2020) nuanceren het beeld dat digitale participatie jonge mensen eerder betrekt bij participatie. Van den Berg et al. (2020) hebben onderzoek gedaan naar de inclusiviteit van digitale participatie. Van den Berg et al. (2020, p. 991) hebben in dat onderzoek naar de variabelen ‘geslacht’ en ‘leeftijd’ gekeken. Zij kwamen erachter dat digitale participatie inclusief is op basis van geslacht (van den Berg et al., 2020, p. 998). Bij de variabele ‘leeftijd’ is te zien dat de mate van participatie stijgt naarmate iemand ouder wordt (van den Berg et al., 2020, p. 998). Deze stijging stopt rondom de 65-jarige leeftijd (van den Berg et al., 2020, p. 997). Niet per se jongeren nemen dus meer deel aan digitale participatie. Volgens Van den Berg et al. (2020, pp.

996-998) is de manier van communiceren in een uitnodiging bepalend voor de deelname van welk type publiek. Met het goed gebruiken van het instrument kunnen gemeenten participatie inclusiever maken doordat ze ondervertegenwoordigde groepen kunnen bereiken (van den Berg et al., 2020, p. 997). In het kader van communiceren in een uitnodiging en participatie die easy-to-access en easy-touse zijn, hebben Falanga en Ferrão (2021, p. 9) een aanbeveling om de drempel om te participeren bij laagopgeleide mensen weg te halen. Hierbij hebben Falanga en Ferrão (2021) onderzoek gedaan naar participatie op lokaal en nationaal niveau. Falanga en Ferrão (2021, p. 9) schrijven dat gemeenten de drempel kunnen verlagen door eenvoudige taal te gebruiken. Hierdoor is de participatie ook voor 11

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde laagopgeleide mensen te begrijpen. Falanga en Ferrão (2021, p. 9) adviseren dus dat gemeenten de participatie

middels

taalgebruik

zo

toegankelijk

mogelijk

kunnen

maken

om

de

ondervertegenwoordigde groepen te laten participeren. Anders dan dat Jäntti en Kurkela (2021) beweren, beweren Barrett en Brunton-Smith (2014, p. 23) dat een vorm van een persoonlijke factor wel te beïnvloeden is als overheid. Het onderzoek van Barrett en Brunton-Smith (2014, p. 23) wijst uit dat politieke interesse op te wekken is voor mensen. Deze politieke interesse leidt ertoe dat mensen eerder geneigd zijn om te participeren (Barrett & Brunton-Smith, 2014, p. 23). Als voorbeeld geven Barrett en Brunton-Smith (2014, p. 23) dat voor jongeren scholen programma’s kunnen implementeren die de ervoor zorgen dat jongeren interesse in de politiek en het maatschappelijke krijgen.

2.4.

Synthese

De drie paragrafen laten zien dat onderzoeken verschillende inzichten geven die soms tegen elkaar ingaan. Daarom is een synthese nodig om richting te geven aan het onderzoek. Deze paragraaf weergeeft de synthese. Deze synthese is geschreven op basis van de drie paragrafen en verbindt de drie paragrafen met elkaar. Jongeren zijn door Amnå en Ekman (2014), Jäntti en Kurkela (2021), Jeroense en Spierings (2022) en Michels (2012) erkend als ondervertegenwoordigde groepen. Die jongeren zouden door het gebruik van internet en digitale participatie eerder deelnemen aan inwonerparticipatie (Agger, 2012, p. 4; Holum, 2022, p. 992; Jäntti & Kurkela, 2021, p. 34). Barrett en Brunton-Smith (2014, p. 23) beweren dat het opwekken van politieke interesse de participatiegraad zal verhogen. Door extra lesprogramma’s op scholen in te voeren, kunnen jongeren meer geïnteresseerd raken in politiek en zullen daardoor eerder participeren (Barrett & Brunton-Smith, 2014, p. 24). Gesynthetiseerd in dit onderzoek stelt de literatuur dus twee manieren voor om de ondervertegenwoordigde groep “jongeren” meer te laten deelnemen aan inwonerparticipatie. Laagopgeleide mensen zijn door de onderzoeken van García-Espín (2025), García-Espín en LanchaHernández (2025), Jeroense en Spierings (2022), Kern en Hooghe (2018) en Sharp (1984) bevonden als ondervertegenwoordigde groepen bij inwonerparticipatie.

