CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

Besluitronde (raadsvergadering) 20 december 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord (125/2023)27.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

31

zekerheid 50 meter gehanteerd. Technisch zijn er tegenwoordig voldoende mogelijkheden om de afstand tussen verlichting en wonen te verkleinen en toch een aanvaardbaar hinder niveau te realiseren. Dat vereist natuurlijk wel medewerking van de sportverenigingen.

4.3.2

Geluid tennis- en voetbalvelden

Voor het geluid van de sportvelden geldt een richtafstand van 50 meter tot de gevel van woningen. Op grond van het Activiteitenbesluit is stemgeluid uitgezonderd. Indien op kortere afstand dan 50 meter woningbouw wordt toegestaan dient onderzoek uit te wijzen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van dit onderzoek zouden bijvoorbeeld ook in het bestemmingsplan nadere regels kunnen worden opgenomen voor het gebruik van de omroepof muziekinstallatie.

4.4

Geluid - Wegverkeerslawaai

Het gebied Vossenpels-Noord ligt binnen de geluidszones van de Zandsestraat, de Vossenpels, de Turennesingel en Het Buske. In het plangebied worden nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder moet er akoestisch onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting door het verkeer op deze weg. Uit geluidberekeningen blijkt dat de voorkeurswaarde voor wegverkeer op de Vossenpels wordt overschreden. De hoogste berekende geluidsbelasting is 58 dB wegverkeerslawaai. Geluidgevoelige bestemmingen kunnen alleen worden gebouwd als er een hogere waarde is vastgesteld. Deze hogere waarden worden vastgelegd in een afzonderlijk besluit waaraan voorwaarden verbonden zijn. Bij de plaatsing van de woningen op de bouwkavels moet rekening worden gehouden met het verkeerslawaai. Nieuwe woningen met een geluidsbelasting hoger dan 48 dB wegverkeerslawaai moeten een geluidluwe zijde hebben en daaraan moet de tuin liggen. Daarmee word de hogere geluidsbelasting op de gevel langs de weg gecompenseerd. Bij nieuwe woningen met een geluidsbelasting hoger dan 53 dB moet bovendien minimaal één slaapkamer aan de geluidluwe zijde liggen. Het bouwvlak tussen de woningen Vossenhol 23 en 25 ligt langs het deel van de Vossenpelssestraat waar een snelheidsregiem van 30 km/uur geldt. De nieuwe woonbestemmingen hoeven daarom niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

Gezien de hoge geluidsbelasting (56 dB) op dit bouwvlak en in het kader van goede ruimtelijke ordening stellen we aan de nieuwe woningen op deze locatie dezelfde eisen als aan de woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld. Bij de omgevingsvergunning zal met een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de geluidwering van de gevel voldoende is om het vereiste binnenniveau te halen. In Besluit Hogere Waarden Wet geluidhinder incl. akoestisch onderzoek bij deze toelichting is het ontwerpbesluit Hogere waarden Wet geluidhinder inclusief het akoestisch onderzoek opgenomen.

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsing aan regelgeving Bij toetsing van een ruimtelijk plan op luchtkwaliteit moet conform regelgeving gelet worden op de volgende 2 aspecten:

32

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

a. b.

Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit.

Ad a. Het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen. Deze betreffen de stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, fijn stof (PM10), koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, lood en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen overschrijdingen geconstateerd voor de stoffen NO2 en PM10. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen. De grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet luchtkwaliteit zijn weergegeven in onderstaande tabel. De regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteitseisen is verder uitgewerkt in AMvB's en Ministeriële regelingen. Bij het faciliteren van ruimtelijke plannen moet volgens de Nederlandse wetgeving de verandering van de luchtkwaliteit door het plan worden getoetst. Tabel: luchtkwaliteit

Jaargemiddelde grenswaarde NO2 Jaargemiddelde grenswaarde PM10 Daggemiddelde grenswaarde PM10

norm 40 ug/m3 40 ug/m3 max. 35 dagen/jaar > 50 ug/m3

ingangsdatum 1 januari 2015 1 juni 2011 1 juni 2011

Een ruimtelijke ontwikkeling kan doorgang vinden indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; de luchtkwaliteit door de ruimtelijke ontwikkeling, al dan niet in combinatie met aan het project verbonden maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), of; bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de ruimtelijke ontwikkeling, de luchtkwaliteit in een gebied rondom het project per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, of; de ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in, past binnen, of is in elk geval niet strijdig met een vastgesteld programma zoals het NSL (Wm artikel 5.16.1.d), of; er geen grenswaarden worden overschreden door de ruimtelijke ontwikkeling.

Wat betreft de bijdrage van een plan aan de luchtkwaliteit is het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen (Luchtkwaliteitseisen) van belang, die gelijk met de wetswijziging van kracht is geworden. Plannen die niet meer dan 3% bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5. Gevraagd is de mogelijkheid te creëren voor 574 woningen. Het plangebied wordt door middel van minimaal drie toegangswegen ontsloten waardoor de verkeersaantrekkende werking ongeveer 1492 mvt/etm (1% vracht) bedraagt per ontsluiting. Ten opzichte van de bestaande bestemming gaat dat aantal voertuigen geen toename van meer dan 3% veroorzaken. Ook zijn de jaargemiddelde concentraties in het gebied dermate laag dat de grenswaarden voor NO2 en PM10 als gevolg van het totale plan niet overschreden worden. Het plan is daarom NIBM.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

33

Ad b. Het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit. Op 16 januari 2009 is het Besluit "gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)" in werking getreden. Met deze amvb wordt de bouw van zogenaamde gevoelige bestemmingen in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. Het besluit heeft als doel het beschermen van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Over gemeentelijke wegen zegt het besluit niets en is derhalve geen beperking voor het plan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Ziekenhuizen, woningen, sportaccommodaties en horeca worden dus niet als gevoelige bestemming gezien. Woningen zijn geen gevoelige bestemmingen. Ter hoogte van de planlocatie zijn de concentraties fijn stof (max. 20 ug/m3 fijn stof) echter niet hoger dan de richtwaarde van WHO (tot 20 ug/m3 fijn stof). Er zijn daarom geen bezwaren voor het plan wat betreft luchtkwaliteit.

4.6

Geur

In het nieuwe woongebied Vossenpels noord zullen geen inrichtingen worden mogelijk gemaakt met een geurzone. Ook in de nabijheid van Vossenpels noord zijn geen bestaande inrichtingen met een geurzone die zijn invloed heeft op het plangebied Vossenpels noord en beperkingen oplevert voor de geplande woningbouw.