Het eenvoudiger maken van de participatie zou voor hen het participeren toegankelijker maken (Falanga & Ferrão, 2021, p. 9; Jäntti & Kurkela, 2021, pp. 37-38). De onderzoeken van Holum (2022), Jäntti en Kurkela (2021) en Lowndes et al. (2001) geven aan dat er veel onwetendheid bij inwoners is over de mogelijkheid om te participeren, wat als reden geldt dat inwoners niet participeren. De onderzoeken koppelen er gezamenlijk niet specifiek een doelgroep aan vast. Alleen het onderzoek van Jäntti en Kurkela (2021, p. 34) geeft aan dat de onwetendheid speelt bij een ondervertegenwoordigde doelgroep, namelijk de jongeren. Gemeenten zouden hierop in kunnen spelen door meer aan de informatievoorziening te doen. Gemeenten moeten 12

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde dan beter kenbaar maken dat participatie mogelijk. Volgens Van der Berg et al. (2020, pp. 996-998) bepaalt de manier van communiceren welk type persoon op komt dagen.

3. Het methodologisch kader Nu vanuit de literatuur duidelijk is wat al over het onderwerp bekend is, kan dit onderzoek die kennis gebruiken voor de dataverzameling, teneinde die te analyseren om de onderzoekvraag te beantwoorden. De dataverzameling bestaat in dit onderzoek uit het houden van interviews. Interviews zijn volgens Bleijenbergh et al. (2023, p. 5) een methode om kennis over een sociaal fenomeen te genereren. Dit gebeurt door verzameld materiaal te interpreteren en in tekst om te zetten (Bleijenbergh et al., 2023, p. 5). In dit onderzoek is het sociaal fenomeen de manieren hoe gemeenten ondervertegenwoordigde groepen mensen wel kunnen betrekken bij inwonerparticipatie. De interviews zijn in de vorm van eenop-eengesprekken, waarbij de onderzoeker vragen stelt aan de geïnterviewden om de geïnterviewden te begrijpen (Gray, 2018, p. 378). De inzichten van de geïnterviewden worden geanalyseerd en gesynthetiseerd, waarbij de synthese het antwoord op de onderzoeksvraag zal zijn. De interviews in dit onderzoek zijn semigestructureerd. Bleijenbergh et al. (2023, p. 55) schrijven dat het voordeel van semigestructureerde interviews is dat geïnterviewden open hun eigen antwoorden op de vragen kunnen geven, ondanks dat er enige houvast in het interview zit. Het houvast komt de betrouwbaarheid van de datacollectie ten goede volgens Bleijenbergh et al. (2023, p. 56).

Gray (2018, p. 379) geeft aan dat interviews de favoriete onderzoeksmethodes zijn voor onderzoeksvragen die doelen op meningen, ervaringen, waarden en mentaliteiten. Dit komt doordat geïnterviewden uitgebreid hun antwoord kunnen geven en zich daar in een gesprek meer geneigd toe voelen dan op papier (Gray, 2018, p. 379). De antwoorden van de participanten op de vraag door hoe gemeenten ondervertegenwoordigde groepen wel kunnen laten participeren, zijn op ervaringen gebaseerd. Verder schrijven Gray (2018, p. 378) en Van Thiel (2014, p. 93) dat middels semigestructureerde interviews een onderzoeker diepgaande antwoorden kan krijgen van een geïnterviewde, omdat de onderzoeker ter verduidelijking vervolgvragen kan stellen. In het geval van dit onderzoek kan de interviewer doorvragen over waarom iets werkt om moeilijk te bereiken groepen te betrekken bij participatie. Dit doorvragen zorgt ervoor dat de onderzoeker het mechanisme in een participatie-instrument beter kan begrijpen, wat helpt om een ontwerpvraag als deze onderzoekvraag op strategisch niveau te beantwoorden. Omdat geïnterviewden diepgaande antwoorden over hun ervaringen kunnen delen zonder ver van het onderwerp af te wijken, is deze methode geschikt om de onderzoeksvraag te beantwoorden.

3.1.