4.7

Externe veiligheid

De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en door risicovolle transportroutes. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden. De volgende risicobronnen hebben invloed op het plangebied: Het spoor van Nijmegen naar Arnhem en terug (730 meter) De N325, Prins Mauritssingel en de A15 (670 en 2400 meter) De Betuweroute (2700 meter) De hogedruk aardgastransportleidingen A524 en A533 (400 meter) De Waal (440 meter)

Geen van bovenstaande risicobronnen heeft een plaatsgebonden risicocontour over het plangebied liggen. Bovenstaande risicobronnen hebben een beperkte invloed op het plangebied. De afstand van de risicobron tot aan de rand van het plangebied is tussen haakjes aangegeven. De afstand van de bron tot het plangebied ligt (met uitzondering van de gasbuisleidingen) in zone 3 volgens de beleidsvisie Externe veiligheid van de gemeente (Beleidsvisie EV, Februari 2014). Dat wil zeggen dat alleen een zeer onwaarschijnlijk toxische scenario zich kan voordoen in het plangebied. Op pagina 33 en 34 van de beleidsvisie is een standaard verantwoording van het groepsrisico opgenomen voor deze bronnen. Voor de aardgastransportleidingen geldt dat het invloedsgebied (540 meter) over het plangebied ligt. De 100% lethaalcontour ligt op 210 meter en valt niet over het plangebied. De toevoeging van een aantal woningen in dit invloedsgebied kan derhalve beperkt worden verantwoord. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen geeft ook aan dat er bij een beperkte

34

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

toename van het groepsrisico en geen uitgebreide verantwoording hoeft plaats te vinden. De dichtheid in het plangebied is ook na realisering van het plan relatief laag (25-28 woningen per ha). Over het gehele plangebied worden ongeveer 650 woningen toegevoegd waarvan slechts een klein deel in het invloedsgebied van de buisleidingen komen te liggen. Al deze woningen liggen buiten de 100%-lethaal contour en hebben een verwaarloosbare invloed op de hoogte van het groepsrisico. Om deze wordt er afgezien van het berekenen van het groepsrisico. VRGZ advies Binnen het plangebied bevinden zich twee aardgasregelstations. Dit is het vrijstaande gebouw aan de Pelseland 8 en een kaststation aan de Jo Eversstraat 1. In het Activiteitenbesluit (paragraaf 3.2.2.) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die gelden vanaf het gasstation tot aan (beperkt-) kwetsbare objecten. De afstanden die dienen te worden aangenomen tot aan (beperkt)-kwetsbare objecten is voor Pelseland 8 is respectievelijk 4 en 10 meter en voor de Jo Eversstraat 2 en 4 meter. Pelseland 8 zal over enige tijd niet meer in gebruik zijn en voor dit gasstation is een sloopvergunning afgegeven. Conclusie Op grond van externe veiligheid is er geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.8

Bodem

Het bestaande bestemmingsplan wordt gewijzigd. Het bevoegd gezag moet bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2 Awb). Het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, waaronder de bodem. Ook moet inzicht bestaan over de uitvoerbaarheid van het plan (artikel 3.1.6 Bro). Bodemverontreiniging kan hierop van invloed zijn. Daarom beoordelen wij de bodemkwaliteit in relatie tot het bestemmingsplan. Binnen het plangebied bevonden zich een groot aantal kassencomplexen en boomgaarden. Binnen het plangebied zijn een groot aantal milieuhygiënische bodemonderzoeken uitgevoerd. De bodemonderzoeken voldoen aan de geldende NEN normen voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. Voorafgaand aan de onderzoeken is historisch onderzoek uitgevoerd naar bodembedreigende activiteiten en het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de bedekte teelt (glastuinbouw). In aanvulling op het standaard stoffenpakket is specifiek onderzocht op deze stoffen. Uit de bodemonderzoeken blijkt dat de bodem ter plaatse van de (voormalige) kassen lokaal verontreinigd is met de bestrijdingsmiddelen DDD/DDT/DDE en drins. Ter plaatse van voormalige bebouwing en woonerven wordt plaatselijk verontreiniging met asbest in de grond aangetroffen.

Bij ketelhuizen wordt lokaal minerale olie in grond en grondwater aangetroffen. Deze bodemonderzoeken zijn gedateerd, voldoen niet meer aan de vigerende onderzoeksnormen en verlangen soms nog aanvullend onderzoek. Eind 2019 zijn naar verwachting de actualiserende en aanvullende bodemonderzoeken gereed. Ervaring met herontwikkeling van voormalige kassencomplexen leert dat op een gering deel van deze complexen sprake zal zijn van gevallen van bodemverontreiniging. Bovengenoemde bodemverontreinigingen moeten voorafgaand aan de herontwikkeling van het plangebied gesaneerd worden. De kosten voor bodemsanering zijn in de projectexploitatie voorzien. In Bodemonderzoeken Vossenpels Noord bij deze toelichting is een drietal tekeningen opgenomen met daarop de gedateerde bodemonderzoeken ingetekend. De nummers van de bodemonderzoeken op de tekening komen overeen met de nummers in de tabel die na de

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

35

tekeningen is opgenomen. De rapporten kunnen via de hyperlinks gedownload worden.

4.9

Water

4.9.1

De watertoets

Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd.

4.9.2

Algemeen

Het plan behelst de ontwikkeling van het gebied Vossenpels noord. In het gebied worden tussen de verspreid liggende bestaande woningen nieuwe woningen gerealiseerd. Ook worden de sportvelden uitgebreid. Het plangebied maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van de Waalsprong. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023, het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong 2009 (WIW 2009) en de beleidsnota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) relevant. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels.

4.9.3

Oppervlaktewater

In het gebied liggen verschillende watergangen die het hemelwater van het gebied naar de Turennesingel afvoeren. Langs de Vossenpelssestraat ligt een watergang die het afstromende hemelwater in noordelijke richting afvoert. De waterstanden fluctueren met de waterstanden in de rivier mee. De watergangen in het gebied voeren niet permanent water en vallen bij lage waterstanden in de rivier droog. De bestaande watergangen in het plangebied worden omgeturnd naar wadi of zaksloot. Deze bodempassages zuiveren afstromend hemelwater en zorgen voor een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater, voor Vossenpels noord is dit de Turennesingel. Deze watergang maakt onderdeel uit van het watersysteem van de Waalsprong. Het watersysteem van de Waalsprong bestaat uit drie grote plassen die onderling verbonden zijn via singels, en heeft een uitlaat naar de Linge. In het watersysteem wordt geen water ingelaten. De singels hebben een variabel peil en kennen sterke fluctuaties. Het gemiddelde peil bedraagt NAP + 7,90 m. In droge periodes wordt water vanuit de plassen in de singels gepompt om een minimaal peil van NAP + 7,60 m te handhaven. De maximaal berekende waterstand in de Turennesingel bedraagt NAP + 8,60 m (bij bui T=10). De singels hebben verschillende functies.