De operationalisatie

Dit onderzoek heeft een inductieve inslag omdat er in de wetenschappelijke literatuur op strategisch niveau nog beperkt onderzoek is gedaan naar hoe overheden niet-participanten kunnen laten participeren. In het theoretisch kader van dit onderzoek staan wel enkele concrete voorbeelden, maar 13

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde veel onderzoek op strategisch niveau is er nog niet. De inductieve inslag betekent dat vanuit de empirie theorieën gemaakt worden in plaats van door het toetsen van bestaande theorieën (Bleijenbergh et al., 2023, p. 31). Inductief onderzoek heeft geen operationalisatie, omdat de onderzoeker zo open mogelijk de interviews wil houden (Bleijenbergh et al., 2023, p. 33). Wel schrijven Bleijenbergh et al. (2023, p. 33) dat onderzoekers bij inductief onder richting nodig hebben voor de dataverzameling. Derhalve worden de theorieën uit het theoretisch kader wel meegenomen in het onderzoek. Dit gebeurt via sensitizing concepts (Bleijenbergh et al., 2023, p. 33). Bowen (2006, p. 14) schrijft dat sensitizing concepts concepten zijn die richting geven aan een onderzoek doordat ze belangrijke aspecten van een sociaal fenomeen weergeven. Ze schrijven dus geen harde theorieën of hypothesen voor, maar geven een onderzoeker een denkrichting mee om het antwoord op de onderzoeksvraag te vinden (Bowen, 2006, pp. 13-14). Volgens Bleijenbergh et al. (2023, p. 33) volgen sensitizing concepts uit het theoretisch kader van het onderzoek zelf, omdat daar verschillende theorieën staan die op de onderzoeksvraag ingaan en dus richting kunnen geven. De sensitizing concepts in dit onderzoek zijn gebaseerd op de synthese in het theoretisch kader.

Voor dit onderzoek zijn de sensitizing concepts de volgende: ‘sociale media’, ‘digitaal’, ‘laagdrempelig’, ‘eenvoud’ en ‘politieke interesse’. De keuze voor deze sensitizing concepts is omdat in de synthese in het theoretisch kader uitwijst dat jongeren beter te bereiken zijn via sociale media en dat er voor laagopgeleide mensen laagdrempelige participatie moet zijn. Ook zou politieke interesse opgewekt kunnen worden onder jongeren. De sensitizing concepts zijn verwerkt in enkele vragen voor het interview en in het achterhoofd gehouden tijdens de data-analyse.

3.2.

De dataverzameling

Dit onderzoek heeft als casusselectie de gemeente Nijmegen. De gemeente Nijmegen een grote organisatie is en heeft daardoor veel personeel die met participatie bezig zijn. Daarnaast heeft de gemeente Nijmegen, zoals in de inleiding aangegeven, de ambitie om een inclusiever participatiebeleid te krijgen. De semigestructureerde interviews zijn gehouden met tien ambtenaren die voor hun werk veel met inwonerparticipatie te maken hebben. Een ambtenaar is sinds twee jaar gepensioneerd, maar heeft gedurende zijn carrière wel veel met participatie te maken gehad. Qua aantal valt dit onderzoek binnen de richtlijnen voor een goede dataverzameling (Dworkin, 2012, p. 1319). Tijdens hun werk proberen de ambtenaren zoveel mogelijk mensen te bereiken bij het uitvoeren van participatie. Zij kunnen weten wat de handigheden zijn om zoveel mogelijk mensen te betrekken. Ambtenaren hebben allen een andere functie en werken op verschillende afdelingen. Dit onderzoek kan de kennis van ambtenaren van de verschillende afdelingen van de grote organisatie samenbrengen zodat de respondenten vanuit meerdere perspectieven ervaringen kunnen delen. Ofwel, dit geeft een breder beeld op participatie om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden. De interviews duren dertig tot vijftig minuten en zijn in de vorm van een-op-eengesprekken. In bijlage 1 is de interviewguide te zien.

De vragen in de interviewguide zijn deels gebaseerd op de 14

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde sensitizing concepts. De onderzoeker geeft de geïnterviewden veel ruimte om te antwoorden, zodat de geïnterviewden hun eigen opvattingen en perspectieven kunnen vertellen en zich niet laten leiden door de onderzoeker (Edwards & Holland, 2013, p. 30). Uiteindelijk resulteert dit in twee typen verzamelde data: de audio-opnames van de interviews en de transcripten van de interviews. De twee typen data zijn vanwege privacyoverwegingen niet openbaar. De begeleidend docent kan wel de geanonimiseerde transcripten lezen. Het datamanagementplan beschrijft hoe dit onderzoek zorgvuldig met de dataverzameling omgaat.

3.3.