Bij neerslag vangen ze water op, bij hevige neerslag voeren ze hemelwater naar de plassen af en bij hoge waterstanden in de rivier voeren ze kwelwater naar de plassen af. Voor de tussenliggende woongebieden hebben de singels een

36

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

drainerende functie. Ook hebben ze een ecologische functie en bepalen ze mede de kwaliteit van de leefomgeving. De singels zijn in beheer en onderhoud bij het waterschap. Het watersysteem is beschreven in het WIW 2009 en speelt een (mede)ordenende rol bij stedelijke ontwikkelingen. In het WIW 2009 behoren de gebieden Vossenpels zuid en noord niet tot het watersysteem van de Waalsprong. In 2011 heeft Royal Haskoning beoordeeld of de verharde oppervlakken die bij de uiteindelijke vaststelling van het WIW zijn gehanteerd, afwijken van de toenmalige stand van zaken van de verschillende plannen voor gebieden in de Waalsprong. In de Waalsprong bleek beduidend minder verhard oppervlak gerealiseerd te worden dan oorspronkelijk gedacht. Royal Haskoning concludeerde dat op basis van de uitgangspunten voor het WIW en het toenmalige denken over de invulling die aan de gebieden gegeven moest worden, er ruimte was in de retentie voor het extra afkoppelen van oppervlak. Het bood de mogelijkheid om onder andere het gebied Vossenpels zuid alsnog op het watersysteem van de Waalsprong aan te sluiten. Afgesproken is toen om de stand van zaken van de waterboekhouding halfjaarlijks te actualiseren. In de stand van zaken van juli 2017 bleek dat het ook mogelijk is het gebied Vossenpels noord op het watersysteem van de Waalsprong aan te sluiten.

4.9.4

Grondwater

Het oude dorp Lent ligt op een zandige stroomrug. Het plangebied ligt in een lager gelegen poldergebied. Bij hoge waterstanden in de rivier zoals in 1993 en 1995 kan het grondwater in het plangebied gemiddeld één keer in 25 jaar tot aan het maaiveld komen. In de Waalsprong wordt grondwaterneutraal gebouwd. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen. Om wateroverlast door hoge (grond)waterstanden te voorkomen wordt het plangebied opgehoogd. Hierbij worden eisen gesteld aan de ontwateringsdiepte (verschil tussen maaiveld en grondwaterpeil) en de drooglegging (verschil tussen maaiveld en oppervlaktewaterpeil). De voorwaarden waaraan de toekomstige maaiveldhoogte moet voldoen zijn: een minimale drooglegging van 1,00 m; een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 m beneden maaiveld ter plaatse van wegen/verharding; een minimale ontwateringsdiepte van 0,85 beneden vloerpeil ter plaatse van bebouwing; een minimale ontwateringsdiepte van 0,50 m beneden maaiveld ter plaatse van woningen zonder kruipruimten, tuinen en groenvoorzieningen;

Hierbij wordt verondersteld dat deze niveaus gemiddeld één keer per jaar mogen worden overschreden. Vloerpeilen dienen in principe minimaal 0,15 m boven de kruin van de weg te liggen. De kruin van de weg is hier gedefinieerd als het hoogste punt van de aan te leggen verharding. Voor het plangebied is een GHG van NAP + 9,50 m geadviseerd. Daaruit volgt een toekomstige maaiveldhoogte NAP + 10,20 m. Uit de voorlopige rapportage van RoyalHaskoningDHV blijkt dat de gemiddelde maaiveldhoogte ongeveer NAP + 10,20 m tot NAP + 10,30 m moet worden. Omdat het vloerpeil minimaal 0,15 m boven het wegpeil moet liggen, bedraagt het minimale vloerpeil NAP + 10,35 m. De ontsluitingswegen sluiten aan op de Laauwikstraat en Vossenpelssestraat. Deze liggen op circa 10,25 tot 10,75 m +NAP. Het plangebied bevindt zich niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

37

4.9.5

Afvalwater

In Vossenpels noord wordt een nieuw gescheiden rioolstelsel aangelegd. Ten noorden van de gebiedsontwikkeling is reeds een bestaand vuilwaterriool aangelegd in de Zandsepad. In deze straat is een tijdelijk gemaal aangelegd welke het vuilwater afvoert. Na de aanleg van de riolering in Vossenpels noord, wordt het tijdelijke gemaal verwijderd en wordt het bestaande vuilwaterriool aangesloten op het nieuwe vuilwaterriool om vervolgens onder vrij verval af te voeren naar het nieuwe gemaal. Ten zuiden van Vossenpels noord in de Vossenpelssestraat en Bekkersland is ook een bestaand gescheiden riool aanwezig. Ook dit riool is momenteel voorzien van een tijdelijk gemaal en wordt, na de aanleg van het gescheiden riool in Vossenpels noord, aangesloten op het nieuwe vuilwaterriool om vervolgens onder vrij verval af te voeren naar het nieuwe gemaal. Het tijdelijke gemaal komt daarmee te vervallen. De diepteligging van het vuilwaterriool in Vossenpels noord is afhankelijk van de diepteligging van de bestaande riolering in het zuiden en in het noorden. Voor de nieuwe gebiedsontwikkeling is overwogen om 1 of 2 nieuwe DWA gemalen toe te passen. Een studie heeft uitgewezen dat het realiseren van 2 nieuwe DWA gemalen voor Vossenpels noord de voorkeur geniet boven het realiseren van 1 nieuw gemaal.

De twee nieuwe DWA gemalen worden verdeeld over het plangebied, zodanig dat de diepteligging van de riolering beperkt blijft. Bij het toepassen van 2 gemalen blijft de diepteligging van zowel de strengen als gemalen beperkt tot een diepte van maximaal circa 4,5 m minus maaiveld. Door het toepassen van 2 gemalen komt de riolering minder diep te liggen, is er geen strijkriool benodigd en zijn de valhoogtes in de (val)putten beperkt. Beide rioolgemalen voeren het afvalwater af naar het gemengde rioolstelsel van Lent. Het ontwerp van het vuilwaterriool in Vossenpels noord biedt de mogelijkheid om het bestaande gemaal, ten westen van de sportvelden, op te heffen. Het vuilwaterriool in de Jo Eversstraat moet worden vervangen en onder vrij verval gaan afvoeren naar het nieuwe vuilwaterriool van Vossenpels noord ten oosten van de sportvelden.

4.9.6

Hemelwater

Voor het hele plangebied geldt dat schoon hemelwater niet wordt aangesloten op het rioleringssysteem maar onderdeel wordt van het hydrologisch systeem van de Waalsprong. Afstromend hemelwater wordt gezuiverd door middel van wadi's en zaksloten vervolgens afgevoerd naar de singels. Incidenteel is directe lozing van dakwater op de singels toegestaan. De eerste waterberging zal plaatsvinden in de wadi's en zaksloten binnen het plangebied. Vanuit deze voorzieningen wordt het water vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. De minimale berging in de infiltratie voorzieningen bedraagt 10 mm ten opzichte van het afwaterende verharde oppervlak. Bij grotere regenbuien treden de overstorten (slokops/overstortputten) in werking en wordt het teveel aan regenwater via overstortleidingen rechtstreeks naar oppervlaktewater afgevoerd. Het ontwerp van de wadi's en zaksloten dient te voldoen aan de eisen van de beleidsnota "Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer". In het op te stellen waterhuishoudkundig plan vindt nadere detaillering van de infiltratievoorzieningen en het daarop aangesloten verhard oppervlak plaats. In het waterhuishoudkundige plan wordt ook getoetst of de berging in het watersysteem van de Waalsprong voldoet aan het WIW 2009.

Als onvoldoende berging aanwezig is, moet in overleg met de gemeente Nijmegen en Waterschap Rivierenland naar aanvullende locaties voor waterberging gezocht worden.

38

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

4.10 Flora en Fauna 4.10.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is 1 januari 2017 inwerking getreden Deze wet staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of (ruimtelijke) ingrepen effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde bosopstanden.

4.10.1.1 Beschermde gebieden (Natura 2000 gebieden) en stikstof Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. Eind mei 2019 heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Raad van State heeft een streep gezet door het PAS. Iets specifieker: de Raad van State heeft geoordeeld dat het PAS niet meer gebruikt mag worden voor het geven van toestemming voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Er moet per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt om in beeld te brengen of wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens het stikstofrapport is de stikstofdepositietoename voor deze ontwikkeling niet groter dan 0,00 mol/ha/jr (Stikstofrapport Vossenpels Noord bij deze toelichting). Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) zijn op voorhand uit te sluiten.

De Wnb staat dus niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg.

4.10.1.2 Beschermde soorten De soortenbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); en Beschermingsregime andere soorten (Nationaal). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Dit betekent dat voor nieuwe ontwikkelingen waar negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd: een quick scan 'flora en fauna' en zo nodig een vervolgonderzoek. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Daarnaast is in de wet een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Bij uitvoering van activiteiten moeten

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

39

negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt worden. Door Bureau Waardenburg is een toetsing uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming, rapportage “Beschermde soorten en gebieden Wnb Vossenpels Noord, Nijmegen” van 3 december 2019 (Beschermde soorten en gebieden Wet natuurbescherming bij deze toelichting). Uit dit onderzoek blijkt dat de ingreep effecten veroorzaakt op diverse beschermde soorten. Voor een aantal soorten is mogelijk een aanvullende ontheffing nodig (zie tabel 1). Door het treffen van maatregelen in het kader van mitigatie en compensatie kunnen effecten worden voorkomen. Geadviseerd wordt te kiezen voor maatregelen die zijn gebaseerd op informatie uit Kennisdocumenten van BIJ12 of van deskundige soortbeschermingsorganisaties. Daarnaast is het belangrijk deze maatregelen tijdig te realiseren en onderdeel te maken van de uitvoering én deze te baseren op actuele kennis van verspreiding van soorten en aanwezigheid geschikt biotoop. In dat geval zijn er geen knelpunten met betrekking tot de ontheffingverlening door bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.10.1.3 Beschermde Bosopstanden (Houtopstanden, hout en houtproducten) Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Nijmegen. De regels ten aanzien van houtopstanden (hoofdstuk 4 van de Wnb) zijn voor het project niet van toepassing.

40

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

4.10.2 Provinciale Omgevingsvisie Gelderland In de Omgevingsvisie Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de omgevingsvisie zijn de waardevolle natuurgebieden opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO).

4.10.2.1 Gelders Natuurnetwerk In de Omgevingsverordening zijn de bijbehorende regels vastgelegd. Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatieplan gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt.

4.10.2.2 Groene ontwikkelingszone De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een substantiële versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De oude ecologische verbindingszones (evz's) maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op grond van de aard van de ingreep en afstand tussen NNN en plangebied zijn effecten op het NNN uitgesloten. Conclusie Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO), de waardevolle natuurgebieden die in de Omgevingsvisie Gelderland opgenomen zijn. De Omgevingsvisie is wat dat betreft niet van toepassing.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

41

4.10.3 Gemeentelijk beleid 4.10.3.1 Coalitieakkoord 2018- 2022, Nijmegen: samen vooruit Inwoners en toekomstige inwoners van Nijmegen stellen hogere eisen aan de kwaliteit van hun woon- en leefomgeving, mensen kiezen in toenemende mate hun woonplaats op grond van de kwaliteit van de leefomgeving en kijken van daaruit welke banen bereikbaar zijn. Een groene gemeente met goede voorzieningen en een aantrekkelijke stedelijke woon- en leefomgeving heeft de toekomst. De kwaliteit van de stedelijke omgeving is voor ons een prioriteit. Wij richten de woonstraten groen en duurzaam in. Parkjes en groenvoorzieningen blijven we aan de stad toevoegen. We hebben bij de inrichting hiervan oog voor het gebruik van het groen en voor de ecologische waarde. We willen een overheid zijn die inwoners en organisaties de ruimte biedt de eigen leefomgeving vorm te geven.

4.10.3.2 Topindicator groen (2010) In 2010 heeft de raad voor groen de topindicator "binnen 300 meter van iedere woning 0,5 hectare aaneengesloten vlakgroen" vastgesteld. De topindicator refereert aan onderzoeken van Alterra waarin 300 meter als realistische loopafstand naar groen voor kinderen en ouderen wordt geadviseerd. De 0,5 hectare komt daarbij voort uit ervaringscijfers. Na nuancering en verfijning van de topindicator is in 2013 een overzicht gemaakt van gebieden waar de toevoeging van groen gewenst is. We passen de topindicator toe bij veel plannen en beleidsstukken. Bijvoorbeeld in de nota 'Samen gezond verder. Lokaal gezondheidsbeleid Nijmegen 2013-2016' wordt het belang van groen genoemd en is de topindicator onderdeel van het beleid. De indicator is nuttig om gebieden te identificeren waar een groentekort is. Het is zaak om nieuwe woongebieden dusdanig in te richten dat aan de topindicator groen wordt voldaan en dat er voldoende groen op loopafstand beschikbaar is. Het plangebied dient voldoende openbaar toegankelijk groen te bevatten met een diversiteit aan structuur en hoogtes (gras/struiklaag/boomlaag) wat zowel de biodiversiteit als de belevings- en gebruikswaarde bevorderd.