De data-analyse

De data-analyse is in de vorm van het coderen van interviewtranscripten. Dit gebeurt met het programma ATLAS.ti. Van Thiel (2014, p. 143) schrijft dat onderzoekers kwalitatieve data analyseren door de data middels coderen te verkleinen in kleine gegevenseenheden om vervolgens de codes met elkaar te vergelijken. Bleijenbergh et al. (2023, p. 78) schrijven dat inductief coderen uit drie fases bestaat: het open, axiaal en selectief coderen. Onderzoekers bedenken de codes op basis van de data (Bleijenbergh et al., 2023, p. 78; van Thiel, 2014, p. 142). Hierdoor toetsten onderzoekers bij inductief coderen niet de theorieën uit het theoretisch kader maar halen juist op wat de respondenten ervaren en maken daar theorieën van. Het maken van een theorie doet een onderzoeker door vanuit de vele codes, die gebaseerd zijn op de empirie, verbanden te leggen tussen die codes (Bleijenbergh et al., 2023, p. 79). Aangezien bij dit onderzoek nog weinig informatie bekend is over hoe gemeenten inwoners bij inwonerparticipatie kunnen betrekken en omdat de onderzoeker de ervaringen van de respondenten wil horen, is inductief coderen geschikt. Tijdens het open coderen leest een onderzoeker een interviewtranscript en geeft aan relevant geachte stukken tekst een code (Bleijenbergh et al., 2023, p. 78; van Thiel, 2014, p. 142). Deze teksten zijn in dit onderzoek zo’n een woord tot een zin lang.

De code beschrijft in enkele woorden de inhoud van het stuk tekst. De relevantie van een stuk tekst is gebaseerd op wat de onderzoeker relevant acht en de sensitizing concepts. Het axiaal coderen komt na het open coderen. Volgens Van Thiel (2014, p. 147) is axiaal coderen het zoeken naar gemeenschappelijke thema’s tussen de open codes. Dit maakt de analyse beknopter (van Thiel, 2017, p. 147). Twee of meerdere open codes met een gemeenschappelijk thema vallen dan onder een axiale code totdat alle open codes onder een axiale code vallen. Dan begint het selectief coderen. Bleijenbergh et al. (2023, p. 79) schrijven onderzoekers dat bij selectief coderen naar verbanden tussen de axiale codes zoeken om vervolgens die verbanden te coderen. Onderzoekers kunnen door deze selectieve codes patronen in een sociaal fenomeen en de relaties tussen de verschillende concepten van het onderzoek zien (Bleijenbergh et al., 2023, p. 79). Volgens Bleijenbergh et al. (2023, p. 79) zijn de relaties tussen de verschillende concepten het antwoord op de onderzoeksvraag. In het geval van dit onderzoek geven deze relaties de manieren waarop de overheid ondervertegenwoordigde niet-participanten bereid kan krijgen om deel te nemen aan inwonerparticipatie weer. 15

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde

3.4.

De beperkingen

Dit onderzoek heeft ook een aantal beperkingen. In dit onderzoek zijn die gedefinieerd aan de hand van kwaliteitscriteria voor inductief, kwalitatief onderzoek. Bleijenbergh et al. (2021, pp. 89-90) schrijven dat voor kwalitatief onderzoek de interne validiteit en de constructvaliditeit relevante kwaliteitscriteria zijn. De interne validiteit heeft als betekenis of onderzoekers daadwerkelijk causale verbanden vinden (Bleijenbergh et al., 2023, p. 89). In dit onderzoek spreekt de onderzoeker niet met inwoners zelf over wanneer ze wel bereid zijn te participeren. Dat is beperkend voor de interne validiteit. In principe kunnen alleen de inwoners vertellen hoe ze bereid te krijgen tot deelname aan inwonerparticipatie. Wel hebben de ambtenaren veel ervaring met participatie en ze staan in direct contact met inwoners. De beambten weten ook wel welke participatie-instrumenten meer mensen laten participeren. Constructvaliditeit stelt de vraag of een onderzoeker meet wat diegene wilde meten met het onderzoek (Bleijenbergh et al., 2023, p. 89). Doordat dit onderzoek beambten gebruikt als geïnterviewden en niet een tiental niet-participanten wordt veel bias weggenomen. Inwoners zeggen waarschijnlijk alleen namens zichzelf wanneer ze wel willen participeren. De beambten hebben een generieker beeld van wat werkt om inwoners te betrekken.