Conclusie In het plangebied wordt voldaan aan deze norm door aanleg van een groen raamwerk waarbinnen nieuwe buurtschappen worden ontwikkeld.

4.10.3.3 Groenplan De groene draad (2007) Het groenbeleid is vastgelegd in "De groene draad - kansen voor het Nijmeegse groen" en heeft als doelstelling: inzicht te geven in het totaal van groene ontwikkelingen in en om de stad en hun onderlinge samenhang; een sturingsinstrument voor het bestuur te zijn voor groene ontwikkelingen in de stad; vanuit een groen toekomstperspectief een gids of leidraad te zijn voor toekomstige stedelijke ontwikkelingen; de groene ambities te benoemen voor de komende jaren die vertaald worden in een uitvoeringsprogramma.

De hoofdgroenstructuur is de basis van het groen in Nijmegen en opgebouwd uit groene

42

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

vlakken (parken en groengebieden) en de hoofdboomstructuur. De hoofdboomstructuur bestaat uit lijnen (bomen langs wegen en cultuurhistorische lijnen) en punten (bijzondere en monumentale bomen en boomgroepen). We streven er naar om de hoofdgroenstructuur in stand te houden en de ambities te verwezenlijken. Uitgangspunten In diverse uitgangspunten voor de Waalsprong is aangegeven dat het van belang is om het nieuwe karakter van de Waalsprong te baseren op oude waarden en kenmerken van het gebied. De wijken van de Waalsprong zullen zelf voldoende groen op korte afstand van de huizen moeten hebben; de Landschapszone kan niet als enige uitloopgebied dienen. Natuurwaarden zoals die nu in het Waalsprong gebied voorkomen zullen geïntegreerd worden in de ontwikkeling van de Landschapszone. Ook in de ontwikkeling van woonwijken dient rekening gehouden te worden met de aanwezige natuurwaarden. Deze kunnen op een creatieve wijze meegenomen worden in planvorming en ontwerp. Kaders Het Werkboek Buitenruimte Waalsprong is vastgesteld beleid en geldt als uitgangspunt voor de inrichting van de openbare ruimte in de Waalsprong. Voor groen gelden de volgende uitgangspunten: Bij nieuw groen moeten vooral kwaliteit en afstand tot de woningen in de gaten gehouden worden.

Dit betekent dat het groen bij voorkeur in de wijk komt te liggen en niet tussen de wijk en een spoorlijn of snelweg bijvoorbeeld. Dan is het groen immers maar van één kant toegankelijk. Wat betreft kwaliteit en inrichting van het groen is het belangrijk dat rekening wordt gehouden met de leeftijdsopbouw in de wijk en daarbij ook de toekomst niet wordt vergeten.

Kansen Verbinding met andere landschappen in de directe omgeving is van belang vanuit ecologisch en recreatief oogpunt. De Landschapszone zal hierin een rol vervullen tussen de Oosterhoutse waarden en park de Woerdt dat onderdeel uitmaakt van het noordelijker geplande Park Lingezegen.

4.10.3.4 Handboek stadsbomen (2009) Het Handboek Stadsbomen is een uitwerking van het Groenplan "De Groene draad, kansen voor het Nijmeegse groen'. Het Handboek Stadsbomen vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De hoofddoelstelling van het Handboek Stadsbomen is het waarborgen van de duurzame instandhouding van het Nijmeegs bomenbestand door middel van behoud èn ontwikkeling. Het Handboek Stadsbomen heeft betrekking op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

43

Hoofdboomstructuur In het Handboek Stadsbomen is de hoofdbomenstructuur opgenomen en is onderdeel van de hoofdgroenstructuur. De hoofdbomenstructuur leggen we niet vast in bestemmingsplannen maar wordt wel beschreven in de toelichting en speelt daarmee wel een rol in bestemmingsplannen.

Afbeelding 5 Bomenstructuur Waalsprong Bijzondere bomen Monumentale bomen weerspiegelen net als monumentale gebouwen de geschiedenis van de stad. Om de cultuurhistorische betekenis van het groen in de stad te waarborgen, zijn de monumentale bomen geïnventariseerd. Van de gemeentelijke bomen zijn alle monumentale, bijzondere en waardevolle bomen opgenomen. Monumentale en waardevolle bomen zijn minstens 50 jaar oud, hebben een cultuurhistorische betekenis en hebben een goede levensverwachting. De waardebepaling van monumentale bomen ligt hoger dan bij de waardevolle bomen. Alle bijzondere bomen vallen onder het regime van de omgevingsvergunning, het kappen van houtopstanden.

44

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

Afbeelding 6 Waardevolle bomen

4.10.3.5 Ecologie van de stad De bijzondere ligging van Nijmegen op een kruispunt van het rivierengebied, de hogere zandgronden en het stuwwallencomplex zorgt ervoor dat niet alleen rondom Nijmegen, maar ook binnen de stadsgrenzen een verscheidenheid aan leefmilieus voor planten en diersoorten aanwezig is. Grootschalige natuurgebieden om de stad, zoals de Gelderse Poort, de uiterwaarden van de Waal, De Ooypolder, het Hatertse Vennengebied, Heumensoord fungeren hierbij als brongebied voor natuurwaarden in de stad. We hebben de ecologische structuren, de ecologische hotspots en de ecologische waardevolle wijkspots in de wijk in Nijmegen in kaart gebracht. Ecologische structuren laten de relaties zien tussen natuurwaarden in de stad en natuurwaarden om de stad. Soorten kunnen zich hierlangs verplaatsen en hebben zo een gevarieerd leefgebied tot hun beschikking.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

45

Afbeelding 7 Ecologische structuur

4.10.3.6 Soortenmanagementplan Nijmegen de Waalsprong (SMP-N) In het ontwikkelgebied 'de Waalsprong' worden de komende jaren nog duizenden woningen met bijbehorende voorzieningen gebouwd. Gebleken is dat er op een effectievere en efficiëntere manier kan worden omgegaan met de onder de Wet natuurbescherming beschermde diersoorten die in de Waalsprong voorkomen. Onder andere daarom heeft de gemeente Nijmegen voor het ontwikkelgebied 'de Waalsprong' meegedaan aan een pilot Soortenmanagementplan (SMP-N) van de provincie Gelderland. Via het SMP-N wordt ook deels invulling gegeven aan de aangenomen raadsmotie 'Natuurinclusief bouwen' van 14 november 2018. Het SMP is een eigen plan van de gemeente waarin zij aangeeft hoe in de ontwikkelgebieden van de Waalsprong wordt omgegaan met de daar voorkomende soorten in casu de steenuil, ransuil, kerkuil, buizerd, roek, grote modderkruiper, rugstreeppad en poelkikker. Op basis van het SMP-N is een zogenoemde gebiedsontheffing soorten Wet natuurbescherming (Wnb) verkregen. Deze ontheffing is alleen mogelijk als in de eindsituatie een duidelijke 'plus' voor (beschermde) soorten wordt gecreëerd. Op 8 mei 2019 heeft Gedeputeerde Staten van Gelderland besloten om de gevraagde ontheffing te verlenen. Door uitvoering van het SMP-N wordt bewust een plus voor de natuur gecreëerd in de groenstructuur en in de gebouwen.