Wel is er het risico dat zij de nietparticipanten die nooit zullen participeren ook niet kunnen bereiken, waardoor dit onderzoek toch een groep mensen mist. Door met veel inwoners te spreken, kan vervolgonderzoek het verhaal van de nietparticiperende inwoners aanhoren en daar onderzoek naar doen. Hierdoor kunnen inwoners zelf zeggen wanneer ze wel bereid zijn om te gaan participeren. Dit vraagt wel een groot en uitgebreid onderzoek, wat binnen dit onderzoek praktisch gezien niet mogelijk was. Verder schrijven Bleijenbergh et al. (2023, p. 89) dat bij inductief onderzoek onderzoekers ook op zichzelf moeten reflecteren. In dit onderzoek gebeurt dat door het bijhouden van memo’s. In memo’s staan de gemaakte keuzes en gedachten van een onderzoeker. Verder geven Nair et al. (2023, p. 168) aan dat bij gevalsonderzoeken ook de externe validiteit relevant is. Bij gevalsonderzoeken gaat het er niet om dat het onderzoek statistisch maar theoretisch te generaliseren is (Nair et al., 2023, pp. 168-169). Theoretische generaliseerbaarheid is het generaliseren van de empirie naar een theorie in plaats van naar een andere populatie (Nair et al., 2023, p. 169). In het geval van dit onderzoek kan de onderzoeker de empirie omzetten naar een theorie, dus de externe validiteit is goed.

Voor vervolgonderzoek zouden onderzoekers met een meervoudig gevalsonderzoek aan kunnen tonen of in andere gemeenten de theoretische uitkomsten van dit onderzoeken ook gelden (Smaling, 2009, p. 8).

4. Resultaten Dit hoofdstuk weergeeft de resultaten volgend uit de data-analyse. Er zijn 71 verschillende open codes gevonden. Deze codes tezamen zijn gekoppeld aan 278 relevant geachte stukken tekst. De 71 open codes 16

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde zijn teruggebracht tot dertien axiale codes. Deze dertien axiale codes zijn op basis van hun thema gecodeerd tot vier selectieve codes. Deze vier selectieve codes, ook wel concepten, tezamen zijn het antwoord op de onderzoeksvraag. Derhalve bespreekt dit hoofdstuk de resultaten op basis van de vier selectieve codes. De inductieve codeboom staat in bijlage 2 in tabel 1.

4.1.

Inwoners bedienen

“Inwoners bedienen” is het eerste concept. Dit concept heeft binnen dit onderzoek de interpretatie dat ambtenaren de inwoners moeten bedienen, het naar wens moeten maken van de inwoners. Het punt is dat ambtenaren met participatie wat vragen van hun inwoners, zoals tijd en energie. Door inwoners te bedienen, beperken beambten hoeveel moeite de inwoners in de participatie moeten steken. Dit concept bestaat vanuit de analyse uit vier thema’s. Deze thema’s staan hieronder uitgewerkt, ter verduidelijking van de inhoud van dit concept. Het thema dat het meest voorkomt is “naar de mensen gaan.” Dit heeft als betekenis dat ambtenaren naar de plekken moeten gaan waar inwoners zich bevinden. Dit kan volgens de respondenten 2, 3, 4, 5, 6, en 7 door aan de deur aan te bellen bij inwoners om vervolgens het gesprek aan te gaan. Volgens de respondenten 2, 3, 7, 8 en 9 zullen ambtenaren naar plekken moeten gaan waar inwoners samenkomen of activiteiten hebben. “Zoek ze op in een wijkcentrum of ga naar de sportverenigingen waar ze komen en spreek mensen daar gewoon aan” (respondent 7). Zorg er dus vooral niet voor dat inwoners naar het gemeentehuis moeten komen, anders is volgens respondent 7 wel te raden wie er opdagen. Het tweede thema is “dienstbaarheid richting inwoners”. Dit heeft vooral te maken met hoe beambten zich dienen te gedragen richting inwoners.

De respondenten 2, 4, 5 en 7 geven vooral aan dat beambten zich moeten aanpassen aan het contact van de inwoners. Respondent 4 geeft hierover aan dat ambtenaren duidelijk moeten vragen hoe en wanneer inwoners als doelgroep willen participeren. Respondenten 5 en 7 geven aan dat ambtenaren zich moeten aanpassen aan de leefwereld van de inwoners. Respondent 5 geeft hierbij aan dat de inhoud van de avond moet aansluiten bij de doelgroep, dus in bepaalde wijken zullen beambten een klaverjasavond moeten organiseren om met mensen in gesprek te komen. Voorbeelden van hoe ambtenaren zich moeten gedragen gaat over eerlijk (respondenten 4 en 5) en duidelijk zijn (respondenten 2, 4, 5 en 6). Maar het gaat ook over meebewegen met de inwoners (respondent 5) en hen het gevoel geven dat hun inbreng ertoe doet (respondenten 2 en 9). Luister naar de mensen (respondent 6) en kweek vertrouwen bij de inwoners (respondenten 4, 5, 6, 8 en 10). “Maar voor mij is er gewoon één ding wat super superbelangrijk is en dat is echt vertrouwen creëren” (respondent 10). Ook het gebruik van digitale vormen van participatie valt onder dit thema. Hierdoor hoeven inwoners niet veel moeite te doen om toch te kunnen participeren. Op die manier is het een dienst richting inwoners toe. De respondenten geven niet een eenduidig beeld wie het best te bereiken zijn. 17

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde Het derde thema is “tegemoetkomen aan inwoners”. Dit gaat over het wegnemen van risico’s en onzekerheden (respondent 6) maar ook over financiële tegemoetkomingen voor de deelnemers (respondent 1) en het oplossen van andere zaken die spelen in een wijk (respondenten 4 en 9). Het wegnemen van risico’s en onzekerheden zorgt ervoor dat inwoners duidelijkheid krijgen en daardoor beter weten waar ze aan toe zijn. Deze duidelijkheid zou volgens respondent 6 tot hogere participatie leiden. De hogere tegemoetkoming zou volgens respondent 1 ervoor zorgen dat meer mensen willen participeren, omdat ze er dan geld aan verdienen. Dit gaat meer over institutionele vormen van participatie. Het oplossen van andere zaken zorgt ervoor dat inwoners vertrouwen krijgen in de gemeente en daardoor een andere houding aannemen tegenover de gemeente (respondenten 4 en 9). En heel veel klachten worden vaak ook niet herkend als klacht, dus ook niet opgepakt als klacht. Dus je ziet dat best wel veel burgers, ja op een gegeven moment het dan maar laten zitten, afhaken en dan lijkt het net zo van nou, we hebben niet zoveel klachten, het valt allemaal wel mee. Maar die burgers die afhaken die gaan uiteindelijk ook niet meer participeren. Die denken: laat maar. (Respondent 9) “Gebruik meerdere vormen van uitnodigen” is het vierde thema.

Dit geeft vooral aan dat door inwoners op meerdere manieren te informeren de kans groter is dat inwoners de uitnodiging meekrijgen (respondenten 6 en 7). “(…) een waaier aan communicatie, zeg maar (…) niet op een paard gaan wedden (…)” (respondent 6). Gemeenten bedienen de inwoners dan met de uitnodigingen, zodat inwoners er zelf niet achteraan hoeven te gaan. Ook dit is een soort van service voor inwoners en helpt om ze te betrekken.

4.2.

Een-op-eencontact met inwoners

Het tweede concept is “een-op-eencontact met inwoners”. Hier gaat het er vooral om dat inwoners in gesprek kunnen met ambtenaren. Hiervoor kunnen gemeenten verschillende creatieve vormen voor gebruiken. Het gaat erom dat inwoners een gezicht zien. Dit concept heeft twee onderliggende thema’s. Deze zijn in de volgende alinea’s uitgewerkt ter toelichting op het concept. Het eerste thema is “mensen aanspreken’. Het gaat hier volgens de respondenten 2, 4, 7, 8, 9 en 10 om het hebben van persoonlijk contact. Respondenten 4, 5, 7 en 9 voegen daar het in gesprek gaan met mensen eraan toe. Ofwel, ambtenaren houden gesprekken met inwoners om te weten wat ze vinden en willen. “Nou ja, om ze gewoon aan te spreken, te zeggen van ‘goh, zou er misschien iets zijn (…) in je straat of in je wijk wat je zelf zou willen of kunnen doen of heb je een idee?” (respondent 7). Respondenten 2 en 3 zeggen dat ambtenaren direct contact moeten hebben. Dit ligt ook dicht bij persoonlijk contact en het gesprek aangaan. Dit thema komt enigszins overeen met het langs de deuren gaan bij het vorige concept. Bij dit concept gaat het er ook om dat beambten de wijken ingaan. 18