Op die manier wordt ook de natuurbeleving van mensen in hun woonomgeving versterkt. In het SMP-N staat de volgende tekst voor dit plangebied: Op de locatie Vossenpels Noord wordt een woonwijk ontwikkeld. Vossenpels Noord is van oudsher een tuindersgebied (kassen) en ligt tegen de gemeentegrens met Lingewaard. Door de ligging grenzend aan de Landschapszone, Park Lingezegen en het Rivierpark is het gebied ingesloten in een groene omgeving. Het voornemen is om een groen raamwerk van houtsingels

46

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

aan te leggen die ervoor zorgt dat er verschillende kamers ontstaan. De verschillende besloten woongebiedjes worden met elkaar verbonden worden door groene routes. Het groene raamwerk zorgt ook voor een goede verbinding met de omgeving. Natuurinclusief bouwen Via het SMP-N wordt ook deels invulling gegeven aan de aangenomen raadsmotie 'Natuurinclusief bouwen' van 14 november 2018. Ter uitvoering van de raadsmotie wordt in de Waalsprong een wijk ontwikkeld waar rekening wordt gehouden met allerlei aspecten van de natuur of die nou zeldzaam en beschermd zijn of niet. In dit licht is een korte handleiding Natuurinclusief bouwen opgesteld die makkelijk toepasbare brokjes biedt waaruit gekozen kan worden, afhankelijk van wat in welke situatie mogelijk is (bijlage 5 van het SMP-N). Om natuurinclusief bouwen te implementeren in de bouwplannen, is de Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen, Leidraad voor de Waalsprong opgesteld. Deze toolbox is gebaseerd op de omgeving, de gewenste soorten en de ambitie en gekoppeld aan de Leidraad natuurinclusief bouwen, renoveren en verduurzamen van de Provincie Gelderland.

Het systeem richt zich in eerste instantie op de gebouwgebonden soorten gewone dwergvleermuis, huismus, gierzwaluw maar op basis van de ecologische potenties en behoeften, worden er binnen de deelgebieden bepaald op welke soorten en aanvullende maatregelen de focus wordt gelegd. Voor alle nieuw te ontwikkelen gebieden geldt vanaf 2020 het in het SMP-N vastgelegde minimumambitieniveau. Dit betreft geïntegreerde voorzieningen in de gevels of onder dakpannen van hoogbouw en grondgebonden woningen. Om tot duurzame vestiging van de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis te komen, zijn nestvoorzieningen alleen niet genoeg. Wanneer de soorten geen plek hebben om te foerageren, is de waarde van de nestvoorzieningen daar beperkt. De toolbox bevat daarom tevens groene omgevingsmaatregelen waardoor de stedelijke biodiversiteit wordt versterkt, de belevingswaarde voor de toekomstige bewoners vergroot en een bijdrage wordt geleverd aan klimaatadaptatie. Het SMP-N is op 12 maart 2019 en de Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen, Leidraad voor de Waalsprong is op 4 februari 2020 door het college vastgesteld.

4.10.3.7 Groen en gezondheid Groen heeft niet alleen een ecologische waarde, het draagt bij aan de gezondheid van mensen, het zorgt voor een aantrekkelijke omgeving voor wonen, werken en recreëren. Groen bevordert de gezondheid, het nodigt uit om te bewegen en patiënten herstellen sneller in een groene omgeving. Voor kinderen is het belangrijk om juist al op jonge leeftijd in contact te komen met een groene leefomgeving. Bij de inrichting van de (school-)omgeving is dit nadrukkelijk een aspect om rekening mee te houden. Met Nijmegen: Groen, gezond en in beweging (vastgesteld door het College op 14 maart 2017 en ook opgenomen in de gezondheidsagenda) werkt de gemeente aan gezonde inwoners in een gezonde omgeving.

4.10.3.8 Stad en Natuur: klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen Nijmegen is een van de groenste steden van Nederland. Niet alleen door de aanwezigheid van veel groen, maar ook vanwege de groene bestuurlijke ambities. Bij nieuwe ontwikkelingen zoals dit plangebied ontstaan kansen voor de natuur in de stad. Op 14 november 2018 heeft de gemeenteraad de motie Natuurinclusief bouwen aangenomen. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

47

te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Door natuurinclusieve maatregelen wordt de leefomgeving voor gebouwbewonende diersoorten verbeterd en de biodiversiteit bevorderd. Ook hebben de maatregelen effect als anti-mug en anti-stress en geven belevingswaarden. Daarnaast verhoogt het de geluidsisolatie, luchtzuivering, waterbergingscapaciteit en warmteregulering in het stedelijk gebied. Dit verhoogt uiteindelijk de leefkwaliteit van de stad en biedt verschillende soorten een plek in de stad. Onderdeel van natuurinclusief bouwen is ook de toepassing van kruidendaken op de platte daken van nieuwbouw. Een groen dak heeft duidelijk meer waarde voor de biodiversiteit en de leefbaarheid. En tevens heeft het een functie voor de waterberging bij piekbuien, verbetert het de luchtkwaliteit en brengt het koelte in de stad en de woning. Een bijkomend voordeel is dat groene daken een communicatiemiddel is om het bewustzijn van bewoners te vergroten voor de klimaatverandering. Nijmegen is aangesloten bij de landelijke campagne Operatie Steenbreek. Het doel van deze campagne is om bewoners te enthousiasmeren om hun tuin te vergroenen. De negatieve gevolgen van verstening zoals wateroverlast en ook droogte, hittestress en minder biodiversiteit worden daarbij onder de aandacht gebracht.