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde Het tweede thema is “creatieve vormen om in gesprek te gaan’. Dit kan volgens respondenten 2, 3 en 5 door met een koffiekar in de wijk te gaan staan en dan mensen aan te spreken. Ook kunnen gemeenten zelf een activiteit organiseren (respondent 5) of aanhaken op een ander evenement dat in een wijk plaatsvindt (respondenten 6 en 7). Via deze manieren ontstaat een-op-eencontact met inwoners. Bij het zelf organiseren van een activiteit gaat het erom dat die in de wijk zelf plaatsvindt, zodat inwoners alleen de straat op hoeven te lopen om in gesprek te gaan. Dit sluit ook aan bij het vorige concept “inwoners bedienen”, aangezien ambtenaren nu ook naar de inwoners toe gaan, waardoor inwoners minder moeite hoeven te doen. We huren vanuit de gemeente een koffiekar. We zorgen voor goede koffie. Ik zorg dat er wat mensen zijn van onze samenwerkingspartij, dus de mensen van Portaal die alle huizen verhuren, van Bindkracht en we nodigen de mensen uit via een flyer dat we met ze in gesprek willen over een thema. En dan komen ze wel, omdat het laagdrempelig is, ze zien een kopje koffie, ze zien de buurman komen, ze zien die andere buurman komen en denkt [sic]: “oh, nieuwsgierig, wat is er aan de hand?” (Respondent 5)

4.3.

Gebruik externe ambassadeurs met positief imago

“Gebruik externe ambassadeurs met een positief imago” is het derde concept. Bij dit concept gaat het erom dat succesverhalen doorverteld worden als het maar niet door de gemeente is. Het gaat er juist om dat andere mensen de succesverhalen doorvertellen. Het eerste thema is “gebruik inwoners als ambassadeurs”. Het belangrijkste punt hierin is dat gemeenten dat niet doen maar inwoners zelf (respondenten 4, 6 en 7). Inwoners geloven buurtgenoten meer dan gemeenten (respondent 6). Daarnaast bereiken ze veel beter buurtgenoten dan dat gemeenten dat kunnen (respondenten 4, 6, 7 en 8). Uiteindelijk haken meer mensen aan bij participatie als zij positieve verhalen van buurtbewoners horen (respondent 4). (…) lokale mensen uit de wijken die de wijk echt goed kennen. Die kunnen veel beter mensen uit hun eigen wijk bereiken dan een nou ja, maakt niet uit of het nou overheid is of een bedrijf of wat dan ook. Je merkt gewoon dat dat beter werkt. (Respondent 6) Een andere manier is het gebruiken van sleutelfiguren binnen bepaalde inwonergroepen (respondenten 8 en 9). Over de sleutelfiguurbenadering binnen migrantengroepen zegt respondent 8 het volgende:

19

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde Dat is eigenlijk de eerste vorm van netwerk die je kan hebben, want dan heb je een aantal mensen die standing die positie hebben binnen een samenleving en je zorgt ervoor dat je die leert kennen. Want als je op een gegeven moment een aantal mensen uit de Syrische gemeenschap herkent, heb je iemand om te benaderen en kan je ervoor zorgen dat die mensen ook goed een boodschap aan hun eigen netwerk kunnen geven. (Respondent 8) Deze sleutelfiguurpersonen hebben dus een goed netwerk binnen bepaalde groepen en zij kunnen contact leggen met medemensen van hun groep. Gemeenten kunnen hiervan gebruikmaken om met meer mensen uit ondervertegenwoordigde groepen in contact te komen. Om zo’n sleutelfiguur te vinden, moet een ambtenaar wel een het gevoel ervoor hebben (respondent 8). Het tweede thema is “gebruik andere organisaties”. Sommige organisaties hebben een beter imago dan een gemeente en weten wel contact met inwoners te krijgen (respondenten 5, 6, 7 en 8). “Dus maak het voor de mensen makkelijk en laagdrempelig dat het niet iets is van de gemeente, want daar hebben ze vaak niet zoveel mee” (respondent 5). Respondent 5 geeft hierbij als voorbeeld van een externe organisatie een sportclub of een gezondheidscentrum. Ook kunnen er volgens respondent 1 organisaties