Beter is nog dat bij de ontwikkeling van dit plangebied groene (binnen)tuinen, groene daken en gevelgroen mee wordt ontworpen zodat verstening van de tuinen vanaf het begin zoveel mogelijk wordt voorkomen. Door de klimaatsveranderingen ontstaan er steeds meer milieuproblemen in de stedelijke omgeving. Door overmatige regenval ontstaat wateroverlast; de temperatuurstijging veroorzaakt hitte eilanden in overmatig stenige omgevingen en door het fijnstof probleem krijgen steeds meer mensen gezondheidsklachten. Groen kan ingezet worden om deze milieuproblemen te verzachten. Hemelwater kan opgevangen worden in groengebieden en door het vergroenen van stenige pleinen zal de temperatuur iets afnemen en diverse planten nemen fijnstof op uit de lucht. Groen kan op deze wijze bijdragen aan een beter en gezonder leefklimaat. Vanwege de onlosmakelijke relatie tussen groen/natuur en water zal een deel van de waterberging in de groene ruimte worden gezocht. We streven naar een goed evenwicht tussen beide functies zodat het resultaat een impuls oplevert voor natuurwaarden en natuurontwikkeling.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Cultuurhistorische analyse De relatie met het water heeft voor de Vossenpels een bijzondere betekenis. Het gebied is van oudsher gelegen op een complex van meandergordels, aangeduid als de stroomgordel van Ressen. Voordat de Waal zijn huidige beloop had gevonden, bevond zich nog een prehistorische Waalloop rond de noordgrens van de huidige Waalsprong, tussen Bemmel/Doornik en Oosterhout. De Waal lag aanvankelijk dus niet aan de zuidzijde, maar juist ten noorden van het plangebied. Na de ijstijd, toen de Waal steeds meer water te verwerken kreeg, ging de rivier meer meanderen en kwam deze ten zuiden van Lent te liggen. In de Romeinse tijd lag Lent en omgeving hierdoor op een soort eiland. Het gebied werd aan de noordzijde omgeven door een ingeslapen Waalloop en aan de zuidzijde begrensd door een levendige Waal. Kenmerkend voor het rivierengebied is dat de bewoners zich van oudsher vestigden op de stroomruggronden. Boeren legden akkers en weiden aan tussen de loofbossen met eik, iep, beuk en linde die op de stroomruggen groeiden. De moerassige komgebieden dienden tijdens

48

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

drogere perioden als weidegebied. Bij een hoge waterstand van de rivier stroomde het water middels overloopgeulen die de oeverwallen doorsneden naar de komgebieden. In de 11e eeuw werden de nog aanwezige loofbossen op de stroomruggronden gekapt om akkers en weilanden aan te leggen. De ontginningen op de stroomruggen kregen een onregelmatig blokvormig patroon. Om de landbouwgronden te beschermen tegen jaarlijkse overstromingen in de winter, werden in de 11de eeuw door de bewoners van het gebied dwarskaden en achterkaden (zijdwangen) opgeworpen. Bij een overstroming werd het water door deze waterkeringen naar de lager gelegen komgebieden geleid. De kades werden aangelegd op de grens van het grondgebied van verschillende (kerk)dorpen. De Vossenpelssestraat is als kade ontstaan. De straat ligt nog duidelijk iets hoger in het landschap. De Oosterhoutse wal is als dwarskade door de Oosterhouters aangelegd. De Ressense Wal en het Ressense walleke scheidde de kerkdorpen Ressen en Lent en zijn eveneens als achterkades opgeworpen. Andere kades in Nijmegen Noord zijn onder andere de huidige Visveldsestraat en Laauwikstraat. Vanaf de 12e eeuw werden kades langs de rivier aangelegd. In de loop van de daarop volgende eeuw kwam de bandijk gefaseerd tot stand. De bandijk werd vermoedelijk aan het begin van de 14e eeuw volledig gesloten.

In deze periode liep de Waal nog min of meer parallel aan de Vossenpelssestraat.

Afbeelding 8 Kaart 'Waterstaat' uit de Cultuurhistorische Effectrapportage behorend bij MER Ruimte voor de Waal Na de bedijking werden in de 13de en 14de eeuw de moerassen ontgonnen die in de komgebieden voorkwamen. De oude wegen op de stroomruggen en de dijken langs de rivier vormden daarbij over het algemeen de ontginningsbases, waarlangs de boerderijen lagen. Om de lager gelegen gebieden te ontwateren werden sloten gegraven. Het overtollige water werd in noordwestelijke richting afgevoerd via zogenaamde 'zegen' of 'pijpen'. Deze leigraven werden aangelegd in de laagste en natste delen van het landschap en vormden veelal de grens tussen het grondgebied van verschillende dorpspolders. Dwars op deze watergangen werden afwateringssloten gegraven. In het komgebied tussen Lent, Oosterhout en Ressen kwam een strookvormig verkavelingspatroon tot stand, dat opvallend regelmatig is. Een deel van de

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

49

huidige parcellering in het plangebied is vermoedelijk in de late middeleeuwen tot stand gekomen. In elk geval is een deel van de huidige parcellering nog hetzelfde als op de kadastrale kaart van 1881. Vanaf de 15e eeuw kreeg de Waal een steeds gewelddadiger karakter en werd de druk op de bottleneck in dit gebied steeds groter. De rivier begon steeds meer te beuken tegen de dijken en zorgde voor diversen dijkdoorbraken. In de eeuwen daarna hebben verschillende reusachtige dijkdoorbraken bij Doornik en Oosterhout plaatsgevonden. Daarbij zijn hele dorpskernen weggevaagd. Daarnaast haalde het water zand en grind op uit de diepe kolken en stortte deze over de gronden achter de dijken, waardoor deze onvruchtbaar werden. Tuinbouw De dijkdoorbraken verwoestte de landbouwgronden, maar zorgden tegelijkertijd voor goede overslaggrond. Ter plaatse van Vossenpels en 't Zand bleef zand achter. Door dit zand door de klei te werken ontstond lichtere grond die uitstekend geschikt bleek voor het telen van fruit, tabak, groenten en bloemen. Meer naar het westen ('t Visveld) is het pakket zand dunner of geheel onder de klei terecht gekomen. Hier eindigde dan ook de tuingrond. De naam Keimate is aan deze overgang van grond ontleend. Mate betekent moeras, oftewel slechte grond. Al in de 16e eeuw werd in het land ten noorden van de Waal groente en fruit geteeld.

De landbouwcrisis van de jaren '70 en '80 van de negentiende eeuw is waarschijnlijk één van de redenen waarom in Lent zoveel warmoezeniersbedrijven ontstonden. Europa werd overspoeld door goedkoop graan, vlees en tabak uit Amerika en andere landen. Dit betekende het einde van de tabakcultuur in de Betuwe, dus ook in Lent. De intensieve fruitteelt nam echter toe en ook het kweken van groente en bloemen. In de Vossenpels breidde zich ook de teelt van perken potplanten sterk uit. In de ongekend strenge winter van 1920 bevroren veel planten in de zogenaamde koude bakken. Al snel verschenen daarom op de bakkeplekken kleine ketelhuisjes naast een grotere of kleinere gemetselde schoorsteenpijp. In de kelder stond een cokeketel met ruimte voor een kleine voorraad cokes voor de centrale verwarming van de planten. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een einde aan glazen bakken. De kassenbouw nam toe. De glasbouw moderniseerde zodanig, dat Lent een "glazen dorp" werd. De warmoezenier maakte plaats voor kwekers van potplanten. In het plangebied bevinden zich nog diverse kassen. Buurtschappen Vossenpels en 't Zand In de middeleeuwen diende de Vossenpelssestraat als postweg naar Ressen en Arnhem. Aan de Vossenpelssestraat kwam het buurtschap Vossenpels tot stand.

De naam Vossenpels zou te herleiden zijn tot een boerderij met die naam, die in elk geval in de zestiende eeuw al bestond, maar vermoedelijk ouder was. De Vossenpelssestraat was de ontginningsbasis van waaruit de verkaveling tot stand kwam. De parcellering is daarom oost-west georiënteerd. De boerderijen lagen aan de Vossenpelssestraat. Vanaf de Vossenpelssestraat zijn dwarsverbindingen tot stand gekomen waar eveneens boerderijen aan kwamen te liggen, de huidige Bergstraat, Smitjesland en Pelseland. Deze straten waren eind 19e eeuw nog niet meer dan zandweggetjes, aangezien ze nog niet op de kadastrale kaart van 1881 zijn weergegeven. De geschiedenis van Vossenpels is nauw verbonden met Ressen en Doornik. Doorniks was oorspronkelijk een klein dorp ten zuiden van Ressen dat in 1799 bij een dijkdoorbraak grotendeels verdween. In de veertiende eeuw stond hier al een kasteel. Vanaf de Vossenpelssestraat liep een oprijlaan naar het kasteel. Vossenpels en 't Zand behoorden tot het kerkdorp Lent, maar waren eeuwenlang meer gericht

50

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

op Ressen en Bemmel. Inwoners gingen daar naar de kerk en naar school. De buurtschappen lagen namelijk geïsoleerd ten opzichte van Lent. De landerijen in eigendom van de gemeente Nijmegen en behorend bij de boerderijen het Visveld en Laauwik scheidden vanaf de 16e eeuw de Vossenpels van Lent. De enige directe verbindingen naar het dorp was de Modderstraat (huidige Laauwikstraat), die niet voor niets zo heette en slecht begaanbaar was, en het Kerkpad, een voetpad. De Modderstraat werd pas in 1929 verhard.

Afbeelding 9 Kadastrale kaart 1881-1887 (Gelders Archief) Dat de buurtschappen een eigen leven los van Lent leidden bewijst de eigen kermis, die van 1898 tot 1965 heeft bestaan. En toen in Lent in 1904 een afdeling van de Nederlandse Boerenbond werd opgericht, richtte men in de Vossenpels en 't Zand in 1905 een eigen vereniging tot aankoop van land- en tuinbouwbenodigdheden op. Tussen 1916 en 1918 hadden de buurtschappen zelfs een eigen voetbalclub, Germania.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

51

Afbeelding 10 Uitsnede van de kaart van Pinchot LeClerq uit1844 (Nationaal Archief). De buurtschappen Vossenpels en 't Zand zijn zichtbaar, evenals de verschillende grondgebruiken van de percelen en de oprijlaan naar Doornik. Karakteristieken Het plangebied bestaat uit de buurtschappen Vossenpels en 't Zand. Het gebied wordt begrensd door de Vossenpelssestraat, Laauwikstraat, het water ter plaatse van de vroegere Tweede Bovenpijp en het Zandsepad/Ressens walleke. Kenmerkend voor het gebied is de kleinschaligheid. De percelen van de buurtschappen waren kleiner dan bijvoorbeeld die behorend bij boerderij 't Visveld ten westen van de Tweede Bovenpijp. De verkaveling is oost-west georiënteerd. Perceelsgrenzen worden veelal begeleid door groen en vallen soms ook gelijk met watergangen. Aan de Vossenpelssestraat is sprake van lintbebouwing. Aan de dwarsstraten bevindt zich verspreid kleinschalige (voormalige) agrarische bebouwing. De dwarsstraten zijn smalle wegen met veelal aan een zijde een watergang en aan weerszijden veelal groene bermen. Achter de woningen aan de straatzijde bevinden zich kassen. Het grondgebruik is van oudsher divers. Op de kaart van 1844 is onderscheid te zien tussen boomgaarden, weidegebied en landbouwgrond.

52

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

Op dit moment zijn er ook nog boomgaarden, weidegrond en kassen aanwezig. Bronnen: - Gelders Genootschap, Het land over de Waal. Cultuur-historische beschrijving, 1995 - F. van Hemmen, Ruimte voor de Waal - Nijmegen. Cultuurhistorische Effectrapportage (CHER), 1 oktober 2010 - Stichting Werkgroep Kadastrale Atlas Gelderland, Kadastrale Atlas Gelderland 1832. Elst en Lent. Tekst en Kadastrale gegevens, Arnhem 2012 - Krantenartikel H. Jansen, Vossenpels en 't Zand "een geschenk van de Waal", collectie Herman Jansen in het Regionaal Archief Nijmegen, archiefnummer 108

4.11.2 Cultuurhistorisch beleidskader 4.11.2.1 Rijksbeleid Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. Het geeft identiteit en kwaliteit aan een gebied. Om deze redenen heeft het rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen cultuurhistorische gebouwen, objecten en structuren te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en die in het bestemmingsplan te verankeren. De Monumentenwet 1988 vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Voor het wijzigen en slopen van rijksmonumenten is een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig.

4.11.2.2 Gemeentelijk beleid 4.11.2.2.1 Monumentenverordening De aanwijzing van gemeentelijke monumenten, bouwhistorie monumenten, identiteitsbepalende objecten en beschermde stadsbeelden met stadsbeeldobjecten geschiedt op basis van de monumentenverordening. Afhankelijk van de beschermingsvorm is voor wijziging, verbouw en sloop al dan niet een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig. 4.11.2.2.2 Aandachtslijst Cultureel Erfgoed De aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. De lijst is globaal getoetst aan de selectiecriteria uit de Monumentenverordening. Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Pas als er sprake is van een beschermingsprocedure zal dit onderzoek worden gedaan en worden de exacte cultuurhistorische waarden vastgesteld. Het college heeft de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Vossenpels Noord

53

4.11.2.2.3 Nota Cultureel Erfgoed Het gedachtengoed uit de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg en het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening is aanleiding geweest het gemeentelijk erfgoedbeleid te actualiseren. Dit heeft geresulteerd in de Nota Cultureel Erfgoed, die op 15 mei 2013 door de raad is vastgesteld. Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de eigen identiteit te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken.

De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=dbf6395b-c99d-4d75-b38c-b3555792da5b