als

belangenverenigingen

mensen

uit

ondervertegenwoordigde

groepen

vertegenwoordigen, zodat gemeenten hun inbreng voor beleid horen. Het derde thema is “participatie vanuit inwoners”. Draagvlak voor een initiatief ligt daar wanneer het initiatief vanuit inwoners zelf komt (respondent 6). Gemeenten kunnen deze initiatieven wel aanwakkeren, als de inwoners er maar zelf eigenaarschap over hebben (respondent 6). Een ander voorbeeld van participatie vanuit inwoners is het hebben van zelforganisaties door inwoners. Zelforganisatie is, goede vraag trouwens, daar verstaan we onder dat een bepaalde gemeenschap initiatief neemt om zichzelf te organiseren, zodat ze in ieder geval een plek hebben om elkaar te ontmoeten, dus voor sociale activiteiten. Soms heeft het ook een voordeel omdat ze naar buiten kunnen treden, dus een stukje belangenbehartiging kunnen verzorgen. (Respondent 8) Deze zelforganisaties zijn volgens respondent 8 belangrijk omdat Nederland dusdanig georganiseerd is dat inwoners ook georganiseerd moeten zijn om invloed te kunnen hebben. Algemeen beleid kan niet elk individu tegemoet treden, waardoor beleidsvorming twintig procent van de mensen niet goed meeneemt (respondent 8). Respondent 8 zegt dat een gemeente niet ieder individu van die twintig procent kan spreken, waardoor die zelforganisaties die individuen kunnen vertegenwoordigen.

Daarnaast is het een goede ingang om met die ondervertegenwoordigde groepen in contact te komen; de eerste contactgegevens zijn er al (respondent 8). Gemeenten kunnen deze zelforganisaties middels subsidies faciliteren (respondent 8). 20

Cas Revenberg, s1084582 Masterthesis Bestuurskunde

4.4.

Laagdrempelig informeren en participeren

Het laatste concept is “laagdrempelig informeren”. Hier gaat het vooral om dat het makkelijk en duidelijk moet zijn om te participeren en dat gemeenten inwoners laagdrempelig en duidelijk informeren over participatie. Gemeenten moeten mensen dus niet met moeilijke ambtelijke taal informeren en de participatie moet ook eenvoudig zijn. Ook dit concept bestaat uit vier thema’s die hieronder staan geïllustreerd ter verduidelijking van dit concept. Het eerste thema is “concretiseren plannen”. Dit betekent dat de plannen waarvan gemeenten willen dat inwoners over participeren dat ze concreet zijn en aansluiten op de leefwereld van de inwoners (respondent 2). “Daar willen mensen wel over participeren, weet je wel. Dan gaat het heel direct om een concrete verandering in die leefomgeving en daar is de betrokkenheid veel makkelijker op te organiseren” (respondent 3). Een plan en de participatie vinden dan op straatniveau plaats, want dat heeft de meeste impact en het sluit het dichtst aan bij de leefwereld van mensen (respondent 5). Ook voelen inwoners zich meer aangesproken en het is aantrekkelijker om deel te nemen (respondent 6). Het tweede thema is “digitale participatie”. Dit gaat om het digitaal informeren van inwoners en het invullen van vragenlijsten. Zo gebruikt de gemeente Nijmegen volgens respondent 1 LinkedIn om een meer diverse adviescommissie te krijgen.

De gemeente gebruikt LinkedIn dan als communicatiekanaal. Ook gebruikt de gemeente Nijmegen soms digitale enquêtes (respondent 3). Het derde thema is “analoog informeren”. Dit is de bekendheid van een participatiemogelijkheid vergroten door middel van analoge manieren van informeren. De respondenten 1, 5 en 6 zeggen bijvoorbeeld dat flyeren werkt. Ook het plaatsen van een artikel in de lokale krant is een gebruikte methode (respondenten 1 en 7). Een ander voorbeeld is een brief aan huis. De respondenten 2 en 3 zeggen dat die manier wel aardig werkt. De respondenten 4 en 7 ontkennen dat en zeggen dat het versturen van huis-aan-huisbrieven niet per se werkt om meer mensen te laten participeren. Maar ook dat ik dan inderdaad wel zeg: “ja, een brief in deze wijk gaat gewoon niet werken, want sommige mensen zijn ook wel bang als ze een brief van de gemeente zien, dan durven ze hem niet te lezen of dan ja leggen ze hem gewoon weg”. Of ze denken: “het heeft toch niks met mij te maken.” (Respondent 7) Het laatste thema is “taal uitnodigingen”. Dit gaat over wat er in de uitnodiging voor participatie staat. Belangrijk hierin is de schrijfstijl (respondent 7) maar ook het taalgebruik dient laagdrempelig te zijn (respondenten 3, 6, 7 en 9). “Van hoe doen we dat zo goed mogelijk in B1? Hoe zorgen we ook dat we proberen, ja, mensen te enthousiasmeren?” (respondent 7).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7048bc2c-3fd6-4e01-b25a-6ee45e0c1685